CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Brandwijk, Brandwijksedijk 33'

Raadsvergadering 10 juli 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Bestemmingsplan Brandwijk, Brandwijksedijk 3318.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. De parkeerregeling in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is overgenomen in dit bestemmingsplan. Het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is hiermee juridisch-planologisch geborgd. 3.4.5 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten In oude bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel oude bestemmingsplannen 35

waren bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. De regeling en begrippen die zijn opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan.

36

4

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan voorziet in de toevoeging van twee wooneenheden na de sanering van een agrarische bedrijfsfunctie en het herstellen van het landschap ten noorden van de wetering. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.

Kenmerken van het plan Het plan voorziet in de sanering van een volwaardig agrarische bedrijfsfunctie aan de Brandwijksedijk 33. Het landschap ten noorden van de wetering wordt hersteld en ten zuiden van de wetering worden twee wooneenheden toegevoegd. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Verder zijn volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch uitgesloten door het verwijderen van het agrarisch bouwvlak. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied en in een cultuurhistorisch woonlint langs de Brandwijksedijk, ten noordoosten van de kern Brandwijk. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Op een afstand van circa 2,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Dit Natura 2000-gebied is niet stikstofgevoelig. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 7,5 kilometer tot een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. Het betreft het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Verder is het plangebied gelegen op een afstand van circa 1,0 km tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en circa 400 meter tot het Belangrijk weidevogelgebied. Het plangebied is gelegen binnen een door de provincie Zuid-Holland aangewezen stiltegebied.

37

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De nieuwe woningen worden conform de huidige eisen duurzaam gerealiseerd en zullen daardoor vrijwel niet voorzien in emissies. Daarnaast wordt met het uitsluiten van een volwaardig agrarisch bedrijf (zware) agrarische verkeersbewegingen en emissies als gevolg van het houden van vee weggenomen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu, beschermde natuur of het stiltegebied. Daarnaast kan redelijkerwijs aangenomen worden dat met het verwijderen van een volwaardig agrarische bedrijfsfunctie een positief effect ontstaat op het milieu. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen sprake is van productiewerkzaamheden, geen sprake is van een onevenredige toename van aantallen verkeersbewegingen, etc. kan – met in achtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van diverse milieuaspecten in deze toelichting.

38

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen; 2. Water eerlijk verdelen; 3. Voorbereiden op extreem weer; 4. Schoon water; 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. Zwemwater; 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW010. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,07 meter NAP en een winterpeil van –2,17 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

39

Plangebied

Afbeelding 18: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een waterkering. Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

40

C-063170 C-063236 A-001133 C-063203 C-063234 C-063239 C-062765

B-062810 C-129934

B-062787

C-129932 C-062789

Afbeelding 19: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn A-, B- en C-watergangen gelegen. Enkele sloopwerkzaamheden zullen plaatsvinden binnen de beschermingszones van watergangen. Hiervoor dient een melding te worden gedaan bij het waterschap. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m² respectievelijk 500 m².

Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. De exacte inrichting van het terrein voor de wetering is thans onbekend. Het oppervlak van de verharding in de nieuwe situatie is daardoor moeilijk in te schatten. Het waterschap hanteert bij woonkavels voor vrijstaande woningen dat

41

70% van het perceel wordt verhard. Om de toename aan verharding in te schatten is aangesloten bij deze benadering (ook bij de woonboerderij). Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Boerderijgebouw (twee wooneenheden) Veestal Vervallen schuurtjes Schuur achter de wetering Romneyloodsen achter de wetering Verharding en kavelpad Totaal bestaande situatie

Oppervlak 290 m² 722 m² 32 m² 138 m² 726 m² 3.130 m² 5.038 m²

Nieuwe situatie Boerderijgebouw (twee wooneenheden) 2 schuurwoningen (max 125 m² per woning) Bijgebouwen, 75 m² per woning Erfverharding (70% erf minus gebouwen) Kavelpad Totaal nieuwe situatie

290 m² 250 m² 300 m² 1.832 m² 472 m² 3.144 m²

Verschil

1.894 m² afname

Afbeelding 20: Verharding bestaand (links) en nieuw (rechts, indicatief ontwerp)

