Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Bleskensgraaf, Heulenslag 28'
Tekst van het document
Afbeelding 23: Afstand bedrijven- en milieuhinder
69
Bouwvlakken
Figuur 9: 30 meterzone van agrarische bestemming en afstand tot nieuwe woningen
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering beperkt en dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat ter plaatse.
70
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Wegverkeer Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te 71
sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorwegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Waterwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig.
Plangebied
Afbeelding 24: Risicokaart
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
72
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Het onderhavige plan voorziet niet in ongewenste werkzaamheden voor planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een KLIC-melding te worden gedaan. Bovengrondse hoogspanningslijn Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn gelegen. Het betreft de lijn Krimpen – Geertruidenberg (3) (380 kV).
460 m
Afbeelding 25: Uitsnede kaart Bovengrondse hoogspanningslijnen met indicatieve magneetveldzone
De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones 73
bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse hoogspanningslijn Krimpen – Geertruidenberg (3) geldt een indicatieve magneetveldzone van 110 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn. De magneetveldzones worden gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 460 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld wordt dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen. Rioleringsplan De toegevoegde woning in de woonboerderij zal aansluiten op de riolering waarvan de woonboerderij al gebruikmaakt. Voor de nieuwe vrijstaande woning wordt een nieuw stuk over/onderdrukriool aangelegd waarop de vrijstaande woning aansluit.
nieuw over/onderdrukriool
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een KLIC-melding te worden gedaan.
74
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Soortenbescherming De beoogde werkzaamheden zullen geen negatieve invloed hebben op beschermde soorten. Zekerheidshalve wordt aangeraden om maatregelen te treffen om kolonisatie van de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.’ Te treffen maatregelen Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.
aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen 75
worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Tevens zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig welke weggenomen zullen worden binnen de beoogde ontwikkeling. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
Afbeelding 26: Plangebied t.o.v. Natura 2000 gebieden
76
Afbeelding 27: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Door Blom Ecologie is nadien een notitie opgesteld om te beoordelen of de quickscan nog actueel is. Daarbij is de locatie opnieuw bezocht. In de notitie is het volgende geconcludeerd: ‘Beoordeling oude en huidige situatie Op basis van het veldbezoek en de foto’s en rapport van de quickscan uit 2020 wordt beoordeeld of de situatie gewijzigd is. Ten opzichte van de situatie in 2020 is er niks veranderd aan de bebouwing. Er zijn geen nieuwe openingen of situaties aangetroffen welke de soortenbeoordeling beïnvloedt. De huidige situatie is derhalve ongewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de quickscan in 2020. Tevens ligt het plangebied niet in provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Ten behoeve van soorten- en gebiedsbescherming dienen geen aanvullende stappen uitgevoerd te worden. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
77
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de te treffen maatregelen genomen worden. Daarnaast dient te allen tijde voldaan te worden aan de Zorgplicht.
78
4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek De aanleg- en de gebruiksfase kunnen mogelijk leiden tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2024.0.1 volgt dat geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar) in nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de aanleg en het gebruik van de toekomstige woningen. Significante negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen op basis hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
Er is inzake stikstofdepositie dan ook geen sprake van vergunningplicht in het kader van een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. Hierbij wordt opgemerkt dat de te verwachten stikstofemissie tijdens de aanleg79
/bouwfase is bepaald op basis van een kengetallen voor de sanering, sloop- en bouwactiviteiten. Voor deze projectlocatie geldt dat een maximale stikstofemissie mogelijk is van ca. 290,0 kg NOx/jaar en 11,6 kg NH3/jaar, waarbij de (tijdelijke) depositiebijdrage nog maximaal 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Er is voor de bouwfase derhalve ruime marge aanwezig, waardoor er tijdens de bouwfase ook een ruime mate van flexibiliteit gehanteerd kan worden met betrekking tot de inzet van materieel (type, bouwjaar en bedrijfstijden).’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.
80
4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan voorziet in de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Tevens wordt de woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden en wordt ten oosten van de woonboerderij een vrijstaande woning gerealiseerd. Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Adcim een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2021. De raad acht de onderzoeksgegevens nog steeds actueel, omdat na het uitvoeren van het bodemonderzoek geen bodemwerkzaamheden of activiteiten die de bodem zouden kunnen verontreinigen hebben plaatsgevonden binnen het te ontwikkelen deel van het plangebied waardoor de conclusie van het verkennend bodemonderzoek anders zou komen te luiden.
