Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’
Tekst van het document
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft het CIMLK-monitoring 2022 het volgende overzicht voor het jaar 2021 (receptor 73552739_165288): • Een stikstofconcentratie van 13,9 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,0 µg/m3 PM10 met 6 normoverschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van 9,2 µg/m3 PM2,5. Geconstateerd wordt dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan.
Daarnaast kan ten aanzien van de woningen gesteld worden dat het
72
plan valt binnen het Besluit NIBM. Het plan omvat echter niet alleen de realisatie van woningen, maar ook een elektrotechnisch installatiebedrijf. Dit bedrijf zal zorgen voor extra verkeersaantrekkende werking en is niet vrijgesteld van toetsing. Derhalve is de invloed van de verkeersaantrekkende werking vanwege de gehele ontwikkeling op de luchtkwaliteit berekend met de NIBM-tool 2022. Voor wat betreft de verkeersgeneratie is aangesloten bij §2.2.3 van deze toelichting. Voor wat betreft het aandeel vrachtverkeer is uitgegaan van een worst-case scenario, namelijk een aandeel van 10%. Het jaar 2024 is aangehouden voor de planrealisatie.
Gesteld kan worden dat het plan valt binnen het besluit NIBM en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan valt in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
73
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 6: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) Milieucategorie Rustige woonwijk of rustig Gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een agrarische bedrijfsloods ten oosten van de bestaande loods. Hiermee is sprake van het uitbreiden van de milieubelastende functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt als gemengd gebied beschouwd. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
74
Milieugevoelige objecten Op het perceel worden nieuwe woningen gerealiseerd, hierdoor is er sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of de nieuwe woningen geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende milieubelastende functies gelegen. Tabel 7: Omliggende reeds aanwezige milieubelastende functies Adres Functie MilieuGrootste cat. richtafstand Zuidzijde 126a Opslaggebouw 2 10 meter Zuidzijde 127 Aannemersbedrijf (490 m²) 2 10 meter De Heuvel 1-3 Transportbedrijf (967 m²) 3.1 30 meter
Werkelijke afstand 14 meter 24 meter 17 meter
Afbeelding 44: Afstanden bedrijven tot nieuwe milieugevoelige objecten
Er wordt niet voldaan aan alle afstanden. Ten aanzien van het transportbedrijf (De Groot Drukkerij bv) geldt dat de richtafstand niet wordt gehaald. De grootste richtafstand betreft de richtafstand voor geluid. Om aan te tonen dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, ondanks dat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid, is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit het onderzoek luiden:
75
‘Boerderijwoning (split-level woningen) Om de bedrijfsvoering van De Groot niet te belemmeren, dienen de volgende maatregelen te worden getroffen: 1. Het tuinscherm zoals weergegeven in figuur 4.7 dient te worden geplaatst; 2. Het verhogen van het balkonscherm (zie ook figuur 4.6) op de zuidwesthoek tot minimaal 1,5 meter boven peil. De exacte maatvoering dient bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning “Bouwen” te worden opgegeven; 3. De westgevel dient ter plaatse van toetspunt T_5_B en T_5_C als dove gevel te worden uitgevoerd; 4. Het opstellen van een maatwerkvoorschriften overeenkomstig onderstaande tabellen 5.1 en 5.2. Schuurwoning (toetspunten 7 t/m 10) Om de bedrijfsvoering van De Groot niet te belemmeren, dienen de volgende maatregelen te worden getroffen: 1. Het geluidscherm zoals weergegeven in figuur 3.1 [van het onderzoeksrapport] dient te worden geplaatst; 2. De west- en zuidgevel van de woning dient op verdiepingsniveau te worden uitgevoerd als dove gevel (toetspunt 9/10); 3. Het opstellen van een maatwerkvoorschrift overeenkomstig onderstaande tabellen 5.1 en 5.2.
