CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Brandwijk, Brandwijksedijk 33'

Raadsvergadering 10 juli 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Bestemmingsplan Brandwijk, Brandwijksedijk 3318.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 33’

Toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Brandwijksedijk 33’

Identificatie NL.IMRO.1986.BPbrandwksedk33BWK-VG01 Datum 06-06-2024 Planstatus Vastgesteld Versie 2.3

2

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding................................................................................................... 5

1.2

Plangebied .................................................................................................. 5

1.3

Kader .......................................................................................................... 7

1.4

Maatschappelijk resultaat ............................................................................ 9

1.5

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9

1.6

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid ............................ 10

1.7

Communicatie ........................................................................................... 10

1.8

Realisatie .................................................................................................. 10

1.9

Leeswijzer ................................................................................................. 10

Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 11

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 14

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 19 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 21

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 23

3.3

Regionaal beleid ........................................................................................ 32

3.4

Gemeentelijk beleid................................................................................... 34

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 37 4.1

Milieueffectrapportage .............................................................................. 37

4.2

Watertoets................................................................................................. 39

4.3

Geluidhinder ............................................................................................. 45

4.4

Luchtkwaliteit ............................................................................................ 47

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ......................................................................... 49

4.6

Externe veiligheid...................................................................................... 53

4.7

Kabels en leidingen ................................................................................... 56

4.8

Ecologie .................................................................................................... 57

4.9

Bodem ...................................................................................................... 62

4.10 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................. 65 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 71 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 73 5.1

Inleiding .................................................................................................... 73

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 73

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 73

5.4

Aanduidingen............................................................................................ 74

3

Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8

Omschrijving Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Quickscan Wet natuurbescherming (schuren en terrein) Quickscan Wet natuurbescherming (woonboerderij) Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Stappen Molenwaards Kookboek Nader onderzoek huismus en vleermuis Landschappelijk inrichtingsschets

Auteur Voortman Ingenieurs

Referentie R-JVO/1819

Datum 27-06-2022

Blom Ecologie

2022-0638

Blom Ecologie

2022-0638a

24-06-2022 (revisie 29-11-2022) 09-02-2023

Linge Milieu

20-2110

14-12-2020

ADC ArcheoProjecten Van den Heuvel

ADC Rapport 5833 Brandwijk, Brandwijksedijk 33 NO 31-2023

10-01-2024

Brandwijksedijk 33 - Brandwijk

05-02-2024

Grofalex Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten

06-02-2024 30-10-2023

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Aan de Brandwijksedijk 33 te Brandwijk is een agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveehouderij gelegen. Het perceel bestaat uit een (woon)boerderij en een veestal op het terrein voor de wetering. Op het deel voorbij de wetering zijn tevens een wagenloods en enkele kuilplaten gebouwd. De opstallen zijn verouderd en dienen opgeknapt te worden. Echter, de agrariër is voornemens om de agrarische bedrijfsactiviteiten te staken en daarbij alle agrarische bebouwing te slopen en verharding te verwijderen (behoudens het kavelpad dat nodig is ten behoeve van onderhoud aan de weilanden, zoals het maaien). De woonboerderij wordt gerestaureerd of gesloopt en herbouwd. Ter compensatie worden op het vrijkomende deel voor de wetering burgerwoningen gerealiseerd. Bij de bouw van de woningen wordt de uitstaling en positionering zodanig gekozen, dat de locatie aan zal doen als boerenerf. Voorbij de wetering wordt het open polderlandschap hersteld, hier worden dan ook geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het plan is in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. Op gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. Het plan is met een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. De gemeente heeft aangegeven in principe en medewerking te verlenen aan het plan.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Brandwijksedijk 33 te Brandwijk en bestaat uit (delen van) de kadastrale percelen gemeente Brandwijk, sectie C, nummers 107 (de wetering), 135, 236 en 237. Ten noorden wordt het plangebied begrensd door het open slagenlandschap. Watergangen zorgen voor de oostelijke begrenzing van het plangebied en de openbare weg Brandwijksedijk voor de zuidelijke begrenzing. Het woonperceel Brandwijksedijk 32 zorgt voor de westelijke begrenzing. Het plangebied omvat het gehele perceel voor de wetering en het agrarisch bouwvlak ten noorden van de wetering.

