Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan 'Achter de Wetering, Giessenburg'
Tekst van het document
64
Nieuwe woningen ten opzichte van omliggende bedrijven In de omgeving van het plangebied zijn onderstaande milieubelastende functies / bedrijven gelegen: Tabel 6: Omliggende bedrijven/instellingen Adres Functie Cat. Richtafstand (gemengd gebied) Sportplein 2A Brandweerkazerne 3.1 30 meter Sportplein 2B-C Veldsportcomplex met 3.1 30 meter verlichting (voetbal) Sportplein 3 Tennisbanen (met 3.1 30 meter verlichting) Kerkweg 10 Benzineservicestation 3.2 50 meter (met LPG < 1000 m3/jaar) (cat. 3.1) of bedrijven t/m cat. 3.2 Kerkweg 10A Transportbedrijf 3.2 50 meter (b.o. > 1000 m²) of bedrijven t/m cat. 3.2 Ambachtsweg 16 Verhuurbedrijf van 3.2 50 meter hei- en boorinstallaties of bedrijven t/m cat. 3.2
Werkelijke afstand 65 meter 75 meter 40 meter > 50 meter
> 100 meter > 100 meter
> 50 meter
> 100 meter
> 100 meter
Afbeelding 22: Nieuwe woningen t.o.v. bedrijven op bedrijventerrein
65
65 meter
75 meter
40 meter
Afbeelding 23: Nieuwe woningen t.o.v. overige milieubelastende functies
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde (richt)afstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Adromi Groep een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor het tankstation. Uit het onderzoek blijkt voorts dat, als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de geprojecteerde woningen binnen de op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening geadviseerde grenswaarde van 50 dB(A)etmaalwaarde en 70 en 60 dB(A) LAmax op grond van wordt gebleven. Door de komst van de geprojecteerde woningen zal de toegestane geluidsemissie van het tankstation op grond van de geldende omgevingsvergunningen niet worden beperkt. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en dat geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt.
66
Nieuwe bedrijfsloodsen/bedrijfsverzamelgebouwen ten opzichte van bestaande en nieuwe woningen Aan de zuidzijde van het plangebied worden 5 bedrijfsloodsen/bedrijfsverzamelgebouwen gerealiseerd. Deze bedrijfsgebouwen zijn bedoeld voor lichte bedrijvigheid. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan wordt vastgelegd dat in deze bedrijfsgebouwen bedrijfsactiviteiten zijn toegegaan tot maximaal milieucategorie 2. Voor bedrijven in de milieucategorie 2 geldt conform het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functies (woningen), de bedrijfswoning Kerkweg 10a en de geplande woningen in het plangebied, zijn gelegen op meer dan 10 meter van de bedrijfspercelen (zie afbeelding 24). Het bedrijfsverkeer van en naar de nieuwe bedrijfsgebouwen zal niet door de woonbuurt gaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en dat de bedrijven in de nieuwe bedrijfsgebouwen worden niet in de bedrijfsvoering beperkt.
60 meter
> 10 meter
Afbeelding 24: Nieuwe bedrijfsgebouwen t.o.v. omliggende woningen
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuzonering geen belemmeringen.
67
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Toekomstig beleidskader Waarschijnlijk treedt vanaf 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking. Deze wet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het beschouwen van externe veiligheid bij ruimtelijke plannen zijn het Bkl en het Bbl van toepassing. Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het huidige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met externe risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en het bevoegd gezag rekening moet houden met de kans op tien of meer slachtoffers (voorheen groepsrisico). In het kader van de komst van de Omgevingswet dient rekening te worden gehouden met een brandaandachtsgebied van 60 68
meter en een explosie- aandachtsgebied van 160 meter rondom een LPGtankstation. Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. Onderzoek Voor het plan is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek externe veiligheid is toegevoegd in de bijlage. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante risicobronnen: • Het LPG-tankstation GT24 (voorheen Autofood) met de bijbehorende bevoorradingsroute. Deze risicobronnen kunnen een gevaar vormen bij een brand of explosie. Aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt voldaan, het groepsrisico neemt bij planrealisatie toe van 0,01 naar 0,51 keer de oriëntatiewaarde. • Transport van geklasseerde stoffen over de Betuweroute en de snelweg A15. Vanwege de afstand tot het plangebied is de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar en zijn alleen toxische scenario’s relevant. Overige risicobronnen in de omgeving zijn vanwege hun aard of effectafstanden niet relevant. Dit zijn hogedruk aardgasleiding W-528-01, een aansluitend gasdrukmeeten regelstation en de opslag van chloorbleekloog bij zwembad De Doetse kom.
