Bijlage 1 Bestemmingsplan Noordeloos, Nieuwendijk 11 - Toelichting
Tekst van het document
leegstand en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. In het onderhavige plan worden per saldo twee wooneenheden en een ontvangstkas van 300 m² toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verder voorziet het bestemmingsplan in de uitbreiding van een moestuin/grondteelt en de aanleg van een voedselbos en boomgaard. (Moes)tuinen, grondteelt, voedselbossen en boomgaarden kunnen niet gezien worden als verstedelijking of als een stedelijke ontwikkeling.
Omdat het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk. Klimaatadaptatie In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Dit aspect is behandeld in paragraaf 4.11 van deze toelichting.
39
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Het onderhavige plan draagt bij aan de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio. Middels het plan worden de verouderde voormalige agrarische schuren gesloopt, onnodige terreinverharding opgeruimd en wordt ter compensatie één vrijstaande woning gerealiseerd. Deze woning wordt in een passende landelijke stijl vormgegeven.
Tevens wordt de karakteristieke woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden, zodat er meer draagvlak ontstaat aan het onderhoud van de woonboerderij en daarmee instandhouding van het gebouw verzekerd is. Verder voorziet het plan in het behoud van de zorgboerderij, zodat deze sociaalmaatschappelijke functie behouden kan blijven en daardoor langdurig werklozen, ouderen (met beginnende dementie) en jongeren, volwassenen en ouderen met een lichte verstandelijke of lichamelijke beperking of met psychische problemen een rol kunnen vervullen in de maatschappij en zich ook verder kunnen ontplooien. Verder wordt de wandelroute behouden, waardoor mensen een ommetje kunnen maken langs de beoogde biologische boomgaard, voedselbos en volle grondteelt en agrarische bedrijven elders aan kunnen doen. Het plan heeft daarmee tevens een dagrecreatieve functie. Het plan draagt in zijn geheel bij aan een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van het landelijk gebied. Het onderhavige plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn.
De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; 40
•
Woondorpen.
De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Noordeloos is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Dit plan, dat slechts uit de toevoeging van 2 extra woningen bestaat, voldoet aan die behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie. Gezien de nieuwe regionale afspraken over afstemming, hoeft dit plan niet regionaal afgestemd te worden. Het plan wordt opgenomen in de woonmonitor.
41
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Dit document bevat de visie van de gemeente voor de komende jaren. De visie geeft aan waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en -kwaliteiten en versterken identiteit) en op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag. 4.
De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het plan betreft enerzijds een de toevoeging van een vrijstaande woning in het verlengde van het bestaande cultuurhistorische bebouwingslint langs de Nieuwendijk, ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische schuren, buitenopslag en onnodige verharding. De woningen worden op een passende wijze in het gebied ingepast. Tevens wordt met de splitsing van de karakteristieke woonboerderij instandhouding verzekerd. Het plan betreft anderzijds de aanleg van een boomgaard, voedselbos en volle grondteelt. Bij deze agrarische functie wordt tevens dagbesteding aangeboden, waarbij zorgvragers geholpen kunnen worden.
De teelt en oogst van de boomgaard, voedselbos en volle grondteelt gebeurt geheel biologisch. Het voedselbos, boomgaard en volle grondteelt worden landschappelijk ingepast (zie paragraaf 2.2.2 van deze toelichting). Door een landschapsarchitect is een landschappelijk 42
inrichtingsplan opgesteld. De omgevingskwaliteiten zijn daarmee gewaarborgd. Het plan is een passende ontwikkeling in het gebied. Daarnaast wil de initiatiefnemer voor de kas een verwarmingssysteem toepassen, waarbij de gierkelder behouden blijft en aangesloten wordt op het verwarmingssysteem. Met het systeem wordt op een duurzame manier de kas verwarmt en de winkel en kantine verkoeld. Deze duurzame maatregel levert een positieve bijdrage aan het milieu en klimaat. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Giessenlanden. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020 - 2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit.
Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Ter compensatie van de te slopen voormalige agrarische gebouwen wordt naast het perceel Nieuwendijk 17 een vrijstaande woning van maximaal 650 m³ (inclusief aan-, uit- en bijgebouwen) gerealiseerd. In deze woning gaat de stoppende agrariër wonen. Door het vertrek van de stoppende agrariër komt de woonboerderij leeg te staan en wordt gesplitst in twee wooneenheden om instandhouding van het karakteristieke gebouw te verzekeren. Daarmee voorziet het plan in principe in een nieuwe invulling van leegkomend vastgoed. Deze woningen zijn geschikt voor met name doorstromers, waardoor betaalbare woningen voor jongeren beschikbaar komen in de lokale woningmarkt.
