CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan ‘Goudriaan, Noordzijde 48a’

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 6 september 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noordzijde 48a (Het Groene Wout), Goudriaan18.285 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plangebied is gelegen in het karakteristieke slagenlandschap. De initiatiefnemers van het plan hechten veel waarde aan de instandhouding van dit karakteristieke slagenlandschap, het groene karakter van het gebied en de natuurwaarden van het gebied. Het karakteristieke slagenlandschap is namelijk één van de ‘unique selling points’ van deze locatie. De verblijfsaccommodaties

34

worden op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingepast. Bestaande landschappelijke elementen, waaronder het slagen- en slotenpatroon en streekeigen beplanting blijven behouden en worden waar mogelijk versterkt. Er wordt een hoge natuurwaarde nagestreefd. Er is bewust gekozen om de verblijfsaccommodaties en overige bebouwing vorm te geven als schuurvolumes. Ter plaatse van het plangebied betreft de boerderij het hoofdgebouw. Kenmerkend voor de lintbebouwing in de Alblasserwaard is het duidelijke onderscheid tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. In het plan wordt aangesloten bij de kenmerkende stedenbouwkundige structuur van de lintbebouwing. De verblijfsaccommodaties en overige bebouwing worden in het verlengde van de boerderij gesitueerd. De verblijfsaccommodaties krijgen een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij. Er wordt gebruik gemaakt van streekeigen bouwmaterialen en ingetogen kleuren welke in harmonie zijn met het omliggende slagenlandschap. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen.

Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Het Groene Wout hecht veel waarde aan de instandhouding van het karakteristieke veenweidelandschap, het groene karakter van het gebied en de natuurwaarden van 35

het gebied. Het karakteristieke veenweidelandschap is namelijk één van de ‘unique selling points’ van het Groene Wout. Bestaande landschappelijke elementen, waaronder het omliggende slagen- en slotenpatroon blijven behouden of worden versterkt. Het plan sluit daarmee aan bij de kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor ontwikkelingen in het ‘veenweidelandschap’. Verblijfsrecreatiegebieden Verblijfsrecreatiegebieden in de provincie Zuid-Holland variëren van relatief open en groene campings tot terreinen met stacaravans en complexen met recreatiebungalows en bijbehorende voorzieningen. Er is sprake van een tendens tot herstructurering en opwaardering, waarbij campings worden bebouwd, stacaravans worden vervangen door bungalows, of bungalowterreinen worden heringericht. Bij verblijfsrecreatiegebieden is van belang dat ze een aantrekkelijke, recreatieve uitstraling hebben en qua locatie, schaal, inrichting en kwaliteit van de randen goed passen in hun omgeving. Het plangebied betreft een bestaande recreatieve voorziening gelegen in het karakteristieke veenweidelandschap welke op een goede wijze in de omgeving is ingepast. Middels deze bestemmingsplanwijziging wordt een gewenste verbreding van het recreatief aanbod mogelijk gemaakt.

Het Groene Wout hecht veel waarde aan de instandhouding van het karakteristieke veenweidelandschap, het groene karakter van het gebied en de natuurwaarden van het gebied, waardoor dit in de nieuwe situatie niet negatief zal veranderen. De bestaande landschappelijke bouwstenen blijven behouden en worden waar nodig versterkt. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd (ontwerp-Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020). Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 36

i.

Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ii. Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ii. Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een bestaand perceel. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft de verbreding van het recreatieve aanbod van een bestaande recreatieve voorziening. Er vinden geen wijziging plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied.

Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. 37

Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Een landschapsarchitect is gevraagd een gebiedsanalyse te doen in de omgeving en heeft voor deze locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Er is een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving. De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon blijven ongewijzigd. De verblijfsaccommodaties en bijbehorende bebouwing worden op een passende wijze landschappelijk ingepast. Hiermee is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied gewaarborgd. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft een kleinschalige uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening in het buitengebied met vijf verblijfsaccommodaties, bijbehorende voorzieningen (receptie, fietsenstalling etc.), een speelweide/dierenweide (met dierenverblijf) en voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het plan voldoet aan ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’ (zie par. 3.1.3). Stiltegebied In het vroegere beleid van de provincie Zuid-Holland omtrent stiltegebieden was vastgelegd dat voor nieuwe ontwikkelingen in een stiltegebied het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel niet mag worden aangetast. Uit later onderzoek is echter gebleken dat dit geluidsniveau nergens wordt gehaald in de provincie Zuid-Holland.

