Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan 'Achter de Wetering, Giessenburg'
Tekst van het document
Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat 37
door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Een dorpsuitbreiding van deze omvang kan worden geschaard in de categorie ‘transformatie’. Zoals in paragraaf 2.2.3 Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van de toelichting staat beschreven, heeft de ontwikkelaar sinds 2017, in samenwerking met het projectteam en de gemeente Molenlanden, gewerkt aan een gezamenlijke stedenbouwkundige visie voor invulling van de locatie ‘Achter de Wetering’.
Door een erkend landschapsarchitect en stedenbouwkundig bureau is de Ontwikkelingsvisie ‘Achter de Wetering Giessenburg’ opgesteld. Dit betreft een visiedocument over de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Deze Ontwikkelingsvisie die hoofdzakelijk veel waarde hecht aan de landschappelijke (verkavelings)structuur en de groenstructuren is de basis geworden voor het plan wat er nu ligt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten een integraal landschappelijk inpassingsplan voor het gehele plangebied. In het landschappelijk inpassingsplan is behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied extra aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving én de kwaliteit van de dorpsrand (de zuidwestelijke overgang van het plangebied naar het open veenweidelandschap). Hierbij is ook rekening gehouden met de relevante richtpunten van de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke kwaliteit. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Het plangebied grenst aan bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Er is sprake van een overgangsgebied. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de woonbebouwing van De Wetering, het bedrijventerrein Giessenburg en het recreatiegebied aan de Kerkweg.
Het plan om in dit overgangsgebied een aantrekkelijke groene woonbuurt te realiseren waarbij met respect wordt omgegaan met het omliggende landschap. De uitstraling van de nieuwe woonbuurt past bij de bestaande dorpse bebouwing in Giessenburg, een landelijke en dorpse uitstraling die gekenmerkt wordt door éénheid in verscheidenheid. Karakteristiek voor het landschap in de omgeving zijn de waterstructuur en de groene uitstraling. Om te komen tot een prettig aanvoelend woonklimaat dient de openbare inrichting voldoende groen te bevatten. Hierbij wordt gedacht aan een
38
grastalud rondom de appartementen en het gebruik van streekeigen beplanting tussen de parkeervakken. Om de groene uitstraling van het gebied te versterken is het wenselijk om eventueel te realiseren erfafscheidingen grenzend aan het openbaar gebied een groene uitstraling te geven. Hierbij kan gedacht worden aan erfafscheidingen in de vorm van een open hekwerk, groene hagen en/of gaas hekwerk met beplanting. Aan de noordzijde van het plangebied wordt een brede groenstrook gerealiseerd met daardoorheen een fiets- en wandelpad. Er heeft participatie plaatsgevonden inzake de invulling van de groene bufferstrook. Met de input uit de participatie is door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten voor de groene bufferzone een beplantingsplan uitgewerkt. Het beplantingsplan (incl. referentiebeelden) zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Er zal tevens tussen de woonbuurt en het bedrijventerrein een groene buffer worden aangelegd. In het plangebied worden, in de richting van de slagenverkaveling, drie brede watergangen aangelegd die naast een praktische functie (afvoer van hemelwater) bijdragen aan een klimaatadaptieve groene (woon)omgeving. De bedrijfspercelen worden groen omzoomd, waardoor de bedrijfspercelen losgekoppeld worden van de woonbuurt, maar in het landschap één robuuste groene buffer vormen. Voor de beplanting wordt gebruik gemaakt van streekeigen beplanting.
De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving is met dit integrale landschappelijke inpassingsplan en beplantingsplan gewaarborgd. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in het gebied ‘Rivierdeltacomplex – rivierklei/veen’. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/ drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.
Richtpunt: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het plangebied betreffen weilanden ingeklemd tussen de woonbebouwing van De Wetering, het bedrijventerrein Giessenburg en het recreatiegebied aan de Kerkweg.
39
Er is met dit plan geen sprake van aantasting van de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen.
