Bijlage 1. Bestemmingsplan Giessenburg, Heideweg 8 - Peursumseweg - Toelichting.pdf
Tekst van het document
Op de planlocatie zijn geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels aanwezig. De nieuwe locatie voor de realisatie van een van de woningen (naar het naastgelegen perceel) zorgt niet voor een verandering in conclusie. Het naastgelegen perceel heeft geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. Huiszwaluwen vallen binnen categorie 5 vogels. In de Wet Natuurbescherming geldt hiervoor het volgende: “Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.” De twee bedrijfswoningen aan de Heideweg 8 te Giessenburg waarvan bij een woning een aantal nesten zijn waargenomen zullen behouden blijven. Derhalve blijft er voldoende potentie voor nestlocaties aanwezig. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet nodig. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, kerkuil, vleermuizen en algemene broedvogels.
Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Alle terreinen ongeschikt houden voor rugstreeppadden (bijv. voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt voor de soort gedurende de 47
•
•
bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. Alle planlocaties tijdens de werkzaamheden bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode apriloktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Ten aanzien van kerkuil dient om verstoring van een mogelijk broedgeval buiten de kwetsbare (broed)periode van kerkuilen gewerkt te worden. De betreffende periode is van februari t/m augustus. Alvorens de aanvang van de werkzaamheden dient er geconstateerd te worden dat er geen sprake is van late vervolglegsels. Tevens de werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
4.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland of Belangrijke Weidevogelgebieden. De locatie aan de Heideweg 8 is gelegen op een afstand van 0,8 km tot het Natuurnetwerk Nederland en de planlocaties aan de Peursumseweg op een afstand van 25 m. Op een afstand van 5,6 en 5,7 km tot de planlocaties is het Natura2000-gebied de Biesbosch gelegen. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 29: Locatie Heideweg 8 in relatie Natuurnetwerk Nederland
48
Afbeelding 30: Locatie Peursumseweg in relatie tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 31: Beide locaties in relatie tot Natura2000-gebieden
4.7.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg- activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Beide deelgebieden zijn op ruim 5 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied (de Biesbosch) gelegen. Op grond van het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid ('Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie, versie 5.1, 27 januari 2021') hoeft in dat geval geen rekening hoeft te worden gehouden met stikstofdepositie. Een stikstofdepositieonderzoek kan derhalve achterwege worden gelaten. Conclusie Het plan ondervindt, mits de gestelde maatregelen worden getroffen, voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. 49
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 5: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 μg/m
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 18,36 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 17,98 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,07 μg PM2,5/m3; Voor beide locaties kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard.
Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
50
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle bedrijven Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat beide deelgebieden niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.
Afbeelding 32: Uitsnede Risicokaart (locatie Heideweg 8)
51
Afbeelding 33: Uitsnede Risicokaart (locatie Peursumseweg)
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van beide deelgebieden zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van beide deelgebieden vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van beide deelgebieden zijn geen spoorwegen aanwezig. Buisleidingen In en om beide deelgebieden zijn geen dergelijke buisleidingen aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
52
5 Juridische planopzet 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Giessenburg, Heideweg 8 / Peursumseweg’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Giessenburg, Heideweg 8 / Peursumseweg’ is conform de landelijke RO-standaard (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Giessenburg, Heideweg 8 / Peursumseweg’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch Het grasland ten zuiden van de woningen de woningen Heideweg 8/8a behoudt de bestemming ‘Agrarisch’. Ter plaatse de locatie Heideweg 8 wordt het agrarisch bouwvlak weggenomen. Tuin Ter plaatse van het erf van de woningen wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar ‘Tuin’. Ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’ is onder voorwaarden een paardenbak toegestaan. Water Ter plaatse van de A-watergang tussen de nieuwe woonpercelen aan de Peursumseweg blijft de bestemming ‘Water’ ongewijzigd. Wonen Ter plaatse van de nieuwe woonkavels wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar ‘Wonen’ met een afzonderlijk bouwvlak. Waarde – Archeologie – 6 en 8' De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 6 en 8’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Waarde – Landschap Ter waarborging van de kenmerkende openheid van het landschap wordt op het westelijk deel van de gronden aan de Peursumseweg de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden.
De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan.
53
5.4 Aanduidingen • • • • • •
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – paardenbak’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume (m3): 500’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 4’ Bouwvlak.
54