5

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

6

1.3 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom (vastgesteld op 25 januari 2010). Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie. En de aanduidingen: • Bouwvlakken; • Figuur ‘relatie’; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – weidevogelgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’ • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’;

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom'

7

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de 3e herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de 3e herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • Het wijzigen van de gebiedsaanduidingen ‘wro-zone - …’ naar ‘wetgevingszone - …’; • De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1, 2, 5, 7 en 8’ zijn toegevoegd; • De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – eendenkooi’ is toegevoegd.

Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is een volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. De verbeelding is ter plaatse van het plangebied niet aangepast.

8

1.4 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt op het perceel Brandwijksedijk 33 (het gedeelte voor de wetering) de agrarische bestemming gewijzigd naar ‘Wonen’, waardoor hier burgerwoningen gerealiseerd kunnen worden en de bedrijfswoning in de woonboerderij wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt het agrarische bouwvlak geheel verwijderd, ook over de wetering. Hiermee wordt een eventuele nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf juridisch-planologisch uitgesloten. Het terrein over de wetering wordt teruggebracht naar het open landschap.

1.5 Maatschappelijk draagvlak Participatie De initiatiefnemer heeft het plan toegestuurd naar de directe omwonenden Brandwijksedijk 32 en 35. Zij hebben de initiatiefnemer succes gewenst met het plan. Algemene wet bestuursrecht Op de voorbereiding van deze ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid, provincie Zuid-Holland, het waterschap Rivierenland en de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De Veiligheidsregio heeft advies gegeven op het plan. Het advies is opgenomen in §4.5 van deze toelichting. De provincie heeft aangegeven akkoord te zijn met het plan, maar geeft aan dat de paragraaf voor klimaatadaptatie ontbrak. Naar aanleiding hiervan is §4.11 in deze toelichting toegevoegd. De Omgevingsdienst had enkele opmerkingen gegeven op de milieukundige aspecten. Naar aanleiding van deze opmerkingen is het archeologisch onderzoek en de ecologische quickscan op onderdelen aangepast, is een nieuwe quickscan en een huismus- en vleermuisonderzoek uitgevoerd en zijn §4.5 en §4.8 van deze toelichting aangepast.

Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft vanaf 14 september 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2023, 393598), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Ambtshalve wijzigingen Na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er enkele aanvullingen doorgevoerd: - Enkele kleine tekstuele toevoegingen en wijzigingen in de toelichting, alsook; o §2.2.3 is uitgebreid ten aanzien van landschappelijke inrichting; 9

De conclusie van het aanvullend ecologisch onderzoek is toegevoegd aan §4.8. Het aanvullend ecologisch onderzoek is toegevoegd aan de bijlage van de toelichting; Het archeologisch onderzoek is aangepast en definitief gemaakt; De landschappelijke inrichtingsschets is toegevoegd aan de bijlage van de toelichting en de bijlage bij de regels; De landschappelijke inrichtingsschets is toegevoegd aan de doorlopen stappen van het Molenwaards Kookboek (bijlage 6 van deze toelichting). Er zijn twee voorwaardelijke verplichtingen in de regels gewijzigd, alsook zijn de bijlagen bij de regels toegevoegd: o Artikel 5.3.2 in combinatie met bijlage 1 van de regels: te behouden verharding. Teneinde de verharding te behouden dat nodig is voor onderhoud aan het polderlandschap o Artikel 5.3.3 in combinatie met bijlage 2 van de regels: landschappelijke inrichtingsschets. Teneinde een goede landschappelijke inpassing juridisch te borgen. o

-

1.6 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.7 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via het huis-aan-huisblad Het Kontakt en het digitale Gemeenteblad).

1.8 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk.

1.9 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

10

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Brandwijk is een klein, pittoresk dorp gelegen in de Alblasserwaard. Het dorp heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de middeleeuwen, waar Brandwijk voornamelijk een agrarische gemeenschap was. De vruchtbare kleigronden langs de rivier de Lek maakten het dorp geschikt voor landbouw en veeteelt. In de loop der eeuwen heeft Brandwijk zich langzaam ontwikkeld. In de 16e en 17e eeuw kende het dorp een periode van welvaart door de handel en de groeiende landbouwsector. De aanleg van dijken en polders was essentieel om het land tegen overstromingen te beschermen en de landbouwproductiviteit te verhogen. Tegenwoordig is Brandwijk een rustig dorp met een sterke gemeenschapszin, waar de geschiedenis nog steeds voelbaar is. De traditionele boerderijen herinneren aan het rijke agrarische verleden. Het plangebied is gelegen in het noordelijke bebouwingslint aan de Brandwijksedijk. Het noordelijke bebouwingslint, het bebouwingsbeeld langs de Brandwijksedijk, wordt gekenmerkt door klassieke (grotere) boerderijen en modernere vrijstaande woningen. De woningen en de boerderijen zijn op de kop van de kavel, verspringend ten opzichte van de rooilijn, gepositioneerd en georiënteerd met de voorgevel zowel haaks als parallel op de kavelrichting.