Er is derhalve afgestapt van de regeling van 40 dB(A), maar de stiltegebieden zijn wel blijven bestaan met als doel om de zogenoemde relatieve stilte in deze gebieden te behouden door grote lawaaimakers in deze gebieden te weren. De huidige Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat regels ter bescherming van stiltegebieden (paragraaf 3.4.3 ‘Stiltegebieden’). Op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is het verboden: • Een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord; • In een stiltegebied met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; • In een stiltegebied met een waterscooter te varen; 38

•

In een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h.

Dit plan voorziet niet in bovengenoemde verboden activiteiten. Bovendien betreft het plangebied een bestaande recreatieve voorziening. De toegestane recreatieve activiteiten (verblijfsaccommodaties) kunnen worden geschaard onder gebiedseigen geluiden en zijn niet in strijd met het provinciale beleid voor het beheer van stiltegebieden. De verblijfsaccommodaties worden voor korte duur en recreatief verhuurd aan gasten. Het verblijf in de verblijfsaccommodaties zal hoofdzakelijk in de vakantie en weekendperiodes plaatsvinden. Het plan voorziet, in geval van een volledige bezetting, in recreatieve huisvesting van ca. 55 a 60 personen op het perceel. De doelgroepen voor de verblijfsaccommodatie zijn gezinnen met oudere kinderen, families en senioren (géén verenigingen, scholen, jeugdgroepen). De exploitanten zijn woonachtig bij de recreatieve voorziening en doen er alles aan om geluidsoverlast voor de omgeving te voorkomen. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van het stiltegebied.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het belangrijk dat regionale ondernemers zich verder kunnen ontplooien.

Het voorgenomen plan voorziet in de uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening. Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken. Het plan zorgt tevens voor een versterking van de belevingswaarde van het slagenlandschap in de regio Alblasserwaard. Bij de uitwerking van het plan, de inrichting van het recreatieterrein, wordt rekening gehouden met het bestaande authentieke karakter van het gebied. Het onderhavige plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid.

39

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie van Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de gemeente. Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen, de woonwens en de eigen kern als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet de gemeente in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis. In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouw- programma vastgesteld. Relevante kaders zijn het aansluiten bij de demografische ontwikkeling, het bouwen in voorzieningendorpen voor senioren en plannen met maatschappelijke urgentie (zoals centrumplannen) voorrang geven. De behoefte aan recreatief medegebruik van het landschap vanuit de stedelijke gebieden ten zuiden van de gemeente Molenlanden neemt toe. Dit biedt kansen om het huidige landschap te behouden en daarom zet de gemeente in op een groene overgangszone van het stedelijk gebied naar het open landschap. De gemeente wil graag als toeristisch aantrekkelijk gebied te boek te willen staan. Daarom zet de gemeente in op: • Een betere toegankelijkheid van het Werelderfgoed Kinderdijk, het opwaarderen van het toeristisch product Kinderdijk en het verleiden van de bezoekers van Kinderdijk om langer in ons gebied te blijven.

• Een goed recreatief-toeristisch product voor de binnenlandse bezoeker, met zowel aandacht voor het unieke veenweidelandschap als voor de vele molens die de gemeente rijk is. Het plan sluit aan bij het streven van de gemeente om te komen tot een aantrekkelijk toeristisch gebied. Het plan draagt bij aan de wenselijke versterking van de belevingswaarde en de benutting van het cultuurhistorisch waardevolle landschap. Het realiseren van meer recreatieve voorzieningen en overnachtingsmogelijkheden voor recreanten en toeristen binnen de gemeente is een belangrijke doelstelling voor de gemeente Molenlanden. Wat betreft kleur-, materiaalgebruik en architectonische expressie van de nieuwe bebouwing worden aangesloten bij de bestaande bebouwing en het karakteristieke slagenlandschap (landelijke ingetogen uitstraling). 3.4.2 Toeristische Agenda Molenlanden 2021-2025 Het beleid van de gemeente Molenlanden en de regio AlblasserwaardVijfheerenlanden op het gebied van toerisme en recreatie is vastgelegd in de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM). Molenlanden werkt de komende jaren aan onderstaande ambities: • Versterken van de vrijetijdseconomie, verhogen van de bestedingen en werkgelegenheid; • Toeristen komen specifiek voor het verhaal van Molenlanden. Dit kan door de beleving van iconen in het landschap te verbeteren; • Toerisme is in balans.

