Bijlage 1. Bestemmingsplan Giessenburg, Heideweg 8 - Peursumseweg - Toelichting.pdf
Tekst van het document
In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft de sanering van een agrarisch bedrijfslocatie en de bouw van twee woningen in het lint. Er vinden geen wijziging plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Een landschapsarchitect is gevraagd een gebiedsanalyse te doen in de omgeving en heeft voor deze locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
Er is een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving. De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon blijven ongewijzigd. Beide deelgebieden worden groen ingericht. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen (Ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling (kleiner dan 3 ha). Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is.
22
3.3 Regionaal Beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio recent een nieuwe visie, de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ (2012) benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde agrarische bedrijfspercelen niet wenselijk.
Middels dit plan wordt een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie grotendeels opgeruimd. Deelgebied 1 wordt op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht, waarbij o.a. de openheid van het landschap en het herstellen van het slotenen slagenpatroon als uitgangspunt zijn genomen. De twee nieuwe woningen in deelgebied 2 worden op een passende wijze vormgegeven en landschappelijk ingepast in het lint. Het plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau.
Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie ZuidHolland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt. Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Giessenburg is aangeduid als voorzieningendorp. Voorzieningendorpen hebben een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Nieuwbouw bedient hier de lokale vraag, aangevuld met toestroom uit omliggende dorpen. Hier past een gemengd bouwprogramma, ook projectmatig, voor doorstromers en senioren. Naast traditionele groepen is er vraag van de groeigroepen ‘opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden.
Voor het voorzieningendorp Giessenburg geldt dat voor het realiseren van 10 wooneenheden (of minder), mits de totale groei van het aantal wooneenheden in Giessenburg niet groter is dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2019, regionale afstemming niet noodzakelijk is. In het plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd. Er is bewust gekozen om twee kleinere woningen (inhoud van 500 m3) te realiseren. Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte naar kleinere woningen voor de doelgroepen doorstromers en senioren. De groei van het aantal wooneenheden in de kern Giessenburg is echter groter dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2019, waardoor regionale afstemming noodzakelijk is. Voor plannen waarbij de groei van het aantal woningen is gelegen tussen de 0,8% en de 1,5% geldt dat uitsluitend een melding in het regionaal overleg voldoende is. De woningen wordt regionaal gemeld en opgenomen in de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.
23
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevings-visie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie Giessenlanden heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Deze omgevingsvisie beschrijft de visie hoe de gemeente in samenwerking met de inwoners willen zorgen voor het gemeentelijk grondgebied. De visie geeft aan: 1. Waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit); 2. Op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4.
De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het plan sluit aan bij de relevante omgevingskwaliteiten van de Omgevingsvisie. Bij de inrichting van de woonpercelen en de vormgeving van de nieuwe woningen in deelgebied 2 wordt aangesloten bij de directe omgeving. De nieuwe woningen worden op een passende wijze landschappelijk ingepast en de percelen worden op een passende wijze landschappelijke ingericht, waarbij het behoud/ versterken van de cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen het uitgangspunt is. Het plan is hiermee in overeenstemming met de Omgevingsvisie Giessenlanden. 3.4.2 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020-2024 vastgesteld.
Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van woningen voor starters, (jonge) doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woning- zoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
24
In Giessenburg gaat de woningbehoefte sterk uit naar levensloopgeschikte woningen voor senioren. De behoefte aan ruimere grondgebonden koopwoningen is beperkt, ook gelet op het huidige aanbod in de kern. De totale woningbehoefte in Giessenburg ligt op 130 woningen in de periode 2020 t/m 2029. Dit plan voorziet in de concrete woningbehoefte. Er is bewust gekozen om twee kleinere woningen (inhoud van 500 m3) te realiseren. Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte naar kleinere woningen voor de doelgroepen doorstromers en senioren. Het plan draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Doorstroming is essentieel voor een gezonde woningmarkt. De woningen voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie Molenlanden 2020-2024. 3.4.3 Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten (VAB-beleid) Op 19 november 2020 heeft de gemeente Molenlanden het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten (VAB-beleid) vastgesteld. Doel van dit beleid is om de vitalisering van het buitengebied - en dan met name in de ruilverkavelingslinten- te stimuleren. Het gaat dan om het behouden en versterken van de karakteristieken van het landschap, de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Molenlandse buitengebied.
