Bijlage 1 Bestemmingsplan Giessenburg A.M.A. van Langeraadweg 8 Giessenburg
Tekst van het document
1.43 kap Een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°. 1.44 kassen Bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen. 1.45 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.
6
1.46 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen Voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie. 1.47 kleinschalig kamperen/kamperen bij de boer Een kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf of burgerwoning gedurende de periode 15 maart tot en met 31 oktober, stacaravans zijn niet toegestaan. 1.48 landschapswaarde De aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. 1.49 manege Een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen. 1.50 mantelzorg Het bieden van zorg aan eenieder die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.51 natuurwaarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.
1.52 NEN Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.53 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.54 overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak. 1.55 paardenbak Een rijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten in de open lucht met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining. 1.56 paardenfokkerij Een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij. 7
1.57 paardenhouderij Een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden. 1.58 paardrijactiviteiten Het houden van paarden en/of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden. 1.59 paardrijschool Een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt. 1.60 peil De gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.61 plattelandswoning Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is, en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf. 1.62 praktijkruimte Een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
1.63 recreatiewoning Een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond. 1.64 standplaats voor kampeermiddel Een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten. 1.65 stacaravan Een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. 1.66 teeltondersteunende voorzieningen a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m (niet zijnde teeltondersteunende kassen of boomteelthekken) die maximaal 6 maanden op dezelfde locatie gebruikt mogen worden waaronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, boogkassen tot 0,5 m, wandelkappen en schaduwhallen. 8
b. permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die langer dan 6 maanden worden gebruikt, zoals bakken op stellingen, vraatnetten, hagelnetten, regenkappen, containervelden en regenkappen, hieronder worden niet verstaan teeltondersteunende kassen en boomteelthekken. 1.67 volkstuinen Gronden waarop voor particulier gebruik op recreatieve wijze voedings- en siergewassen worden geteeld. 1.68 voorgevel De gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.69 windturbine Een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding. 1.70 wonen Het gehuisvest zijn in een woning conform het begrip woning. 1.71 woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.72 zijerf De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
9
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand De afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.4 dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 hoogte van een windturbine Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.7 inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8 oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.9 vloeroppervlakte De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
10
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de instandhouding van het veenweidelandschap mede door de bescherming en het herstel van de in het plangebied aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van de landschappelijke openheid, de slagenverkaveling en de doorzichten. Met daaraan ondergeschikt: a. extensieve dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; b. kleinschalige natuur- en landschapsontwikkeling; c. voorzieningen zoals teeltondersteunende voorzieningen, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen en voet- en fietspaden, bruggen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen van water. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag gebouwd wordene n gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder erf- en terreinafschediingen en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag ten hoogste 1 m bedragen; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders mag ten hoogste 2 m bedragen; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Ten behoeve van schuilstal Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 2' bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 voor de bouw van schuilstallen buiten het bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. de schuilstallen mogen uitsluitend gebruikt worden voor het hobbymatig houden van dieren; b. de oppervlakte mag niet meer dan 25 m² bedragen; c. de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen; d. de schuilstal is gelegen op een afstand van ten hoogste 50 m van een bestemmingsvlak met de bestemming Wonen; e. bij de schuilstal dient ten minste 3 ha aaneengesloten grond te behoren (en ter plaatse beschikbaar is), waarop de schuilstal wordt gebouwd; f. de schuilstal mag de landschappelijke openheid van het landschap niet onevenredig aantasten.
11
3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de teelt van ruwvoeder, waaronder maïs, ten dienste van het eigen bedrijf is toegestaan voor ten hoogste 20% van het bedrijfsoppervlak, met dien verstande dat maïs uitsluitend op een afstand van minimaal 2 m van de weg moet worden gesitueerd; b. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak; c. activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zijn niet toegestaan in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Ten behoeve van paardenbakken buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 4 sub b ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. de paardenbak dient gesitueerd te worden direct grenzend aan het betreffende agrarische bouwvlak; b.
in afwijking van het bepaalde onder a is het toegestaan om een paardenbak, die wordt gerealiseerd ten behoeve van een (bedrijfs)woning binnen de bestemming Bedrijf of Wonen, te situeren op gronden met de bestemming Agrarisch direct grenzend aan het betreffende bestemmingsvlak Bedrijf of Wonen, mits wordt aangetoond dat situering binnen het bestemmingsvlak Bedrijf of Wonen redelijkerwijs niet mogelijk is; c. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; d. de paardenbak mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden; e. de paardenbak mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de aanwezige landschappelijke waarden; f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; g. de omvang van de paardenbak bedraagt ten hoogste 20 bij 40 m; h. lichtmasten en afrastering/hekken zijn niet toegestaan; i. overige bouwwerken zijn niet toegestaan. 3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouw zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a.