Afbeelding 16: Provinciale kwaliteitskaart (laag van de ondergrond)
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in het ‘veen(weide)landschap’. De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide-) landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
40
Afbeelding 17: Provinciale kwaliteitskaart (laag van cultuur- en natuurlandschappen)
Karakteristiek voor het veenlandschap zijn de waterstructuur, de zichtlijnen en de groene uitstraling. Deze aspecten vormen de basis voor het integraal plan. Aan de noordzijde van het plangebied wordt een brede groenstrook gerealiseerd. Er zal tevens tussen de woonbuurt en het bedrijventerrein een groene buffer worden aangelegd. In het plangebied worden, in de richting van de slagenverkaveling, drie brede watergangen aangelegd die naast een praktische functie (afvoer van hemelwater) bijdragen aan een klimaatadaptieve groene (woon)omgeving. Over deze watergangen is sprake van brede zichtlijnen. De bedrijfspercelen worden groen omzoomd, waardoor de bedrijfspercelen losgekoppeld worden van de woonbuurt, maar in het landschap één robuuste groene buffer vormen. Voor de beplanting wordt gebruik gemaakt van streekeigen beplanting. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in het ‘de ‘stads- en dorpsrand’. Voor de ontwikkelingen in de ‘stads- en dorpsrand’ heeft de provincie één richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).
41
Afbeelding 18: Provinciale kwaliteitskaart (laag van de stedelijke occupatie)
Het plan is om een aantrekkelijke groene woonbuurt te realiseren waarbij met respect wordt omgegaan met het landschap. Aan de noordzijde van het plangebied wordt een brede groenstrook gerealiseerd. Er zal tevens tussen de woonbuurt en het bedrijventerrein een groene buffer worden aangelegd. De bedrijfspercelen worden groen omzoomd, waardoor de bedrijfspercelen losgekoppeld worden van de woonbuurt, maar in het landschap één robuuste groene buffer vormen. Voor de beplanting wordt gebruik gemaakt van streekeigen beplanting. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten een integraal landschappelijk inpassingsplan voor het gehele plangebied. In het landschappelijk inpassingsplan is behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied extra aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving én de kwaliteit van de dorpsrand (de zuidwestelijke overgang van het plangebied naar het open veenweidelandschap). Hierbij is ook rekening gehouden met de relevante richtpunten van de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke kwaliteit. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland en betreft plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Het plangebied valt niet binnen de aangegeven lagen van beleving.
42
Conclusie Het plan betreft een passende invulling van het gebied tussen de woonbebouwing van De Wetering, het bedrijventerrein Giessenburg en het recreatiegebied aan de Kerkweg. Met dit plan blijft de ruimtelijke kwaliteit van het gebied gewaarborgd. Behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied is aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving. Er is rekening gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid.
Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. De ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: 43
•
•
Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
Transformatie Een dorpsuitbreiding van deze omvang kan worden geschaard in de categorie ‘transformatie’. Voor het plangebied is een stedenbouwkundige en landschappelijke analyse uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een aantal ontwerpuitgangspunten en vervolgens een integraal plan. In paragraaf 2.2.3 Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing is dit nader uitgewerkt en geïllustreerd. In het plan is naast de ruimtelijke kwaliteit van het gehele plangebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving. Het plan betreft een passende invulling van het gebied tussen de woonbebouwing van De Wetering, het bedrijventerrein Giessenburg en het recreatiegebied aan de Kerkweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten een integraal landschappelijk inpassingsplan voor het gehele plangebied. In het landschappelijk inpassingsplan is behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied extra aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving én de kwaliteit van de dorpsrand (de zuidwestelijke overgang van het plangebied naar het open veenweidelandschap). Hierbij is ook rekening gehouden met de relevante richtpunten van de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke kwaliteit. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
Met dit plan blijft de ruimtelijke kwaliteit van het gebied gewaarborgd. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft de realisatie van in totaal 102 woningen en 5 bedrijfsgebouwen (met een gezamenlijke oppervlakte van 2.100 m2). Hiermee is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Met deze ontwikkeling ontstaat een logische afronding van het stedelijk gebied. Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ (zie paragraaf 3.1.3).
44
Risico’s van klimaatverandering (klimaatadaptatie) Op grond van artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dient in een ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. Wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. Overstroming; 3. Hitte; 4. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. In de uitwerking van dit plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie en hieraan gerelateerde memo duurzaamheid en klimaatadaptatie (zie bijlage).
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het plan speelt in op behoefte naar woningen en bedrijfsruimte in de gemeente Molenlanden. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma dat inspeelt op de woningbehoefte en tevens zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Daarnaast zijn er op dit moment geen bedrijfskavels meer te koop in onze gemeente, terwijl er vanuit het bedrijfsleven wel vraag is naar bedrijfsruimte.