Hierin staat de ontwikkelruimte voor VAB's centraal. Een vitaal buitengebied betekent ook dat er randvoorwaarden aan de (landschappelijke) kwaliteitsverbetering worden gesteld. Het beleidsdocument is bedoeld voor agrariërs die nadenken over het staken van de bedrijfsvoering (in de toekomst), agrariërs die de bedrijfsvoering reeds hebben gestaakt en plattelandsondernemers die geïnteresseerd zijn in een VABlocatie. Dit beleid geeft de ontwikkelingsmogelijkheden aan voor met name de vrijkomende agrarische bebouwing in de ruilverkavelingslinten. Hierbij hoort ook de doorontwikkeling van waardevolle functies, die een bijdrage leveren aan een vitaal buitengebied. In dit beleidsdocument wordt beschreven welke ruimte en mogelijkheden de gemeente aan de ‘plattelandsondernemer’ wil bieden en onder welke voorwaarden. De gemeente Molenlanden wil haar agrarisch buitengebied vitaler maken en toewerken naar een gebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Hierbij blijft de agrarische sector centraal staan in het gebied, maar zal tegelijkertijd aandacht nodig zijn voor onder meer een aantrekkelijk landschap en biodiversiteit. Op het perceel Heideweg 8 te Giessenburg is al jarenlang een agrarisch bedrijf gevestigd. Gezien de schaalvergroting in de agrarische sector is de agrariër genoodzaakt om het agrarisch bedrijf uit te breiden.
De bedrijfslocatie Heideweg 8 Giessenburg is echter niet toereikend om de bedrijfsuitbreiding te realiseren (vanwege beperkte tot niet beschikbare landbouwgrond). Een uitbreidingswens is tevens aanwezig bij het naastgelegen agrarisch bedrijf Heideweg 7-9. De initiatiefnemer van dit plan is voornemens om het agrarisch bedrijf te beëindigen en de agrarische gronden te verkopen aan het naastgelegen agrarische bedrijf Heideweg 7-9. Als onderdeel van de grondoverdracht heeft de initiatiefnemer een stuk grond van het agrarische bedrijf Heideweg 7-9 aan de Peursumseweg overgenomen. Het plan is om in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing op de locatie Heideweg 8/8a, behoudens de bedrijfswoningen en een tweetal schuren achter de woning Heideweg 8, aan de Peursumseweg twee vrijstaande woningen te realiseren. Verder wil men de functie van de bedrijfswoningen Heideweg 8/8a wijzigen naar burgerwoningen. Hiermee is sprake van het versterken van de karakteristieken van het landschap, de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Molenlandse buitengebied. Om dit plan financieel mogelijk te maken worden in ruil voor de sloop van de agrarische bebouwing twee woningen gerealiseerd.
In lijn met het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten (VAB-beleid) worden de twee nieuwe woningen niet aan de Heideweg, maar in het lint langs de Peursumseweg gerealiseerd op ruim voldoende afstand van omliggende agrarische bedrijven. Het plan is in overeenstemming met het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten.
25
3.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 3 ‘Beleidskader’ kan worden geconcludeerd dat: • • • •
Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; Het plan speelt in op een concrete lokale woningbehoefte in Giessenburg. De woningen worden afgestemd in de regio en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.
26
4 Milieuaspecten 4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 2 woningen. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.
Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om aan de Peursumseweg te Giessenburg twee vrijstaande woningen te realiseren. Aan de Heideweg te Giessenburg wordt een agrarisch bedrijf beëindigd. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Ligging van het plangebied De planlocaties maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland of Belangrijke Weidevogelgebieden. De locatie aan de Heideweg 8 is gelegen op een afstand van 0,8km tot het Natuurnetwerk Nederland en de planlocaties aan de en Peursumseweg op een afstand van 25m. Op een afstand van 5,6 en 5,7 km tot de planlocaties is het Natura2000-gebied de Biesbosch gelegen. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan In de bestaande situatie is juridisch-planologisch een agrarisch bedrijf toegestaan op het perceel Heideweg 8 te Giessenburg. Middels de voorgenomen bestemmingsplanwijziging wordt de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op deze locatie wegbestemd. In plaats daarvan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om twee vrijstaande woningen te realiseren. Hiermee is vanuit milieukundig oogpunt sprake van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie (bedrijfsmatig gebruik).
Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
27
4.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten.
Deelgebied 1 (Heideweg 8) Op het perceel Heideweg 8 wordt uitsluitend de functie van de twee bestaande bedrijfswoningen gewijzigd naar burgerwoningen. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van een wijziging of toevoeging van een geluidsgevoelig object en kan het uitvoeren van een akoestisch onderzoek achterwege worden gelaten. Deelgebied 2 (Peursumseweg) Aan de Peursumseweg worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat:: • De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Peursumseweg en de Schuitenmakersweg ten hoogste respectievelijk 47 dB en 27 dB, incl. aftrek 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 49 dB, excl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woningen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Voor deze woningen hoeven geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet worden overschreden.’ Naar aanleiding van inspraakreacties is het plan aangepast.
Hiermee is de rechter woning verder van de Peursumseweg komen te liggen dan in het oorspronkelijke plan. Hiermee is vanuit akoestisch oogpunt sprake van een verbeterde situatie, waardoor een actualisatie van het akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
28
4.3 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan betreft de enerzijds functiewijziging van twee bedrijfswoningen aan de Heideweg en anderzijds de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen aan de Peursumseweg. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 De raad van de gemeente Molenlanden heeft d.d. 19 mei 2020 de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. In artikel 4 lid 2 van de Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object (omliggende woningen), buiten de bebouwde kom, mag worden verlaagd naar 25 meter. Deelgebied 1 (Heideweg 8) In de directe omgeving van de locatie Heideweg 8 te Giessenburg is uitsluitend het agrarisch bedrijf Heideweg 7-9 gelegen. Conform de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ geldt voor het agrarisch bedrijf een richtafstand van 25 meter. In deelgebied 1 wordt uitsluitend de functie van twee bedrijfswoningen Heideweg 8 en 8a gewijzigd naar burgerwoningen. Hiermee is in het kader van bedrijf- en milieuhinder sprake van een gelijkblijvende situatie. Bovendien zijn de bestaande bedrijfswoning Heideweg 8 en 8a gelegen op 52 meter respectievelijk 33 meter van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf Heideweg 7-9. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf niet wordt beperkt als gevolg van dit plan.
29
Agrarisch bedrijf Heideweg 7-9
33 meter
52 meter
Afbeelding 15: Afstanden tot agrarisch bedrijf Heideweg 7-9 Giessenburg
Deelgebied 2 (Peursumseweg) In de directe omgeving van de locatie Peursumseweg Giessenburg is uitsluitend het agrarisch bedrijf Schuitenmakersweg 7 gelegen. Conform de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ geldt voor het agrarisch bedrijf een richtafstand van 25 meter. Het bouwvlak van de westelijke woning is gelegen op meer dan 150 meter van het agrarisch bouwvlak van het agrarisch bedrijf Schuitenmakersweg 7. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf niet wordt beperkt als gevolg van dit plan.
Agrarisch bedrijf Schuitenmakersweg 7
> 150 meter
Afbeelding 16: Afstanden tot agrarisch bedrijf Schuitenmakersweg 7
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.