De woonpercelen worden begrensd door de aanwezige wetering, agrarische bedrijfsgebouwen worden ook voorbij de wetering gerealiseerd. Tussen de woningen en de boerderijen bevinden zich op een aantal plaatsen tussenruimtes welke fungeren als doorzichten naar het karakteristieke slagenlandschap. Deze afwisseling van bebouwing en openheid is kenmerkend voor het bebouwingslint. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een bebouwingscluster van agrarische bedrijfsbebouwing, waarbij ook voorbij de wetering is gebouwd. In het achterhuis van de boerderij is de bedrijfswoning gebouwd. In het voorhuis is een burgerwoning aanwezig. 2.1.2 Huidige status/gebruik De locatie wordt gebruikt ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf in het houden van melkvee. Het agrarisch perceel bestaat uit twee delen: een perceel voor de wetering en een deel achter de wetering. Voor de wetering is een woonboerderij gebouwd. De woonboerderij is op dit moment voorzien van twee woningen: een burgerwoning in het voorhuis en een bedrijfswoning in het achterhuis. Achter de boerderij is een veestal gebouwd van circa 722 m². Daarnaast zijn op het voorste gedeelte van het bedrijfsperceel twee gebouwtjes gebouwd met een gezamenlijk oppervlak van 32 m². Op het achtergelegen terrein over de wetering zijn een schuur en enkele romneyloodsen aanwezig.

Het gezamenlijk oppervlak aan gebouwen over de wetering betreft circa 864 m². 11

Afbeelding 4: Aanzicht op het perceel Brandwijksedijk 33 te Brandwijk

Afbeelding 5: Overzicht oppervlak bebouwing

12

Afbeelding 6: Overzicht terrein plangebied

13

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het bestemmingsplan voorziet in het saneren van het agrarisch bedrijf aan de Brandwijksedijk 33. Daarbij worden alle agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt en verharding opgeruimd (behoudens het kavelpad ten behoeve van onderhoud aan de weilanden, zoals het maaien). De woonboerderij wordt in de toekomst gerestaureerd of gesloopt en herbouwd. Het plangebied krijgt vervolgens een nieuwe invulling in de vorm van woningbouw, waarbij de gronden ten noorden van de wetering wordt gevrijwaard van bebouwing. Zodoende wordt het landschap voorbij de wetering in ere hersteld door dit terug te brengen naar open polderlandschap. De woningbouwontwikkeling ten zuiden van de wetering zal in ieder geval zo worden vormgegeven dat in de nieuwe situatie het bebouwingsensemble nog steeds aandoet als boerenerf. Zodoende sluit het plan aan bij de karakteristieken van het lint langs de Brandwijksedijk. Om de sloop van de gebouwen over de wetering juridisch-planologisch vast te leggen, is in de regels van dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie artikel 5.3.2). Hierin is geregeld dat een omgevingsvergunning voor de bouw van de (vrijstaande) woningen pas kan worden verleend als alle gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verharding (behoudens het kavelpad) ter plaatse van de agrarische bestemming zijn verwijderd.

Het kavelpad mag behouden te blijven zodat onderhoudswerkzaamheden aan de weilanden, zoals maaiwerkzaamheden, nog steeds mogelijk is. Verder is in de anterieure overeenkomst opgenomen dat de bebouwing in ieder geval binnen 4 jaar na onherroepelijk worden van dit plan verwijderd moet zijn. Op de gronden voor de wetering wordt de woonboerderij met de bestaande burgerwoning en bedrijfswoning omgezet naar twee burgerwoningen. Daardoor komt de huidige bedrijfswoning in de reguliere woningmarkt te vallen en stijgt de verkoopbaarheid van deze woning. De bewoners worden hierdoor gestimuleerd om onderhoud te blijven plegen aan de woning, hetgeen bijdraagt aan de instandhouding van de karakteristieke woonboerderij. Dit object zal daardoor in de nieuwe situatie nog steeds aandoen als een woonboerderij en daarmee qua architectonische uitstaling als belangrijkst object binnen het plangebied worden beschouwd. Verder worden op het terrein twee woningen gebouwd. De woningen worden op een passende wijze vormgegeven binnen het ensemble door deze ondergeschikt te maken aan de woonboerderij. De twee woningen zijn uitsluitend op enige afstand achter de voorgevel van de woonboerderij toegestaan en worden voorzien van één bouwlaag met een kap (maximale goothoogte van 4 meter).

