Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Bleskensgraaf, Heulenslag 28'
Tekst van het document
De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, 36
een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten.
In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie.
37
Gebiedseigen en gebiedsvreemd Een gebiedseigen ontwikkeling of functie sluit naadloos aan op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van een gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Het ondersteunt bestaande landschappelijke structuren of heeft een belangrijke functie bij het instandhouden van de bestaande gebiedskenmerken en kwaliteiten. Een gebiedsvreemde ontwikkeling of functie is een ontwikkeling die niet gebruikelijk of typerend voor een gebied is. Er wordt in zekere zin vooral gebruik gemaakt van relatief goedkope ontwikkelingsruimte. Er kan ook sprake zijn vaneen negatieve invloed op de omgeving bijvoorbeeld in de vorm van verkeer of milieu. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Ingrijpen in een gebiedsidentiteit is daarom zeer wezenlijk: het is een breuk in de tijdslijn, een verandering van koers die al jaren wordt gevaren.
Vaak leidt een verandering van de gebiedsidentiteit tot de introductie van nieuwegebruikers. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. De samenhang tussen de onderdelen maakt de identiteit van een gebied. Bijvoorbeeld de wijze waarop straten en pleinen zijn ingericht, worden gebruikt en beleefd. Maar ook hoe het watersysteem onderdeel uitmaakt van het karakter van het gebied en tegelijkertijd functioneel voorziet in een goede ontwatering. Harde grenzen heeft de gebiedsidentiteit zelden. Structuur Het begrip structuur gaat over de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Wellicht het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld is de verkeersstructuur. Het is een manier waarop het verkeer is geregeld, waarbij de bereikbaarheid, maar ook de leefbaarheid van de omgeving wordt gegarandeerd. Andere vormen van structuren zijn bijvoorbeeld waterstructuren - hoe houden we een typisch ZuidHollands landschap in stand en zorgen we er tegelijk voor dat we allemaal droge voeten houden -. Een actueel vraagstuk gaat over hoe, in welke structuur we onze energie organiseren. Structuren zijn dan ook niet per definitie heel erg zichtbaar en beleefbaar, soms kan een ondergrondse structuur van kabels en leidingen ruimtelijk vergaande consequenties hebben.
In andere situaties zijn structuren juist wel zichtbaar en dragen zij door hun verschijningsvorm juist bij aan ruimtelijke kwaliteit; denk maar aan in onbruik geraakte dijken als onderdeel van de identiteit van een landschap. Het opnieuw betekenis geven van dergelijke ruimtelijke elementen, in het voorbeeld van de oude dijk door de aanleg van een fietspad op de dijk, is een mooi voorbeeld waarin beleving, gebruik en (nieuwe) toekomst met elkaar samen gaan. Door een structuuringreep kan een gebiedsidentiteit sterker worden. Denk maar aan versterking van landschappelijke structuren door aanleg van houtwallen, 38
laanbeplanting of vernatting. Hierdoor komen kwaliteiten van het oorspronkelijke landschap weer tot hun recht.
Kavel In tegenstelling tot gebiedsidentiteit en structuur is een kavel vaak een relatief klein, aaneengesloten stuk grond dat één bepaalde vorm van gebruik kent. Ruimtelijke ontwikkelingen op een kavel kunnen geheel in lijn met de bestaande situatie en bestaande kwaliteit liggen. In dat geval zijn de consequenties van de ingreep nauwelijks van invloed op de ruimtelijke kwaliteit van kavel en omgeving. Er zijn ook ontwikkelingen denkbaar waarbij de consequenties het kavel overstijgen. De plaatsing van een bedrijf op een kavel in een woonlint heeft niet alleen vanuit vorm en beleving invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het lint. Vanuit het gebruik is de impact mogelijk groot door de komst van vrachtverkeer in het woonlint. Ook bij een opschaling van een activiteit kan de impact op een kavel groot zijn. Op dat moment treedt er een schaalsprong op van kavel naar structuur, of zelfs gebiedsidentiteit. Planspecifiek De identiteit van het gebied waarin het plangebied is gelegen kan worden aangemerkt als veenweidegebied. Het veenweidegebied wordt in deze regio gekenmerkt door de langgerekte percelen van de cope-verkaveling met smalle perceelsloten. Het veenweidegebied van de Alblasserwaard wordt gekenmerkt door zijn openheid, een duidelijke oost-west oriëntatie en een regelmatige verkaveling. Door dit landschap adert uitgestrekte lintbebouwingen.