30
4.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige woongebruik in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen op beide locaties een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het bodemonderzoek voor de locaties luiden: Deelgebied 1 (Heideweg 8) De conclusies van het bodemonderzoek op de locatie Heideweg 8 Giessenburg zijn: • • •
•
• • • • •
‘De humeuze kleiige bovengrond op het noordelijke terreindeel rondom de woning is schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; De bovengrond tussen de bedrijfsbebouwing en ten oosten en ten westen daarvan is in 2 mengmonsters onderzocht en blijkt licht verontreinigd met PAK (beide mengmonsters), zink en PCB; De venige ondergrond op de noordelijke terreinhelft is in twee mengmonsters onderzocht en blijkt licht verontreinigd met nikkel, molybdeen en kobalt. Uit eigen archief blijkt uit diverse onderzoeken dat specifiek deze metalen vaak in alleen venige bodemsoorten verhoogd aanwezig zijn .Dit heeft geen consequenties; De licht puinhoudende dempingsgrond in de westelijke slootdemping bevat een minimaal verhoogd PAK-gehalte. De dempingsgrond in de oostelijke slootdemping bevat wat meer puin e.d. en is licht verontreinigd met PAK en olie. Deze minimale verhogingen hebben geen consequenties; De sterk puinhoudende grond op het achterterrein (zowel zandige als kleiige bodemtypes is licht verontreiningd met PAK, PCB en enkele metalen; De ongeroerde venige ondergrond onder de geroerde puinhoudende laag is licht verontreinigd met kobalt, nikkel en molybdeen.
Dit bevestigd wederom hetgeen hierboven beschreven is over venige bodemsoorten; In het grondwater uit peilbuis 1 zijn de gehalten aan barium en zink boven de streefwaarden aangetroffen; In het grondwater uit peilbuis 17 (locatie bovengrondse tank, tevens slootdemping) zijn xyleen en naftaleen licht verhoogd aangetroffen. De grond ter plaatse van deze tank is overigens geheel schoon voor minerale olie; Uit het separaat door Linge Milieu uitgevoerd asbestonderzoek blijkt dat in 5 onderzochte mengmonsters 4 × grond met puin en 1 × gebroken puin) geen enkel asbesthoudend fragment is aangetroffen.
Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging.’
31
Deelgebied 2 (Peursumseweg) De conclusies van het bodemonderzoek ter plaatse van de gronden aan de Peursumseweg zijn: ‘Locatie Schuitenmakersweg • De bovengrond is in vier mengmonsters onderzocht en in deze monsters is molybdeen telkens minimaal verhoogd aangetroffen. Kwik is in een van de 4 monsters licht verhoogd aangetroffen. Voor de overige parameters is in beide mengmonsters sprake van nagenoeg gelijke gehaltes beneden de AW 2000, waaruit geconcludeerd kan worden dat de betreffende bodem niet antropogeen beïnvloed is; • De ondergrond (onderzocht in 2 mengmonsters) is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN 5740-pakket; • In het grondwater overschrijdt het gehalte aan barium de streefwaarde. Voor barium is dit een gangbare, niet relevante overschrijding; • Ter bepaling van een eventueel gedempt slootje of greppel zijn in een raai van west naar oost 15 extra boringen uitgevoerd, loodrecht op de mogelijke demping. Hierbij zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op een slootdemping. De grond bleek zintuiglijk schoon, waarmee er geen aanleiding was voor een extra analyse. Locatie Peursumseweg • De bovengrond is in twee mengmonsters onderzocht en in beide monsters is molybdeen minimaal verhoogd aangetroffen. Tevens zijn respectievelijk kwik en cadmium licht verhoogd aangetroffen in deze 2 mengmonsters.