Zodoende worden de woningen architectonisch ondergeschikt aan de woonboerderij gerealiseerd en zullen zodoende aandoen als schuren (schuurwoningen) bij de woonboerderij. Om de woonboerderij juridisch-planologisch mogelijk te maken is ten eerste het terrein voor de wetering voorzien van een woonbestemming. Er is een bouwvlak strak om de woonboerderij gelegd, waarbinnen twee wooneenheden zijn 14

toegestaan. Zodoende is de bestaande bedrijfswoning in het achterhuis van de bestaande woonboerderij omgezet naar een burgerwoning. Voor de twee schuurwoningen is een groter bouwvlak opgenomen. Zodoende is de positie niet helemaal juridisch-planologisch vastgelegd. Het bouwvlak is in ieder geval in het ‘achtererf’ van de woonboerderij opgenomen, zodat wel is verzekerd dat de vrijstaande schuurwoningen verder achterop het perceel worden gerealiseerd. Het maakt daarbij niet uit of een schuurwoning naast de woonboerderij wordt gerealiseerd of beide achter de woonboerderij. Op traditionele boerenerven worden namelijk ook agrarische schuren naast en/of achter woonboerderijen gerealiseerd. In onderstaande afbeelding zijn twee situaties gevisualiseerd welke met dit bestemmingsplan mogelijk zijn. Op de situatietekeningen is het bouwvlak indicatief ingetekend met een blauwe lijn. Te zien is dat de positie van de woonboerderij met de twee wooneenheden vast staat en dat voor wat betreft de posities van de twee schuurwoningen wat meer ruimte is gecreëerd. Om de opzet van het boerenensemble ‘luchtig’ te houden, is in de regels van dit plan opgenomen dat woningen, indien niet aaneen gebouwd, de onderlinge afstand tussen de woningen ten minste 4 meter moet bedragen. Zoals benoemd dienen de schuurwoningen op een ondergeschikte wijze gerealiseerd te worden.

Om te voorkomen dat de schuurwoningen een erg groot oppervlak krijgen vanwege het grote bouwvlak, is in de regels ook vastgelegd dat het oppervlak van de schuurwoningen niet meer mag bedragen dan 125 m² per hoofdgebouw.

Afbeelding 7: Mogelijke varianten nieuwe situatie met indicatief bouwvlak (blauw)

15

Afbeelding 8: Referentie schuurwoningen

Ten aanzien van de ontsluitingen worden de bestaande ontsluitingen ten westen en oosten van de woonboerderij behouden. 2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via twee uitritten op de Brandwijksedijk. Dit zal in de nieuwe situatie niet anders zijn. De bestaande ontsluitingen blijven behouden. Er worden geen nieuwe ontsluitingen toegevoegd.

Huidige inen uitrit (behouden)

Huidige inen uitrit (behouden)

Afbeelding 9: Situatie in- en uitrit/perceelsontsluiting

16

Tussen de percelen Brandwijksedijk 36 en 37 is overigens ook nog een kavelpad aanwezig, waardoor het terrein achter de wetering/de polder bereikt kan worden. Dit kavelpad blijft tevens behouden, zodat de achtergelegen weilanden bereikbaar blijven en zodoende onderhouden kunnen worden. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. De Nota gaat met betrekking tot het plangebied uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘buitengebied’. Voor wat betreft twee woningen in de woonboerderij wordt uitgegaan van de categorie ‘koop twee-onder-een-kap’ en voor wat betreft de vrijstaande schuurwoningen wordt uitgegaan van de categorie ‘koop vrijstaand’. Tabel 1: Parkeerbehoefteberekening Categorie Kengetal Eenheid Koop, 2,4 per woning vrijstaand Koop, twee2,2 per woning onder-een-kap

Aantal 2

Parkeerbehoefte 4,8 parkeerplaatsen

2

4,4 parkeerplaatsen

Totaal

9,2 parkeerplaatsen

Per saldo dient het onderhavige plan te voorzien in 10 parkeerplaatsen. Op het vrijgekomen terrein voor de wetering is ruim voldoende ruimte voor het realiseren van 10 parkeerplaatsen.