Toerisme moet niet voor overlast zorgen (bij de inwoners of het landschap), maar juist bijdragen aan maatschappelijke doelen, zoals duurzaamheid en mobiliteit. Dit vraagt om ontwikkeling op passende schaal; 40

• •

De kansen voor toerisme worden benut door regionale samenwerking, o.a. met de provincie en door regiomarketing (‘t Groene Hart); De vrijetijdssector kan (nog beter) bijdragen aan educatie en opleidingen van jongeren in de omgeving.

Concreet wil de gemeente de volgende doelen bereiken: 1. Molenlanden gaat inzetten op de ontwikkeling van dagrecreatieve bestemming naar een aantrekkelijke bestemming voor meerdaags verblijf. Dit betekent concreet ruimte voor meer (verblijfs)recreatieve voorzieningen. De ambitie is om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden met 30% te laten groeien naar 2025 ten opzichte van 2020. De gemeente verzilvert hiermee de verwachte groei conform het landelijk gemiddelde. 2. De algehele leefbaarheid voor onze inwoners mag door de toeristische ontwikkeling niet achteruitgaan. De gemeente monitort de balans tussen toerisme en de leefbaarheid. Monitoring leidt tot inzicht in eventuele verbeterpunten aangaande leefbaarheid waaraan gewerkt wordt. 3. De gemeente gaat in haar werkwijze ruimte inbouwen voor ‘samen leren’, het omarmen van innovatieve ideeën en het starten van pilots. Eind 2021 is een toeristisch, recreatief inwoners- onderzoek uitgevoerd. De gemeente heeft 7.500 huishoudens per brief aangeschreven met de vraag om deel te nemen aan dit onderzoek. Uiteindelijk hebben 699 inwoners de vragenlijst ingevuld daarmee zijn de uitkomsten voldoende betrouwbaar om onderbouwde uitspraken te doen. Eén van de conclusies uit het onderzoek wat betreft groei van Recreatie & Toerisme: “Toerisme en recreatie mag worden aangemoedigd.

Meer dan de helft van de bewoners vindt dat toerisme en recreatie mag worden aangemoedigd en ongeveer de helft vindt dat de voordelen opwegen tegen de nadelen. Zo’n één vijfde deel van de bewoners is het hier niet mee eens.” Het plan sluit aan bij het streven van de gemeente om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden te laten groeien. Molenlanden heeft als ambitie staan dat de vrijetijdseconomie versterkt dient te worden, dat er een ambitie ligt om richting 2025 de tak verblijfsrecreatie te laten groeien met 30%. In de Toeristische Agenda Molenlanden is uitgegaan van 1400-1500 slaapplaatsen. Vakantiepark Molenwaard is hierin al meegenomen. Een groei van 30% betekent een groei van ongeveer 450 slaapplaatsen. Vakantiepark Molenwaard groeit in 2022, maar hiermee is de geambieerde 30% nog niet bereikt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het genoemde groeicijfer van 30% een ambitie is en kan niet worden gezien als bovengrens/maximum. Het betekent dus niet dat als de groei van 450 slaapplaatsen bereikt is er dan geen nieuwe ontwikkelingen meer mogelijk zouden zijn. Kansrijke accommodatie types die genoemd worden zijn Hotel, bungalows, Tiny – House etc. De toerist die wordt gezocht is betiteld als kwaliteitstoerist, iemand die past bij het DNA van Molenlanden en tijdens het verblijf bestedingen in de regio doet.