Deze verhogingen hebben geen consequenties voor de bestemming wonen; • In de ondergrond (sterk kleiig veen of moer) zijn kwik en nikkel licht verhoogd aangetroffen; • In het grondwater overschrijdt het gehalte aan barium de streefwaarde. Voor barium is dit een gangbare, niet relevante overschrijding; • Ter bepaling van een eventueel gedempt slootje/greppel zijn in een raai van west naar oost 15 extra boringen uitgevoerd, loodrecht op de mogelijke demping. Hierbij zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op een slootdemping. De grond bleek zintuiglijk schoon, waarmee er geen aanleiding was voor een extra analyse. PFOA-analyses De bovengrond bevat een PFOA-gehalte van 7.7 ug/kgds en in de ondergrond is dat 3.4 ug/kgds. PFOS is aangetroffen in de bovengrond in een gehalte van 1 ug/kgds. Het PFOA-gehalte stemt overeen met de waarden voor zone 2 (2.5-10 ug/kgds). Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering of beperking voor de voorgenomen realisering van woningen op het onderzochte terrein. Naar aanleiding van inspraakreacties is het plan aangepast. Hiermee zijn de bouwvlakken voor de nieuwe woningen verschoven. De bouwvlakken liggen nog altijd binnen het onderzoeksgebied, waardoor een actualisatie van het bodemonderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
32
4.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Beleid Archeologie Provincie Zuid-Holland De locatie Peursumseweg is deels gelegen in een terrein met archeologische waarden van provinciaal belang, zoals vastgelegd op kaart 8 van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De regels voor dergelijke gebieden zijn vastgelegd in artikel 6.27 van de Omgevingsverordening. Artikel 6.27 Archeologie en Romeinse Limes 1. Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. Door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. Het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. Onderzoek Deelgebied 1 (Heideweg 8) Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat de locatie Heideweg 8 is gelegen op: • Gronden met een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld (oranje). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 500 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Gronden met een lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
33
Afbeelding 17: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Op de locatie Heideweg 8 te Giessenburg wordt in totaal 1410 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. De te slopen stallen vallen deels binnen de gronden met een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld (dubbelbestemming ‘waarde – archeologie – 6’) en gronden met een lage verwachting (dubbelbestemming ‘waarde – archeologie – 8’). Voor de sloopwerkzaamheden zal ter plaatse van de gronden met een hoge verwachting niet dieper gegraven dan 5 meter beneden het huidige maaiveld. Ter plaatse van de gronden met een lage verwachting betreft de bodemingreep niet groter dan 10.000 m2. Derhalve kan archeologisch onderzoek achterwege worden gelaten.
34
Sloop stallen (702 m2)
Sloop stallen (708 m2)
Afbeelding 18: Te slopen voormalige agrarische bebouwing
Deelgebied 2 (Peursumseweg) Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat de locatie Peursumseweg is gelegen op: • Gronden met een bepaalde archeologische waarde (overige AMK-terreinen) (rood). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Gronden met een middelmatige verwachting (groen). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Gronden met een lage verwachting (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m 2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk;
35
Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.’ Naar aanleiding van inspraakreacties is het plan aangepast. Hiermee zijn de bouwvlakken voor de nieuwe woningen verschoven. De bouwvlakken liggen nog altijd binnen het onderzoeksgebied, waardoor een actualisatie van het archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Het plan ondervindt geen belemmeringen wat betreft archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden worden in deelgebied 1 de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie – 6 en 8' overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’.
36
4.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. a. In 2027 is 20% van onze primaire keringen voldoende ‘sterk’ volgens de wettelijke norm. b. In 2027 is 70% van de boezemkades voldoende ‘sterk’ volgens de provinciale eisen. 2. Water eerlijk verdelen. a. In peilgebieden waar we peilen registreren, realiseren we gedurende 85% van de tijd de vastgestelde peilen. b. In 2027 hebben we in 100% van de belangrijkste watergangen het waterbeheer zodanig gestuurd dat het past bij de functies die we willen bedienen. 3. Voorbereiden op extreem weer. a.
In 2027 zijn we ten opzichte van 2019 beter voorbereid op en minder kwetsbaar voor de gevolgen van weersextremen. b. Inwoners zijn zich meer bewust dat klimaatverandering risico’s met zich meebrengt en dat overlast niet altijd voor 100% is te voorkomen. c. In 2027 zijn al onze medewerkers klimaatbewust en is ‘klimaatinclusief denken’ een vanzelfsprekend thema bij ons werk. 4. Schoon water. a. Alle oppervlaktewaterlichamen hebben in 2027 minimaal een matige biologische waterkwaliteit, waarvan 55% goed. En in de oppervlaktewaterlichamen vindt jaarlijks geen achteruitgang van de ecologische toestand plaats. b. In 2027 is de chemische waterkwaliteit zodanig verbeterd dat we 25% minder normoverschrijdingen hebben ten opzichte van 2021. En er is jaarlijks geen achteruitgang te meten ten opzichte van het jaar ervoor. c. De waterkwaliteit in het overig water heeft minimaal dezelfde kwaliteit als het jaar daarvoor. En we hebben overlast als gevolg van een slechte waterkwaliteit zoveel mogelijk voorkomen. d. In de periode 2022-2027 zorgen we er continu voor dat het ingezamelde afvalwater wordt gezuiverd en dat de kwaliteit van het gezuiverde afvalwater zodanig is dat het geen nadelige effecten heeft op de waterkwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater. e. In 2027 is duurzaam zuiveren praktijk geworden op onze rioolwaterzuiveringsinstallaties.