Volgens de factsheet die voor Noordeloos gemaakt is, is de behoefte aan woningen in de periode 2020-2029 65 woningen. Er zijn ruim50 woningen geprogrammeerd voor deze periode. Er is daarmee ruimte voor extra woningbouw.
43
3.4.3 Bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen Noordeloos’, vastgesteld op 24 september 2015 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden. Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch. De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie 4. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 4’.
Afbeelding 24: Uitsnede bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’
44
3.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’, vastgesteld op 11 maart 2015 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Giessenlanden. Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch. De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie 4. En geen aanduidingen.
Afbeelding 25: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden'
Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos’ en ‘Buitengebied Giessenlanden’. Het perceel Nieuwendijk 11 en de kavel naast het perceel Nieuwendijk 17 hebben in de bestemmingsplannen beide de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze agrarische bestemming is het niet toegestaan een burgerwoning te realiseren of een woning te gebruiken als burgerwoning. Tevens zijn nevenactiviteiten in de vorm van een zorgfunctie of de verkoop van streekproducten bij een agrarisch bedrijf niet toegestaan zonder het agrarisch bedrijf. Ook het realiseren van een voedselbos, boomgaard en volle grondteelt is niet toegestaan. 3.4.5 Paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ Binnen onderliggende bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake 45
‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. De regeling die is opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ is overgenomen in dit bestemmingsplan. 3.4.6 Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst.
Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. De regeling die is opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is overgenomen in dit bestemmingsplan.
46
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos’ en ‘Buitengebied Giessenlanden’; • Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Gezien de nieuwe regionale afspraken over afstemming, hoeft dit plan niet regionaal afgestemd te worden. Het plan wordt opgenomen in de woonmonitor.
47
4.
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Het plan voorziet enerzijds in het toevoegen van 2 burgerwoningen en de realisatie van een bijgebouw ter grootte van 300 m². Daarmee valt de activiteit mogelijk onder onderdeel 11.2 indien het plan geschaard kan worden onder het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject wordt echter niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Al deze voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat het een verstening of urbanisering van een gebied betreft. Het toevoegen van 2 burgerwoningen en een bijgebouw van 300 m² groot na de sanering van voormalige agrarische schuren kan vanwege de aard en kleinschaligheid niet gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject.
Dat blijkt tevens uit jurisprudentie: ‘De realisatie van twee eengezinswoningen kan, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is
48
en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel’ (ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1879). Het toevoegen van 2 burgerwoningen en de bouw van een bijgebouw ter grootte van 300 m² is niet opgenomen in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. Anderzijds voorziet het plan in het realiseren van een voedselbos, boomgaard en volle grondteelt. Deze activiteiten kunnen niet geschaard worden onder het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, omdat er geen sprake is van verstening of urbanisering. Deze activiteiten zijn hierdoor tevens niet opgenomen in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. Omdat het plan niet voorziet in activiteiten die zijn opgenomen in bijlage C of D van het Besluit m.e.r., is geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling nodig. Conclusie Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en kan derhalve achterwege gelaten worden.
49
4.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit.
50
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. C-watergang 046352 C-watergang 045893 A-watergang 000538
C-watergang 045890 C-watergang 045896
A-watergang 000614
C-watergang 046355 C-watergang 046409
C-watergang 046362 C-watergang 045895 C-watergang 046367
Afbeelding 26: Uitsnede legger wateren
In de directe omgeving van het plangebied zijn een A- en enkele C-watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van enig watergang. Het plan voorziet wel in het dempen en realiseren van watergangen. De wijzigingen aan de watergangen zijn reeds besproken met het Waterschap Rivierenland (kenmerk 2019104103/OLO4601635). Voor het dempen en realiseren van water is het aanvragen van een watervergunning bij het waterschap Rivierenland noodzakelijk. 51
Realiseren water: 190 m² Dempen 95 m² van C-046355
Dempen 95 m² van C-046409
Afbeelding 27: Waterdemping en -realisatie
Onderzoek Voor de locaties Nieuwendijk 11 en naast Nieuwendijk 17 is de digitale watertoets separaat doorlopen (dossiercodes 20210319-9-25893 en 20210319-9-25894). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van –1,84 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
52
Plangebied
Afbeelding 28: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken hoeveel watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Op voorhand is niet te bepalen is hoeveel verhard oppervlak in de nieuwe situatie wordt gerealiseerd. Het waterschap hanteert de stelregel dat bij vrijstaande woningen 70% van het woonperceel wordt verhard. Ondanks dit percentage bij grote kavels onrealistisch is, is voor het onderhavige plan worstcase aangesloten bij dit percentage.