Door de toeristische sector naar een hoger platform te tillen heeft dit verscheidene gunstige neveneffecten. Lokale voorzieningen kunnen worden behouden en wellicht zelfs uitgebreid. Daarnaast ontstaan er meer mogelijkheden voor educatie, duurzaamheid en ecologische ontwikkeling.

41

Zoals in de TAM omschreven, is het de bedoeling om de toerist het verhaal van Molenlanden te vertellen. Bij het Groene Wout begint dit door de diversiteit van het veenweidegebied te laten zien. Heel praktisch doordat de gast er in leeft. Daarnaast leggen wordt de nadruk gelegd op door aan ecologische ontwikkeling op het perceel te laten plaatsvinden (verlandingszone, kikkerpoel etc.). Er zijn diverse projecten in de Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden waar rondom klimaatadaptie het e.e.a. gebeurd. Het plan draagt bij aan de wenselijke versterking van de belevingswaarde en de benutting van het cultuurhistorisch waardevolle landschap. De verblijfsaccommodaties worden op een passende wijze in het landschap ingepast. Wat betreft kleur- en materiaalgebruik en architectonische expressie van de nieuwe bebouwing worden aangesloten bij de bestaande bebouwing en het karakteristieke slagenlandschap (landelijke ingetogen uitstraling).

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • • •

Het plan voldoet aan de van ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’; Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken. Het plan voorziet in de gewenste behoefte aan kleinschalige overnachtingsplaatsen in de regio. Het plan zorgt voor een versterking van de belevingswaarde van het slagenlandschap in de regio Alblasserwaard; Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

42

4.

Sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectie- criteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 10 onder d van het besluit m.e.r. Middels deze bestemmingsplanprocedure wordt het mogelijk gemaakt om de gewenste verbreding van het recreatief aanbod van een bestaande recreatieve voorziening te realiseren. Het plan voorziet, in geval van een volledige bezetting, in recreatieve huisvesting van ca. 55 a 60 personen op het perceel. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling.

Kenmerken van het plan Het voorliggende bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de gronden achter de boerderij recreatief te gebruiken en ter plaatse vijf verblijfaccommodaties met de benodigde voorzieningen (receptie, fietsenstalling etc.), een speelweide/dierenweide (met dierenverblijf) en voldoende parkeergelegenheid te realiseren. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk en groenafval. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Landschap, Nationaal Park of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op een afstand van 4,1 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Het plan betreft de kleinschalige uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening. Als gevolg van het plan zal het aantal verkeersbewegingen zeer gering toenemen. Een dergelijke intensiteit zal niet leiden tot negatieve effecten. Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan niet zal leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd.

In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

43

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit.

44

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (20190225-9-19956). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied (drooglegging) Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW050. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van –1,84 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart

45

Oppervlaktewater Aan de noordzijde van het plangebied is een A-watergang, de wetering, gelegen. In de beschermingszone van de A-watergang vinden geen werkzaamheden plaats. Verder zijn er uitsluitend C-watergangen gelegen (zie afbeelding 15). In het kader van de recreatieve beleving zijn de initiatiefnemers voornemens tussen de verblijfsaccommodaties extra water te graven (zie afbeelding 16). Voor het graven van oppervlaktewater dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De C-watergang 044892 zal na verbreding in het middengedeelte een B-status krijgen. A-watergang 000566

C-watergang 044890 C-watergang 045209

C-watergang 044892

C-watergang 045226

Afbeelding 15: Uitsnede Legger wateren

Afbeelding 16: Te realiseren oppervlaktewater

46

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indiende toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.

Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Toegangsweg Overige verharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Receptie Verblijfsaccommodaties (5 stuks) Terrassen bij accommodaties Hooiberg/dierenverblijf Parkeerterrein (halfverharding/grasstenen) Toegangsweg Algemene bestrating (o.a. looppad, half verhard) Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte verharding 500 m² 400 m² 900 m² 150 m² 520 m2 100 m² 150 m² 50% van 350 m2 = 175 m2 500 m² 220 m² 1.815 m² Toename 915 m²

Het plan voorziet in een toename van 915 m² aan verharding. De toename aan verharding blijft onder de vrijstellingsgrens van 1500 m2 in het landelijk gebied, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De initiatiefnemers van dit plan hebben nog niet eerder gebruik gemaakt van de particuliere vrijstelling. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Desondanks wordt er meer water gecreëerd ter bevordering van doorstroming tussen de A en C watergangen. Dit alles komt ten goede aan bevordering van biodiversiteit in het plangebied (zie afbeelding 16).