76
Omdat de woningen beschikken over een geluidluwe gevel en/of buitenruimte, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het opstellen / verlenen van een maatwerkvoorschrift is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dit geval de OZHZ. Bovenstaande tabellen zijn een suggestie voor de geluidgrenswaarden.’ Ten aanzien van industrielawaai is er sprake van een goed woon- en leefklimaat, mits een geluidscherm van 3 meter hoog en een tuinscherm van 2 meter hoog worden gerealiseerd. Daarnaast dient de zuidwestelijke woning in de woonboerderij voorzien te worden van een balkonscherm van minimaal 1,5 meter hoog. Om het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering te belemmeren, worden maatwerkvoorschriften vastgesteld en wordt de zuidelijke en westelijke gevel van de verdieping van de vrijstaande schuurwoning ten zuiden van het boerderijvolume doof uitgevoerd. Ook worden de tweede verdieping van de zuidgevel en de verdiepingen van de westgevel van de boerderijwoning doof uitgevoerd. Geluidscherm Het geluidscherm dient 3 meter hoog en landschappelijk ingepast te worden. In de regels van dit plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie van het geluidscherm. Dat betekent dat de woningen niet in gebruik mogen worden genomen totdat het geluidscherm is gerealiseerd en landschappelijk is ingericht.
Hiermee is de realisatie van het geluidscherm en daarmee een goed woon- en leefklimaat juridisch-planologisch geborgd. In de voorwaardelijke verplichting is een afwijking opgenomen. In deze afwijking is opgenomen dat de realisatie van het geluidscherm niet nodig is indien met een akoestisch onderzoek aangetoond kan worden dat zonder het geluidscherm kan worden voldaan aan de wettelijke geluidsnormen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als het naastgelegen bedrijf stopt of elders zal gaan vestigen in de toekomst. Een geluidscherm is in dat geval niet meer nodig. Maatwerkvoorschriften Om het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering te belemmeren, worden maatwerkvoorschriften vastgesteld door het bevoegd gezag.
77
Dove gevel Zoals gesteld dienen enkele gevels doof uitgevoerd te worden. Uit artikel 1b lid 4 van de Wgh volgt de volgende definitie van een ‘dove gevel’: a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in de NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Dit betekent dat er in de gevel wel een raam mag zitten, maar deze niet kan worden geopend. Door het toepassen van een dove gevel, hoeft op het toetspunt geen toetsing aan de geluidnormen plaats te vinden en vervalt dus de overschrijding. In de regels van dit plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 9.4.5) waarin is geregeld dat desbetreffende geveldelen verplicht doof uitgevoerd moeten worden. Het bevoegd gezag kan hier met een vergunning van afwijken indien uit een akoestisch onderzoek blijkt dat de dove gevels toch niet nodig zijn.
Tuinscherm Naast een geluidscherm van 3 meter hoog ter plaatse van het parkeerterreintje, dient tevens een tuinscherm van 2 meter hoog langs de westelijke perceelsgrenzen van de woonboerderij gerealiseerd te worden, zodat de geluidbelasting op de begane grond wordt gereduceerd. In artikel 9.4.6 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin de verplichting tot realisatie van deze tuinscherm is geregeld. Balkonscherm Tenslotte dient een woning in de zuidwesthoek van de woonboerderij voorzien te worden van een balkonscherm van minimaal 1,5 meter hoog (gemeten vanaf het vloerpeil van de verdieping). Ook hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels (artikel 9.4.7), zodat de realisatie van het balkonscherm juridisch-planologisch geborgd is. Milieubelastende functie Achterop het plangebied wordt een bedrijfsgebouw gerealiseerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (zoals woningen) niet (verder) wordt aangetast. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het bedrijfsgebouw wordt gebruikt voor een lokaal elektrotechnisch installatiebedrijf.
In het VNG-Handboek is een dergelijk bedrijf opgenomen onder de categorie ‘elektrotechnische industrie n.e.g.’ en valt onder milieucategorie 2. Tevens kan volgens de regels ook een ander type bedrijf zich hier vestigen, maar uitsluitend een bedrijf uit ten hoogste milieucategorie 2. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor geur en geluid. In het planontwerp is hiermee rekening gehouden door het bedrijfsgebouw op een minimale afstand van 10 meter tot de burgerwoningen en zorgrecreatiewoning te ontwerpen. Er zijn verder binnen een afstand van 10 meter rondom het nieuwe bedrijfsgebouw geen andere milieugevoelige objecten aanwezig. Zodoende tast het nieuwe bedrijfsgebouw het 78
woon- en leefklimaat niet aan. In de regels van dit plan is vastgelegd dat ter plaatse van het bedrijfsgebouw geen bedrijven uit een hogere categorie dan milieucategorie 2 zijn toegestaan. Hierdoor is het acceptabel woon- en leefklimaat vanuit het bedrijfsgebouw ook in de toekomst geborgd. Volgens de VNG-publicatie dient echter gemeten te worden vanaf de bedrijfsbestemming tot een bestemming dat een milieugevoelig object mogelijk maakt. In dit geval is dit respectievelijk de bedrijfsbestemming en het bouwvlak binnen de recreatieve bestemming. Deze afstand is kleiner dan 10 meter, waardoor er een motivatie dient plaats te vinden voor de aspecten geur en geluid ten opzichte van de zorgrecreatiewoning. Geluid Uit een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2012:BV7286, 29 februari 2012,) blijkt dat ‘een recreatiewoning geen bescherming tegen geluid geniet ingevolge de Wet geluidhinder, maar dat dit niet betekent dat een recreatiewoning in het geheel geen bescherming tegen geluidhinder toekomt. Gezien nachtverblijf is toegestaan, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven in de recreatiewoningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt daarom aan de recreatiewoningen een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe’.