We verkleinen de emissies die bijdragen aan het broeikaseffect en verminderen het gebruik van primaire grondstoffen om uitputting van die grondstoffen te voorkomen. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. a. In 2027 is de biodiversiteit op eigen gronden vergroot ten opzichte van 2021. b. In 2027 hebben we samen met provincie en terreinbeheerders de watercondities verbeterd richting de streefdoelen in minimaal drie natuurwateren in Gelderland. c. We dragen continu bij aan de beleving van het rivierengebied doordat we inwoners en recreanten kennis laten maken met het werk en de geschiedenis van het waterschap. 6. Zwemwater. a. Alle officiële zwemwaterlocaties gaan bij de jaarlijkse beoordeling niet achteruit in kwaliteitsklasse ten opzichte van de beoordeling in het voorgaande jaar. We
37
spannen ons in om te komen tot een verbetering van een ‘aanvaardbare’ of ‘goede’ zwemwaterkwaliteit naar een ‘uitstekende’ zwemwaterkwaliteit. b. We beheren de aangewezen vaarwegen zodanig dat de watergang continu in stand blijft en de scheepvaart geen belemmering ondervindt. c. We zorgen continu voor een vlotte en veilige doorvaart op de wateren waarvoor we aangewezen zijn als nautisch beheerder door de provincie d. Onze werkzaamheden zijn in alle gevallen gericht op het voorkomen van negatieve effecten voor de drinkwatervoorziening. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. a. We verminderen de mate waarin het waterschap bijdraagt aan het opwarmen van de aarde. Dat doen we door de totale emissie van broeikasgassen door het waterschap in de periode tot en met 2027 met minimaal 45% te verminderen (ten opzichte van het peiljaar 1990). b. We beperken de klimaatimpact van diensten en producten die derden leveren aan het waterschap. c. We verminderen de klimaatimpact van de aan het waterschap geleverde energie. 8. Toewerken naar circulariteit. a. In 2027 hebben we het gebruik van primaire grondstoffen bij de operationele taakuitvoering van het waterschap met 40% verminderd om te voorkomen dat grondstofvoorraden uitgeput raken. b. In 2027 hebben we het gebruik van primaire grondstoffen door derden die diensten en producten leveren aan het waterschap verminderd.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Voor beide deelgebieden is afzonderlijk de digitale watertoets doorlopen (Dossiercodes 20180205-916995 en 20180205-9-16996). De uitkomsten van de digitale watertoetsen zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de directe omgeving van de locaties Heideweg 8 Giessenburg zijn uitsluitend C-watergangen gelegen. In en om de gronden aan de Peursumseweg zijn een A- en een B-watergang gelegen. De geplande bouwwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszones van de A- en Bwatergangen (zie afbeelding 22). De woningen worden buiten de onderhoudstrook van de Awatergang gerealiseerd. Op de locatie Heideweg 8 worden rondom de woonkavels sloten gegraven welke tevens als fysieke begrenzing van de woonkavels fungeren. De nieuwe sloten worden aangesloten op bestaande watersysteem. Voor de graafwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
38
Op de locatie Peursumseweg worden dwarssloten gegraven welke als fysieke begrenzing van de nieuwe woonkavels fungeren. De dwarssloten zijn verbonden met de A-watergang 001227. Voor de graafwerkzaamheden en de aanleg van de brug of dam met duiker over de A-watergang naar de westelijke woning kavel dient een watervergunning te worden aangevraagd. Langs de Peursumseweg is sprake van een doodlopende watergang met een dam zonder duiker. Het plan is om deze sloot te verbinden met omliggende watergangen door de bestaande dam op de Peursumseweg te vervangen. De nieuwe dam met duiker wordt een aantal meter ten zuiden van de bestaande dam geplaatst. Eén van de twee woonpercelen op de locatie Peursumseweg heeft de juridisch-planologische mogelijkheid om binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’ een paardenbak te realiseren. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’ ligt buiten de beschermingszone van de A-watergang.