Afbeelding 25: Risicokaart externe veiligheid
Verantwoording groepsrisico De voorgenomen woningbouw ligt binnen het invloedgebied van het LPG-tankstation, de gerelateerde bevoorradingsroute, de Betuweroute en de A15. Voor het LPG-tankstation is een verantwoording van het groepsrisico vereist conform het Bevi. Voor de transportroutes volstaat een beperkte verantwoording volgens artikel 7 van het Bevt, waarbij alleen hoeft te worden ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 69
Omvang risico’s Alle kwetsbare objecten binnen het plangebied komen buiten de 10-6/jaar PRcontour van het LPG-tankstation. Eén bedrijfsgebouw, dat als een beperkt kwetsbaar object kan worden beschouwd, komt buiten de berekende 10-6/jaar PR-contour, maar binnen de Revi-afstand van 25 meter vanaf het reservoir. Vanwege het kleine aantal personen in dit gebouw die allen zelfredzaam zijn, het relatief kleine deel van het gebouw binnen de Revi-afstand, een verwachte daling van het LPG-gebruik en omwille van efficiënt ruimtegebruik wordt voor dit object afgeweken van de richtwaarde van 10-6/jaar. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en voor één beperkt kwetsbaar object gemotiveerd afgeweken. Het groepsrisico neemt bij planrealisatie toe van 0,01 keer de oriëntatiewaarde naar 0,51 keer de oriëntatiewaarde. In deze risicoberekening is geen rekening gehouden met hittewerende coating, waar vrijwel alle LPG- tankwagens in Nederland wel van zijn voorzien. Wanneer wel met deze hittewerende coating rekening wordt gehouden, is het groepsrisico circa 0,2 keer de oriëntatiewaarde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het gedeelte van het bedrijfsgebouw waarover de risicocontour van het reservoir van het LPG-tankstation is gelegen, is op de verbeelding de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – opslag’ opgenomen.
Dit gedeelte van het bedrijfsgebouw mag uitsluitend voor opslag worden gebruikt (geen verblijfsruimten). Voor de drie transportroutes wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Voor de bevoorradingsroute kan op voorhand worden gesteld dat de hoogte van het groepsrisico laag is bij de gestelde aantallen transporten. Voor de Betuweroute en de A15 is de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar vanwege de grote afstand tot deze routes. Bestrijdbaarheid Calamiteit risicobronnen Bij het LPG-tankstation is tijdens bevoorrading en distributie van LPG continu toezicht om in te grijpen bij een calamiteit. Wanneer een brand niet kan worden onderdrukt, moet de brandweer ingrijpen. De brandweerkazerne staat 250 meter verderop langs de Kerkweg en kan daardoor snel ter plaatse zijn. Explosiescenario’s verlopen vaak zodanig snel dat er geen mogelijkheid is om in te grijpen. Alleen voor een warme BLEVE als gevolg van een brand is er mogelijkheid om de brand te onderdrukken en de BLEVE te voorkomen. De calamiteiten op de bevoorradingsroute zijn vergelijkbaar van aard als bij het LPGtankstation zelf. Omdat langs de route geen toezicht aanwezig is, is de kans op alarmering en ingrijpen kleiner. Voor een gifwolk die ontstaat bij een ongeval op de Betuweroute of op de A15 is de bestrijdbaarheid afhankelijk van de locatie en het type stof dat vrijkomt.