Afbeelding 10: Mogelijke parkeeroplossingen

Verkeersgeneratie Om de verkeersgeneratie van het plan te berekenen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381. Ook voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk’ gebied. De CROW-publicatie hanteert minimale en maximale kengetallen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gemiddelde hiervan.

17

Op dit moment zijn er al twee woningen aanwezig in de woonboerderij. Het plan voorziet derhalve niet in het toevoegen van woningen in de woonboerderij. Wel worden er twee vrijstaande schuurwoningen toegevoegd. Voor deze woningen is aangesloten bij de categorie ‘koop, huis, vrijstaand’, waarvoor de CROW een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal hanteert. Per saldo zal de verkeersgeneratie dus toenemen met 17 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een dergelijke geringe toename kan de omliggende infrastructuur opvangen. Daarnaast dient vermeld te worden dat met het verwijderen van het agrarisch bedrijf ook (zware) agrarische verkeersbewegingen worden uitgesloten en zodoende een betere verkeerssituatie oplevert. 2.2.3 Landschappelijke inrichting Ten aanzien van de landschappelijke inrichting zijn de stappen van het Molenwaards Kookboek doorlopen. De doorlopen stappen zijn toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Landschappelijke patronen Ten aanzien van de landschappelijke patronen wordt het open polderlandschap hersteld door het slopen van de gebouwen ten noorden van de wetering. Hierdoor wordt de openheid hersteld. Ook voorziet het plan in het behoud van de lengtesloten en de wetering, zodat het oorspronkelijk slotenpatroon behouden blijft.

Uitstraling Op het voorerf van het plangebied is de woonboerderij gepositioneerd en is daarmee architectonisch het ‘belangrijkste’ gebouw binnen het plangebied. De nieuwe vrijstaande woningen worden gerealiseerd in de vorm van schuurwoningen en zijn daarmee architectonisch ondergeschikt aan de bestaande woonboerderij. Ook worden de schuurwoningen achter de voorgevellijn van de woonboerderij gerealiseerd, zodat ze in het straatbeeld terughoudend en ondergeschikt overkomen. Daarmee ontstaat er een boerenensemble wat vaker voorkomt langs cultuurhistorische linten. De schuurwoningen zullen qua situering, kleur- en materiaalgebruik en detaillering aansluiten bij de karakteristieken van het lint. Er zullen voornamelijk natuurlijke materialen gebruikt worden, waarbij het kleurgebruik terughoudend en in harmonie met het landschap zal zijn. Daarmee sluit het plan aan bij het dorpse karakter van het lint. Inpassingsmaatregelen De schuurwoningen worden gerealiseerd op een bestaand erf en achter de voorgevelrooilijn van de boerderij. Er wordt tevens niet gebouwd voorbij de wetering, zodat het polderlandschap over de wetering zijn openheid behoud. De lineaire watergangen blijven behouden en worden geaccentueerd door bestaande knotwilgen en aan te vullen knotwilgen of elzen.

Daarnaast wordt het plangebied aangevuld met extra groen, door in ieder geval per woning minimaal 1 nieuw aan te planten streekeigen hoogstam boom aan te leggen (bijvoorbeeld veldesdoorn, walnoot, meidoorn, berk, zwarte els of boskriek). Daarnaast dienen minimaal 3 hoogstam fruitbomen aangebracht te worden in de grasberm aan het zuidoostelijk deel van het plangebied. Verder worden ook langs de Brandwijksedijk knotwilgen aangebracht om de watergang die langs deze weg loopt te accentueren. Voorop het 18

perceel wordt de bestaande erfboom behouden of wordt een nieuwe streekeigen erfboom aangeplant (bijvoorbeeld boskriek, berk, beuk of eik). Voorop het perceel en langs een deel van het naastgelegen perceel Brandwijksedijk 32 wordt een nieuwe streekeigen haag aangebracht van bijvoorbeeld meidoorn, haagbeuk, veldeskdoorn of liguster). Om een goede landschappelijke inpassing te borgen is in de regels van dit plan opgenomen dat alle gebouwen, bouwwerken en een deel van de verhardingen ten noorden van de wetering grotendeels verwijderd moeten worden (artikel 5.3.2). Tevens is in de regels de verplichting opgenomen om de landschappelijke inrichtingsschets uit te voeren en in stand te houden (artikel 5.3.3).