Dit betekent overigens niet dat deze situaties meteen grondig beschouwd dienen te worden of een hoog beschermingsniveau tegen geluid verdienen. In dit geval is ervoor gekozen om binnen de bedrijfsbestemming, grenzend aan het perceel van de zorgrecreatiewoning, een strook van 5 meter breed op te nemen waar uitsluitend parkeerplaatsen gerealiseerd mogen worden. Hier zijn dus geen ‘zware’ bedrijfsactiviteiten behorende bij een categorie 2-bedrijf toegestaan en zodoende zal de geluidbelasting hier ook minder zijn dan elders op het bedrijfsperceel. Nu er enige afstand is gecreëerd tussen de zorgrecreatiewoning en de bedrijfsactiviteiten die geluidhinder kunnen veroorzaken, kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect geluid sprake van een acceptabel leefklimaat voor wat betreft de zorgrecreatiewoning. Daarbij geldt ook dat over het algemeen kan worden aangenomen dat de werkzaamheden voor een elektrotechnisch bedrijf die geluidhinder kunnen veroorzaken, inpandig plaatsvinden. Daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat indien wordt voldaan wordt aan de richtafstanden ten opzichte van het bedrijfsgebouw. Dat is hier het geval. Geur Voor geur kan dezelfde motivering aangevoerd worden als bij de motivering voor het aspect geluid.
Een eventuele geurbelasting vanwege een elektrotechnisch bedrijf zal voortkomen door werkzaamheden die inpandig plaatsvinden. Daardoor zal de richtafstand logischerwijs gemeten moeten worden vanaf het bedrijfsgebouw tot de zorgrecreatiewoning. De afstand hiertussen is 10 meter en voldoet daarmee aan de richtafstand. Gesteld wordt dat daarmee sprake is van een acceptabel leefklimaat. Tevens is een strook van 5 meter op het bedrijfsperceel bestemd voor uitsluitend parkeerplaatsen, waardoor hier in ieder geval geen geurbelasting zal optreden. Ook
79
wordt de zorgrecreatiewoning niet gebruikt voor langdurig gebruik, waardoor een langdurige blootstelling aan geurhinder in de praktijk niet zal voorkomen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Ten aanzien van industrielawaai is er sprake van een goed woonen leefklimaat, mits een geluidscherm van 3 meter hoog bij het parkeerterrein wordt gerealiseerd en een tuinscherm van 2 meter hoog ten westen van de woonboerderij. Om het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering te belemmeren, worden maatwerkvoorschriften vastgesteld, worden enkele geveldelen van woningen doof uitgevoerd en wordt een woning voorzien van een balkonscherm van minimaal 1,5 hoog. Deze maatregelen worden genomen en zijn als voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen, zodat de maatregelen ook juridisch-planologisch zijn geborgd.
80
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen als slachtoffer betrokken zijn bij een ongeval met die stoffen. Dit kan zowel een transportroute, buisleiding als een inrichting betreffen. De wetgeving voor externe veiligheid rondom inrichtingen staat beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de wetgeving externe veiligheid langs transportroutes in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast is er nog het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) voor buisleidingen. Het beleid externe veiligheid is gericht op een verantwoorde situering van activiteiten waarbij ongevallen met effecten op de omgeving niet zijn uitgesloten. De mate van blootstelling is uitgedrukt in de kans op dodelijke effecten. Er zijn twee componenten om de grootte van dit gevaar uit te drukken. Ten eerste de grootte van het effect dat samenhangt met de gevaareigenschappen van een stof (giftigheid, brandbaarheid, hoeveelheid, en dergelijke). Ten tweede de kans dat een dergelijk effect optreedt, wat samenhangt met de activiteiten die tot een ongeval kunnen leiden (opslag, overslag, aantal handelingen en dergelijke). Beide componenten worden tot uitdrukking gebracht wanneer gevaren worden uitgedrukt in risico’s.