C-watergang 067929
C-watergang 067930
C-watergang 068368
C-watergang 069275
C-watergang 069334
Afbeelding 20: Uitsnede Legger wateren (Heideweg 8)
C-watergang 068744 C-watergang 128276
A-watergang 001227
C-watergang 068747 B-watergang 130644 C-watergang 111919
C-watergang 068789
Afbeelding 21: Uitsnede Legger wateren (Peursumseweg)
39
Afbeelding 22: Woningen aan de Peursumseweg buiten de onderhoudstrook van de A-watergang
Onderhoud A-watergang Gezien de positionering van de woningen zal het onderhoud van de A-watergang vanaf de oostzijde plaatsvinden. Ter plaatse zal het onderhoudspad behouden blijven. Hierdoor is een nieuwe duiker nodig ter hoogte van de nieuwe dwarssloot. Om een doorgaande onderhoudsroute te krijgen is tevens een duiker (met toegangshek) nodig in de C-watergang zoals weergegeven op afbeelding 23).
Afbeelding 23: Doorgaande onderhoudsroute A-watergang
40
De kadastrale percelen 671 en 672 langs de Schuitenmakersweg zijn in eigendom van het waterschap Rivierenland. In de huidige situatie worden deze percelen ontsloten via het perceel 673 (zie afbeelding 24). Dit zal in de nieuwe situatie worden gewijzigd. De huidige dam met duiker ter hoogte van het perceel 673 op de Schuitenmakersweg zal in westelijke richting worden verplaatst (tot ter hoogte van het perceel 672). Hierdoor wordt perceel 671 bereikbaar via perceel 672. Tussen de percelen 671 en 672 zal een nieuwe dam met duiker worden aangelegd. Dit zal nader worden afgestemd met het waterschap Rivierenland.
Afbeelding 24: Eigendomssituatie percelen 671 en 672 in eigendom waterschap Rivierenland)
Peilgebied De locatie Heideweg 8 is gelegen binnen het peilgebied OVW061. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,45 m NAP en een winterpeil van -1,55 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. De locatie Peursumseweg is gelegen binnen het peilgebied OVW058. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,93 m NAP en een winterpeil van - 2,03 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
41
Locatie Peursumseweg
Locatie Heideweg 8
Afbeelding 25: Uitsnede Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Tabel 3: Oppervlaktebalans verharding Heideweg Huidige situatie Woning Heideweg 8 Woning Heideweg 8a Grote stal Kleine stal Schuur 1 Schuren 2 Terreinverharding (incl.
sleufsilo’s/kuilplaten) Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Heideweg 8 Woning Heideweg 8a Schuren 2 Erfverharding Heideweg 8 Erfverharding Heideweg 8a Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte 155 m2 120 m2 900 m2 250 m2 260 m2 495 m2 6.770 m2 8.950 m2 Oppervlakte 155 m2 120 m2 495 m2 800 m2 500 m2 2.070 m2 6.880 m2 afname
42
Tabel 4: Oppervlaktebalans verharding Peursumseweg* Huidige situatie Agrarisch grasland Nieuwe situatie Vrijstaande woningen (incl. aan- uit- en bijgebouwen) (Maximaal 500 m3) Erfverharding voorste kavel ** (25% van 2.900 m2 – 125 m2) Erfverharding achterste kavel ** (25% van 4.800 m2 – 125 m2) Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte 0 m2 Oppervlakte 250 m2
694 m2 1.169 m2 2.113 m2 2.113 m2 toename
* Het achterste kavel heeft de juridisch-planologische mogelijkheid om onder voorwaarden een paardenbak te realiseren (binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’). De paardenbak is niet meegenomen in de oppervlaktebalans, omdat het uitsluitend een houten omranding met zand betreft (waterdoorlatend). ** Het waterschap Rivierenland hanteert als leidraad bij vrijstaande woningen dat ongeveer 70% van de kavel verhard wordt. Gezien de grootte van de kavels is voor dit plan een verhardingspercentage van 70% niet reëel. Derhalve is in overleg met het waterschap Rivierenland besloten om de maximale bouwmogelijkheden per kavel als verhard mee te tellen plus een verhardingspercentage van 25 % voor het resterende oppervlak van de kavel te hanteren. Het plan resulteert op de locatie Heideweg 8 Giessenburg in een aanzienlijke afname aan verharding (6.860 m2). Op basis hiervan zijn ter plaatse watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Desondanks wordt in het kader van een landschappelijke inrichting deze locatie extra oppervlaktewater gegraven. Op de locatie Heideweg 8 worden rondom de woonpercelen sloten gegraven. Op de locatie Peursumseweg is sprake van een toename aan verharding met 2.113 m2. De initiatiefnemer heeft nooit eerder gebruikt gemaakt van de particuliere vrijstelling.