Afbeelding 11: Te behouden/verwijderen bebouwing/verharding (artikel 5.3.2 van de regels)

19

Afbeelding 12: Landschappelijke inrichtingsschets (artikel 5.3.3 van de regels). Voor een vergrote versie zie bijlage 8 bij deze toelichting

20

3

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

21

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Inmiddels biedt jurisprudentie een verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’. De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS: 2013:2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Het plan voorziet in de toevoeging van twee wooneenheden.

Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

22

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Met het saneren van het agrarisch bedrijf en bijbehorende agrarische bedrijfsgebouwen komt er ruimte vrij voor een nieuwe functie. In dit geval wordt de vrijkomende locatie voor de wetering ingevuld met woningbouw, welke op een passende wijze wordt gerealiseerd. Daarmee is er sprake van het beter benutten van een bestaand bebouwd perceel.

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’:

23

ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plangebied betreft op dit moment een volwaardig agrarisch bedrijf met schuren en gebouwtjes die zich in een matige of slechte bouwkundige staat bevinden. Het terrein is over een aanzienlijk oppervlak verhard en het perceel doet wat verrommeld aan. Daarnaast is agrarische bebouwing over de wetering gerealiseerd, hetgeen het open landschap aantast.

Afbeelding 13: Impressie huidige situatie

Met het plan wordt het gehele locatie gesaneerd en opgeruimd, de boerderij wordt gerestaureerd of gesloopt en herbouwd worden. Het terrein over de wetering wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke staat als weiland. Zodoende wordt het open polderlandschap ten noorden van de wetering hersteld. Ten zuiden van de wetering krijgt het perceel een nieuwe invulling in de vorm van woningbouw. De nieuwe woningen worden zo gerealiseerd, dat er een nieuw boerenensemble ontstaat, passend bij de karakteristieken van het cultuurhistorisch woonlint langs de Brandwijksedijk. De woonboerderij zal daarbij architectonisch als belangrijkste gebouw aangemerkt worden en de twee vrijstaande schuurwoningen daaraan ondergeschikt, omdat deze voorop het perceel staat en de nieuwe woningen architectonisch ondergeschikt worden gerealiseerd aan de woonboerderij. Doordat het plan voorziet in het saneren van in matige of slechte staat zijnde bedrijfsgebouwen wordt verdere verslechtering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Door het verwijderen van een volwaardig agrarische bedrijfsfunctie en de nieuwe invulling in de vorm van woningbouw wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.

Dit wordt versterkt door de afname van de verharding, het herstellen van het open landschap ten noorden van de wetering en door qua woningbouw en -opzet aan te sluiten bij de karakteristieken van de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Brandwijksedijk. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor 24

nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Met betrekking tot de kwaliteitskaart zijn voor het plangebied de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de beleving relevant. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘veencomplex – veen’. Veencomplex - Veen Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Binnen het veengebied zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling.

De provincie heeft hiervoor de volgende richtpunt opgenomen: • Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.

Veencomplex – veen

Afbeelding 14: Uitsnede Kwaliteitskaart - Laag van de ondergrond

25

Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veen(weide)landschap’ en ‘linten’. Veen(weide)landschap De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap.

In delen is het voor de oeverwallen kenmerkende fruitteelt aanwezig. De kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar en staan dan ook niet op kaart. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap hanteert de provincie de volgende richtpunten: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.

Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. De provincie heeft voor linten de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; 26

• •

Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Veen(weide)landschap

Linten

Afbeelding 15: Uitsnede kwaliteitskaart – Laag van cultuur- en natuurlandschappen

Het plan voorziet in het herstellen van het open polderlandschap ten noorden van de wetering. De nieuwe bebouwing en bouwwerken worden ten zuiden van de wetering gerealiseerd, binnen de bestaande structuren van het lint. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een boerenerfensemble, waarmee wordt aangesloten bij de karakteristieken van het cultuurhistorisch lint langs de Brandwijksedijk. Laag van de beleving Het plangebied is gelegen in het gebied ‘stiltegebieden’ Stiltegebieden De stiltegebieden zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied. De provincie hanteert hiervoor het volgende richtpunt: • In de stiltegebieden is alleen ruimte voor “gebiedseigen” geluid.