Er is geen sprake van gewijzigde feiten of omstandigheden. De conclusies uit het onderzoek luiden: ‘Analyseresultaten - De kleiige bovengrond is licht tot matig verontreinigd met onder andere zware metalen PCB en PAK’s en komt hiermee overeen met klasse industrie heterogeen volgens de bodemkwaliteitskaart. Indicatief getoetst voldoet de bovengrond aan klasse wonen/industrie. - De venige bovengrond is licht verontreinigd met lood. - Ter plaatse van de voormalige moestuin is een licht verhoogd gehalte aan drins (bestrijdinsgmiddelen) aangetroffen. - De ondergrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en voldoet bij indicatieve toetsing aan klasse wonen. - Uit de analyseresultaten blijkt dat de verdachte dempingslaag en/of ondergrond (mengmonster N3, N8 en N9) ter plaatse van boring 39 en 43 licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen, minerale olie en PAK. In boring 44 is dezelfde verdachte laag aangetroffen in een uitstulping van de voormalige watergang. - De oppervlakte van de verontreiniging beslaat circa 150m2. De verontreinigde laag betreft de ondergrond bestaande uit zwart matig grof zand en de ondergelegen veengrond. De verontreinigde laag is gelegen op een diepte van 40-200cm-mv. De gemiddelde laagdikte is circa 160cm. De verontreiniging betreft een ernstig geval van bodemverontreiniging ontstaan voor 1987.
De verontreiniging is goed zichtbaar in het veld af te bakenen. - De grond in de drupzone van het asbestverdachte dak bevat analytisch 1,3 mg/kg/ds asbest. Er is geen geval van ernstige bodemverontreiniging. - Ter plaatse van inspectiegat 23A en 32 is asbesthoudend plaatmateriaal >20mm aangetroffen in de bodemlaag van 0-0,50m-mv dat zorgt voor een
81
-
-
sterke asbestverontreiniging in de bodem >100 mg/kg over een verwacht oppervlak van 50m2 Het grondwater is licht verontreinigd met barium en enkele zware metalen maar ook met benzeen, xylenen, naftaleen en minerale olie. De oorzaak voor deze verhoogde gehalten is niet duidelijk. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Het PFOA gehalte is overeenkomstig de Herziene handreiking voor PFOA houdende grond van OZHZ. Naar aanleiding van de aangetroffen matige verontreiniging met nikkel zijn de afzonderlijke deelmonsters van mengmonster BG1 en BG3 separaat onderzocht op het voorkomen van PAK en zink. Uit deze uitsplitsing blijkt dat de bovengrond ter plaatse van boring 01 en 04 matig verontreinigd is met PAK en of zink.
Hypothese De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte tot sterke verontreinigingen. Het betreft een sterke verontreiniging met asbest en een matige tot sterke verontreiniging met zware metalen en PAK in de voormalige watergang. Door het uitgevoerde nader onderzoek en de duidelijk visueel te onderscheiden verontreiniging is nader onderzoek voor verdere afbakening van de verontreiniging niet benodigd. Voor de voorgenomen ontwikkeling, vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek vooralsnog een beperking. Aanbevelingen Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een sterke bodemverontreiniging aanwezig. Gezien de aard van de verontreiniging betreft het hoogst waarschijnlijk een geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan voor 1987. De verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging >25m3 en aanbevolen wordt bij herinrichting te saneren. Sanering kan plaatsvinden op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurde BUS melding of saneringsplan. Hiervoor zijn verschillende saneringsvarianten mogelijk. Rekening dient gehouden te worden dat terug saneren tot de functie wonen voorkomen moet worden omdat een groot deel van de bodemkwaliteit op het terrein voldoet aan klasse industrie en het een niet wenselijke situatie is om al deze grond af te voeren.
Rekening dient gehouden te worden met kosten voor sanering en afvoer van sterk verontreinigde grond.’ Conclusie Binnen het plangebied is mogelijk een ernstig geval van bodemverontreiniging aanwezig. Sanering kan plaatsvinden op basis van een goedgekeurde BUS melding of saneringsplan. In dat geval wordt de kwaliteit van de bodem teruggebracht totdat de grondkwaliteit voldoende is om gebruikt te kunnen worden ten behoeve van het woonperceel. Ter plaatse van het geval van ernstige verontreiniging vinden echter geen werkzaamheden plaats, waardoor er geen sprake is van een saneringsplicht.