Dit plan speelt in op de concrete behoefte naar meer bedrijfsruimte voor lokale en regionale bedrijven. Het plan heeft een maatschappelijke meerwaarde voor Giessenburg en de rest van de gemeente Molenlanden. Het aantrekken en vasthouden van starters/jonge gezinnen en het voorzien in voldoende werkgelegenheid geeft een positieve impuls aan de instandhouding van de voorzieningen en daarmee de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Giessenburg en de gemeente Molenlanden. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
45
3.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt. Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden.
We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Giessenburg is een voorzieningendorp. Een voorzieningendorp heeft een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Nieuwbouw bedient hier de lokale vraag, aangevuld met toestroom uit omliggende dorpen. Zowel starters, doorstromers als senioren zijn allen een doelgroep in deze dorpen. Het plan speelt in op behoefte naar woningen in de gemeente Molenlanden. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma dat inspeelt op de concrete woningbehoefte en tevens zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Het plan draagt bij aan de instandhouding van de voorzieningen en daarmee de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Giessenburg en de gemeente Molenlanden. De woningen worden regionaal afgestemd en meegenomen in de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.
46
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie Giessenlanden heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Deze omgevingsvisie beschrijft de visie hoe de gemeente in samenwerking met de inwoners willen zorgen voor het gemeentelijk grondgebied. De visie geeft aan: 1. Waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit); 2. Op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4.
De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het plan sluit aan bij de relevante omgevingskwaliteiten van de Omgevingsvisie. Bij het ontwerp van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van het gebied. Het plan is om een aantrekkelijke groene woonbuurt te realiseren waarbij met respect wordt omgegaan met het landschap. De uitstraling van de nieuwe woonbuurt past bij de bestaande dorpse bebouwing in Giessenburg, een landelijke en dorpse uitstraling die gekenmerkt wordt door éénheid in verscheidenheid.
47
3.4.2 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op 6 onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het plan speelt in op behoefte naar woningen en bedrijfsruimte in de gemeente Molenlanden. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma dat inspeelt op de woningbehoefte en tevens zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Tevens speelt het plan in op de concrete behoefte naar meer bedrijfsruimte voor lokale en regionale bedrijven. Het plan heeft een maatschappelijke meerwaarde voor Giessenburg en de rest van de gemeente Molenlanden. Het plan geeft een positieve impuls aan de instandhouding van de voorzieningen en daarmee de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Giessenburg en de gemeente Molenlanden. 3.4.3 Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden werkt aan de ‘Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden’. In de visie wordt aangegeven hoe de gemeente Molenlanden de kwaliteit van de bedrijventerreinen wil verbeteren, hoe de bedrijventerreinen zo goed mogelijk kunnen worden benut en hoe wordt omgegaan met het tekort aan ruimte voor bedrijven. De visie op de toekomst van onze bedrijventerreinen bestaat uit zes kernpunten: 1. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid 2. Ruimte voor bedrijvigheid goed benutten 3. Sturen op de juiste bedrijven op de juiste plek 4. Heldere communicatie en verwachtingen 5. Toekomstbestendige bedrijventerreinen 6.