Het plan voorziet in een afname van 1.894 m² aan verharding. Watercompensatie is daardoor niet nodig. Indien water wordt gedempt, dan dien het gedempte water voor 100% gecompenseerd worden. Hiervoor dient een vergunning bij het waterschap aangevraagd te worden. Indien kan worden voldaan aan de voorwaarden van de algemene regels van het waterschap, dan volstaat een melding. Daarbij merkt het waterschap op dat watergang 063236 gedeeltelijk gedempt lijkt te zijn in 42

het verleden. Volgens de luchtfoto lijkt de watergang namelijk een stuk kleiner dan dat die in de legger wateren van het waterschap staat. Het waterschap verzoekt de initiatiefnemer om bij verdere uitwerking van het plan om het oppervlak van deze mogelijke demping voor 100% terug te graven. Hemelwater- en vuilwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. De initiatiefnemer is geïnformeerd over de nut en noodzaak van een regenton. Zodoende kan het hemelwater opgevangen, vastgehouden en gebruikt worden. Daarnaast voorziet het plan in een aanzienlijke afname van het verhard oppervlak, waardoor het hemelwater makkelijker de bodem geïnfiltreerd kan worden. Verder is in de directe omgeving van het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Het waterschap vraagt om één uitstroomvoorziening te maken voor de gezamenlijke woningen om de wildgroei van pijpjes/uitloopjes (die uitmonden op de watergangen) tegen te gaan. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Brandwijksedijk. Het plangebied is op dit moment voorzien van twee in- en uitritten op de Brandwijksedijk. Voor het verwijderen en realiseren van nieuwe perceelsontsluitingen dient een melding te worden gedaan of een vergunning te worden ingediend bij het waterschap.

43

De Brandwijksedijk betreft een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over de Brandwijksedijk te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er dient een melding gedaan te worden bij het waterschap voor enkele sloopwerkzaamheden bij de beschermingszone van watergangen.

44

4.3 Geluidhinder Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het plan betreft de toevoeging van twee burgerwoningen.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Voor de twee woningen in de woonboerderij is onderzoek niet nodig, omdat hier de situatie in het kader van de Wgh niet wijzigt. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. Het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Doel van het onderzoek is om in het kader van de ruimtelijke onderbouwing de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai te bepalen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Brandwijksedijk ten hoogste 49 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh; • De woningen ter plaatse van de noordgevel over een geluidluwe gevel en buitenruimte beschikken, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

45

Aan te vragen hogere waarden Een verzoek tot vaststelling voor de in tabel 4.1 weergegeven hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.

Geluidwering van de gevel Voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.’ Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen voor het aspect geluid. Voor de zuidgevel van de zuidelijk gelegen schuurwoning dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Het besluit hogere waarden is toegevoegd aan de bijlage van de toelichting en het besluit wordt tegelijkertijd met het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage gelegd en vastgesteld.

46

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wm. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de Monitoring NSL 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 159547): • Een stikstofconcentratie van 14,3 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,8 µg PM10/m3, met niet meer dan 6 overschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie van 8,7 µg PM2,5/m3.

47

Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het plan betreft het toevoegen van twee woningen. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

48

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van twee woningen. Hiermee is sprake van het toevoegen van nieuwe milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan en of er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype De richtafstanden in het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ wordt het volgende verstaan: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig

49

buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied)." Onder het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt het volgende verstaan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." Ter plaatse van het plangebied is sprake van lintbebouwing met woningen en agrarische bedrijvigheid. In de omgeving van de Brandwijksedijk is geen sprake van functiescheiding: agrarische bedrijven zijn direct naast woonpercelen gevestigd. Het vigerend bestemmingsplan staat agrarische bedrijvigheid direct naast woonpercelen bovendien expliciet toe. Gesteld wordt dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.

In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gevestigd. Tabel 5: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. nieuwe woning # Adres Functie Milieu- Zwaarte cat. richtafstand conform VNG 1 Brandwijksedijk 28a Agrarisch 3.2 25 meter bedrijf 2 Brandwijksedijk 30/31 Agrarisch 3.2 25 meter bedrijf 3 Brandwijksedijk 41 Agrarisch 3.2 25 meter bedrijf 4 Brandwijksedijk 42 Agrarisch 3.2 25 meter bedrijf

Afstand bedrijf tot nieuwe woning 290 meter 63 meter 310 meter 410 meter

* De zwaarste richtafstand betreft voor het aspect geur. Middels de Geurverordening van de gemeente wordt deze gereduceerd naar 25 meter.