egaliseren, ophogen, afgraven, grondwerkzaamheden (zoals diepploegen), ontginnen en aanleggen van drainage dieper dan 80 cm; b. graven en dempen van sloten, afdammen, herprofileren van sloten of ander oppervlaktewater; 12
c. omzetten van grasland naar bouwland (exclusief ruwvoeder/maïs); d. aanbrengen van opgaande beplanting (niet zijnde erfbeplanting); e. aanleg van verhardingen (zoals verharde wandel- of fietspaden, niet zijnde kavelpaden). Het is verboden op of in gronden met de bestemming Agrarisch met de aanduiding 'natuurwaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouw zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. aanleg van waterlopen of de vergraving, verruiming, demping of verdiepen van reeds bestaande waterlopen; b. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen van gronden met meer dan 0,25 m alsmede egaliseren; c. het verwijderen, vellen, kappen of rooien van bomen of andere houtgewassen hoger dan 1,5 m, die ten tijde van het van kracht worden van dit plan aanwezig zijn; d. de aanleg van bestrating of andere oppervlakteverharding; e. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen voor boten; f. het opslaan van een of meer aan hun gebruik onttrokken, gerede of onklare machines, voer-, vaar-, of vliegtuigen of onderdelen daarvan; g. het storten of lozen van andere niet reeds onder j begrepen voorwerpen, stoffen of producten. 3.6.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van artikel 3 lid 6.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. b. c. d.
normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; het dempen van sloten voor zover deze vanuit historisch en landschappelijk oogpunt niet behoren tot of een bijdrage leveren aan het karakteristieke slotenpatroon (slagenlandschap).
3.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 lid 6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 lid 1, in de directe omgeving niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, hetgeen door de aanvrager wordt aangetoond met een schriftelijk advies van een deskundige inzake cultuurhistorie, landschap en natuur. 3.7 Wijzigingsbevoegdheid 3.7.1 Wijziging naar Groen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming Agrarisch te wijzigen naar Groen ten dienste van nieuwe landschapselementen tussen de 0,5 en 5 ha grootte, met inachtneming van het volgende: a. het gebied dient in eigendom te zijn overgedragen aan een terreinbeherende instantie dan wel, indien verwerving door een terreinbeherende instantie niet aan de orde is, dienen de afspraken met betrekking tot de inspanningsverplichtingen en 13
vergoedingen om tot bepaalde natuurdoeltypen te komen, in een conceptnotariële akte te zijn vastgelegd. 3.7.2 Wijziging naar Natuur Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming Agrarisch te wijzigen naar Natuur ten dienste van de ontwikkeling van ecologische verbindingszones en nieuwe natuur, met inachtneming van het volgende: a. aanwijzing of realisering van gronden tot reservaat- of natuurontwikkelingsgebied dient plaatsgevonden te hebben; b. het gebied dient in eigendom te zijn overgedragen aan een terreinbeherende instantie dan wel, indien verwerving door een terreinbeherende instantie niet aan de orde is, dienen de afspraken met betrekking tot de inspanningsverplichtingen en vergoedingen om tot bepaalde natuurdoeltypen te komen, in een conceptnotariële akte te zijn vastgelegd; c. het gebied dient een oppervlak van meer dan 5 ha te hebben; d. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidingsen ontwikkelingsmogelijkheden).
14
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Woningen met daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hobbyboer': tevens hobbymatige agrarische activiteiten; c. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfsbebouwing': voormalige agrarische bedrijfsbebouwing; Alsmede voor: d. Bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, paardenbakken, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, in- en uitritten, toegangswegen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemene bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' tevens voormalige agrarische bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak is toegestaan. 4.2.2 Hoofdgebouwen a. Per bouwvlak mag één woning (inclusief aan- en uitbouwen) gebouwd worden; b. De inhoud van de woning (inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) mag ten hoogste 850 m3 bedragen; c.
De goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; d. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' geldt het volgende: 1. de bestaande bebouwing mag in geen geval worden uitgebreid in oppervlak of hoogte; 2. nieuwbouw is in geen geval toegestaan, waarbij wordt opgemerkt dat herbouw van bestaande gebouwen op dezelfde locatie zonder uitbreiding in oppervlak en hoogte wel is toegestaan; 3. van het bepaalde onder 1 en 2 kan worden afgeweken indien bebouwing (niet zijnde de woning) wordt gesaneerd, met dien verstande dat het oppervlak van de nieuw op te richten bebouwing ten hoogste 50% mag bedragen van de oppervlakte van de bebouwing die wordt afgebroken met een maximum van 200 m²;
15
4.2.3 Bijgebouwen en overkappingen a. Ten hoogste 50% van het bouwvlak, met uitzondering van het grondoppervlak van het hoofdgebouw, mag worden bebouwd met bijgebouwen en overkappingen tot maximaal 75 m² en met een maximale goothoogte van 3 m; b. Er zijn geen losstaande bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Bijgebouwen en overkappingen dienen aaneengesloten te zijn met het hoofdgebouw; c. In afwijking van lid b zijn er wel losstaande bijgebouwen en overkappingen toegestaan ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - 1'. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag ten hoogste 1 m bedragen; b. De bouwhoogte van erfafscheidingen elders mag ten hoogste 2 m bedragen; c. Ten behoeve van paardenbakken gelden de volgende bouwregels: 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; 2. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m; 3. de paardenbak dient achter de bebouwing gerealiseerd te worden; 4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; 5. lichtmasten zijn niet toegestaan; d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.
4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Ten behoeve van groter oppervlak erfbebouwing bij sanering Indien het gezamenlijk oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen groter is dan 75 m², kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 4 lid 2.3 sub a, teneinde een groter oppervlak een erfbebouwing toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. ten minste 50% van de bebouwing dient gesloopt te worden; b. er ten hoogste 150 m² aan bebouwing teruggebouwd mag worden; c. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 4.3.2 Ten behoeve van bijgebouwen bij hobbyboeren Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 4 lid 2.3 sub a teneinde een groter oppervlak aan bijgebouwen toe te staan ten behoeve van hobbymatige agrarische activiteiten, met inachtneming van het volgende: a. het oppervlak aan bijgebouwen mag ten hoogste 150 m² bedragen; b. er dient 1,5 ha grond aanwezig te zijn bij het betreffende perceel waarop het bijgebouw aanwezig is.
16
4.4 Specifieke gebruiksregels a. Faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak; b. Binnen het bouwvlak mag ten hoogste één toercaravan buiten gestald worden. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Ten behoeve van nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 1, teneinde de volgende nevenfuncties toe te staan voor maximaal 100 m2 aan bebouwing: a. b. c. d. e.
kano-, boot- of fietsenverhuur; theeschenkerij; kleinschalige horecagelegenheid/dagrecreatie voor max. 500 m2 aan gronden; kleinschalige detailhandel voor max. 500 m2 aan gronden; kleinschalig kamperen tot ten hoogste 25 standplaatsen voor max. 3.000 m2 aan gronden binnen of aansluitend aan het bouwvlak;
met inachtneming van het volgende: a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); b. bestaande landschappelijke, cultuurhistorische- en natuurwaarden in de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast, hetgeen door de initiatiefnemer aan de hand van een schriftelijk advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap wordt aangetoond; c. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. bij het inpassen van een nevenfunctie dient, voor zover relevant, zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing; e. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden binnen het bouwvlak; f. uitoefening van de nevenfunctie dient door de betreffende bewoner te worden uitgevoerd; g. ten behoeve van de nevenfunctie kleinschalig kamperen gelden de volgende regels: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; 2. het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan.
17
Artikel 5 Waarde - Archeologie - 4 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 5 lid 1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is; 2.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder b1 en b2 is niet van toepassing, indien: 1. het bouwplan is gelegen binnen een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'; 2. het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: i. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; ii. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 45 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de aan te brengen verhardingen dieper reiken dan 45 cm; 18
c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het scheuren van grasland dieper dan 45 cm; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 45 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage. 5.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van artikel 5 lid 3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. gelegen zijn binnen een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'; b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 5 lid 2 in acht is genomen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 5 lid 3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
19
Artikel 6 Waarde - Landschap 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarde. 6.2 Bouwregels a. Op en onder de in artikel 6 lid 1 genoemde gronden zijn hoofdgebouwen/woningen toegestaan, alsmede gebouwen en overkappingen welke aaneengesloten zijn met het hoofdgebouw. Losstaande bijgebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan; b. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan.