Molenlanden in de regio Het plan betreft de realisatie van vijf bedrijfsloodsen/bedrijfsverzamelgebouwen tegen het bestaande bedrijventerrein te Giessenbrug. Dit plan speelt in op de behoefte aan bedrijventerrein in de gemeente Molenlanden/de regio Alblasserwaard48
Vijfheerenlanden. De bedrijfspercelen wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast (groen omzoomd). Tevens zijn in het plan duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie. 3.4.4 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • • •
• •
•
Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
Conform de woonvisie gaat in Giessenburg de woningbehoefte sterk uit naar betaalbare woningen voor starters en levensloopgeschikte woningen voor senioren. In beperkte mate is er ook uitbreiding mogelijk in het huursegment, vooral gericht op levensloopgeschikte woningen die zowel inzetbaar zijn voor (alleenstaande) starters als senioren. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma bestaande uit 6 vrijstaande woningen, 18 twee-onder-één-kapwoningen, 4 seniorenwoningen, 20 rijwoningen (waarvan 12 sociale koopwoningen), 17 sociale huurappartementen, 13 koopappartementen en 24 sociale units. Met de 12 sociale koopwoningen, 17 sociale huurappartementen en 24 sociale units is ruim 50% van het woningbouwprogramma sociale woningbouw. Het woningbouwprogramma van het plan is zorgvuldig afgewogen. Het woningbouwplan speelt in op de vraag naar kleinere en betaalbare woningen, woningen voor doorstromers en levensloopbestendige woningen. Met de bouw van 20 rijwoningen (waarvan 12 sociale koopwoningen), de 17 sociale huurappartementen en de 24 sociale units wordt concreet ingespeeld op de behoefte naar kleinere en betaalbare woningen. De woningen zijn geschikt voor starters en kleine huishoudens. Met de bouw van 18 twee-onder-een-kapwoningen, 4 seniorenwoningen en 13 koopappartementen wordt concreet ingespeeld op de behoefte naar woningen voor 49
doorstromers en levensloopbestendige woningen. De woningen voldoen aan alle facetten van levensloopbestendig wonen. De twee-onder-een-kapwoningen bieden de mogelijkheid om in de toekomst op de begane grond een slaapkamer en een badkamer te realiseren. De woningen zijn geschikt voor de doelgroepen senioren en doorstromers. Senioren die zich in de appartementen of seniorenwoningen vestigen laten in de meeste gevallen een grondgebonden woning achter, die vervolgens vrijkomt voor een andere categorie woningzoekenden. Tenslotte, de 6 vrijstaande woningen betreffen een financiële drager van het plan. De woningen zorgen voor de gewenste doorstroming op de regionale woningmarkt en zal tevens starters/jonge gezinnen trekken. Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie Molenlanden 2020-2024.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • • •
Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’; Het plan speelt in op een concrete woningbehoefte in Giessenburg; Het speelt in op de behoefte aan bedrijventerrein in de gemeente Molenlanden/de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden; Het plan levert een positieve bijdrage aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt en de leefbaarheid van het dorp Giessenburg.
50
4.
Milieuaspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. (drempelwaarde van 2.000 woningen). De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, valt onder categorie D 11.3 van het Besluit m.e.r. (drempelwaarde van 75 hectare of meer). Dit plan betreft ontwikkeling bestaande uit woningbouw (102 woningen) en 5 bedrijfsgebouwen (gezamenlijke oppervlakte 2.100 m2). De drempelwaarden worden in dit plan niet overschreden. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling.
Kenmerken van het plan Het plan betreft de nieuwbouw van 6 vrijstaande woningen, 18 twee-onderéén-kapwoningen, 4 seniorenwoningen, 20 rijwoningen (waarvan 12 sociale koopwoningen), 17 sociale huurappartementen, 13 koopappartementen, 24 sociale units en 5 bedrijfsgebouwen voor lichte bedrijvigheid. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken is afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer. 51
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
52
Onderzoek Door Adcim B.V. is een waterhuishoudings- en rioleringsplan opgesteld. Het waterhuishoudings- en rioleringsplan is toegevoegd in de bijlage. Peilgebied/drooglegging Het plangebied is gelegen in het peilgebied OVW040. Het peilgebied heeft een zomerpeil van –1,82 meter NAP en een winterpeil van -1,87 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Hiermee bedraagt de drooglegging 0,52 – 0,77 m. Aangenomen wordt dat de opbolling ca. 0,20 m bedraagt. Indien het bestaande maaiveld gehandhaafd wordt, wordt er niet voldaan aan voldoende ontwateringsdiepte. Het maaiveld wordt opgehoogd wordt tot 0,75 m – NAP. Hierdoor bedraagt de drooglegging in het plangebied 1,07 - 1,12 m.
- 1,82 - 1,87
Afbeelding 19: Peilgebiedenkaart
Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn voornamelijk C-watergangen gesitueerd en aan de randen zijn B-watergangen gesitueerd. De globale stroomrichting van het oppervlaktewater is in noordelijke richting, richting de A-watergang ‘De Wetering’. Voor het plan worden een aantal C-watergangen gedempt. Ter compensatie van de toename van de verharding, als gevolg van dit plan, en het dempen van oppervlaktewater, zullen drie brede watergangen door het plangebied worden gegraven. De watergangen worden rechtstreeks dan wel middels een duiker verbonden met het omliggende watersysteem. Hiermee is sprake van een robuust watersysteem. Voor het dempen en graven van oppervlaktewater (incl. watercompensatie) en het plaatsen van dammen met duikers of bruggen dient 53
een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. De toekomstige watergangen binnen het plangebied krijgen een B-status en dienen door de aanliggende eigenaar of de gemeente te worden onderhouden.