50

Plangebied 3 4 1

1

4 1

2 1

Afbeelding 21: Afstanden plangebied t.o.v. omliggende bedrijven

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de richtafstanden en daarmee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Geur Voor het aspect geur van veehouderijen is tevens getoetst aan de wettelijke afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Geurverordening gemeente Molenlanden 2020. Uit artikel 5 van de Wgv volgt dat voor melkveehouderijen een minimumafstand van 50 meter geldt voor geur, gerekend vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stallen. De dichtstbijzijnde emissiepunt betreft een stal van de veehouderij aan de Brandwijksedijk 30-31 betreft is gelegen op een afstand van circa 118 meter tot het plangebied. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet dichterbij deze veehouderij gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de Wgv. Daarnaast is in de Wgv opgenomen dat de afstand van een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissie is vastgesteld, de afstand tot die veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter moet bedragen. Deze afstand kan worden gewijzigd met een gemeentelijke verordening. De gemeente Molenlanden heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt en heeft de Geurverordening gemeente Molenlanden 2020 vastgesteld.

Deze Geurverordening heeft voor het plangebied een afstand vastgesteld van 25 meter. Binnen een afstand van 25 meter vanaf het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. Er wordt derhalve voldaan aan de gemeentelijke geurverordening. 51

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder en geur geen belemmeringen.

52

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).

Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 53

Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

Plangebied

Afbeelding 22: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In de omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. 54

Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Het plan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ). Het advies van de VRZHZ luidt als volgt: ‘De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Het team Veilig bouwen en gebruiken binnen de VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor woongebouwen voor verminderd zelfredzame personen zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

55

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de (graaf)werkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan de (graaf)werkzaamheden dient een KLICmelding te worden gedaan.

56

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in de sloop van gebouwen en de realisatie van woningen. De woonboerderij blijft behouden, wordt gerestaureerd of wordt gesloopt en herbouwd. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn door Blom Ecologie twee quickscans Wet natuurbescherming uitgevoerd. In de eerste quickscan zijn het terrein en de schuren onderzocht. Vervolgens is – naar aanleiding van een reactie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid – ook een quickscan uitgevoerd naar de woonboerderij. De quickscans zijn opgenomen als bijlagen bij de toelichting.

De conclusies uit de eerste quickscan (terrein en schuren) luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De sloop van alle aanwezige bebouwing, met uitzondering van de boerderijwoning, de kap van enkele fruitbomen en de realisatie van woningen aan de Brandwijksedijk 33 te Brandwijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

57

Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.

• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Verlichting gericht op de boerderijwoning tussen zonsondergang en zonsopkomst vermijden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Werkzaamheden welke grote trillingen veroorzaken, zoals heien, uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van de heikikker (medio februari-medio juli). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ In de eerste quickscan is de woonboerderij niet onderzocht, omdat het plan eerst bestond in het behoud van de woonboerderij. De initiatiefnemer gaat in de toekomst de woonboerderij restaureren of slopen en herbouwen. Naar aanleiding van een reactie van de Omgevingsdienst is vervolgens aangegeven dat de woonboerderij ook

58

onderzocht moet worden. Derhalve is door Blom Ecologie een tweede quickscan uitgevoerd. Hierin is Blom Ecologie worstcase uitgegaan van sloop van de boerderij. De conclusie van de tweede quickscan luidt: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar huismus en vleermuizen. Tevens is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde sloop van de boerderijwoning aan de Brandwijksedijk 33 te Brandwijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen boerderijwoning een relevante functie heeft voor huismussen en vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

59

Vervolgstappen • Voor de sloop van de boerderijwoning dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2022). • Voor de sloop van de boerderijwoning dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen twee rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen.

Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Werkzaamheden welke grote trillingen veroorzaken, zoals heien, uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van de heikikker (medio februari-medio juli). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Naar aanleiding van de conclusie van de quickscan voor de woonboerderij dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar huismus en vleermuis. Dit onderzoek is uitgevoerd door Grofalex en is toegevoegd aan de bijlage van de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt:

60

‘Huismus Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan in alle redelijkheid worden vastgesteld dat de voorgenomen werkzaamheden, de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming niet overtreden. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van huismussen worden niet verstoord en/of vernietigd. Vleermuis Gelet op de uitkomsten van het onderzoek is vast komen te staan dat op het plangebied geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen, of essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Met voorgenomen activiteiten worden dan ook geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming – onderdeel soortbescherming vleermuizen, is daarom niet noodzakelijk. Concluderend kan worden gesteld, dat gezien het bovenstaande, de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de voorgenomen activiteiten’ Conclusie Het plan is uitvoerbaar. Het plan ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van het aspect ecologie.