27

‘Stiltegebieden’

Afbeelding 16: Uitsnede Kwaliteitskaart - Laag van de beleving

Het plan voorziet in het saneren van een agrarisch bedrijf en de toevoeging van twee wooneenheden. Ondanks dat een agrarisch bedrijf onder gebiedseigen geluid wordt gerekend, kan wel gesteld worden dat met het verwijderen van het agrarisch bedrijf de geluidbelasting op het gebied wordt verminderd, waardoor het plan bijdraagt in het stiller maken van het stiltegebied. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (inpassen);

28

b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan betreft het saneren van een volwaardig agrarische bedrijfsfunctie en de realisatie van een passende woningbouwontwikkeling. Het landschap ten noorden van de wetering wordt hersteld. De bestaande gebiedsidentiteit blijft geborgd.

Buitengebied Volgens artikel 6.9a kan een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied alleen voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Brandwijksedijk, ten noordoosten van de kern Brandwijk. De lintbebouwing concentreert zich aan de Brandwijksedijk en wordt veelal begrensd door de achtergelegen wetering. De lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De verkavelingsrichting van het landschap is haaks op de wetering gericht. Ondanks dat de bebouwing zich heeft geconcentreerd aan de Brandwijksedijk, is hier en daar voorbij de wetering gebouwd. Het betreffen met name agrarische bedrijfsgebouwen, zoals ook in het plangebied het geval is. Voorbij de wetering wordt het gebied gekenmerkt door het archetypisch polderlandschap. Het landschap kenmerkt zich door openheid, hier kan men nog ver van zich afkijken.

Het heeft een sterk agrarische identiteit en het landschap wordt met name gevormd door de rechte verkaveling met daaraan parallel de watergangen en haaks daarop de weteringen. Het landschap is ontstaan door het eeuwenlang afsterven van beplanting, waardoor er een dikke veenlaag ontstond. Bij de ontginning van het gebied werd er een systeem ontwikkeld om het water af te laten voeren. Het systeem bestond (en bestaat) uit een stelsel van sloten, weteringen en veenriviertjes, waarbij het overtollige water uiteindelijk op de rivier werd geloosd. Door inklinking van de 29

veenbodem en de hoger wordende waterstanden in de rivier werkte het systeem van natuurlijke afwatering niet meer. De mens zag zich genoodzaakt om het systeem te verbeteren door kades, dijken, boezemwateren, molens, sluizen en gemalen op te richten. Langzamerhand is zo het landschap ontstaan zoals we die nu kennen: lange rechte kavels met parallel daaraan de watergangen en haaks op de verkaveling de weteringen, waarbij het open veenlandschap wordt begrensd door dijken en kades.

Afbeelding 17: Kenmerken plangebied en landschap in de omgeving

Met het plan wordt het gebied ten noorden van de wetering teruggebracht naar polderlandschap. Daarmee versterkt het plan de openheid van dit landschap. Verder wordt met het plan een aanzienlijk oppervlak aan verharding verwijderd, ook voorbij de wetering. Zodoende wordt het groene karakter van het landschap weer hersteld. De woningbouw vindt plaats binnen de structuur van de cultuurhistorische lintbebouwing, ten zuiden van de wetering. Stedelijke ontwikkelingen In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

30

Het plan voorziet in de toevoeging van twee wooneenheden. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie tevens §3.1.3). Stiltegebied In §3.4.3 zijn in de Omgevingsverordening regels opgenomen voor stiltegebieden. Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te beperken. Zodoende zijn bijvoorbeeld toertochten voor motorrijtuigen, waterscooters en snelle motorboten verboden, alsook motorrijtuig buiten de openbare weg of voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Het verbod geldt echter niet voor het gebruik van motorrijtuigen die verband houden met de uitoefening van onder andere landbouw. Het plan voorziet in het saneren van een agrarisch bedrijf en de toevoeging van twee wooneenheden.