Deze lintbebouwingen zijn gevormd door een strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing met daartussen afwisselend smalle en brede landschappelijke doorzichten. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) (woon)boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen), hebben bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik genomen als woonfunctie. 39
Het plan betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. De monumentale boerderij blijft gehandhaafd en wordt gesplitst in twee burgerwoningen. Daarmee wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor het monument, hetgeen bijdraagt aan het behoud van de karakteristieken langs het cultuurhistorische woonlint en de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis in stand blijft. Daarnaast worden voormalige agrarische bebouwing gesloopt en daarvoor in de plaats een vrijstaande woning toegevoegd aan het perceel. De nieuwe woning beslaat een veel kleiner oppervlak dan de gebouwen die gesloopt worden, zodat op het perceel enige openheid wordt gecreëerd. Daarnaast ontstaat er meer ‘lucht’ op het perceel, waardoor de monumentale boerderij meer op zichzelf komt te staan en daardoor een prominenter karakter krijgt. Ten aanzien van de inrichting van het perceel is uitgegaan van de bestaande structuren. De grootste structuurdragers in het landschap; de verkavelingsrichting, weteringen en linten blijven onaangetast met dit plan. Langs het lint komen verschillende functies voor, met name (agrarische) bedrijven en woonpercelen.
Dit plan voorziet in het wijzigen van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar woonpercelen. Deze functiewijziging past binnen het lint langs de Heulenslag. Het plangebied is zodanig ingericht dat wordt gerefereerd naar het boerenensemble, hetgeen vaak voorkomt in de veenweidepolder. De monumentale boerderij is architectonisch aangemerkt als het hoofdgebouw en de vrijstaande woning wordt daaraan ondergeschikt uitgevoerd als schuurwoning. Dit wordt bewerkstelligd door de vrijstaande woning achter de voorgevel van de boerderij te realiseren, gebruik te maken van donkere kleuren, natuurlijke materialen en terughoudend te zijn qua detaillering. Ook krijgt de woning een lagere goot- en nokhoogte van de boerderij. Het plan sluit aan bij de gebiedsidentiteit en zich voegt binnen de bestaande structuur. Het plan kan daardoor worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en de woonfunctie sluit aan op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit is tevens gebruikgemaakt van het Molenwaards Kookboek. Er is geen gebruikgemaakt van het in december 2023 door de gemeente Molenlanden vastgestelde Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing (‘VAB-beleid’).