Langs de Betuweroute is vaak voldoende bluswater aanwezig om een calamiteit te bestrijden. Voor de A15 is dit niet altijd het geval: er is vaak minder bluswater beschikbaar en een deel van de weg is niet goed te bereiken.
70
Wanneer een giftig gas vrij komt zijn de mogelijkheden om in te grijpen beperkt. Bij een toxische vloeistof ontstaat een plas die (gedeeltelijk) kan worden afgedekt om uitdamping te voorkomen. Calamiteit plangebied In geval van een interne of externe brand moet voldoende bluswater aanwezig zijn. Voor nieuwe woongebouwen tot 20 meter hoog stelt de Handreiking Bluswatervoorziening 2019 dat binnen 6 minuten een capaciteit van 500 l/minuut (30 m 3/uur) beschikbaar is. De gemeente moet deze bluswatercapaciteit in samenwerking met het drinkwaterbedrijf realiseren. Gezien de locatie tussen de bestaande woonkern en een bedrijventerrein en de strengere eisen die voor het LPG-tankstation gelden (4.000 l/minuut), is deze beschikbaarheid naar verwachting goed haalbaar. Mogelijk kan gebruik worden gemaakt van bestaand of nieuw aan te leggen oppervlaktewater in of om het plangebied. Zelfredzaamheid Externe ongevallen kunnen een gevaar vormen als een brand, een explosie of een gifwolk. Brand Een brand bij het LPG-tankstation vormt een extern risico voor de bebouwing in de directe omgeving van het LPG-tankstation. Bij een brand dient men de gebouwen te ontvluchten van het LPG-tankstation vandaan. Zowel het appartementengebouw als het complex met sociale units heeft een uitgang van het LPG-tankstation vandaan.
Door gevels brandwerend te maken en van moeilijk brandbaar materiaal te vervaardigen kan de kans op een externe brand worden beperkt. Explosie Bij een dreigende explosie bij het LPG-tankstation of op de bevoorradingsroute dient men het gebied te ontvluchten. Dit scenario kan snel verlopen, waardoor er niet voldoende tijd is om te vluchten en men nog in de gebouwen aanwezig is. Om slachtoffers door scherfwerking te voorkomen kan een vorm van letselvrij glas worden toegepast. Gifwolk Bij een gifwolk dient men inpandig te schuilen met ramen en deuren gesloten en mechanische ventilatie uitgeschakeld. Tijdige alarmering is hiervoor van belang. Het plangebied ligt binnen het bereik van het waarschuwings- en alarmeringssysteem. Afhankelijk van de stof kan ook de wolkvorming, rook of geur bewoners alarmeren. Bronmaatregelen en doorkijk naar de toekomst De risicoanalyse leidt tot een toename van het groepsrisico tot 0,51 keer de oriëntatiewaarde. In deze analyse is nog geen rekening gehouden met bronmaatregelen. Bevoegd gezag en bronhouder dienen af te stemmen of en welke maatregelen wenselijk zijn. Opties daarbij zijn: 1. Het vrijwillig toepassen van tankwagens met hittewerende coating volgens het LPG-convenant. 2. Het gelijktijdig bevoorraden van benzine en LPG uitsluiten. 3. Het toepassen van venstertijden om bevoorrading van LPG op drukke momenten te voorkomen. 71