20
3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. Tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt; b. Andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt. 8.2 Herbouw (bedrijfs)woningen Algehele herbouw van (bedrijfs)woningen mag uitsluitend plaatsvinden op bestaande fundamenten, mits dit niet strijdig is met de geldende (dubbel)bestemming. 8.3 Bestaande maten a. Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. Bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 en artikel 8 lid 5 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2.
Bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 en artikel 8 lid 5 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. b. Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing. 8.4 Afstand gevoelige objecten ten opzichte van landbouwbedrijven Onverminderd hetgeen in hoofdstuk 2 is bepaald, dient ten minste de volgende afstand in acht genomen te worden tussen landbouwbedrijven en gevoelige objecten: a. De minimumafstand tot objecten categorie I en II bedraagt 100 meter ingeval van inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden; b. De minimumafstand tot objecten categorie I en II bedraagt 50 meter ingeval van inrichtingen waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden; c. De minimumafstand tot objecten categorie III, IV en V bedraagt 50 meter ingeval van inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden; 21
d. De minimumafstand tot objecten categorie III, IV en V bedraagt 25 meter ingeval van inrichtingen waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden. 8.5 Nutsvoorzieningen Nutsvoorzieningen zijn, voor zover genoemd in de bestemmingsomschrijving, toegestaan indien de bouwhoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, ten hoogste 3 m bedraagt en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2. 8.6 Ondergronds bouwen Ondergrondse bebouwing is uitsluitend ter plaatse van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat geen inbreuk mag worden gemaakt op het maximaal te bebouwen oppervlak van het perceel en eventuele dubbelbestemmingen het realiseren van de bebouwing niet in de weg staat. 8.7 Parkeren Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'.
Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels a. Het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan; b. Het gebruik van bed & breakfast kamers en kampeerboerderijen voor permanente bewoning is niet toegestaan; c. Het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning is niet toegestaan; d. Kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis zijn toegestaan tot een vloeroppervlak van 75 m2 en uitsluitend in de bestaande bebouwing; in het kader van deze kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is geen horecabedrijf en detailhandel toegestaan; e. Het gebruik van een (bedrijfs)woning voor de huisvesting van een groep personen die niet als huishouden is aan te merken is niet toegestaan, met uitzondering van het bestaande gebruik, in welk geval het bestaande gebruik tevens is toegestaan;
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Afwijken van maten en bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. Afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. Overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de 22
overschrijdingen mogen ten hoogste 2 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 10.2 Afwijkingsregels voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 2 ten behoeve van de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten de bestaande fundamenten met inachtneming van het volgende: a. De herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bouwvlak; b. De herbouw mag niet leiden tot aantasting van de bestaande doorzichten; c. De nieuwe situering dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); d. De herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar; e. Door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; f. De geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden.
10.3 Afwijken parkeren Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 7: a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien. 10.4 Afwijken ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 9 sub a, ten behoeve van het toestaan dat een bijgebouw gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, met dien verstande dat: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredig aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een oppervlakte van ten hoogste 75 m². 10.5 Baggerdepots Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in hoofdstuk 2 ten behoeve van het aanleggen van tijdelijke baggerdepots, met inachtneming van het volgende: a. de situering van een baggerdepot is niet toegestaan binnen de bestemming Natuur; 23
b. de noodzakelijkheid van het baggerdepot wordt door de initiatiefnemer aangetoond; c. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; d. het gebruik dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); e. de natuur- en landschapswaarde op het perceel en in de directe omgeving mag niet onevenredig geschaad worden; f. de waterstaatsdoeleinden mogen niet onevenredig worden aangetast; g. de aanvrager dient aan de hand van een schriftelijk advies van de waterbeheerder aan te tonen dat aan het gestelde onder f wordt voldaan.
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 2 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. 11.2 Waarde - Archeologie Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door voor een of meer bestemmingsvlakken de bestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien: a. Uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. Het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. 11.3 Herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten de bestaande fundamenten mogelijk te maken met inachtneming van het volgende: a.
De herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bouwvlak; b. De herbouw mag niet leiden tot aantasting van de bestaande doorzichten; c. De nieuwe situering van de (bedrijfs)woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving; d. De herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar; e. Door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; f. De geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden.
24
Artikel 12 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
25
4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. Na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. Dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het bestemmingsplan: 'Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8'.