In dit beleid is namelijk opgenomen dat dit beleid niet wordt toegepast voor bestaande voormalige agrarische bedrijven die al een nieuwe functie of invulling hebben gekregen, hiervoor blijven de gemaakte afspraken gelden. Voor dit plan is door de gemeente in 2020 een principebesluit genomen en is het bestemmingsplan in 2022 als ontwerp ter inzage gelegd waarin het voormalig agrarisch bedrijf een nieuwe invulling krijgt. Voor dit plan zijn dus al afspraken gemaakt voor een nieuwe invulling. Het VAB-beleid is daardoor niet van toepassing op dit plan. Aan de hand van het Molenwaards Kookboek zijn aanvullende maatregelen genomen om te voorzien in een extra ruimtelijke kwaliteitsslag. Daarbij is gebruik gemaakt van het recept ‘inbreiding in oud lint’. 40
Voor wat betreft het aspect landschappelijke patronen draagt het plan bij aan het voorkomen dat het lint zich tot een aaneengesloten bebouwing ontwikkeld door de reeds aanwezige voormalige agrarische bebouwing te saneren (behoudens de monumentale boerderij) en daarvoor in de plaats een vrijstaande woning te realiseren met een kleiner bebouwd oppervlak. Ook geldt dat het bouwvlak ten noorden van de Heulenslag wordt verwijderd, waardoor daar geen gebouwen gerealiseerd kunnen worden. Daarmee blijven de openheid, de vergezichten en zichtlijnen bewaard. In het kader van de uitstraling is ervoor gekozen om qua schaal en maat aan te sluiten op het landelijke karakter en de karakteristieken van het lint. De omvang van de monumentale boerderij blijft behouden. Binnen het bestaande volume worden de twee woningen geïntegreerd. De vrijstaande woning wordt hieraan architectonisch ondergeschikt gebouwd. Daarnaast wordt de vrijstaande woning achter het verlengde van de voorgevel van de monumentale boerderij gerealiseerd. Verder geldt dat de nokrichting van gebouwen langs de Heulenslag zowel haaks als parallel aan de Heulenslag zijn gebouwd. Zodoende geldt voor de vrijstaande woning dat de nokrichting ook haaks of parallel aan de weg kan worden gebouwd.
Echter is ervoor gekozen om de woning haaks aan de boerderij te bouwen, zodat wordt gerefereerd naar de bestaande schuren ten oosten van de boerderij. Qua kapvorm zal de woning worden voorzien van een zadeldak of mansardekap of een afgeleide hiervan. Daardoor krijgt de woning een landelijke kapvorm. Qua situering, rooilijn en vorm zullen de woningen hiermee aansluiten bij de karakteristieken van het cultuurhistorisch woonlint. Omdat het plangebied is gelegen op enige afstand van het dorpscentrum, bevindt de bebouwing zich relatief ver van de weg af. Het plan sluit hierop aan en daardoor ontstaat er ook ruimte voor een groen voorterrein. Ook qua materiaalgebruik sluiten de woningen aan bij het Molenwaards Kookboek. De huidige kleuren, materialen, vorm en detaillering van de woonboerderij sluiten aan bij de karakteristieken van het lint. Dat zal ook zo zijn bij de vrijstaande woningen, hetgeen betekent een keuze voor natuurlijke materialen (baksteen, hout, gebakken pannen, riet). Daarbij geldt dat de vrijstaande woning ondergeschikt moet zijn aan de woonboerderij. Voor wat betreft de inpassingsmaatregelen is ervoor gekozen om het zicht op de monumentale woonboerderij als zijnde essentieel element te verbeteren. Dit is gedaan door de huidig aanwezige bijgebouwen te slopen en daarvoor in de plaats een vrijstaande woning te bouwen op enige afstand van de boerderij.
Verder is er voldoende ruimte aanwezig voor het ontwikkelen van een groene voortuin en wordt middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ een overmaat aan schuurtjes voorkomen. Daarnaast is het parkeren uit het zicht onttrokken door dit te integreren in het tuinontwerp door het toepassen van hagen. Tenslotte sluit de uitrit van de nieuwe woning aan op de oprit van de woonboerderij, waarmee dubbele opritten op het lint wordt voorkomen. Het plan voorziet hiermee in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Daarnaast geldt dat ook aantasting van de ruimtelijke kwaliteit wordt voorkomen met dit plan. Met het verwijderen van niet meer in gebruik zijnde bijgebouwen wordt voorkomen dat gebouwen leeg blijven staan en verpauperen. Daarnaast wordt met het plan een eventuele nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf en daarmee tevens het wegnemen van mogelijke zware verkeersbewegingen uitgesloten.
41
Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een extra vrijstaande woning en de splitsing van de bestaande woonboerderij. Per saldo worden daarmee twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie §3.1.3 van deze toelichting). Stiltegebied Om stiltegebieden zo stil mogelijk te houden gelden een aantal regels. Gemotoriseerd verkeerd, grootschalige evenementen of andere bronnen van lawaai zijn verboden. Gebiedseigen geluiden zijn wel toegestaan.