Afbeelding 20: Legger Wateren
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige particuliere vrijstelling. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.
54
Verhardingsbalans Binnen het plan wordt water gedempt en water gegraven. Om in beeld te brengen hoeveel de toename aan wateroppervlak betreft is door Adcim B.V. een verhardingsbalans opgesteld. Dit betreft de hoeveelheid voor de ontwikkeling en na de ontwikkeling. Het verschil hiertussen is dus de toename aan wateroppervlak, waarbij gedempt water reeds verdisconteerd is.
Het plan resulteert in een toename aan verharding van 20.353 m². De benodigde watercompensatie bedraagt 887 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren oppervlaktewater van 4.437 m².
55
Waterschap Rivierenland geeft aan dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. De compensatieverplichting wordt opgelost binnen het plangebied door o.a. het realiseren van drie brede watergangen door het plangebied. In totaal wordt er binnen het plangebied 4.438 m2 aan oppervlaktewater gegraven (zie afbeelding 21). Hieruit wordt geconcludeerd dat er voldoende oppervlaktewater gegraven wordt om te voldoen aan de watercompensatie. Voor het graven van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
Afbeelding 21: Nieuwe situatie (uitvergroot in de bijlage)
56
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Door Adcim B.V. is een waterhuishoudings- en rioleringsplan opgesteld. Het waterhuishoudings- en rioleringsplan is toegevoegd in de bijlage. HWA stelsel Aan de hand van de uitgangspunten en randvoorwaarden is een ontwerp opgesteld van de riolering. Het stelsel wordt geheel uitgevoerd met PVC strengen, de diameters van de strengen verschillen. Het stelsel wordt uitgevoerd in PVC Ø250mm en Ø315mm strengen. Nabij de uitstroomvoorzieningen zijn de grootste diameters gesitueerd. Doordat de drooglegging gering is bevindt het stelsel zich onder het waterpeil. De uitstroomvoorzieningen worden aangesloten op de omringende watergangen en zullen permanent onder water komen te liggen. Het stelsel is getoetst aan de hand van ontwerpbuien L09 (T=5) en L10+10%. Tijdens ontwerpbui L09 is er in het gehele stelsel een minimale waakhoogte van 0,20 m aanwezig. Tijdens ontwerpbui L10+10% ontstaat er geen water op straat en bedraagt de minimale waakhoogte 0,20 m. Hieruit wordt geconcludeerd dat het stelsel voldoet aan de gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten. DWA stelsel De hydraulische belasting wordt veroorzaakt door de DWA belasting vanuit het te ontwikkelen terrein.
Binnen het plangebied worden er diverse soorten bebouwing gerealiseerd, waarmee de DWA productie volledig door de te realiseren bebouwing veroorzaakt wordt. Conform de Kennisbank Stedelijk Water wordt er een DWA piekproductie aangehouden van 12 liter per inwoner per uur. Door de Kennisbank Stedelijk Water wordt aangegeven dat wanneer er niet bekend is welke bedrijven zich zullen vestigen in het plangebied er een norm van 0,5 m³/uur/ha toegepast
57
dient te worden (bruto oppervlak). De dag productie wordt verdeeld over 10 uur, waardoor de dagproductie op 120 liter per inwoner per dag komt. Het maximaal aantal inwoners is gebaseerd op 2,5 inwoners per woning. Het totaal komt hierdoor uit op: 102 woningen x 2,5 inwoners x 12 l/uur + 1.902 x 0,5 m³/uur/ha = 3,16 m³/uur. De dagproductie bedraagt 255 inwoners x 120 l/dag + 1.902 x 5,0 m³/dag/ha = 31,60 m³/dag. Het DWA stelsel is ontworpen als een vrijverval systeem wat afwatert naar een pompput, waarbij de pompput het water verpompt naar het bestaande rioolgemaal van Giessenburg nabij de Kerkweg/Juliana van Stolberglaan. Het stelsel wordt uitgevoerd in PVC Ø315mm strengen. Met behulp van de lengte en de inhoud van de diverse strengen is de berging in het stelsel bepaald. Door de lengte van de PVC strengen te vermenigvuldig met het oppervlak van een desbetreffende leiding, volgt dat er ca. 36,6 m³ berging aanwezig is in het nieuwe stelsel. Met een DWA productie van ca. 31,60 m³/24 uur is de beschikbare berging goed voor ca. 28 uur berging tijdens een calamiteit. Indien de berging in het stelsel niet voldoende is tijdens een calamiteit dient de DWA productie per as afgevoerd te worden. In het plangebied worden er één ledigingsgemaal gerealiseerd welke het vuilwater verpompt naar het bestaande gemeentelijke stelsel. De belasting op de ledigingsgemaal bedraagt 3,16 m³/uur.