82
4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
• Lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
83
Afbeelding 28: Archeologische verwachtingskaart
Het plan voorziet niet in (graaf)werkzaamheden ten noorden van de Heulenslag, een archeologisch onderzoek op dit deel van het plangebied is derhalve niet nodig. De beoogde werkzaamheden ten zuiden van de Heulenslag voorziet wel in bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm . Derhalve is voor dit deel van het plangebied een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Door ADC ArcheoProjecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2021. De raad acht de onderzoeksgegevens nog steeds actueel, omdat na het uitvoeren van het archeologisch onderzoek geen bodemwerkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het te ontwikkelen deel van het plangebied waardoor de conclusie van het archeologisch onderzoek anders zou komen te luiden. Er is geen sprake van gewijzigde feiten of omstandigheden.
84
De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied ligt in een ontgonnen veenvlakte. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een gegraven watergang en ten oosten en noorden is bevindt zich de Schoonrewoerdse stroomgordel. In de diepere ondergrond bevindt zich een zeker 4,5 m dik pakket veen afgewisseld met komklei. De top van het veen is niet veraard en er zijn in de komklei geen humeuze, gerijpte bodemniveaus aanwezig. In boring 4 en 5 zijn op een diepte van 300 tot 400 cm –mv (-2,8 tot -4,6 m NAP) rivierafzettingen aangetroffen. Vermoedelijk zijn dit oever- of crevasseafzettingen die toebehoren aan de Schoonrewoerdse stroomgordel. In de top van de rivierafzettingen zijn geen bodemniveaus aangetroffen. In de boringen die zijn gezet op het hogere deel direct rond de boerderij (boringen 5 en 6) is een 1,6 tot 1,7 m dikke ophogingslaag aangetroffen dat bestaat uit klei met veenbrokken en zandbijmenging.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In de lagere delen van het plangebied, buiten de terp, is de bodem in lichte mate geroerd tot ca. 30 a 50 cm –mv. Er komt een relatief intacte opbouw van veen en komklei. In de meeste boringen komt een kleidek voor die typerend is voor de verwachte weideveengrond. In het relatief hooggelegen deel rond de boerderij is sprake van een kleiig ophogingspakket met een dikte van 1,6 -1,7 m. Gelet op de aanwezigheid van veenbrokken in de ophogingslaag en de scherpe overgang naar het onderliggende veenpakket wordt aangenomen dat hier de top van het veen met eventueel kleidek is verstoord.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De ophogingslaag die is aangetroffen in boring 5 en 6 behoort waarschijnlijk tot een terp en vormt daarmee een archeologisch relevant niveau.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Op een diepte van 30 tot 170 cm –mv (-0,1 tot -1,9 m NAP).
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In boringen 5 en 6 zijn op een diepte van 0,3 tot 1,7 m –mv (-0,1 tot -1,9 m NAP) baksteenfragmenten en enkele fragmenten nieuwetijds aardewerk aangetroffen. Dit materiaal behoort tot de in het plangebied aanwezige terp en de daarop aanwezige bebouwing.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor resten uit het Laat-Neolithicum - IJzertijd kan naar laag worden bijgesteld. Voor het centrale deel van het plangebied rond de 85
boerderij en de stal aan de oostzijde dient de verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te worden gehandhaafd. •
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Door de voorgenomen ingrepen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verstoord of vernietigd. Dit geldt voor de zone die is aangegeven op de advieskaart. [red.: zie onderstaande afbeelding 30].
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Dit wordt behandeld in Hoofdstuk 4 [red.: van het archeologisch rapport].
Afbeelding 29: Advieskaart archeologisch onderzoeksrapport
Aanbeveling Door de voorgenomen ontwikkeling kan verstoring optreden van eventueel aanwezige archeologische resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd die samenhangen met een vermoedelijke huisterp. Het gaat hierbij om de boerderij waar mogelijk de vloer van het voorhuis zal worden vervangen. Hierbij kunnen eventueel aanwezige archeologische resten onder de huidige vloer worden verstoord. 86
Tevens kunnen bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de stal ten oosten van de boerderij eventueel aanwezige archeologische resten uit de Late MiddeleeuwenNieuwe tijd worden verstoord. Daarom wordt geadviseerd wordt om eventuele graafwerkzaamheden archeologisch te begeleiden, in de zone die is aangegeven op de advieskaart [red.: zie bovenstaande afbeelding 30]. Geadviseerd wordt om het overige deel van het plangebied, buiten de zone waar een archeologische begeleiding wordt geadviseerd, vrij te geven voor wat betreft archeologie. Aangezien de boerderij is geregistreerd als een gemeentelijk monument dient ook te worden nagegaan of eventuele inpandige veranderingen aan het monument van betekenis zijn vanuit het oogpunt van monumentenzorg, zoals aangegeven in de gemeentelijke Erfgoedverordening De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (AB/IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Geadviseerd wordt om eventuele graafwerkzaamheden in de zone die is aangegeven op de advieskaart (afbeelding 30) archeologisch te begeleiden. Ter bescherming van de archeologische resten wordt de archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ overgenomen. De begrenzing van de dubbelbestemmingen worden zodanig aangepast, dat de ‘strengste’ archeologische dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 1) op de zone wordt gelegd waar volgens het archeologisch onderzoeksrapport archeologische resten te verwachten zijn (zie afbeelding 30). Conclusie Voor het plan dient archeologische begeleiding plaats te vinden tijdens eventuele graafwerkzaamheden in de zone die is aangegeven op de advieskaart (afbeelding 30). De invulling van deze werkzaamheden dienen te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Eisen.
