Bijlage 1 Bestemmingsplan Noordeloos, Nieuwendijk 11 - Toelichting
Tekst van het document
Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning op het onderzoeksterrein.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
73
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
74
Afbeelding 36: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Op de locatie Nieuwendijk 11 worden agrarische schuren gesloopt, waardoor er bodemingrepen plaatsvinden groter dan 250 m², waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de locatie naast Nieuwendijk 17 vinden geen bodemingrepen plaats groter dan 250 m², maar is het perceel in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel onderzocht. Door ADC ArcheoProjecten is voor beide locaties een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies luiden: ‘De gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Deelgebied A: In het noorden en zuiden van het deelgebied zijn vanaf het maaiveld komafzettingen op oever- en restgeulafzettingen op beddingafzettingen aanwezig. In het midden van het deelgebied zijn vanaf het maaiveld beddingafzettingen aanwezig. De afzettingen zijn afgezet door de Schoonrewoerd stroomgordel en worden ingedeeld bij de Formatie van Echteld. Deelgebied B: In het plangebied zijn komafzettingen op oever- of restgeulafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel aangetroffen. •
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? 75
Deelgebied A: De bovenste zandlagen in boringen 1 en 2 zijn opgebracht. De top van de onderliggende komafzettingen is verstoord, deze verstoring reikt tot maximaal 120 cm –mv. Gelet op de bijmenging met puinfragmenten is de bovenste 50 tot 80 cm in boringen 3 en 4 verstoord, waarschijnlijk door het gebruik van het plangebied als boomgaard. Deelgebied B: In alle boringen is de top van de komafzettingen verstoord door landbouwkundige werkzaamheden. •
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Deelgebied A: In boring 1 is tussen 70 en 100 cm –mv een begraven vegetatiehorizont aanwezig. Deze laag vormt een potentieel vondst- en sporenniveau. Een duidelijke archeologische laag, een “vuile” laag met kleine fragmenten houtskool en aardewerk is echter niet aanwezig. De hoger liggende beddingafzettingen in boringen 3 en 4 vormen in potentie een archeologisch sporenniveau. Maar dit niveau is door de ligging aan het maaiveld verstoord door recente grondbewerkingen. Deelgebied B: Op en in de top van de oeverafzettingen, vanaf ca. 80 cm –mv, zijn geen lagen of indicatoren aangetroffen die wijzen op een potentieel archeologisch niveau.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De vegetatiehorizont in boring 1 (deelgebied A) ligt tussen 70 en 100 cm –mv en tussen -1,16 en -1,46 m NAP.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Met uitzondering van baksteenfragmenten zijn in boring 1 geen archeologische indicatoren aangetroffen. De baksteenfragmenten zijn gerelateerd aan de bebouwing die vanaf 1870 in het plangebied aanwezig was.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Deelgebied A: De archeologische verwachting kan voor het midden en noorden worden bijgesteld naar laag. De aanwezigheid van een vegetatiehorizont in deelgebied A duidt op een potentieel vondst en sporenniveau; hier blijft de verwachting gehandhaafd. Er dient echter rekening mee te worden gehouden dat dit niveau deels is verstoord door woonboerderij en het erf. Deelgebied B: De verwachting kan worden bijgesteld naar laag.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Indien in het zuiden van deelgebied A ontwikkelingen zijn voorzien worden de mogelijk aanwezige archeologische waarden verstoord.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Deelgebied A: Het noorden en middendeel is voldoende onderzocht. Indien in 76
het zuiden ontwikkelingen plaatsvinden dient aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit kan in eerste instantie bestaan uit een karterend booronderzoek. Deelgebied B: Het deelgebied is voldoende onderzocht. Aanbeveling Deelgebied A: ADC ArcheoProjecten adviseert om het midden en noorden van deelgebied A vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. In het zuidelijk deel van het plangebied is een vegetatiehorizont aanwezig die duidt op een potentieel vondst- en sporenniveau. Vooralsnog zijn hier geen ontwikkelingen voorzien. Indien hier toch bodemingrepen plaatsvinden, dient aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek kan in eerste instantie bestaan uit een karterend booronderzoek. De strategie dient te worden beschreven in een Plan van Aanpak. Deelgebied B: ADC ArcheoProjecten adviseert deelgebied B vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.’ Bij de aanleg van de moestuin, vollegrondteelt, het voedselbos en een bogaard vinden er bodemingrepen plaats groter dan 250 m2, waardoor ook voor deze activiteiten een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Derhalve is op het achtererf van het perceel Nieuwendijk 11 tevens een archeologisch onderzoek uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten. De conclusie van dit onderzoek luidt: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In het zuidelijk deel van het plangebied zijn kalkrijke oever- en beddingafzettingen van de Schoonrewoerdse meandergordel aangetroffen en in het noordelijk deel oeverafzettingen van de Nieuwland meandergordel , met hierboven veen en oevernabije komafzettingen. De beddingafzettingen van de Nieuwland meandergordel zijn niet aangeboord. In de top van de komafzettingen is in drie boringen een vegetatiehorizont aangetroffen.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De top van de komafzettingen is verstoord. Deze verstoring reikt tot 45 à 60 cm –mv. Op plaatsen waar een vegetatiehorizont is aangetroffen, is de top van de komafzettingen in mindere mate verstoord. De top van de oeverafzettingen van de Schoonrewoerdse meandergordel is opgenomen in de bouwvoor. In de oeverafzettingen van de Schoonrewoerdse en Nieuwland meandergordel is geen ontkalkte of humeuze top aangetroffen dat kan kan wijzen op een potentieel archeologisch niveau.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Nee.