26
ERFBOOM, BIJV. WALNOOT
BESTAANDE WONING
HOOGSTAM FRUITBOOMGAARD
3A
HOOGSTAM FRUITBOOMGAARD
G E DW A RA NGE A NL A V . A M. . A
8B BESTAANDE SCHUREN
BOSJE MET
VOORMALIG AGRARISCH ERF
KNOTWILGEN
NIEUWE WONING
IE U
W
D O O RZ IC H T
OMVORMEN NAAR WEILAND
NI EUW DOORZI CHT
STREEKEIGEN BOMEN
DOORZI CHT
NI EUW DOORZI CHT
8
DOORZI CHT
N
MOESTUIN
HOOGSTAM FRUITBOOMGAARD
NIEUWE WONING
VERBINDEND WATERELEMENT MET NATUURVRIENDELIJKE OEVERS 0
10
20m
INRICHTINGSSCHETS - A.M.A. VAN LANGERAADWEG 8 - GIESSENBURG © LAGENDIJK TUIN- EN LANDSCHAPSARCHITECTEN - 26 APRIL 2022 - IN OPDRACHT VAN: VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V. www.lagendijkTLarchitecten.nl - Bergambacht - tel 0182 - 357077
Blinde Banisweg 15, 7462 VH, Rijssen E info@voortmaningenieurs.nl I www.voortmaningenieurs.nl
T (0548) 51 22 88 NL34 RABO 0113973667 BTW-id NL001579217B45
Rapport Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 woningen aan de A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg
projectnummer
22.1675
kenmerk
R-JVO/1805
opdrachtgever
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer bv
postadres
Lekdijk 44 2967 GB LANGERAK
contactpersoon
dhr. G. Kooijman
telefoon
(0184) 600 240
info@vandenheuvelbv.eu
status
Definitief
versie
1
aantal pagina’s
14
datum
3 mei 2022
auteur
Ing. J. Voortman
paraaf
© Voortman Ingenieurs Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Voortman Ingenieurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
14
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING
2
2
WETTELIJK KADER
3
2.1
Algemeen
3
2.2
Zones langs wegen
3
2.3
Grenswaarden wegverkeerslawaai
4
2.4
30 km/h zone
5
2.5
Aftrek artikel 110g Wet geluidhinder
5
2.6
Plangebied
6
2.7
Gemeentelijk beleid
6
3
ONDERZOEKSGEGEVENS
9
3.1
Onderzoeksgebied
9
3.2
Rekenmethode wegverkeerslawaai
9
3.3
Verkeersgegevens wegverkeer
10
4
ONDERZOEKSRESULTATEN
11
4.1
Rekenresultaten en toetsing wegverkeerslawaai
11
5
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
14
5.1
Aan te vragen hogere waarden wegverkeerslawaai
14
5.2
Geluidwering van de gevel
14
Bijlagen Bijlage 1: Figuren akoestisch model en situatietekening Bijlage 2: Invoergegevens akoestisch model Bijlage 3: Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 1 van 14
14
1
INLEIDING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer bv is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van drie woningen aan de A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg. In afbeelding I is de situering van de woningen weergegeven. Afbeelding I: situering woningen aan de A.M.A. van Langeraadweg te Giessenburg (bron kadastrale kaart.com)
De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de A.M.A. van Langeraadweg en de provinciale weg N216. Doel van het onderzoek is om in het kader van de ruimtelijke onderbouwing de geluidbelasting op de woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai te bepalen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid.
datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 2 van 14
14
2
WETTELIJK KADER
2.1
Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het wettelijke kader voor de toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg of spoorlijn op geluidgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, onderwijsgebouwen en zorginstellingen. Het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 stelt regels aan het bepalen van de geluidbelasting. Binnen de geluidzone van een weg of spoorlijn dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Uitgangspunt voor het bepalen van de toekomstige geluidbelasting is het zogenaamde maatgevende jaar. In beginsel is dat minimaal 10 jaar na realisatie van de bouwplannen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Europese dosismaat Lden (day-evening-night) in dB rekenkundig als volgt bepaald: ▪
Lden = 10log 1/24 (12 x 10^(Lday/10) + 4 x 10^(Levening/10) + 8 x 10^(Lnight/10))
De geluidbelasting Lden-waarde is het energetisch en naar de tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende drie waarden:
2.2
▪
het geluidniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur);
▪
het geluidniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB;
▪
het geluidniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) + 10 dB.