4. Het beperken van de vergunde doorzet en daarmee het aantal bevoorradingen. 5. Om bij een drukgolf vliegvuil te voorkomen kan het grindbed rond het LPGreservoir worden vervangen door bijvoorbeeld tegels. In de huidige analyse is conservatief gerekend. Mogelijk zijn bovengenoemde maatregelen 1 en 2 al gangbare praktijk bij dit LPG-tankstation. In dat geval neemt de kans op een warme BLEVE door een externe brand (scenario’s B.2, B.3 en B.4) af met een factor 20 (hittewerende coating) en een factor 3 (gelijktijdige bevoorrading uitsluiten). Het groepsrisico daalt in dat geval tot circa 0,2 keer de oriëntatiewaarde. Wanneer het gebruik van fossiele brandstoffen naar de toekomst afneemt, zal dit ook gelden voor de doorzet van LPG en daarmee het aantal verladingen. Ook bij het huidige gebruik, waarbij het tankstation grotendeels onbemand is, zal de doorzet aan LPG aanzienlijk lager zijn dan vergund. LPG-verkoop bij onbemande tankstations is niet toegestaan. Ruimtelijke maatregelen en alternatieven In Giessenburg is net als in een groot deel van Nederland behoefte aan meer woningen voor alle segmenten. Achter de Wetering is één van de gebieden grenzend aan de bebouwde kom die hiervoor het gemakkelijkst kan worden ontsloten. Voor het bedrijfsgebouw dat het dichtst bij het LPG-tankstation staat, kan worden aangestuurd op een functie met minder personen, zoals een opslagvoorziening.
Vanuit exploitatie van het gebouw is dit echter niet wenselijk. Overige ruimtelijke maatregelen om gebouwen met meer personen verder weg te plaatsen van het LPGtankstation zijn vanuit planontwikkeling niet wenselijk. Dit heeft te maken met de ontsluiting van het gebied en met de volgorde van bouwen. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VZHZ) heeft op 20 december 2022 aangegeven akkoord te zijn met het onderzoek externe veiligheid. In het kader van beheersbaarheid en zelfredzaamheid adviseert de veiligheidsregio enkele maatregelen te nemen ter beperking van de risico's. De adviezen van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) worden, waar mogelijk, meegenomen in de definitieve uitwerking van het plan. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). In een tweede advies van 21 juli 2023 raadt de VRZHZ aan om te overleggen met de houder van het LPG-tankstation of een lagere doorzet of stoppen met LPG mogelijk is. De initiatiefnemer heeft met de bronhouder overlegd, maar hieruit volgt om de bestaande vergunde doorzet aan te houden.
Voor het deel van het bedrijfsgebouw binnen de risicocontour van het reservoir van het LPG-tankstation worden geen verblijfsruimten toegestaan en zijn alleen functies zoals opslag van goederen mogelijk.
72
Te nemen maatregelen Om de veiligheid in het gebied te optimaliseren worden de volgende maatregelen toegepast: • Het brandvoorschriftengebied wordt aangewezen voor de gebouwdelen: ▪ De gevels van de sociale units voor zover deze in het brandaandachtsgebied staan en de gevelzijde van het bedrijfsgebouw en het appartementengebouw die naar het LPG-tankstation gericht zijn. ▪ Het dak van de drie gebouwen binnen het brandaandachtsgebied. Met het vaststellen van een brandvoorschriftengebied zijn de maatregelen om brandoverslag naar deze gebouwen te voorkomen voor de gebouwdelen binnen dit gebied daarmee verplicht. Voor de gevels van het bedrijfsgebouw en appartementengebouw die niet naar het LPG-tankstation zijn gericht zijn deze maatregelen niet verplicht. De inkomende warmtestraling op deze gevels is kleiner, waardoor brandoverslag is uit te sluiten. • Binnen 100 meter van het vulpunt wordt het explosievoorschriftengebied aangewezen voor gevels die naar het vulpunt gericht zijn. Voor de sociale units wordt uitgegaan dat sprake is van een zeer kwetsbaar gebouw en geldt het explosievoorschriftengebied van rechtswege voor het gehele gebouw. De gevels waarop het explosievoorschriftengebied van toepassing is staan uitgewerkt in het rapport (zie bijlage).