In de Kennisbank Stedelijk water wordt aanbevolen om een gemaalcapaciteit te kiezen van minimaal 2 maal de piekproductie. Hierdoor dient de gemaalcapaciteit minimaal 6,32 m³/uur te bedragen. Door de gemeente is aangegeven dat er een persleiding Ø90mm gerealiseerd dient te worden. De capaciteit van de persleiding kan bepaald worden door middels van de stroomsnelheid en buisdiameter. De capaciteit van een persleiding HDPE Ø90mm, SDR 11 en een stroomsnelheid van ongeveer 1,00 m/s (optimale waarde) bedraagt 16 m³/uur. De capaciteit van het gemaal is hierdoor hoog genoeg om te voldoen aan een minimale gemaalcapaciteit van 6,32 m³/uur. Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire en/of een regionale waterkering. Wegbeheer In overleg met Waterschap Rivierenland zal de gemeente Molenlanden de bebouwde kom grens op de Kerkweg in Giessenburg verleggen naar de zuidzijde van dit plangebied. Hierdoor komen de wegen en ontsluitingen van woonwijk ‘Achter de wetering’ in het plangebied binnen de bebouwde kom te liggen. De gemeente zal hiervan wegbeheerder worden. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
Voor het dempen en graven van oppervlaktewater en het plaatsen van dammen met duikers of bruggen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
58
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van een spoorlijn dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Voor het plan is door Adromi Groep een akoestisch onderzoek weg- en industrielawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: Wegverkeerslawaai Uit de berekeningsresultaten volgt dat de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder (Wgh) van 48 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh ter plaatse van de eerstelijnsbebouwing van het dorpsuitbreidingsplan wordt overschreden (de sociale koopwoningen en het appartementengebouw).
Ter plaatse van de naar de Kerkweg georiënteerde gevel van het appartementengebouw wordt ook de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh overschreden.
59
Maatregelen ten aanzien van de Wet geluidhinder Er worden geen hogere waarden verleend boven de maximaal te ontheffen waarde. Gezocht dient te worden welke geluidsbeperkende maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting vanwege de Kerkweg te reduceren naar in ieder geval de maximaal te ontheffen waarde dan wel de voorkeursgrenswaarde. De volgende maatregelen zijn voor het betreffende plan mogelijk: 1) De noordoostgevel van het appartementengebouw als dove gevel uit te voeren; Hiermee wordt de gevel uitgezonderd van toetsing aan de Wet geluidhinder. 2) Het verlagen van de maximumsnelheid van de Kerkweg van 60 km/uur naar 30 km/uur; Hiermee is de Kerkweg niet meer gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. 3) Het verplaatsen van de komgrens. Hiermee wordt de maximaal te ontheffen waarde verhoogd van 53 dB naar 63 dB. Wanneer één van bovenstaande maatregelen wordt toegepast, kan het uitbreidingsplan in het kader van de Wet geluidhinder doorgang vinden. Maatregelen ten aanzien van het gemeentelijk geluidbeleid Indien blijkt dat geluidsbeperkende maatregelen onvoldoende soelaas bieden, kan de gemeente Molenlanden, onder voorwaarden, hogere waarden vaststellen voor de betreffende geluidgevoelige bestemmingen. De gemeente Molenlanden zal voor het vaststellen van hogere waarden ook toetsen aan het eigen gemeentelijk hogere waardenbeleid.