Ondanks dat een agrarisch bedrijf onder gebiedseigen geluid wordt gerekend, kan wel gesteld worden dat met het verwijderen van het agrarisch bedrijf de geluidbelasting op het gebied wordt verminderd. De toevoeging van twee reguliere burgerwoningen zorgt niet voor een significante toename van de geluidbelasting op het stiltegebied. Daarnaast wordt in de verordening specifiek benoemd dat de volgende activiteiten binnen stiltegebieden in beginsel niet zijn toegestaan: • airguns; • schietwapens; • geluid- en omroepinstallaties; • modeltoestellen die worden aangedreven door een verbrandingsmotor; • het (zonder ontheffing) rijden van motorrijtuigen buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; • het organiseren of deelnemen aan toertochten (zonder ontheffing); • het varen met een waterscooter; • het varen van een motorboot sneller dan 9 km/h. Het plan voorziet niet in dergelijke activiteiten en is daarmee niet in strijd met de regels voor stiltegebieden. De Omgevingsverordening van de provincie regelt al het verbod op bepaalde activiteiten, het bestemmingsplan hoeft dit in principe niet nog een keer te regelen. Daarnaast verplicht de Omgevingsverordening ook niet om een bepaling ten aanzien van het stiltegebied op te nemen in het bestemmingsplan.

De aanduiding en regelingen voor het stiltegebied uit het vigerend bestemmingsplan wordt niet overgenomen, omdat deze regelingen zijn gebaseerd op oud beleid.

31

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels het plan wordt na de sanering van een volwaardig agrarische bedrijfsfunctie de realisatie van twee vrijstaande burgerwoningen mogelijk gemaakt.

De nieuwe woningen worden op een passende wijze vormgegeven door het geheel in te richten als boerenerf. Zodoende wordt aangesloten bij de karakteristieken van de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Brandwijksedijk. Daarnaast wordt ten noorden van de wetering alle bebouwing en veel verharding verwijderd, zodat het landschap ter plaatse wordt hersteld. Het plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld.

Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen.

32

De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Brandwijk is aangeduid als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Dit plan, dat uit slechts twee extra woningen bestaat, voldoet aan die behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie. Bij een dergelijk plan met een beperkt aantal woningen is regionale afstemming niet nodig.

33

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid Met het plan wordt verharding en bebouwing ten noorden van de wetering op de locatie Brandwijksedijk 33 verwijderd. Zodoende wordt het polderlandschap hersteld en wordt de oorspronkelijke identiteit als open landschap teruggebracht. Verder voorziet het plan in de toevoeging van twee schuurwoningen aan de Brandwijksedijk 33. Het perceel ten zuiden van de wetering wordt zodanig ingericht, dat het geheel zal aandoen als een boerenerfensemble. Daardoor is de woningbouwontwikkeling passend binnen de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Brandwijksedijk. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de nieuwe woonvisie vastgesteld.

De woonvisie beschrijft vooral de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die de mensen hebben. De grootste opgave ligt in het voorzien in kleinere en betaalbare koopwoningen, maar de woonvisie maakt ook nog steeds woningbouwinitiatieven mogelijk als daar behoefte aan is; kwantitatief en kwalitatief. De woonvisie is opgedeeld in de volgende opgaven: • Meer woningen met de juiste kwaliteit; • Betaalbaar wonen; • Bestaande voorraad op peil; • Wonen met zorg; • Specifieke woningbehoeften; • Leefbare en vitale dorpen. Daarnaast geldt voor Molengraaf/Brandwijk het volgende: De woningbehoefte in Brandwijk gaat sterk uit naar betaalbare woningen voor starters en doorstromers (<€300.000). Om aan te sluiten bij het dorpse woonmilieu zijn grondgebonden woningen van belang. In Molenaarsgraaf/Brandwijk zal het aantal oudere huishoudens zal de komende jaren toenemen. De grootste behoefte is afkomstig van gezinnen. Zij zoeken vooral een ruime grondgebonden koopwoning. Deels is dat al voorhanden in de bestaande voorraad. Er is beperkt ruimte voor duurdere vrijstaande woningen. Het plan voorziet met twee vrijstaande schuurwoningen hierin en is in overeenstemming met de Woonvisie. 34

3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom (vastgesteld op 25 januari 2010). Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie. En de aanduidingen: • Bouwvlakken; • Figuur ‘relatie’; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – weidevogelgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’; Het plan is in strijd met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’. Op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn burgerwoningen juridisch-planologisch niet toegestaan. 3.4.4 Parapluherziening Parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c10c3e71-2d62-44d8-8e10-e5160c345039