Aan dit explosievoorschrift kan invulling worden gegeven door toepassing van glas dat een drukgolf kan doorstaan (bijvoorbeeld ER-1 glas) of als de ontwikkelaar met een sterkteberekening aantoont dat letsel door scherfwerking niet kan ontstaan. Voor beglazing in overige gevels volstaat standaard isolatieglas. De drukgolf is hier afgezwakt door de afstand en bovendien schermen de tussengelegen gebouwen deze gevels af. Van de voorgestelde maatregelen in het brand- en explosieaandachtsgebied mag op twee manieren worden afgeweken: 1. Als bij het tankstation de verkoop van LPG stopt. In dat geval vervalt de externe risicobron. Wanneer vast staat dat geen bevoorrading meer plaatsvindt op het moment dat het eerste gebouw in het plangebied in gebruik wordt genomen, zijn de bouwkundige maatregelen niet nodig. 2. Als de initiatiefnemer met gelijkwaardigheid aantoont dat de voorgenomen uitvoering net zo goed werkt als de voorgeschreven uitvoering van een maatregel: a. Voor het brandaandachtsgebied betekent brandoverslag als gevolg van een fakkelbrand bij breuk van de pomp of losslang niet kan plaatsvinden. b. Voor het explosieaandachtsgebied betekent dit dat letsel door scherfwerking wordt voorkomen. De sociale units worden als zeer kwetsbaar gebouw gezien.
Indien het gebouw(deel) alleen wordt gebruikt voor doelgroepen met een lage zorgindicatie en daarmee efficiënte ontruiming goed mogelijk is, is sprake van een kwetsbaar gebouw. Daarmee vervalt de verplichte toepassing van maatregelen van rechtswege en hoeven de maatregelen alleen aan de zijden van het vulpunt te worden genomen.
73
Conclusie Het plan is ten aanzien van het aspect externe veiligheid realiseerbaar. Voor het plan zijn maatregelen benodigd (brand- en explosievoorschriften), mits bij het tankstation de verkoop van LPG stopt of met gelijkwaardigheid wordt aangetoond dat de voorgenomen uitvoering van het plan net zo goed werkt als de voorgeschreven brand- en explosievoorschriften in het onderzoek externe veiligheid.
74
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Aan de oostzijde van de Kerkweg ligt een rioolwatertransportleiding van het Waterschap Rivierenland. De woningbouw vindt plaats op ruime afstand van deze leiding. In het waterhuishoudingsplan is rekening gehouden met de rioolwatertransportleiding. In het plangebied of de directe omgeving zijn verder geen planologische relevante leidingen zoals waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
75
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: heikikker, poelkikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
76
•
De (kap)werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Het plangebied maakt tevens geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 26: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
77
Afbeelding 27: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Aanvullend onderzoek heikikker, poelkikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Door Blom Ecologie is een aanvullend onderzoek uitgevoerd voor de soorten heikikker, poelkikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. De rapportage van het aanvullend ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. In de periode augustus en september 2022 en maart 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van grote modderkruiper, heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Soorteninventarisatieprotocollen (NGB, 2017) en/of Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek is de aanwezigheid van grote modderkruiper, poelkikker en rugstreeppad binnen het plangebied uitgesloten. Derhalve is er ten aanzien van deze soorten geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Uit eDNA onderzoek bleek dat de heikikker binnen het plangebied aanwezig is. De planlocatie heeft gedeeltelijk een functie als leefgebied (voortplantingswater, overwinteringsgebied en landhabitat) voor de heikikker. De beoogde werkzaamheden binnen het plangebied (dempen/vergraven watergangen en bebouwen van (wei)land) resulteren in het komen te vervallen van dit leefgebied en het verstoren van de heikikker. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daardoor noodzakelijk (Wnb, art. 3.5, lid 2 en lid 4).
Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Voor het bouwplan is door een deskundig bureau met de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Hierbij is uitgegaan van worstcasescenario dat de bouwfase niet langer dan 1 jaar zal duren. Daarnaast is door het bureau op basis van bureauexpertise en informatie van vergelijkbare bouwprojecten een worst-case inschatting van inzet van de mobiele 78
werktuigen gedaan. Tenslotte, is voor de gebruiksfase uitgegaan van de maximale verkeersgeneratiecijfers van het CROW-beleid. Uit de projectberekening van de aanlegfase afgezet tegen de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (er is zelfs sprake van een stikstofdepositieafname van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’). Uit de projectberekening van de gebruiksfase afgezet tegen de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Voor het plan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de heikikker (Wnb, art. 3.5, lid 2 en lid 4).
Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat de benodigde ontheffing, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
79
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde plan is een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: •
•
• • •
•
•
•
De onverdachte bovengrond op het terrein van 3.6 hectare is in 5 mengmonsters onderzocht en blijkt nagenoeg schoon voor alle parameters uit het standaardpakket. 2 van de 5 mengmonsters zijn geheel schoon (bovengrond noordoosthoek (voormalig terrein RWZI) en groenstrook zuidzijde). De twee mengmonsters betreffende het maisbouwland bevatten beide een verwaarloosbaar molybdeengehalte. De bovengrond van het oostelijke grasland (G 2670) bevat minimale verhogingen aan molybdeen en nikkel; Alleen de bovengrond ter plaatse van het westelijke maisbouwland is onderzocht op PFAS. Het PFOA-gehalte bedraagt 4.2 ug/kgds en het PFOSgehalte is 3.7 ug/kgds. De venige ondergrond is in 2 mengmonsters onderzocht en bevat gangbare lichte verhogingen aan nikkel en molybdeen; De humeuze zandige kleiige ondergrond ter plaatse van de boringen 16 en 17 bevat lichte verhogingen aan kwik en lood. Dit heeft geen consequenties; De slootdempingsgrond van de gedempte sloot op het bouwland (boringen 38 t/m 40) vertoonde geen verdachte kenmerken maar is zekerheidshalve wel onderzocht. Deze dempingsgrond bevat alleen een minimaal verhoogd gehalte aan molybdeen; De licht puinhoudende slootdempingsgrond op het noordoostelijk terrein (boringen 45, 49, 50 en 51) bevat alleen een minimale verhoging aan kwik. Deze grond is ook op asbest onderzocht en dit is niet aangetroffen boven de detectiegrens van 2 mg/kgds.
De donkergrijze licht puin- en sintelhoudende ondiepe ondergrond (50-100 cm-mv) op het noordoostelijk terrein (betreft gedempt voormalig bassin van de voormalige RWZI) bevat een minimaal verhoogd PAK-gehalte. Dit heeft geen consequenties. Deze grond is ook op asbest onderzocht en dit is niet aangetroffen boven de detectiegrens van 2 mg/kgds. Bij alle overige dammen of gedempte slootuiteinden (boringen 41,42,43,44, 34,35,36) is geen verdachte grond aangetroffen. Plaatselijk is gestuit op de aangebrachte betonnen of PVC duikers. Er was geen aanleiding om de hier opgeboorde grond te onderzoeken.
80
•
In het grondwater uit de 5 peilbuizen is telkens alleen barium licht verhoogd aangetroffen.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering of beperking voor de voorgenomen herontwikkeling van het terrein voor woon- en bedrijfsdoeleinden. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.