Het gemeentelijk geluidbeleid vereist dat elke woning over tenminste één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte moet beschikken. De naar de Kerkweg georiënteerde sociale koopwoningen en de appartementen langs de Kerkweg beschikken niet over een geluidluwe gevel en buitenruimte. De volgende maatregelen worden voorgesteld om aan dit beleid te kunnen voldoen: 1) Het realiseren van loggia’s/balkons op de zijgevels van het appartementengebouw; 2) Het plaatsen van afscherming op de tuingrens van de sociale koopwoningen. Voorstaande maatregelen zijn beide noodzakelijk om aan het gemeentelijk geluidbeleid te kunnen voldoen. Voor een deel van de sociale koopwoningen zal, op de eis van een geluidluwe gevel op alle bouwlagen, afgeweken moeten worden van dit beleid. Voor het plan is een stedenbouwkundig plan uitgewerkt. Het plan is om een aantrekkelijke groene woonbuurt te realiseren waarbij met respect wordt omgegaan met het landschap. In verband met de stedenbouwkundige structuur van het slagenlandschap is het niet wenselijk dat de woningen met de kopse kant naar de weg worden gebouwd. Daarnaast is zorggedragen om het woon- en leefklimaat redelijkerwijs zo gunstig mogelijk te maken. De betreffende woningen hebben een geluidluwe gevel op de begane grond én een geluidluwe buitenruimte.
Tenslotte, is met bovenstaande voorgestelde maatregelen sprake van een acceptabel woon- een leefklimaat voor deze woningen. 60
Resumerend Het uitbreidingsplan ‘Achter de Wetering’ is ten aanzien van het aspect geluid realiseerbaar wanneer één van de maatregelen in het kader van de Wet geluidhinder wordt toegepast in combinatie met de voorgestelde maatregelen in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid. Industrielawaai Ten zuiden van de planlocatie is een tankstation gesitueerd. Indien het tankstation gebruik zou maken van de geboden geluidsruimte (maximale planologische situatie), wordt ter plaatse van de geprojecteerde woningen binnen de richtwaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde en 70, 65 en 60 dB(A) LAmax op grond van de VNGhandreiking “Bedrijven en Milieuzonering” gebleven. Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Met betrekking tot het aspect geluid is daarvan sprake, nu gebleken is dat aan de van toepassing zijnde richtwaarden kan worden voldaan. Uit onderhavig onderzoek blijkt voorts dat, als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de geprojecteerde woningen binnen de op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening geadviseerde grenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde en 70 en 60 dB(A) LAmax wordt gebleven. Door de komst van de geprojecteerde woningen zal de toegestane geluidsemissie van het tankstation op grond van de geldende omgevingsvergunningen niet worden beperkt.
Conclusie Het plan is ten aanzien van het aspect geluid realiseerbaar. Voor het plan zijn maatregelen benodigd, mits de maximumsnelheid van de Kerkweg wordt verlaagd naar 30 km/uur en/of de bebouwde komgrens wordt verplaatst. In dat geval, hoeft de noordoostgevel van het appartementengebouw niet meer als dove gevel te worden uitgevoerd, kunnen de loggia’s/balkons, behalve aan de zijgevels, óók aan de voorgevel van het appartementengebouw worden gerealiseerd én is het plaatsen van een tuinscherm op de tuingrens van de sociale koopwoningen niet meer nodig. De loggia's/balkons aan de zijgevels van het appartementengebouw dienen wel gehandhaafd blijven om te kunnen spreken van een geluidluwe buitenruimte. Voor het plan dienen hogere waarden voor wegverkeerslawaai te worden vastgesteld, mits de maximumsnelheid van de Kerkweg wordt verlaagd naar 30 km/uur (in dat geval is de Kerkweg niet meer gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder en is het aanvragen van hogere waarden niet meer nodig).
61
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht voor het jaar 2021 (Receptor wegverkeer: 73552739_164558): • Een stikstofconcentratie van 15,47 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,29 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 9,35 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
62
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
63
4.5 Bedrijven- en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 5 zijn de afstanden weergeven.
Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van 6 vrijstaande woningen, 18 twee-onderéén-kapwoningen, 4 seniorenwoningen, 20 rijwoningen (waarvan 12 sociale koopwoningen), 17 sociale huurappartementen, 13 koopappartementen, 24 sociale units en 5 bedrijfsloodsen/bedrijfsverzamelgebouwen voor lichte bedrijvigheid (max. milieucategorie 2). Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in de nabijheid van een bedrijventerrein. De Kerkweg is één van de ontsluitingswegen van het dorp. Het akoestisch onderzoek toont aan dat deze weg een behoorlijke verkeersintensiteit kent. Op grond hiervan kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.