Zones langs wegen De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde geluidzone van een weg. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt beschreven dat alle wegen een zone hebben, uitgezonderd wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt en wegen gelegen binnen als een woonerf aangeduid gebied. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard (stedelijk of buitenstedelijk) van de omgeving. De afstanden worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. In tabel 2.1 zijn de zonebreedten weergegeven. Tabel 2.1: zonebreedten aantal rijstroken
datum
breedte van de geluidzone [m] stedelijk gebied
buitenstedelijk gebied
1 of 2
200
250
3 of 4
350
400
5 of meer
350
600
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 3 van 14
14
In artikel 1 van de Wet geluidhinder is het stedelijk en buitenstedelijk gebied als volgt gedefinieerd: ▪
stedelijk: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg;
▪
buitenstedelijk: het gebied buiten de bebouwde kom (begrensd door de borden van de komgrens) en het gebied (binnen en buiten de bebouwde kom) binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
In artikel 75 van de Wet geluidhinder is geregeld dat het breedste zonedeel van een weg, bij een overgang tussen weggedeelten met verschillende zonebreedte, over een afstand van een derde van de breedte nog langs de wegas doorloopt. Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg.
2.3
Grenswaarden wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van nieuwe en bestaande woningen langs nieuwe en bestaande wegen binnen en buiten de bebouwde kom. In tabel 2.2 zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden weergegeven waarin in verschillende situaties moet worden voldaan. Tabel 2.2: overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden wegverkeerslawaai stedelijk gebied
buitenstedelijk gebied
woning
weg
voorkeursgrenswaarde
maximale ontheffing
voorkeursgrenswaarde
maximale ontheffing
nieuw
nieuw
48 dB
58 dB
48 dB
53 dB
bestaand
nieuw
48 dB
63 dB
48 dB
58 dB
bestaand
in reconstructie
48 dB
68 dB
48 dB
68 dB
nieuw
bestaand
48 dB
63 dB
48 dB
53 dB
In situaties met nieuwe woningen en/of nieuwe wegen moet in beginsel voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op een geluidgevoelige bestemming hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dient de toepassing van geluidreducerende maatregelen te worden onderzocht. In artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder is vermeld dat hogere grenswaarden pas kunnen worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugdringen van de geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 4 van 14
14
2.4
30 km/h zone Wegen waar een maximum rijsnelheid van 30 km/h geldt, zijn in de zin van de Wet geluidhinder niet zoneplichtig. Een akoestisch onderzoek is voor dergelijke wegen derhalve niet noodzakelijk. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (nr. 200203751/1: Abcoude) uitgesproken dat in een dergelijk geval nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke onderbouwing. Uit jurisprudentie blijkt dat ook bij 30 km/h zones de geluidbelasting onderzocht dient te worden. Deze wegen worden niet getoetst aan de Wet geluidhinder maar de geluidbelasting wordt inzichtelijk gemaakt om de noodzaak van eventuele gevelmaatregelen te kunnen bepalen.
2.5
Aftrek artikel 110g Wet geluidhinder Conform artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het resultaat van de berekende geluidbelasting met maximaal 5 dB worden verminderd voordat de geluidbelasting wordt getoetst aan de (voorkeurs) grenswaarden. Deze correctie biedt de mogelijkheid om rekening te houden met het afnemen van de geluidproductie van de motorvoertuigen. De hoogte van de aftrek bedraagt: ▪
2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van de lichte motorvoertuigen 70 km/h of meer bedraagt. In afwijking hiervan (en in de software van het gebruikte programma al verwerkt) wordt 1 dB in mindering gebracht voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 kilometer per uur of meer bedraagt en het wegdek bestaat uit een elementenverharding of een van de volgende wegdektypen:
▪
▪
Zeer Open Asfalt Beton (ZOAB);
▪
tweelaags ZOAB, met uitzondering van fijn tweelaags ZOAB;
▪
uitgeborsteld beton;
▪
geoptimaliseerd uitgeborsteld beton;
▪
oppervlakbewerking;
Per 20 mei 2014 geldt een tijdelijke wijziging van de aftrek van 3 dB en 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 110g Wgh respectievelijk 56 dB en 57 dB bedraagt;
datum
▪
5 dB voor overige wegen;
▪
0 dB voor de bepaling van de geluidwering van de gevel conform het Bouwbesluit.