Door een risico wordt een gevaar gekwantificeerd (in een getal uitgedrukt) en vergelijkbaar gemaakt met normen. De omvang van de gevaren voor de omgeving wordt uitgedrukt met twee risicobegrippen: plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Voor de mate van aanvaardbaarheid van deze risico’s zijn in het Bevi, Bevt en Bevb normen en richtwaarden vastgesteld. Onderzoek Stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. 81
Spoorverkeer In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van de deelgebieden zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Het plangebied is niet gelegen in de directe omgeving van de voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen.
Plangebied
Afbeelding 45: Uitsnede Risicokaart
Het plan is getoetst door de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ). De Veiligheidsregio geeft aan dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit plan. Verder heeft de VRZHZ het volgende advies uitgebracht: ‘De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem
82
handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
83
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor zover bekend zijn er binnen het plangebied geen noemenswaardige (hoofd)kabels, (hoofd)leidingen of hoogspanningsverbindingen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan.
84
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in het verwijderen van bebouwing en verharding, de bouw van gebouwen en het dempen en graven van watergangen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een oriënterend onderzoek flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusies van het onderzoek luiden: ‘Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels, maar ook voor de grote modderkruiper en rugstreeppad. Voorafgaan aan de werkzaamheden aan en nabij watergang dient te worden vastgesteld of de grote modderkruiper gebruik maakt van de planlocatie. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van de grote modderkruiper en de rugstreeppad) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de grote modderkruiper aanwezig is in de watergang rondom de planlocatie. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen 85
reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling van woningen aan de Zuidzijde 125 te Goudriaan uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie, bodemmateriaal (takken, stronken) of andere hopen met puin gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Ten aanzien van de grote modderkruiper dient aanvullend onderzoek te worden verricht om de aan- dan wel afwezigheid van de soort uit te sluiten. Het onderzoek vindt plaats d.m.v. eDNA. Hierbij zullen er watersamples genomen worden. Het inventariseren d.m.v. eDNA kan het gehele jaar plaatsvinden. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.’ Naar aanleiding van het oriënterend onderzoek is door Blom Ecologie een Notitie Grote modderkruiper opgesteld. De notitie is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusie van de notitie luidt:
86
‘De resultaten van de eDNA tonen aan dat de grote modderkruiper in geen van de watergangen binnen het plangebied en in de directe omgeving voorkomen. De watergangen leken in eerste instantie geschikt voor deze soort. De afwezigheid van eDNA van grote modderkruiper binnen het oppervlakte water kan verschillende oorzaken hebben: • De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. De sloot aan de zuidzijde bevat een zichtbaar zeer sterke stroming. Hierdoor is het lastig voor de soort om in de aanliggende kavelsloten te raken. • In de omgeving zijn veel van dergelijke, op het oog geschikte, kavelsloten aanwezig met een geschikt leefgebied voor adulte dieren een overwinteringshabitat met dikke modderlaag en een paai- en opgroeihabitat. Dit kan betekenen er voldoende functioneel leefgebied voor de soort aanwezig is. Gezien het aantal waarnemingen van deze soort in de omgeving is er (alhoewel de blokken niet volledig, vlakdekkend onderzocht zijn, kan het voorkomen dat er slechts een kleine populatie grote modderkruiper in de omgeving voorkomt. Door de aanwezigheid van grote delen functioneel leefgebied, is het voor de soort onnodig om uit te wijken en nieuwe gebieden te koloniseren.
Het dempen van delen van de sloot aan de ZuidZijde 125 te Goudriaan leidt momenteel niet tot het ongeschikt raken van functioneel leefgebied van de grote modderkruiper, gezien deze soort niet voorkomt binnen het plangebied en in de directe omgeving. Negatieve effecten ten aanzien van de grote modderkruiper zijn uitgesloten. De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming.’ Naar aanleiding van de conclusie uit het ecologisch aanvullend onderzoek naar de grote modderkruiper, namelijk dat deze soort niet aanwezig is, zijn de watergangen (met een watervergunning) gedempt. Stikstofdepositie Om te beoordelen of de ontwikkeling voorziet in een stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden, is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De voortoets is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusie luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en het rekenresultaat zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling.
Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Te allen tijde dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden en dienen de te treffen 87
maatregelen getroffen te worden. Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.
88
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik is door BK Ingenieurs een Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-ingrondonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Bodemonderzoek De bovengrond bestaat tot 0,5 à 1,0 m -mv hoofdzakelijk uit klei. Onder de kleilaag bevindt zich een veenlaag die zich tot minimaal de geboorde diepte van 2,0 m -mv uitstrekt. Ter plaatse van het gesaneerde terreindeel is een repacverharding aanwezig tot circa 0,4 m -m en bestaat het bodemprofiel tot 2,0 m -mv verder uit zand.
Ook de bovengrond onder de maaiveldverhardingen bestaat tot een diepte van circa 0,2 à 0,7 m -mv uit zand. In de bovengrond van een deel van de boringen zijn antropogene bijmengingen met metselpuin, beton en/of kolengruis aanwezig. In de ondergrond van boring 006 (0,5-1,0 m -mv) is een sterke bijmenging met metselpuin aangetroffen. Ter plaatse van boring 008 is van 0,3 tot 0,7 m -mv een laag zwart kolengruis aanwezig. Bovengrond: kwik, cadmium, lood, zink, PAK, PCB, minerale olie > AW Ondergrond: lood, molybdeen, PAK > AW Grondwater: barium, molybdeen, naftaleen > S De hypothese 'geen verdenkingen op de aanwezigheid van verontreinigingen die afwijken op de verwachting van de Bodemkwaliteitskaart’ is juist gebleken. Er bestaat ons inziens op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen bezwaar tegen de voorgenomen locatie-ontwikkeling (en aanvraag Omgevingsvergunning). Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om tijdens de locatie-ontwikkeling de kolengruislaag ter plaatse van boring 008 separaat te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker. Asbestonderzoek Op het maaiveld van de locatie is asbesthoudend materiaal aangetroffen. Tijdens de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdachte materialen in de opgeboorde grond waargenomen. In de puinhoudende grond is analytisch geen asbest aangetoond.
In de puinlaag ter plaatse van het puinpad is analytisch asbest aangetoond. Het betreft hechtgebonden chrysotiel in de fractie 8-20 mm in een 89
gehalte van 0,5 mg/kg ds. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) en de hergebruikswaarde voor asbest in puin (100 mg/kg ds) worden niet overschreden. De hypothese 'verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming’ is niet juist gebleken. Het uitvoeren van een nader-asbest-in grond-/puinonderzoek is niet noodzakelijk. Waterbodemonderzoek Het onderzochte slib ter plaatse van de te dempen sloot is: • verspreidbaar op aangrenzend perceel • toepasbaar in oppervlaktewater als klasse A • toepasbaar op of in de bodem als klasse industrie Vervolg en aanbevelingen Geadviseerd wordt om tijdens de locatie-ontwikkeling de kolengruislaag ter plaatse van boring 008 separaat te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker. Bij saneringswerkzaamheden in verontreinigde grond geldt de Kwalibo-regeling uit het Besluit bodemkwaliteit. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer, onder begeleiding van een BRL SIKB 6000 gecertificeerde milieukundige begeleider.’ Conclusie Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. De ontwikkeling ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
Wel wordt geadviseerd om tijdens de locatie-ontwikkeling de kolengruislaag ter plaatse van boring 008 separaat te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker.
90
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies. Dit is pgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Molenlanden is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
91
Afbeelding 46: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart
Het plan voorziet in graafwerkzaamheden groter dan 100 m², waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door ADC ArcheoProjecten is voor het plan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusies luiden: ‘De […] gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: •
Wat is de geo(morfo)logische situatie en de bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? Het plangebied ligt in een ontgonnen veenvlakte, langs een oude veenstroom, de Goudriaan. In het plangebied komt een minstens 3 m dik pakket veen voor dat op de meeste plaatsen vanaf ca. 50 cm –mv overgaat in verrommelde komkleiafzettingen met veenresten en puinresten. In het zuidelijk deel komt veen tot nabij het maaiveld voor. In het noordwestelijk deel (ter plaatse van boring 1) komt tussen het veen en de bouwvoor nog wel een deels intacte kleiafzetting voor met bovenin een humeuze laag vanaf 90 tot 70 cm –mv.