61

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De bodem van het terrein bestaat uit klei, overgaand in veen tussen 0.5 en 1.0 mmv. In een aantal boringen rond de opstallen is de bovengrond zandig. Dit is onder andere aan de achterzijde van de locatie. Vanaf 2.0 m-mv is de bodem plaatselijk kleiig. In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot een diepte van maximaal 0.7 m-mv. Het gehalte varieert van sporen van tot geheel, de oprit. Het puin bestaat uit beton, grind en baksteen.

Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de grond. Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Brandwijksedijk worden met uitzondering van PAK geen tussenwaarden overschreden. De zandige en puinhoudende bovengrond van drie boringen rond de bovengrondse tank is licht verontreinigd met olie. Deze boringen staan in de smalle onverharde strook tussen de stal en de oprit. In de grond rond grondwaterniveau ter plaatse van de tank is olie niet boven de Achtergrondwaarde verhoogd. In het bovengrond-mengmonster van de boringen rond de tank is PAK met 442 mg/kg ds sterk verhoogd. De bovengrond is daar sterk puinhoudend. Het puin bestaat uit beton en steenachtig materiaal. De aanwezigheid van PAK duidt op ook wat bijmenging met kool of verbrandingsresten. De ernst en omvang van de verontreiniging kunnen als volgt worden samengevat. • De onverharde strook tussen de oprit en de stal waar de boringen in staan is maximaal 1.2 meter breed en 23 meter lang. Het oppervlak komt daarmee 28 m². • De drie grondmonsters van het verontreinigde mengmonster zijn niet individueel geanalyseerd op PAK. Aangenomen wordt dat de hele strook heterogeen puinhoudend is, tot tenminste 0.7 m-mv. Dit laatste op basis van de boringen 10 en 11. • Uitgaande van een diepte van de sterk verontreinigde grond van 0.7 m-mv zou het volume van de sterk verontreinigde grond op tenminste 20 m³.

Het PAK vormt daarmee geen ernstig geval van verontreiniging. Het criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³.

62

Bestrijdingsmiddelen, PFAS Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDT en de afbraakproducten DDE en DDD meetbaar verhoogd in de bovengrond van het terrein. Er worden voor deze stoffen geen Achtergrondwaarde overschreden. Van de PFAS-componenten is PFOA met 22 µg/kg ds sterk verhoogd. Gezien de oorzaak of bron van het PFAS (depositie uit de lucht) geldt dat vermoedelijk voor een groot deel van het terrein. Asbest Visueel is nergens asbest waargenomen in of op de bodem rond de opstallen aan de Brandwijksedijk. Er zijn voor het onderzoek vier mengmonsters van grond en puin op asbest geanalyseerd. Het lab heeft in één van de vier mengmonster asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. Dit is het mengmonster van de druppelgootlijn aan de oostkant van de stal. Het asbest bestaat uit drie stukjes met een grootte van ongeveer 6 mm, die bestaan uit hechtgebonden chrysotiel. De stukjes resulteren in een gewogen gehalte van 2.1 mg/kg ds. In de fijne fractie, het asbest kleiner dan 0.5 mm (het respirabele asbest) is niets aangetroffen. Dat geldt voor alle mengmonsters. Voor asbest in grond is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Het gewogen asbestgehalte van 2.1 mg/kg ds ligt daar onder.