47

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwater zal zoveel mogelijk in de bodem infiltreren. In en om het plangebied is voldoende oppervlaktewater waar hemelwater naar worden afgevoerd. De nieuwe verblijfsaccommodaties worden in principe aangesloten op het bestaande (gemeentelijk) rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire of regionale waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Noordzijde. Het waterschap Rivierenland geeft aan dat de extra verkeersbewegingen niet tot problemen zullen leiden gezien gebruik wordt gemaakt van de huidige ontsluiting (geen extra uitrit). Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het graven van oppervlaktewater dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland.

48

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de Noordzijde en de Zuidzijde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. Wegverkeerslawaai Het plan betreft de realisatie van recreatieve verblijfsaccommodaties. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van het realiseren van geluidsgevoelige objecten, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Akoestisch onderzoek geluidsuitstraling Groene Wout Goudriaan In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door een deskundig bureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de geluidsuitstraling van Het Groene Wout te Goudriaan. Doel van dit onderzoek is om de geluidbelasting ten gevolge van de uitbreiding en de bestaande B&B en groepsaccommodatie te bepalen en te beoordelen aan de criteria in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij is de geluidbelasting door stemgeluid van het Groene Wout op de nabijgelegen woningen en basisschool onderzocht en is de 40 dB(A) geluidcontour 49

bepaald, omdat de inrichting in een zogenaamd stiltegebied is gesitueerd. Op voorhand is gerekend met de toepassing van een geluidswerende erfafscheiding van 1,80 m hoogte ten noordoosten van de bestaande groepsaccommodatie. De geluidswerende erfafscheiding is verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan (zie afbeelding 17) en in de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd voor de juridische borging van de realisatie en instandhouding van de geluidwerende erfafscheiding.

Afbeelding 17: Geluidwerende erfafscheiding

De conclusies uit het akoestisch onderzoek zijn: Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) • De etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 42 dB(A) bedraagt en wordt voldaan aan de normstelling. Maximaal geluidniveau (LAmax) • Het maximale geluidsniveaus (LAmax) ten gevolge van parkerende personenauto’s in de dagperiode ter plaatse van de school een overschrijding geeft van 1 dB(A) als gevolg van verkeersbewegingen op het vakantiepark; • De eventuele hinder van deze overschrijding is zeer beperkt en zal niet anders zijn dan de hinder veroorzaakt door personenauto’s van parkerende ouders of leerkrachten op de parkeerplaatsen ten zuiden van de basisschool. Een aanvullende maatregel zoals het aanbrengen van een geluidscherm 50

•

•

hiervoor is niet zinvol en middels stap 3 en maatwerkvoorschriften kan een grenswaarde tot 70 dB(A) vergund worden in de dagperiode; Het maximale geluidsniveaus (LAmax) ten gevolge van parkerende personenauto’s in de avondperiode voldoet aan de grenswaarden, maar in de nachtperiode ter plaatse van de woningen Noordzijde 49 en 46 een overschrijding geeft van 2 dB(A) geeft als gevolg van verkeersbewegingen van de eigenaar en/of gasten van het vakantiepark; Gezien de beperkte eventueel te verwachten hinder door de beperkte hoogte van de overschrijding, de geringe aantallen verkeersbewegingen in de nachtperiode en het feit dat deze maximale geluidniveaus ook nu al mogelijk zijn kan middels stap 3 en maatwerkvoorschriften een grenswaarde tot 60 dB(A) vergund worden in de nachtperiode.