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 5 van 14
14
2.6
Plangebied De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de A.M.A. van Langeraadweg en de N216. De geluidzone van deze wegen (2 rijstroken, buitenstedelijk gebied) bedraagt 250 m. De wettelijke rijsnelheid op de A.M.A. van Langeraadweg bedraagt 60 km/h en de aftrek conform artikel 110g Wgh 5 dB. De wettelijke rijsnelheid op de N216 bedraagt 80 km/h en de aftrek bedraagt 2 dB, of, afhankelijk van de tijdelijke wijziging van de aftrek 3 dB en 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 110g Wgh respectievelijk 56 dB en 57 dB bedraagt. In tabel 2.3 zijn de van toepassing zijnde grenswaarden weergegeven. Tabel 2.3: overzicht grenswaarden (incl. aftrek artikel 110g Wgh) bronsoort
wegvak
wegverkeer
A.M.A. van Langeraadweg, N216
voorkeursgrenswaarde
maximale ontheffingswaarde
48 dB
53 dB
Gemeentelijk beleid
2.7
Op 7 december 2020 zijn de “Beleidsregels Geluidbeleid Goede ruimtelijke Ordening 2020 Molenlanden” vastgesteld. Conform het beleid is het vaststellen van hogere waarden mogelijk als: ▪
Uit onderzoek blijkt dat het treffen van geluidreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn om de geluidbelastingen te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde;
▪
De geluidreducerende maatregelen ernstige bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Beoordeling cumulatieve geluidbelasting Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt akoestische onderzoeken ten eerste op basis van de cumulatieve geluidbelasting. Afweging van maatregelen Vervolgens wordt beoordeeld of er afdoende onderzoek is gedaan naar maatregelen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Wanneer er sprake is van nieuwbouw van 10 of meer woningen (grootschalige ontwikkeling) wordt beoordeeld of de gekozen planinrichting afdoende gemotiveerd is. Bij grootschalige ontwikkelingen wordt daarnaast beoordeeld of afdoende onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen heeft plaatsgevonden. Afweging woon- en leefklimaat Het college van burgemeester en wethouders stelt de benodigde hogere waarde(n) vast, indien is aangetoond dat geluidreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of uitvoering daarvan op ernstige bewaren stuit en zij de kwaliteit van de woon- en leefomgeving acceptabel acht. datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 6 van 14
14
Een combinatie van maatregelen om de geluidbelasting ten dele te reduceren en alsnog het vaststellen van een hogere waarde is daarbij ook mogelijk. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving is acceptabel als er een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Indien een geluidluwe gevel niet mogelijk is dient dit te worden gemotiveerd. Dit betekent dat dan ook bij nieuwbouw van minder dan 10 woningen alsnog een onderzoek naar bron- en/of overdrachtmaatregelen en/of een betere planinrichting dient plaats te vinden. Er is sprake is van een geluidluwe gevel en buitenruimte als de geluidbelasting gelijk of lager is dan: ▪
53 dB door gecumuleerde wegen (exclusief aftrek) en 50 dB door gecumuleerde wegen (exclusief aftrek) met snelheid boven de 70 kilometer per uur;
▪
55 dB door railverkeer en scheepvaart;
▪
50 dB(A) door industrie.
Als aanvullende eis geldt dat huizen met tuinen moeten kunnen beschikken over een geluidluw gedeelte in de achter- of zijtuin, omdat in de achter- of zijtuin lawaai vanwege wegen, spoorwegen, scheepvaart en industrie tot hinder kan leiden. Ten aanzien van de afmetingen voor de geluidluwe buitenruimte worden de volgende minimale afmetingen aangehouden: Tuinen Woningen met een tuin moeten een geluidluwe (of een deel daarvan) tuin hebben van minimaal 20 m2. Balkons Voor appartementen zonder tuin wordt aangesloten op het Bouwbesluit 2012 waar in artikel 4.34 een omschrijving van de buitenruimte is opgenomen. (Het betreft hier bijvoorbeeld een balkon of loggia.) 1. Een woonfunctie heeft een rechtstreeks vanuit de woning bereikbare buitenruimte met per woonfunctie een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,3 meter. De buitenruimte mag geen gemeenschappelijke verkeersruimte zijn. 2. De buitenruimte mag gemeenschappelijk zijn, indien de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de woonfunctie niet meer dan 30 m2 bedraagt. Tevens dient de gemeenschappelijke buitenruimte ten minste 1 m2 per woonfunctie te bedragen, met een minimum van 4 m2. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via een gemeenschappelijke ruimte.