77
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? N.v.t.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Aangezien er geen potentieel archeologisch niveau is aangetroffen in de oeverafzettingen, kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De kans wordt klein geacht dat archeologische waarden worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plangebied voldoende is onderzocht. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, wat betreft archeologie.
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.’ Geconcludeerd wordt dat op het middelste en noordelijk deel van het perceel Nieuwendijk 11 en het gehele perceel naast Nieuwendijk 17 geen archeologische verwachting heeft. Derhalve wordt op deze gronden de archeologische geen dubbelbestemming opgenomen. Voor het zuidelijk deel van het perceel Nieuwendijk 11 is nog wel een archeologische verwachting. Derhalve wordt op deze gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Dorpskern Noordeloos’. Op het zuidelijk deel van het perceel Nieuwendijk 11 vinden geen voor archeologie relevante werkzaamheden plaats. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen, er vinden geen voor archeologie relevante werkzaamheden plaats op gronden welke niet zijn vrijgegeven. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht toevalsvondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
78
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en zal onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen). In het kader van de energiebesparing worden de nieuwe woningen op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen) en gasloos gerealiseerd. Daarnaast wil de initiatiefnemer voor de kas een verwarmingssysteem toepassen, waarbij de gierkelder behouden blijft en aangesloten wordt op het verwarmingssysteem. Met het systeem wordt op een duurzame manier de kas verwarmt en de winkel en kantine verkoeld. Deze duurzame maatregel levert een positieve bijdrage aan het milieu en klimaat.
Afbeelding 37: Ground to Air Heat Transfer systeem
79
Daarnaast is Gewoon Anderz voornemens om een kleine windmolen te realiseren, deze optie zijn zij nog aan het onderzoeken. Hiervoor is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de regels van dit plan, zodat het bevoegd gezag zelf de afweging kan maken om hier te zijner tijd medewerking aan te verlenen. Daarbij is onder andere als voorwaarde opgenomen dat de as- en tiphoogte niet hoger mag zijn dan respectievelijk 15 en 20 meter. Daarmee wordt aangesloten bij de maximale rotordiameter en ashoogte van miniturbines uit het rapport ‘Praktische toepassing van mini-windturbines’ van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Afbeelding 38: Gegevens miniturbines
Afbeelding 39: Tiphoogte van HAT en VAT-type turbines
80
Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. Het is het voornemen om extra water te graven ter plaatse van het voedselbos. Zodoende wordt er extra waterberging gerealiseerd en is er voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien op te kunnen vangen. Verder wordt met het realiseren van het voedselbos veel groen aangeplant, welke tevens water kunnen vasthouden. Verder wordt het belang van groene tuinen bij de nieuwe bewoners onder de aandacht gebracht. Overstroming Het plangebied is binnendijks gelegen.
Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Bij het ontwerpen van de bouwtekeningen voor de nieuwe woning wordt aandacht besteed aan het aspect overstromingen. Een maatregel kan het toepassen van een drempel of verhoogd vloerpeil zijn. Dit biedt bescherming tegen matige wateroverlast tot enkele centimeters. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Door het aanleggen van een voedselbos en daarmee het aanbrengen van groen, ontstaat er schaduwwerking en wordt hittestress tegengegaan. Daarnaast wil de initiatiefnemer voor de kas een verwarmingssysteem toepassen. Dit systeem kan tijdens warme perioden met behulp van de lagere temperatuur in de bodem verkoelen. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Droogte Vanwege het beoogde voedselbos en volle grondteelt wordt er veel groen aangebracht. Groen laat neerslag beter infiltreren en is beter dan verhard oppervlak. Daarnaast kunnen grasvelden met een licht verdiepte zone en zonder opstaande randen ook regenwater bergen en geleidelijk laten infiltreren en zo gebruikt worden als infiltratiezone. Grasvelden dragen bij aan het aanvullen van het grondwater en helpen mee verdroging te voorkomen.
Grasvelden hebben maar een beperkt 81
koelend effect, geven geen schaduw en warmen overdag op maar minder dan steenachtig materiaal.
82
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 11’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 11’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Noordeloos, Nieuwendijk 11’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch Ten behoeve van het voedselbos, boomgaard en volle grondteelt blijft een groot deel van de huidige agrarische bestemming behouden. Het huidige agrarisch bouwvlak wordt verwijderd, zodat eventuele nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf wordt uitgesloten. Met betrekking tot de bouwregels zijn binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Ten oosten van de nieuwe vrijstaande woning wordt een strook agrarische bestemming behouden om een landschappelijk doorzicht te garanderen. Tuin Ten behoeve van de voortuinen wordt de bestemming ‘Tuin’ opgenomen.
83
Wonen Ten behoeve van het wijzigen van de agrarische bedrijfswoning naar twee burgerwoningen en om een burgerwoning te kunnen realiseren ten westen van het perceel Nieuwendijk 17 wordt de agrarische bestemming op beide percelen gewijzigd naar ‘Wonen’. Waarde – Archeologie 4 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • • •
Bouwvlakken; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voedselbos’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – volle grondteelt’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximale goothoogte (m): 4’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximale goothoogte (m): 5’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume (m3): 650’.
84