Toetsing indirecte hinder • Ten aanzien van indirecte hinder (als gevolg van de verkeersbewegingen op de openbare weg van en naar de inrichting) worden de geringe aantallen verkeersbewegingen van en naar de inrichting ten opzichte van de aanwezige verkeersintensiteit op de omringende wegen opgenomen in het aanwezige verkeersbeeld en zijn derhalve akoestisch niet relevant en verder onderzocht. 40 dB(A) geluidcontour (stiltegebied) Het gebied aan weerszijden van de Noordzijde en daarmee ook de inrichting is gelegen in een zogenaamd stiltegebied. Op verzoek van de gemeente Molenlanden is de 40 dB(A) geluidcontour van de inrichting berekend. In het vroegere beleid van de provincie Zuid-Holland omtrent stiltegebieden was vastgelegd dat voor nieuwe ontwikkelingen in een stiltegebied het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel niet mag worden aangetast. Uit later onderzoek is echter gebleken dat dit geluidsniveau nergens wordt gehaald in de provincie Zuid-Holland. Er is derhalve afgestapt van de regeling van 40 dB(A), maar de stiltegebieden zijn wel blijven bestaan met als doel om de zogenoemde relatieve stilte in deze gebieden te behouden door grote lawaaimakers in deze gebieden te weren. Het plangebied betreft een bestaande recreatieve voorziening.

De toegestane recreatieve activiteiten (verblijfsaccommodaties) kunnen worden geschaard onder gebiedseigen geluiden en zijn niet in strijd met het provinciale beleid voor het beheer van stiltegebieden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen, mits ten noordoosten van de bestaande groepsaccommodatie een geluidswerende erfafscheiding met een hoogte van 1,80 m wordt geplaatst (conform het akoestisch onderzoeksrapport).

51

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

25 µg/m3

Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 15,66 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,81 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,00 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden, heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgesteld in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

52

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

53

4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNGhandreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan voorziet in een kleinschalige uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening. Hiermee is sprake van uitbreiding van een milieubelastende activiteit. De recreatieve voorziening kan worden geschaard in de categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ (milieucategorie 3.1) van het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Voor dergelijke inrichtingen is ‘geluid’ de bepalende factor. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door een deskundig bureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling van Het Groene Wout te Goudriaan. Doel van dit onderzoek is om de geluidbelasting ten gevolge van de uitbreiding en de bestaande B&B en groepsaccommodatie te bepalen en te beoordelen aan de criteria in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Hieruit is geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening (hoofdstuk 4.3 Geluid). Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. 54

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen is de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.

Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Onderzoek Inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

55

Plangebied

Afbeelding 18: Uitsnede risicokaart

Buisleidingen In en om het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

56

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

57

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Wel dienen er maatregelen getroffen te worden omtrent de rugstreeppad (zie te treffen maatregelen). De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de overwinteringsperiode (oktober-maart) plaats te vinden. Wanneer de werkzaamheden na de overwinteringsperiode plaatsvinden, dient het terrein voor de voortplantingsperiode (aprilseptember) ontoegankelijk gemaakt te worden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen 58

•

•

die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Bij het uitgraven van de watergang dient het effect van de graafwerkzaamheden op mogelijk aanwezige (beschermde) soorten geminimaliseerd te worden.

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van circa 4,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’ (afbeelding 18). Op een afstand van circa 1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (afbeelding 19). Op een afstand van circa 11 km ligt de Strategische reservering natuur en op een afstand van circa 300 meter ligt belangrijk weidevogelgebied. Knotwilgen zijn in Zuid-Holland aangemerkt als karakteristiek landschapselement. Voor de acht knotwilgen die weggenomen worden, geld een compensatieplicht. Er zijn geen andere karakteristieke landschapselementen aanwezig.

Afbeelding 19: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden

59

Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. Natuur Netwerk Nederland

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Van den Heuvel Milieuadvies een stikstofdepositieonderzoek (Aerius-berekening) uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats Binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Conclusie Het plan is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Het plan ondervindt, mits de gestelde (voorzorgs)maatregelen worden getroffen, wat betreft ecologie geen belemmeringen.

60

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: • De bovengrond ter plaatse van het onverdachte grasland is in 2 mengmonsters onderzocht. In beide monsters is molybdeen minimaal verhoogd aangetroffen. In een van de 2 mengmonsters lag het loodgehalte net boven de AW 2000. • De geroerde bovengrond rondom het verharde erf en ter plaatse van het voetbalveldje bevat lichte verhogingen aan PAK, lood en zink.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=3e554d36-3d8e-41dd-898f-382ccdc2bb25