81
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
82
Afbeelding 28: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Door ADC Archeoprojecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van booronderzoek uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De resultaten van het bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) zijn beoordeeld door de gemeente Molenlanden. Op basis van zijn advies is door de gemeente Molenlanden het volgende selectiebesluit genomen: Selectiebesluit Alleen het deel van het plangebied waar komafzettingen en veen aanwezig zijn binnen de maximale boordiepte kan vrij gegeven worden (geen vervolgonderzoek). Voor het deel van het plangebied waar oever- en crevasseafzettingen aanwezig zijn behoudt het plangebied zijn middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Deze afzettingen zijn te relateren aan de Schaikse stroomgordel, die actief was tussen 5285 en 4240 BP (3230 – 2190 v. Chr.). Op de oever- en crevasseafzettingen van genoemde stroomgordel kunnen, op een diepte van circa 3,6 m -NAP (2,40 tot 83
2,60 m -mv) vindplaatsen aanwezig zijn uit het Neolithicum en mogelijk de Bronstijd. Om dit deel van het plangebied vrij te kunnen geven zijn in eerste instantie aanvullende karterende boringen noodzakelijk, waarbij rond elke boring minimaal 4 extra karterende boringen worden gezet (totaal 12 karterende boringen) tot een diepte van minimaal 3,5 m-mv. Een indicatie voor bewoning is een ‘vuile laag’ al dan niet met archeologische indicatoren. De boorkernen worden gezeefd (bij zand of lichte zavel) of versneden en verbrokkeld (bij zandige klei) en gecontroleerd op archeologische indicatoren. Afhankelijk van de resultaten van het aanvullend karterend booronderzoek zal een besluit genomen worden of ook dit deel van het plangebied wordt vrijgegeven of dat alsnog een gravend (proefsleuven)onderzoek noodzakelijk is. Aanvullend karterend booronderzoek Door ADC Archeoprojecten is een aanvullend karterend booronderzoek uitgevoerd. Op grond van dit aanvullend onderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het Licht komen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen.
84
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Beleidskader Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij nieuwbouw de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. Onderzoek Het plan is om een kwalitatief hoogwaardig, duurzame en toekomstbestendige woonwijk en bedrijventerrein te realiseren.
Daarom zijn er diverse ambities en eisen bepaald op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. Voor het plan is een memo opgesteld waarin de ambities op de thema’s: klimaatmitigatie, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen voor het plan zijn beschreven. De memo is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Bij de uitwerking van deze ambities en eisen is tevens het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’ van de gemeente Molenlanden als uitgangspunt genomen. In de uitwerking van dit plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Wateroverlast door overvloedige neerslag Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een beperkte infiltratiecapaciteit. Om wateroverlast bij extreme neerslag te voorkomen worden in het plangebied grote waterpartijen gerealiseerd waarop het hemelwater bij extreme neerslag kan afstromen. De ambitie is dat het plangebied een piekbui moet kunnen verwerken. Dit plan houdt hier verder rekening mee door het plangebied zo groen mogelijk in te richten, de parkeervakken uit te voeren in halfverharding (bv. grasbetontegels). Langs de ontsluitingswegen is ruimte voor het realiseren van groenstroken. Hierdoor kan het hemelwater bij een piekbui op een goede wijze worden afgevoerd en/of infiltreren in de bodem. De woningen en
85
bedrijfsgebouwen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat de Kerkweg goed begaanbaar is bij extreme neerslag. Overstroming De klimaatatlas Zuid-Holland met het overstromingsbeeld na doorbraak van de primaire waterkeringen laat zien dat er een middelgrote kans is op overstroming in het plangebied (> 2,5 – 5,0 m). Dit geldt voor de gehele regio Alblasserwaard. Derhalve worden de dijktrajecten uitvoerig gemonitord en waar nodig versterkt. De dijktrajecten met de status van een primaire waterkering zijn vastgelegd in de Waterwet. In de Waterwet is de veiligheidsnorm per traject vastgelegd. De waterkeringbeheerders (Waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat) zijn verantwoordelijk voor de zorg voor deze waterkeringen. Het overstromingsbeeld na doorbraak van de regionale waterkeringen laat zien dat er een kleine kans is op overstroming in het plangebied (< 0,5 m). De risico’s ten aanzien van overstroming voor deze ontwikkeling zijn aanvaardbaar. Hitte Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor hittestress. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woningen en bedrijfspanden rekening gehouden met de accumulatie van warmte.