53
Tabel 3: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woonboerderij Nieuwendijk 11 Landwinkel Stal Schuur Sleufsilo Erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Boerderij Nieuwendijk 11 Parkeerterrein bij welkomstkas Welkomstkas met landwinkel Woning naast Nieuwendijk 17 + bijgebouw Erfverharding Nieuwendijk 11 (wandelpad e.d.) Erfverharding woningen Nieuwendijk 11 (70% van opp. bestemming Tuin en Wonen) Erfverharding naast Nieuwendijk 17 (70% van opp. bestemmingen Tuin en Wonen) Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte 208 m² 171 m² 632 m² 175 m² 297 m² 1.914 m² 3.397 m²
208 m² 171 m² 300 m² 144 m² 1.109 m² 620 m² 870 m² 3.422 m² 25 m² toename
Het onderhavige plan resulteert in een toename van 25 m² aan verharding. Conform de stelregel van het waterschap dient daarmee 1,09 m³ (25 ÷ 10.000 × 436) aan water gecompenseerd te worden. Uitgaande van een peilstijging van 0,2 meter betekent dit een oppervlakte van 5,45 m². Verder voorziet het plan in het dempen van watergangen, welke volledig gecompenseerd dienen te worden. Middels het plan wordt 190 m² aan watergangen gedempt en 190 m² aan water gerealiseerd. Het dempen van de watergangen wordt derhalve volledig gecompenseerd. De wijzigingen aan de watergangen zijn reeds besproken met het Waterschap Rivierenland (kenmerk 2019104103/OLO4601635). Ten aanzien van de watercompensatie wordt gesteld dat de initiatiefnemer eventueel de eenmalige particuliere vrijstelling in kan zetten. Of deze vrijstelling ingezet kan worden, zal uiteindelijk worden bepaald door de afdeling Vergunningen van het waterschap. Achterop de locatie Nieuwendijk 11, bij het voedselbos en de volle grondteelt, worden nieuwe watergangen gegraven. Het graven van deze watergangen kan ingezet worden voor de watercompensatie. Voor het graven van watergangen dient een watervergunning bij het waterschap aangevraagd te worden. Bij deze watervergunning wordt inzichtelijk gemaakt waar de watergangen exact worden gerealiseerd en welk oppervlakte deze beslaan.
Bij de watervergunning zal te zijner tijd ook bepaald worden of het verhardingsoppervlak per saldo zal toe- of afnemen en zal ook de exacte hoeveelheid watercompensatie bepaald worden.
54
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. De teelt en oogst gebeurt volledig biologisch en er worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
55
Primaire of regionale waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een regionale of primaire waterkering.
Afbeelding 29: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Nieuwendijk. Het perceel Nieuwendijk 11 wordt thans ontsloten middels een verharde in- en uitrit op de Nieuwendijk. Dit wijzigt middels het plan niet. De locatie naast Nieuwendijk 17 wordt thans ontsloten middels een onverharde inrit. Voor het realiseren van een verharde inrit op deze locatie is het aanvragen van een vergunning bij het waterschap noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor het plan dient een watervergunning aangevraagd te worden voor het dempen en graven van watergangen en het realiseren van een inrit op de Nieuwendijk.
56
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in buitenstedelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van het de Nieuwendijk, Noordzijde en de N214. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Laatstgenoemde bronnen kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.
Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning op de locatie naast Nieuwendijk 17 en het toevoegen van een woning in de bestaande woonboerderij. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is voor beide locaties separaat uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusie uit het akoestisch onderzoek Nieuwendijk 11 luidt: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N214 ten hoogste 53 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Laantje en Nieuwendijk ten hoogste respectievelijk 38 en 39 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 53 dB, incl.
aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woning ter plaatse van de noordgevel over een geluidluwe gevel en buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’ De conclusie uit het akoestisch onderzoek naast Nieuwendijk 17 luidt: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De woning 5 meter noordelijk ten opzichte van de voorgevelrooilijn van de oostelijk gelegen woning (nr. 17a) wordt gesitueerd; 57
• •
•
• •
De zuidgevel op de 1e en 2e verdieping als dove gevel wordt uitgevoerd; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N214 ten hoogste 53 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB; De berekende geluidbelasting ten gevolge van Gorrissenweg en Nieuwendijk ten hoogste respectievelijk 39 en 42 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 54 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning ter plaatse van de noordgevel over een geluidluwe gevel en buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Een verzoek tot vaststelling voor hogere waarden dient ingediend te worden. Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden.