Het onderhavige plan betreft ter plaatse van het stiltegebied uitsluitend het verwijderen van het noordelijk gelegen bouwvlak. Daarmee wordt een eventuele nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf en bijbehorende geluidbelasting uitgesloten. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan voorziet in een positieve invloed op het stiltegebied.
Afbeelding 15: Uitsnede kaart ‘Stiltegebieden’
42
Risico’s van klimaatverandering In artikel 6.50 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. Deze aspecten dienen opgenomen te worden in bestemmingsplannen. Op basis van dit artikel in de verordening is in paragraaf 4.12 van deze toelichting ingegaan op duurzaamheid en klimaatadaptatie.
43
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven. (Agrarische) bedrijfsbestemmingen zijn in de kern en het cultuurhistorische lint minder wenselijk. Middels het onderhavige plan wordt deze bestemming verwijderd, waarmee een volwaardig bedrijf wordt uitgesloten.
Hiermee zal het woon- en leefklimaat ter plaatse worden verbeterd. De woonboerderij wordt gesplitst. De verouderde agrarische schuren worden gesaneerd en er wordt een vrijstaande en levensloopbestendige woning passend bij de woonboerderij gerealiseerd. Het perceel wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast, waardoor wordt voorzien in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering en het overwegend open, rustige en authentieke karakter van het landschap wordt versterkt. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld.
Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar.
44
Bij het overleg van de regionale Bestuurlijke tafel Wonen op 23 juni 2021 zijn afspraken gemaakt over welke plannen regionaal afgestemd worden. Plannen met een beperkte omvang, zoals dit plan, worden opgenomen op de planmonitor en hoeven niet in het regionaal overleg afgestemd te worden.
45
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid De gemeente Molenlanden wenst de identiteit van haar dorpen en vestigingsstad in stand te houden. Met de toevoeging van een woning in de karakteristieke woonboerderij draagt het plan bij aan de instandhouding van dit karakteristieke pand en het cultuurhistorisch karakter van het woonlint langs de Heulenslag. Daarmee blijft de eigen identiteit van het de Heulenslag en Bleskensgraaf behouden. Tevens kan worden gesteld dat met het juridisch-planologisch uitsluiten van de mogelijkheid tot vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf (en de daarmee samenhangende hinder) de kwaliteit van de leefomgeving en het woonklimaat wordt verbeterd.
3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen.
46
•
Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
Verder zijn er ook meer woningen nodig voor de steeds grotere groep oudere huishoudens. Voor hen is het belangrijk dat die woningen ook levensloopgeschikt zijn, zodat zij er ook kunnen blijven wonen als zij behoefte krijgen aan zorg of ondersteuning. Daarnaast geldt voor Bleskensgraaf het volgende: Een gevarieerd programma is gewenst, met meer nadruk op grondgebonden koopwoningen. Dat zijn in eerste instantie betaalbare rij- en hoekwoningen (< €250.000) voor starters, maar ook ruimere woningen in het middel(dure) segment (€250-450.000) gericht op gezinnen. Voor het toenemend aantal ouderen is er behoefte aan een levensloopgeschikte woning. Dat kan zowel in de vorm van een appartement als een kleine grondgebonden woning. De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op 100 woningen. Het plan voorziet in het splitsen van de woonboerderij in twee wooneenheden en het realiseren van een vrijstaande en levensloopbestendige woning. Hiermee voorziet het plan in een kwantitatieve toevoeging van twee wooneenheden. De toevoeging van twee wooneenheden draagt bij aan het bevorderen van doorstroming in de (lokale) woningmarkt, waardoor mogelijk starterswoningen en/of woningen in het midden(dure) segment vrij kunnen komen.