•
In hoeverre is deze opbouw nog intact? De bodemopbouw is op de meeste plaatsen niet meer intact: in lijn met de verwachting komt er in de ondergrond veen voor maar de komkleiafzetting hierboven is grotendeels opgenomen in de bouwvoor. In het noordwestelijk deel is de bodem nog wel gedeeltelijk intact in de vorm van een kleiafzetting met aan de bovenzijde een humeuze laag.
•
Bevinden zich archeologisch relevante lagen of afzettingen in het plangebied? In het noordwestelijk deel (boring 1) komt een mogelijk archeologisch relevant
92
niveau voor in de vorm van een humeuze laag in de top van de kleiafzettingen. •
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Het archeologisch relevante niveau bevindt zich op een diepte van 70 tot 90 cm –mv.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het plangebied zijn in boring 8 enkele baksteenfragmenten aangetroffen en er zijn aan het maaiveld in het noordwestelijk deel nabij boring 1 en 8 enkele fragmenten nieuwetijds aardewerk aangetroffen (NTB/NTC). Deze kunnen verband houden met vroegere bebouwing uit (het begin van) de 19e eeuw die op oude kaarten staat weergegeven.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De middelhoge archeologische verwachting kan voor het grootste deel van het plangebied worden bijgesteld naar een lage verwachting, met uitzondering van het noordwestelijk deel (rond boring 1 en 8) waar de middelhoge verwachting wordt gehandhaafd. In dit noordwestelijke deel kunnen nog archeologische resten of grondsporen worden verwacht vanaf de Romeins tijd en met name vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Voor het grootste deel van het plangebied wordt de kans klein geacht dat archeologische waarden worden bedreigd door de toekomstige planontwikkeling. In het noordwestelijke deel (rond boringen 1 en 8) kunnen echter eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord of vernietigd indien de ingrepen dieper reiken dan 70 cm -mv.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is niet voldoende onderzocht. Voor het noordwestelijk deel rond boring 1 en 8 geldt dat indien de ingrepen dieper reiken dan 70 cm –mv, er wordt geadviseerd om tijdens de sloop- en graafwerkzaamheden in een archeologische begeleiding te voorzien. Deze methode wordt geschikt geacht aangezien de betreffende zone waar archeologische waarden kunnen worden verwacht een beperkt oppervlak beslaat. Een archeologische begeleiding heeft hetzelfde doel als een proefsleuvenonderzoek (AB/IVO-P), namelijk de ligging, omvang, datering en kwaliteit van mogelijk aanwezige archeologische resten vast te stellen. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Geadviseerd wordt om het overige deel van het plangebied vrij te geven.
Gezien het ontbreken van een duidelijke aanwijzing voor een woonterp in het noordwestelijk deel van het plangebied werd door […] de beleidsadviseur archeologie van de gemeente Molenlanden, een archeologische begeleiding als een te 93
zwaar middel beschouwd. Geadviseerd werd in deze zone eerst een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek geadviseerd met als doel de veronderstelde woonterp nader te onderzoeken.’ Naar aanleiding van het eerder onderzoek en de reactie van de beleidsadviseur archeologie van de gemeente is door ADC ArcheoProjecten tevens een karterend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit wordt de volgende conclusie getrokken: ‘De […] gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: •
•
Is in het noordwestelijk deel van het plangebied sprake van een woonterp? Zo ja: o Wat is de opbouw van de woonterp? De woonterp bestaat compacte, donkergrijsbruine veenpakketten afgewisseld met lichtgrijze sterk siltige kleilagen. De ophoging heeft een dikte van circa 165 tot 240 cm. o
Op welke diepte bevindt zich de terpzool? De terpzool bevindt zich op circa 215 tot 320 cm -mv (3,02 tot 3,71 m -NAP). Daarbij moet worden aangetekend dat de begrenzing niet nauwkeurig vastgesteld kon worden, omdat zowel de ondergrond als de terpophoging uit veen bestaan.
o
Wat is de begrenzing van de terpophoging? De terpophoging wordt in het noorden begrensd door een saneringslocatie en in het westen door een gedempt deel van een bestaande sloot. De zuidelijke en oostelijke begrenzing van de ophoging kan als gevolg van in de bodem aanwezige ondoordringbare resten van een gesloopte loods (voormalige garage) en een wasplaats niet bepaald worden. Aangenomen mag worden dat de terpophoging samenvalt met het op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) zichtbare verhoogde maaiveld in het noordwestelijk deel van het plangebied.
o
Wat is de ouderdom van de woonterp? Als gevolg van het ontbreken van dateerbaar materiaal kan de ouderdom van de woonterp niet bepaald worden.