De afdeling Vergunningen van het waterschap zal beoordelen of dat gebruik kan worden gemaakte van de eenmalige particuliere vrijstelling. Per saldo is sprake van een toename aan verharding met 2.113 m2 – 1.500 m2 = 613 m2. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. De benodigde watercompensatie bedraagt 613 m2 * 0,0436 m3/ha = 26,73 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 134 m2. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt aan de noordzijde van de kavels een dwarssloot gegraven, waarmee wordt voldaan aan de watercompensatieplicht. De dwarssloten zijn verbonden met het omliggende watersysteem. Omdat de dwarssloten als watercompensatie dienen, zullen de watergangen een B-status krijgen. De watergangen dienen daarmee te voldoen aan de minimale afmetingen voor B-watergangen zoals in de Keur is aangegeven. Voor de realisatie van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
43
Nieuwe watergangen
Afbeelding 26: Nieuwe watergangen Heideweg 8
Nieuwe watergangen
Afbeelding 27: Nieuwe watergangen Peursumseweg
44
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van beide locaties is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woningen wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Regionale waterkeringen De locatie Heideweg 8 is niet gelegen binnen een kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. De locatie Peursumseweg is deels gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. De Peursumseweg en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De woningen aan de Peursumseweg worden buiten de beschermingszone van de regionale waterkering gerealiseerd. De bouwvlakken van de woningen zijn buiten de beschermingszone gelegd.
De toekomstige kopers van het oostelijke perceel worden geïnformeerd dat het hun kavel gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de kering ligt en dat dit tot beperkingen kan leiden.
45
Afbeelding 28: Uitsnede Legger waterkeringen (locatie Peursumseweg)
Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op basis van de Barro (2012) ter plaatse van de beschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 1’ opgenomen. Deze gebiedsaanduiding beschermd de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Heideweg en Peursumseweg. Het perceel Heideweg 8 te Giessenburg heeft thans twee uitritten op de Heideweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Beide woonpercelen hebben in de nieuwe situatie ieder een eigen perceelsontsluiting op de Heideweg. De locatie Peursumseweg wordt in de huidige situatie ontsloten via de Schuitenmakersweg en de Peursumseweg (ten behoeve van landbouwwerktuigen). In de nieuwe situatie worden de twee nieuwe woningen ontsloten via een gezamenlijke in- en uitrit op de Peursumseweg. De bestaande dam/in-en uitrit (die niet voorzien is van een duiker) wordt verplaatst. Er is geen sprake van toevoeging van inen uitritten. Voor de wijziging van de bestaande inritconstructie dient een melding te worden gedaan bij het Waterschap Rivierenland. Bij het ontwerp van de in- en uitrit is het belangrijk dat voor weggebruikers duidelijk is dat het een in/uitrit betreft, en geen zijweg.
De oprit van de westelijke woning kruist de A-watergang. Voor de aanleg van de brug of dam met duiker over de A-watergang naar de westelijke woning kavel dient een watervergunning te worden aangevraagd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van de watercompensatie/oppervlaktewater en de aanleg van de brug of dam met duiker over de Awatergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
46
4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van planten diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.7.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is op beide locaties door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. Vleermuizen maken mogelijk incidenteel gebruik van de locatie en omgeving tijdens het foerageren. De locatie en omgeving ervan worden incidenteel betreden door algemene amfibieën en zoogdieren. Mogelijk bevolkt rugstreeppad de locatie gedurende de werkzaamheden. Binnen het plangebied broed een kerkuilenpaar.