Daarnaast wordt met de realisatie van een levensloopbestendige woning bijgedragen aan de wens van de gemeente om het aantal levensloopbestendige/nultredenwoningen binnen de gemeente uit te breiden. Zodoende kan de verwachte groei van het aantal seniorenhuishoudens opgevangen worden binnen Molenlanden en komen de vrijkomende woningen van de senioren vrij voor andere doelgroepen. 3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Verkeer; • Water. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie; • Waterstaat – Waterbergingsgebied; • Waterstaat – Waterkering; En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding: cultuurhistorische waarden; • Functieaanduiding: bedrijfswoning uitgesloten; • Functieaanduiding: specifieke vorm van verkeer – erftoegangswegen; • Gebiedsaanduiding: wro-zone - aanlegvergunning gevoelige bodem; • Gebiedsaanduiding: wro-zone - aanlegvergunning overgangsgebied; • Gebiedsaanduiding: wro-zone - wijzigingsgebied dorpslint; • Figuur: relatie. 47
Afbeelding 16: Uitsnede bestemmingsplan
48
3.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied betekende dat: • De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is gesplitst in ‘Waarde – Archeologie 1, 2 en 4’; • De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd/verplaatst. • ‘Wro-zones’ zijn gewijzigd naar ‘wetgevingszones’.
Afbeelding 17: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’
49
3.4.5 Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plangebied betekende dat: • De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd/verplaatst; • De gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ is langs de waterkering gelegd.
Afbeelding 18: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’
50
Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’, ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ en ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. Op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. 3.4.6 Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. Deze regeling en bijbehorende begrippen worden overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
3.4.7 Paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ Binnen onderliggende bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. Deze regeling en de bijbehorende begrippen worden overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Om een koppeling te maken naar het begrip ‘wonen’ is in artikel 6.1.1 lid a “Wonen in” tekstueel toegevoegd aan het begin van het lid. Zodoende worden ongewenste woonvormen voorkomen.
51
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het onderhavige plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan.
52
4.
Sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Aan de hand van voornoemde bestemmingswijziging ten behoeve van de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen, de functiewijziging van het perceel van Agrarisch naar Wonen, de splitsing van de woonboerderij en de toevoeging van een vrijstaande woning zal de vraag beantwoord worden of een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit de juridisch-planologische toevoeging van 2 wooneenheden. Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling.
Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de bestaande woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden en een vrijstaande en levensloopbestendige (schuur)woning te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huisgebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De juridisch-planologische mogelijkheid tot (nieuw)vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf wordt uitgesloten. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het woonlint langs de Heulenslag, ten westen van de bebouwde kom van Bleskensgraaf. De locatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer en het Natuurnetwerk Nederland op een afstand van circa 1,1 kilometer.
53
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet significant toenemen. Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Daarnaast betreft het juridischplanologisch uitsluiten van de (nieuw)vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf een positieve ontwikkeling. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wm.
54
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit.
55
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20201021-9-24563). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. De automatisch gegenereerde uitkomsten dateren van 2020 en zijn daarmee ouder dan 2 jaar. De resultaten van de digitale watertoets zijn vooral bedoeld als uitgangspuntennotitie voor het overleg met het waterschap en is daardoor vooral informatief van aard. In het kader van het vooroverleg is dit plan nadien afgestemd met het waterschap Rivierenland, waarna enkele aanpassingen zijn doorgevoerd in het plan. Zie tevens §1.6 van deze toelichting.
56
C-watergang: 068222
C-watergang: 068231
C-watergang: 068259
B-watergang: 067723
C-watergang: 067783 A-watergang: 112796
Afbeelding 19: Uitsnede legger wateren
Watergangen Rondom het plangebied zijn een A-watergang (112796), een B-watergang (067723) en een viertal C-watergangen (068222, 062831, 068259 & 067783) gelegen. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats binnen de beschermingszone, het waterbergingsgebied. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW015 en het boezemgebied van de Graafstroom. Het peilgebied NDW015 heeft een zomerpeil van -2,21 meter NAP en een winterpeil van -2,31 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Het boezemgebied behoort tot de Lage Boezem van de Nederwaard en heeft een boezempeil (streefpeil van -0,9 meter NAP en een maalpeil (maximumpeil) van -0,80 m NAP.