Is het noordwestelijk deel van het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het noordwestelijk deel van het plangebied, met uitzondering van de saneringslocatie, is niet voldoende onderzocht. Geadviseerd wordt om bodemingrepen dieper dan vigerende dieptevrijstelling van 30 cm -mv een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren.
94
Afbeelding 47: Boorpuntenkaart (karterende fase) met daarop het grondplan van de gesloopte bebouwing (oranje contour) en de vermoedelijke saneringslocatie (zwart raster) aangegeven. De voor vervolgonderzoek geselecteerde zone is met een paars vlak aangegeven
Om het archeologisch advies te borgen in het bestemmingsplan, is ter plaatse van de voor vervolgonderzoek geselecteerde zone (met paars aangegeven) een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Qua regeling is aangesloten bij de archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan. De overige gronden zijn archeologisch vrijgegeven, waardoor hier de archeologische dubbelbestemming niet is opgenomen. Cultuurhistorie In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het plangebied is gelegen aan een polderlint. Polderlinten zijn ontstaan langs een ontginningsbasis: veenriviertjes, wegen of weteringen. Van oorsprong betreft het, op enige afstand van elkaar gelegen, boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. Polderlinten zijn vooral aanwezig in veenweidegebieden. Het plan wordt uitgevoerd in de vorm van een boerenerfensemble en sluit daardoor aan bij de karakteristieken en structuur van de cultuurhistorische lintbebouwing. 95
Monumenten Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Voor het noordwestelijk deel rond boring 1 en 8 geldt dat indien de ingrepen dieper reiken dan 30 cm –mv, er wordt geadviseerd om tijdens de sloop- en graafwerkzaamheden van een archeologische begeleiding te zijn voorzien. Deze methode wordt geschikt geacht aangezien de betreffende zone waar archeologische waarden kunnen worden verwacht een beperkt oppervlak beslaat. Een archeologische begeleiding heeft hetzelfde doel als een proefsleuvenonderzoek (AB/IVO-P), namelijk de ligging, omvang, datering en kwaliteit van mogelijk aanwezige archeologische resten vast te stellen. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het overige deel van het plangebied wordt vrijgegeven. Om het archeologisch advies te waarborgen in het bestemmingsplan, is ter plaatse van de voor vervolgonderzoek geselecteerde zone (met paars aangegeven) een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Qua regeling is aangesloten bij de archeologische dubbelbestemmingen uit het moederbestemmingsplan. De overige gronden zijn archeologisch vrijgegeven, waardoor hier de archeologische dubbelbestemming niet is opgenomen.
96
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Daarnaast heeft de gemeente Molenlanden de ambitie om een stap verder te gaan dan de basis wettelijke verplichtingen voor wat betreft energie, namelijk: 1. Nieuw te bouwen woningen worden nul-op-de-meter gebouwd; 2. Nieuw te bouwen utilitaire functies worden energieneutraal gebouwd; 3. Alle benodigde energie wordt binnen het plangebied op duurzame wijze opgewekt. De woningen worden minimaal gerealiseerd conform de BENG-eisen, gestreefd wordt naar nul-op-de-meter. Zodoende zullen de woningen voorzien moeten worden van zonnepanelen en een warmtepomp. De woningen worden niet voorzien van een gasaansluiting, waardoor de zonnepanelen energie zullen opwekken voor onder andere opwarmen van water, koken en eventuele vloerverwarming.