Ter bescherming van de archeologische resten worden de archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ overgenomen, zodat de archeologische resten juridisch-planologisch beschermd zijn en blijven. De begrenzing van de dubbelbestemmingen worden zodanig aangepast, dat de ‘strengste’ archeologische dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 1) op de zone wordt gelegd waar volgens het archeologisch onderzoeksrapport archeologische resten te verwachten zijn (zie afbeelding 30).
87
4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan volgt deze ambitie door het splitsen van de monumentale woonboerderij. Daarmee wordt het karakteristieke pand door meerdere huishoudens bewoond en worden de kosten voor het onderhoud gedeeld. Hiermee ontstaat er een duurzamere en toekomstbestendige situatie. De woningen worden op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). Het perceel wordt op een passende en verantwoorde wijze groen ingepast. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen.
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Het belang van groene tuinen wordt onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat een regenton kan worden toegepast om het hemelwater op te kunnen vangen en te hergebruiken. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe vrijstaande woning wordt buiten het profiel van vrije ruimte van de nabijgelegen regionale waterkering gerealiseerd. Ter bescherming van de aanwezige regionale waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de kernzone gelegd en de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ op de beschermingszone van de waterkering. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. 88
In het plangebied is daarnaast voldoende groen en water aanwezig om hittestress tegen te gaan. De initiatiefnemers zijn niet voornemens om de verharding significant te laten toenemen. Ook blijven de aanwezige bomen behouden, zodat deze kunnen blijven zorgen voor verkoelende schaduw. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Gezien er binnen en in de omgeving van het plangebied veel water aanwezig is (Graafstroom en enkele watergangen), zal er op deze locatie geen bodemdroogte plaatsvinden. Eventueel kan het hemelwater opgevangen worden door een regenton, zodat de bodem van houtstructuren en planen gehydrateerd kunnen worden bij een lange droogte. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO 2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
89
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 28’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 28’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 28’ is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’, ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’, ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, ‘Parapluherziening Parkeren’ en ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 28’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmings-regels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ ten noorden van de openbare weg blijft behouden, maar het bouwvlak wordt hier verwijderd. Wonen De bestemming ‘agrarisch met waarden’ op het zuidelijk deel van het plangebied wordt ten behoeve van de woningen gewijzigd naar ‘Wonen’. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ blijft behouden voor de verkeersdoeleinden ter plaatse. Waarde – Archeologie 1, 2, 4 & 8 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ blijven behouden en zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden in de bodem. De begrenzing van de dubbelbestemmingen worden zodanig aangepast, dat 90
de ‘strengste’ archeologische dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 1) op de zone wordt gelegd waar volgens het archeologisch onderzoeksrapport archeologische resten te verwachten zijn (zie afbeelding 30 van deze toelichting). Waarde – Landschap Ter bescherming en behoud van de openheid ten zuiden van de Heulenslag wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ toegevoegd. Hierbinnen zijn gebouwen (zonder vergunning) niet toegestaan, zodat de openheid gewaarborgd blijft. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Waterstaat – Waterbergingsgebied Ter bescherming van het waterbergingsgebied wordt ter plaatse de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ opgenomen.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • • • •
Bouwvlak; Figuur ‘gevellijn’; Functieaanduiding: cultuurhistorische waarden; Functieaanduiding: specifieke vorm van verkeer – erftoegangsweg; Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’; Maximum aantal wooneenheden: 2; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; Gebiedsaanduiding: milieuzone – stiltegebied; Gebiedsaanduiding: wetgevingszone – omgevingsvergunning gevoelige bodem; Gebiedsaanduiding: wetgevingszone – omgevingsvergunning overgangsgebied.
91