57
Plangebied
Afbeelding 20: Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Volumecompensatie Activiteiten in boezemgebieden zijn vergunningplichtig. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Graafstroom behoort tot de Lage Boezem van de Nederwaard en heeft een maximum peil van -0,8 m NAP. Wat betreft de volumecompensatie op boezemland wordt gekeken naar het maximale peil van de boezem plus 0,25 m. Hiermee gaat de volumecompensatie voor de boezem van de Nederwaard tot het niveau van -0,55 m NAP. Wanneer het plangebied wordt opgehoogd, dienen alle kuubs die door de ophoging beneden het peilniveau -0,55 m NAP worden aangebracht te worden gecompenseerd. Er wordt niet verwacht dat volumecompensatie noodzakelijk zal zijn aangezien een viertal voormalige agrarische schuren worden gesaneerd en er maar een enkele kleinschaligere woning wordt teruggebouwd op de plek van een van deze schuren. Bij de aanvraag van de watervergunning dient inzichtelijk te worden gemaakt of dit daadwerkelijk het geval is. Eventuele compensatie (hetgeen niet wordt verwacht) zal plaatsvinden aan de oever van de Graafstroom of de watergangen in het waterbergingsgebied, hierbij geldt een eenmalige vrijstelling van 5 m3 per perceel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterberging’ overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
58
Oppervlakteverharding Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen hoeveel watercompensatie noodzakelijk is, heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Uit tabellen 1 en 2 blijkt dat het plan resulteert in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn water compenserende maatregelen ten behoeve van verhard oppervlak niet noodzakelijk.
A
C
B
D
Afbeelding 21: Bestaande bebouwing
59
Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding ter plaatse van peilgebied NDW015 Bestaande situatie Oppervlakte Woonboerderij (1 wooneenheid) 350 m² Bijgebouw A 100 m² Bijgebouw B 120 m² Overige erfverharding 665 m² Totaal bestaande situatie
1.235 m²
Nieuwe situatie Woonboerderij (2 wooneenheden) Erfverharding Bijgebouwen
350 m² 211 m² 150 m²
Totaal nieuwe situatie
711 m2
Verschil
524 m² afname
Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding ter plaatse van boezemgebied Bestaande situatie Oppervlakte Bijgebouw C 350 m² Bijgebouw D 19 m² Overige erfverharding 349 m² Totaal bestaande situatie
718 m²
Nieuwe situatie Vrijstaande woning (ca.) Erfverharding Bijgebouw
125 m² 407 m² 75 m²
Totaal nieuwe situatie
607 m2
Verschil
111 m² afname
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het 60
oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.
De bouw- en sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de kern- en de beschermingszone van de waterkering. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Nieuwe gebouwen dienen buiten het profiel van vrije ruimte, leggerprofiel en het waterstaatswerk gebouwd te worden. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van het Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.
61
Afbeelding 22: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Heulenslag. Het perceel Heulenslag 28 wordt in de bestaande situatie middels één inrit aan de Heulenslag ontsloten. In de nieuwe situatie blijft de ontsluiting ongewijzigd. Op het erf wordt een aftakking op de toegangsweg gerealiseerd ten behoeve van de nieuwe woning. De Heulenslag betreft een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over de Heulenslag te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Wel dient voor het plan een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland voor de bouw- en sloopwerkzaamheden.