Hierbij kan gedacht worden aan bouwtechnische voorzieningen en/of beplanting die zorgen voor schaduwvorming voor het gebouw. De woningen kunnen worden voorzien van overstekken/overkappingen boven de raampartijen (schaduwvorming) teneinde overmatige opwarming van de woningen te voorkomen. Verder is vanuit de BENGnorm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Verder kan worden gedacht aan het toepassen van groene daken (sedum) op de bijgebouwen bij de woningen. Het openbaar gebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Droogte Gezien het droger wordt is het van belang om hemelwater zo lang mogelijk vast te houden, zodat het water kan worden gebruikt in tijden van droogte. Door de aanleg van grote waterpartijen en de groene inrichting van het gebied kan hemelwater langer worden vastgehouden op de locatie. De beplanting in het openbaar gebied zal hierop worden afgestemd. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. In de groene inrichting wordt gekozen voor type beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie tegengaan.
Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede. Bodemdaling Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied dat tot 2050 te maken heeft met een bodemdaling van circa 7,5 mm/jaar. Dit is op veel plaatsen in de regio Alblasserwaard aan de orde. Het plan wordt door een civieltechnisch bureau nader uitgewerkt. Hierbij wordt rekening gehouden met de zetting van het gebied. Logischerwijs zullen alle gebouwen worden onderheid en zal het te ontwikkelen gebied worden voorbelast. Hiermee wordt voldoende rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen de risico’s van bodemdaling.
86
Conclusie Het plan is in overeenstemming met de diverse ambities en eisen op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie van de gemeente Molenlanden en de provincie Zuid-Holland.
87
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Achter de Wetering, Giessenburg’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Achter de Wetering, Giessenburg’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Achter de Wetering, Giessenburg’ is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen ‘Dorpskern Giessenburg’ (vastgesteld op 27 juni 2013) en ‘Bedrijventerreinen Middenweg en Giessenburg (vastgesteld op 24 januari 2013). De regels van het bestemmingsplan ‘Achter de Wetering, Giessenburg’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijf De bedrijfspercelen aan de zuidzijde van het plangebied worden bestemd als ‘Bedrijf’. Op het bedrijfsbestemmingsvlak worden drie bouwvlakken opgenomen waarbinnen de vijf bedrijfsloodsen/bedrijfsverzamelgebouwen dienen te worden gerealiseerd. Voor de bedrijfsgebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 8 meter. De bedrijfspercelen mogen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 2 (lichte bedrijvigheid). Groen Aan de noordzijde van het plangebied een groenstrook gerealiseerd met een fietsen wandelpad/calamiteitenweg. Rondom de bedrijfspercelen wordt een groene bufferzone gerealiseerd. Deze gronden worden bestemd als ‘Groen’. Verkeer De ontsluitingsweg van de woonwijk en de bedrijfspercelen en de openbare parkeerplaatsen bij de bedrijfspercelen worden bestemd als ‘Verkeer’.
88
Water Het oppervlaktewater binnen het plangebied wordt bestemd als ‘Water’. Woongebied Het overige deel van het plangebied, waar de woningen worden gebouwd, wordt bestemd als ‘Woongebied’. De woningen dienen binnen de bouwvlakken te worden gebouwd. Voor de grondgebonden woningen geldt een maximale gooten bouwhoogte van 6 meter respectievelijk 11 meter. Gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld'. Voor de gestapelde woningen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 9 meter respectievelijk 12 meter.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • • • • • •
Bouwvlak (voor woningen en bedrijfsgebouwen); Bouwaanduiding ‘gestapeld’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding – dove gevel’; Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – lpg’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met milieucategorie 2’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – opslag’; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – zorgwoningen’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – verharding uitgesloten’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m): 8’ (bedrijfsgebouwen); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’.
89