58
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m³ Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 20,2 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,3 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,3 µg PM2,5/m³. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
59
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
60
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee wooneenheden, het realiseren van een voedselbos, boomgaard en volle grondteelt en het continueren van de dagbesteding in de vorm van een zorgboerderij. Hiermee is sprake van toevoeging van een milieugevoelige objecten en milieubelastende functies. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven/instellingen als gevolg van het onderhavige plan en of het plan niet voorziet in een aantasting van het woon- en leefklimaat. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het gemengd gebied. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
Toevoegen van milieugevoelige objecten Het plan voorziet met de realisatie van een vrijstaande woning en het toevoegen van een woning in het achterhuis van de bestaande woonboerderij in het toevoegen van milieugevoelige objecten. Om te bezien of ter plaatse van de beoogde nieuwe milieugevoelige objecten een acceptabel woon- en leefklimaat heerst, is getoetst aan de richtafstanden van omliggende bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gevestigd.
61
Tabel 5: Omliggende bedrijven Adres Functie Noordzijde 1a Nieuwendijk 8a Nieuwendijk 10 Nieuwendijk 18 Nieuwendijk 20 Laantje 3 Lijntje 5II
Kerk Bedr.bestemming Sportcomplex Gemaal Golfbaan Bouwbedrijf Hovenier
Milieucategorie 1 Max. 2 3.1 2 1 3.1 3.1
Zwaarste richtafstand 0 meter Max. 10 meter 30 meter 10 meter 0 meter 30 meter 30 meter
Werkelijke afstand * 106 meter 16 meter 38 meter 115 meter 213 meter 109 meter 108 meter
* minimale afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde toegevoegde milieugevoelig object binnen plangebied
Afbeelding 30: Afstanden woningen t.o.v. omliggende bedrijven
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige objecten en dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het toevoegen van de milieugevoelige objecten.
62
Toevoegen milieubelastende functie Naast de toevoeging van milieubelastende objecten voorziet het plan tevens in het toevoegen van milieubelastende functies. Onderzocht dient te worden of de toevoeging van deze milieubelastende functies niet zorgt voor een (verdere) aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande milieugevoelige objecten. Het plan maakt het mogelijk om de landwinkel en de zorgfunctie te continueren en het aanleggen van een boomgaard, voedselbos en volle grondteelt. Met betrekking tot de milieubelastende functies wordt uitgegaan van onderstaande categorieën met bijbehorende richtafstanden in gemengd gebied. Tabel 6: Overzicht toegestane milieubelastende functies Functie Aangesloten bij Richtafstand gemengd gebied categorie Geur Stof Geluid Gevaar Landwinkel Detailhandel 0m 0m 0m 0m voor zover n.e.g. Dagbesteding Artsenpraktijken, 0m 0m 0m 0m klinieken en dagverblijven Boomgaard, Akkerbouw en 0m 0m 10 m 0m voedselbos, fruitteelt volle grondteelt Voor de boomgaard, voedselbos en volle grondteelt geldt een zwaarste richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van deze functie bevinden zich geen milieugevoelige objecten. Gesteld wordt dat het plan niet voorziet in het (verder) aantasten van het woon- en leefklimaat. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.
63
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 64
Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan, waardoor gesteld kan worden dat er geen relevante externe veiligheidsrisico’s te verwachten zijn.