Tevens dienen balkons die zijn gelegen aan een geluidbelaste zijde te worden voorzien van een borstwering van ten minste 1,5 meter hoog. Deze dient geheel gesloten te worden uitgevoerd, de toe te passen materialen moeten een massa hebben van ten minste 10 kg/m2 en naad- en kiervrij aan te sluiten op de aangrenzende constructie. Indien boven het balkon een ander balkon, overstek (met een diepte van meer dan 0,5 meter of galerij is gesitueerd, dan dient de onderzijde te zijn voorzien van akoestisch absorberend materiaal. De absorptiecoëfficiënt dient – wiskundig gemiddeld over de octaafbanden 125 tot en met 2000 Herz – datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 7 van 14
14
ten minste 0,8 te bedragen. Afwijking van deze maatregelen kan, indien dit voldoende wordt beargumenteerd en goedgekeurd door de gemeente. Ook al zijn er akoestische maatregelen getroffen aan de buitenruimte (balkons en dergelijke), die zijn gelegen aan een geluidbelaste zijde, dan worden deze niet gezien als geluidluwe buitenruimte. Bovenstaande eisen gelden niet als de woning en/of het appartement al een eigen geluidluwe buitenruimte (tuin of balkon) heeft, bijvoorbeeld aan de andere zijde van de woning. Samenvattend zijn er dus 3 mogelijkheden 1) Eigen geluidluwe buitenruimte en een balkon aan geluidbelaste kant. Geen maatregelen aan balkon noodzakelijk. 2) Gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte en balkon aan geluidbelaste kant. Wel maatregelen aan balkon noodzakelijk. 3) Geen eigen of gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte en balkon aan geluidbelaste kant. Voldoet niet aan het beleid. Beoordeling 30 kilometer per uur wegen Het beleid is tevens van toepassing op geluid ten gevolge van wegen waar een snelheidsregime heerst van 30 km per uur waaronder ook woonerven worden begrepen. Deze wegen vallen niet onder het regime van de Wet geluidhinder, maar op basis van vaste jurisprudentie moeten deze wegen in het kader van de goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld, indien de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt.
De gemeente Molenlanden beoordeelt de geluidbelasting ten gevolge van 30 kilometer per uur wegen hetzelfde als de geluidbelasting van de overige wegen, als vastgelegd in dit beleid. Dit leidt niet tot het vaststellen van hogere waarden voor 30 kilometer per uur wegen, maar wel - bij de ruimtelijke inpassing van nieuwe woningen langs deze wegen - tot een oordeel of er sprake is van een goed woonen leefklimaat voor wat betreft geluid. Met andere woorden: het beleid geeft aan onder welke voorwaarden een hogere geluidbelasting dan 53 dB (exclusief aftrek) op dergelijke woningen aanvaardbaar is. Door toepassing van dit beleid wordt bij 30 kilometer per uur wegen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd, vergelijkbaar met dat bij de overige wegen, die zijn gezoneerd krachtens de Wet geluidhinder.
datum
3 mei 2022
kenmerk
R-JVO/1805 22.1675
pagina 8 van 14
14
3
ONDERZOEKSGEGEVENS
3.1
Onderzoeksgebied In het plangebied worden de bestaande schuren geamoveerd en 3 woningen, bestaand uit maximaal 3 bouwlagen met verblijfsruimten, gerealiseerd. In afbeelding II en bijlage 1 is de situatietekening weergegeven. Afbeelding II: situatietekening 3 woningen A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg
3.2
Rekenmethode wegverkeerslawaai Voor de berekening van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is een berekeningsmodel opgezet waarin de relevante wegen, de omliggende bebouwing en de bodemgebieden zijn opgenomen. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai is berekend volgens Standaard Rekenmethode II van bijlage 3 van het Reken- en meetvoorschrift geluid (RMG 2012). De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het modelleringsprogramma Geomilieu (versie v2021.1) waarbij rekening wordt gehouden met afstandsreducties, reflecties, afschermingen, bodem- en luchtdemping, relevante hoogteverschillen tussen weg- en waarneempunt en eventuele kruispuntcorrecties. Berekend zijn de invallende geluidniveaus, dus zonder reflectie van het achter het immissiepunt gelegen gevelvlak. Gerekend is met één reflectie en een sectorhoek van 2 graden. De wegen, erfverhardingen en wateroppervlakten zijn als akoestisch hard gebied (bf = 0,0) in het rekenmodel ingevoerd. Het overige bodemgebied is als overwegend zacht bodemgebied (bf = 0,8) gemodelleerd. datum