62
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsbronnen zijn derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Het plan betreft de toevoeging van twee woningen. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van nieuw geluidsgevoelig objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van de Abbekesdoel ten hoogste 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; 63
•
• •
De berekende geluidbelasting op de woning ten gevolge van de Heulenslag ten hoogste 45 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woningen alzijdig over geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’
Voor de onderzochte woningen hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
64
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wm. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Het CIMLK monitoringsronde 2023 van monitoringsjaren 2022 en 2025 geeft het volgende overzicht van dichtstbijzijnde receptor 73552739_152490: • Een stikstofconcentratie van respectievelijk 15,03 en 14,51 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van respectievelijk 16,69 en 14,65 µg PM10/m3 met niet meer dan respectievelijk 7 en 6 overschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van respectievelijk 9,01 en 8,02 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
65
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
66
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van de bestaande woonboerderij en in de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). de richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven of andere milieubelastende functies toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden uit de VNG-Handreiking zijn afgestemd om de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Volgens de VNG wordt onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ het volgende verstaan: ‘Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van 67
functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. […]’ Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere afstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. De VNG hanteert de volgende definitie van een ‘gemengd gebied’: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden geschouwd. […].’ In de omgeving van het plangebied komen functies anders dan wonen direct naast woonpercelen voor. Het betreffen voornamelijk agrarische bedrijven die naast woonpercelen zijn gevestigd. Daarnaast is de omgeving aan te merken als lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Zodoende kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’ en zijn gereduceerde richtafstanden gerechtvaardigd.
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijfs- en/of maatschappelijke functies gelegen welke een belemmering zouden kunnen zijn voor het onderhavige plan. De dichtstbijzijnde bedrijfsfunctie betreft een dierenkliniek aan de Abbekesdoel 34a op minimaal 120 meter . Echter is deze locatie niet meer in deze hoedanigheid in gebruik en is reeds gewijzigd naar een tuin- en woonbestemming. Verder zijn enkele agrarische bedrijven op minimaal 240 meter gelegen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden uit het VNG-handboek. De gronden ten noorden van de Heulenslag mogen agrarisch gebruikt worden. Vanwege het ontbreken van een bouwvlak zijn agrarische bebouwing en bedrijven hier niet toegestaan. De VNG-Handreiking heeft geen richtafstanden voor het agrarisch gebruik van gronden opgenomen, maar wel voor overige agrarische activiteiten binnen de categorie ‘landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw’. Voor de aspecten stof, geluid en gevaar geldt dat alle activiteit binnen deze categorie richtafstanden hebben van maximaal 30 meter binnen gemengd gebied. Ten aanzien van het aspect geur wordt vanuit de Geurverordening gemeente Molenlanden 2020 gesteld dat de afstand van veehouderijen tot een geurgevoelig object (zoals een woning) in het buitengebied en in de lintbebouwing 25 meter bedraagt.
Bij dergelijke veehouderijen kan sprake zijn van een geurbelasting door het houden van dieren in een verblijf, waarbij de geur van landbouwhuisdieren in een verblijf kunnen cumuleren en een relatief hoge geurbelasting kan ontstaan. Op de agrarische gronden ten noorden van de Heulenslag (ter hoogte van het plangebied) zijn echter geen agrarische bedrijven en bebouwing toegestaan en deze geurcumulatie ook niet kan plaatsvinden. De geurbelasting vanwege het toegestane agrarisch gebruik van gronden zal daardoor minder zijn dan de veehouderijen waarvoor een geurafstand geldt van 25 meter. Met een afstand van 25 meter is ten aanzien van het agrarisch gebruik van gronden in ieder geval een goed woon- en leefklimaat wordt geborgd.
68
De afstand van de gevels van de woningen die het plan mogelijk maakt (inclusief de beperkt toegestane vergunningsvrije mogelijkheden) tot de agrarische gronden is groter dan 30 meter. Ten aanzien van overige bedrijven wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Handreiking. Gesteld wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en bedrijven en instellingen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van dit plan. De eigenaar van het noordelijk bouwvlakdeel heeft volgens de Kamer van Koophandel de volgende activiteiten op zijn adres gevestigd: • SBI-nummer 0161 – Dienstverlening, akker en/of tuinbouw; • SBI-nummer 01411 – Houden van melkvee; • SBI-nummer 01452 – Fokken en houden van geiten; • SBI-nummer 0162 – Dienstverlening voor fokken en houden dieren. Deze activiteiten vallen allemaal onder SBI-nummer 01 ‘landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw’. Daardoor zal de eigenaar van het noordelijk bouwvlakdeel niet worden beperkt als gevolg van dit plan, omdat aan de richtafstanden wordt voldaan.