Plangebied
Afbeelding 31: Uitsnede risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats (N214). De N214 heeft geen risicocontour (PR 10-6), waardoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het is tevens zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied met weinig populatie lager is en blijft dan een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Daarnaast zijn incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. 65
Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
66
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen gelegen. Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmering op voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
67
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Met de sanering van voormalige agrarische schuren en de toevoeging van een vrijstaande burgerwoning is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen schuren en stal hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (WetNb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Nieuwendijk 11 en ong. te Noordeloos uitvoerbaar zijn zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de
68
•
periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,8 km ligt het Natura 2000-gebied Zouweboezem en op 5 km liggen de Uiterwaarden van de Lek. De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km ten noorden van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland, op 70 en 240 m van een belangrijk weidevogelgebied en 7,2 km van een strategische reservering natuur. Er zijn karakteristieke landschapselementen aanwezig in de vorm van knotwilgen, deze blijven in de beoogde ontwikkelingen behouden. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). Doordat de schuren met kippen en stal met koeien worden gesaneerd en deze dieren niet meer hier gehouden worden, zal er sprake zijn van een afname in stikstofuitstoot. De nieuw te realiseren woning zal en bron van stikstof zijn, maar door hoge isolatiewaarden en een hoogrenderende verwarming zal deze relatief laag zijn. Door de beoogde ontwikkelingen is dus sprake van een netto afname in stikstofdepositie. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen.
Echter leert de ervaring dat het projecteffect van stikstofdepositie, bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats, onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.’
Afbeelding 32: Afstanden plangebied t.o.v. NAtura2000-gebieden
69
Afbeelding 33: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 34: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied
70
Afbeelding 35: Afstand plangebied t.o.v. Strategische reservering natuur
In het kader van stikstofdepositie is onderzocht of het plan leidt tot stikstofdepositie op relevante habitats binnen Natura 2000-gebieden. Hiervoor is een voortoets stikstofdepositie opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de voorzorgsmaatregelen genomen worden. Tevens ondervindt het plan voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.
71
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan voorziet in het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie op het voorste deel van het perceel Nieuwendijk 11 en het perceel naast Nieuwendijk 17. De agrarische functie op het achterste gedeelte van het perceel Nieuwendijk 11 wijzigt niet. Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd op beide locaties.
De resultaten uit de onderzoeken luiden: Nieuwendijk 11 Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terreindeel het volgende worden geconcludeerd: • De matig humeuze zandige kleiige bovengrond met bijmengingen van puinen kooldeeltjes is in drie mengmonsters onderzocht en blijkt algemeen licht verontreinigd met diverse metalen, PAK, minerale olie en PCB. Deze licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de bestemming wonen; • De licht puinhoudende bovengrond is door het erkende bureau Adcim BV onderzocht op asbest. Hierbij is asbest niet verhoogd aangetroffen; • In de ondergrond is sprake van een verwaarloosbare overschrijding van de AW 2000 voor alleen PCB; • In het grondwater overschrijdt alleen het gehalte aan barium de streefwaarde, hetgeen een gebruikelijke, niet relevant verhoging is. Opgemerkt wordt dat de peilbuis direct nabij de locatie van de voormalige inpandige bovengrondse tank is geplaatst, ofwel ook het grondwaterresultaat toont aan dat deze tank geen verontreiniging heeft veroorzaakt. Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen beperking voor de huidige en toekomstige woonbestemming met inachtneming van onderstaande opmerking.
NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde bovengrond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Bij indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit voldoet de licht verontreinigde bovengrond rondom de woning aan Klasse Wonen en op het overige onderzochte terreindeel aan Klasse Industrie. Opgemerkt wordt dat er geen plicht bestaat tot afvoer van licht verontreinigde grond.’ 72
Naast Nieuwendijk 17 Op basis van het beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het oostelijke deel van de locatie bevat een minimale verhoging aan molybdeen. De overschrijding is gering ten opzichte van de AW 2000 en heeft dan ook geen consequenties; • De bovengrond op het westelijke deel van de locatie bevat minimale verhogingen aan cadmium en molybdeen. Ook hier geldt dat de overschrijdingen verwaarloosbaar gering zijn en geen gevolgen hebben; • De ongeroerde kleiige ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-pakket; In het grondwater is barium in een gehalte boven de tussenwaarde aangetroffen. Voor barium wordt bijna altijd de streefwaarde overschreden en heel af en toe ligt het gehalte boven de tussenwaarde zonder een aanwijsbaar oorzakelijk verband. In dit geval is de grond namelijk nagenoeg schoon, ofwel kan hier gesproken worden van een niet negatief beinvloed perceel. In dat kader wordt een herbemonstering dan ook niet nodig of zinvol geacht. • In de bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 4.5 ug/kgds en in de kleiige ondergrond is dit < 0.1ug/kgds. Het gehalte aan PFOS ligt duidelijk lager. De aangetroffen gehalten zijn niet afwijkend en niet belemmerend te noemen voor de bestemming wonen.