Omdat er verder nergens visueel of analytisch asbest is aangetoond wordt aangenomen dat de grond van het terrein aan de Brandwijksedijk nergens boven de interventiewaarde is verontreinigd met asbest. Het asbest in de gootlijn vormt geen ernstig geval van verontreiniging. Voorwaarde daarvoor is dat er geen respirabel asbest is aangetroffen. Dat is blijkens het analysecertificaat ook niet het geval. Grondwater Het grondwater staat op het terrein aan de Brandwijksedijk op circa 1.1 m-mv. In het grondwater zijn barium en molybdeen licht verhoogd. Olie en aromaten zijn niet boven de streefwaarde verhoogd in het grondwater. De dieseltank naast de stal en het gebruik ervan heeft dus niet geresulteerd in verontreiniging van het grondwater. Conclusie, aanbevelingen De bodemkwaliteit van het terrein aan de Brandwijksedijk is met twee uitzonderingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het terrein. De uitzonderingen zijn het sterk verhoogde PAK-gehalte in de strook tussen de stal en de oprit en het hoge PFOA-gehalte in de bovengrond. De met PAK verontreinigde strook grond is een belemmering voor de ontwikkeling van de locatie en kan op basis van een Plan van aanpak worden gesaneerd. De verhoogde gehaltes aan PFAS zijn in principe geen belemmering voor een bouwvergunning.

De bovengrond zal door het relatief hoge PFOA-gehalte vermoedelijk echter afgevoerd moeten worden voor een nieuwe bestemming als wonen met tuin. Hergebruik van de grond elders in de regio is niet mogelijk. Aanbevolen wordt over de benodigde maatregelen voor het bouwrijp maken van de locatie te overleggen met Omgevingsdienst ZHZ, het bevoegd gezag in deze, namens Gemeente Molenlanden.’

63

Conclusie Voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen, dient de grond met de sterk verhoogde PAK-gehalte op basis van een Plan van Aanpak te worden gesaneerd. Verder zal overleg plaatsvinden met de Omgevingsdienst over de benodigde maatregelen voor het bouwrijp maken van de locatie ten aanzien van de relatief hoge PFOA-gehalten. De kosten voor de sanering en afvoer komen voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Het aspect bodem zit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

64

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 1,5 m beneden maaiveld voor prehistorie tot middeleeuwen (oranje).

Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk;

65

•

•

Middelmatige verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen (groen). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Verder is de woonboerderij aangemerkt als een historisch element.

Afbeelding 23: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan voorziet in ingrepen groter dan de aangegeven oppervlakte, waardoor de plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek geldt. Door ADC ArcheoProjecten is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De […] gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: •

Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Er is sprake van een veenpakket dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Nieuwkoop. Die doorsneden wordt door een laag komklei, behorend tot de Formatie van Echteld. Plaatselijk (boring 2 en 5) toont het veen op 40-50 cm mv (1,78-1,79 m -NAP) sporen van veraarding. In boring 1 is bovenop het veenpakket een ophogingspakket aanwezig dat onderdeel is van een terp. Op het veraarde veen ligt een pakket komklei behorende tot de Formatie van Echteld. Vervolgens gaat de komklei over in de bouwvoor. Op de overige locaties gaat het veen via een scherpe grens over naar een verstoord komkleipakket. Dit pakket loopt door tot aan het maaiveld.

66

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodemopbouw in het plangebied is vrijwel intact, behalve in boring 3 en 4. In boring 3 is de boring verstoord tot 115 cm -mv. In boring 4 is de bodemopbouw tot 125 cm -mv verstoord.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Ja, in het plangebied zijn archeologische relevante lagen aanwezig.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? In boring 1 is op 40 tot 100 cm -mv (1,38-1,98 m -NAP) een ophogingslaag aanwezig, dat onderdeel is van een terp. In boring 2 en 5 is de top van het veenpakket veraard en daarmee archeologisch gezien waardevol en kansrijk op sporen.

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Ja, er is een fragment aardewerk aangetroffen in boring 1.

o

Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Het fragment aardewerk is aangetroffen op 70 cm -mv (1,68 m -NAP)

o

Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? n.v.t.

o

Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Een fragment grijsbakkend aardewerk daterend uit de 13e -15e eeuw.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De zeer hoge- en middelhoge verwachting voor het plangebied blijft gedeeltelijk gehandhaafd. In afb. 19 [van het onderzoeksrapport] blijft in de zones ‘Terp en Terp verstoord tot minimaal 50 cm -mv’ en ‘veraard veen nabij terp’ de zeer hoge verwachting gehandhaafd. Tot slot kan de in de zone ‘geen archeologische verwachting’ de verwachting naar laag worden bijgesteld.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Indien gekozen wordt voor variant 2 komt het zuidwestelijk vrijstaande woonhuis ter plaatse van een zone waar veraard veen aanwezig is (afb. 20 [van het onderzoeksrapport]). Hier kunnen mogelijk aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c10c3e71-2d62-44d8-8e10-e5160c345039