Indien niet voldoende groene stroom opgewekt kan worden, bijvoorbeeld bij donkere bewolkte dagen, wordt uiteraard gebruik gemaakt van stroom van het elektriciteitsnetwerk. Voor het bedrijf geldt dat wordt gestreefd naar een energieneutraal bedrijf door onder andere het dak te voorzien van zonnepanelen. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien zware regenbuien vaker voorkomen, moet de waterhuishouding geschikt zijn om deze regenbuien op te kunnen vangen. Het plan houdt hier onder andere rekening mee door een nieuwe watergang te realiseren en de parkeerplaatsen uit te voeren met graskeien, zodat het hemelwater makkelijker de bodem kan infiltreren. De nieuwe bewoners worden geïnformeerd over het belang van een tuin zonder teveel verharding. Daarnaast kan overtollig hemelwater gemakkelijk afgevoerd worden op de omliggende watergangen. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied is gelegen in het binnendijks gebied, waardoor het plangebied beschermd is tegen het overstromen en daarmee buiten de oevers treden van rivieren. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Rondom het plangebied zijn watergangen gelegen, hetgeen verkoelend werkt. Daarbij wordt tevens een nieuwe watergang en groene 97
beplanting gerealiseerd, hetgeen bijdraagt aan het versterken van het verkoelend effect. Daarnaast worden de openbare parkeerplaatsen uitgevoerd met halfverharding, zodat de vorming van hittestress wordt voorkomen. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De initiatiefnemer is geïnformeerd over de functie van een regenton, waarmee regenwater dat valt op een dak van een gebouw, vastgehouden kan worden. Indien het aanwezige groen door droogte een gebrek aan water heeft, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem ter plaatse van het groen te hydrateren.
98
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’ bestaat uit drie delen: de verbeelding, de regels en de toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplannen ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels van het bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijf Ter plaatse van het bedrijfsgebouw en omliggende terrein is de bestemming ‘Bedrijf’ opgenomen. In de regels is opgenomen dat uitsluitend 1 bedrijf tot en met milieucategorie 2 zich hier mag vestigen. Het bedrijf van de initiatiefnemer (elektrotechnisch installatiebedrijf) is hier toegestaan. Daarnaast is in de regels opgenomen dat het bedrijfsgebouw maximaal 850 m² groot mag zijn. Een bedrijfswoning is niet toegestaan. Voor wat betreft de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen is aangesloten bij het naastgelegen drukkerij. Groen Langs de wetering en ter plaatse van de beschermingszone is een Groenbestemming opgenomen.
99
Recreatie Voor de zorgrecreatiewoning is de enkelbestemming ‘Recreatie’ opgenomen, met een specifieke aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – zorgrecreatiewoning’. Tuin Ter plaatse van het voorerf van de woningen langs de Zuidzijde is de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Verkeer De huidige verkeersbestemming op de Zuidzijde wordt overgenomen in dit plan. Daarnaast is een verkeersbestemming opgenomen voor de openbare weg die door het plangebied wordt aangelegd. Water Daar waar in het moederplan de bestemming ‘Water’, is dit ook opgenomen in dit plan. Wonen Ten behoeve van de burgerwoningen is een woonbestemming opgenomen. Hierin is geregeld dat woningen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan, met dien verstande dat binnen de aanduiding ‘wonen uitgesloten’ woningen niet zijn toegestaan (de gronden met de aanduiding ‘wonen uitgesloten’ kunnen wel gebruikt worden als erf bij de woning). Er wordt een bouwvlak opgenomen ter plaatse van de beoogde woonboerderij, waarin middels aanduidingen wordt aangegeven dat in de woonboerderij maximaal 9 woningen mogen worden gebouwd, waarvan minimaal 6 in het achterhuis. Op de overige kavels zijn tevens bouwvlakken opgenomen waarin is aangegeven hoeveel woningen hier gerealiseerd kunnen worden. Verder is met maatvoeringsaanduidingen aangegeven welke goothoogte maximaal is toegestaan.
Om de schuurwoningen ondergeschikt aan de woonboerderij te maken, hebben de schuurwoningen een lagere goothoogte gekregen (namelijk maximaal 4 meter ten opzichte van 6 meter voor de woonboerderij). Waarde – Archeologie 1 Om het archeologisch advies te borgen in het bestemmingsplan, is ter plaatse van de advieszone een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Qua regeling is aangesloten bij de archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan, waarbij qua vrijstellingsoppervlak is aangesloten bij het moederplan (30 m²) en qua vrijstellingsdiepte is aangesloten bij het advies uit het archeologisch onderzoek (70 cm onder maaiveld). De overige gronden zijn archeologisch vrijgegeven, waardoor hier de archeologische dubbelbestemming niet is opgenomen. Waarde – Landschap Ten behoeve van het behoud van de zichtlijn vanaf de woning Zuidzijde 124a naar het achtergelegen landschap, is deze dubbelbestemming opgenomen. Op deze gronden is het niet mogelijk om vergunningsplichtige alsook vergunningsvrije gebouwen te realiseren.
100