CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Giessenburg A.M.A. van Langeraadweg 8 Giessenburg

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6c. Bestemmingsplan Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 826.464 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten, er worden door de omzetting van een agrarisch bedrijf naar een woonerf juist positieve effecten op het milieu verwacht.

32

Conclusie Een m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en kan derhalve achterwege worden gelaten.

33

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 34

is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen In het rondom het plangebied zijn een aantal C-watergangen gelegen en de wetering tussen de weg en het plangebied betreft een A-watergang (000966). Deze bestaande watergangen blijven ongewijzigd.

Mogelijk wordt er achterop een nieuwe dwarssloot en waterplas gerealiseerd (zie afbeelding 15). Indien deze worden gegraven dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

Afbeelding 13: Uitsnede legger wateren

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW041. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,69 m NAP en een winterpeil van -1,79 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging 35

van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. In onderstaande afbeeldingen is indicatief de bestaande en nieuwe situatie weergegeven wat betreft de verharding en de bebouwing. In totaal zal ruim 7.500 m2 aan bebouwing en verharding worden gesloopt en/of gesaneerd worden.

In de nieuwe situatie wordt het bouwvlak/erf van de locatie compacter en worden er drie woningen gerealiseerd met bijbehorend erf. De verharding zal daarmee aanzienlijk afnemen middels het plan, daarnaast is het voornemen nieuw water te graven. Het is daarmee niet noodzakelijk watercompensatie te realiseren.

36

Te behouden woning met schuur

Te behouden schuur

Te saneren erfverharding

Te saneren sleufsilo’s, kuilplaten etc.

Te saneren schuren

Afbeelding 15: Indicatie te slopen/saneren bebouwing en verharding

Afbeelding 16: Indicatie nieuwe situatie verharding en bebouwing

37

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. In samenspraak met het waterschap wordt bepaald hoe de uitstroomvoorziening van he oppervlaktewater het beste kan worden gerealiseerd ten tijde van de omgevingsvergunning. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.

Voor de aansluiting op het riool zal ten tijden van de omgevingsvergunning overleg plaatsvinden met de verantwoordelijke afdeling van de gemeente. Primaire waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een waterkering. Wegbeheer De A.M.A. van Langeraadweg 8 te Giessenburg wordt in de bestaande situatie ontsloten middels twee inritten. Eén langs de oost- en één langs de westkant van de bestaande woning. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd, het erf blijft bereikbaar over deze inritten. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Indien nieuw water wordt gegraven dient er een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

38

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen en daarmee geluidgevoelige objecten. De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de A.M.A. van Langeraadweg en de provinciale weg N216. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een spoorweg. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om te bepalen of het plan voldoet aan de Wet geluidhinder, het onderzoek is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusies uit het onderzoek luiden: •

•

‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van de A.M.A. van Langeraadweg ten hoogste 46 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dB, incl. aftrek art. 110g Wgh; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de N216 ten hoogste 42 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh;

39

• •

De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 46 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woningen alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikken, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. (…)

Voor de onderzochte woningen hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.

40

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Vanaf 2015

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteren advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en goed wooneen leefklimaat. Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: Een stikstofconcentratie van • Een stikstofconcentratie van 15,1 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,3 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 9,0 µg/m3 PM2,5 Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een 41

project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

42

4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft het omzetten van een agrarische bedrijfslocatie naar een locatie voor burgerwoningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan daarom getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) en de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020. Het plan voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Met het verwijderen van de mogelijkheid om een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren wordt nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse uitgesloten. Vanaf het plangebied is er daardoor geen hinder meer naar de directe omgeving inzake het aspect bedrijven en milieuhinder. Verder is er ten noorden van het plangebied een agrarisch bedrijf gelegen (zie afbeelding 16). Andere bedrijven zijn op een dusdanige afstand gelegen dat ruimschoots buiten de richtafstand wordt gebleven. Wat betreft de bestaande bedrijfswoning ten opzichte van het agrarische bedrijf ten noorden is er sprake van een gelijkblijvende situatie in het kader van het aspect bedrijven en milieuhinder. De

43

situatie blijft ongewijzigd omdat deze woning enkel juridisch-planologisch wordt omgezet naar een burgerwoning. De nieuwe woningen welke met het plan mogelijk worden zijn op een afstand van minimaal 85 meter van het bouwvlak van het agrarische bedrijf gelegen en minimaal 110 meter van de stal van dit bedrijf. Waarbij wordt opgemerkt dat het bouwvlak van dit agrarisch bedrijf ook over het openbare fietspad is gelegen en dat het perceel van het agrarische bedrijf pas op 95 meter afstand is gelegen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstanden voor veehouderijen tot burgerwoningen. Conform de geurverordening van de gemeente geldt namelijk een richtafstand voor geur van 25 meter en conform het VNG een richtafstand van 30 meter voor stof en geluid.

Agrarisch bedrijf

85m

Nieuwe woningen (indicatief) Afbeelding 17: Plan t.o.v. agrarisch bedrijf ten noorden (indicatief)

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen.

44

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de deelkaart ‘Veilige leefomgeving’ van de Atlas voor de leefomgeving (zie afbeelding 18) bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten noorden van het plangebied is onder de A.M.A. van Langeraadweg een hogedruk aardgasleiding (NEN 3650-leiding) van Gasunie Transport Services gelegen. Deze buisleiding (W-528-01) heeft een uitwendige diameter van 12,76 inch en een maximale werkdruk van 4000 kpa.

Gezien de ligging van deze leiding is door DGMR een risicoberekening uitgevoerd, de conclusies uit het onderzoek luiden: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat de hogedruk aardgasleiding en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A.M.A. van Langeraadweg, de Betuweroute en de A15 een gevaar kunnen vormen voor aanwezigen op de planlocatie. Dit hoeft naar onze

45

mening niet te leiden tot aanpassing van de voorgenomen plannen, maar de gemeente Molenlanden moet het risico wel verantwoorden. Hogedruk aardgasleiding De hogedruk aardgasleiding W-528-01 ligt langs de A.M.A. van Langeraadweg en daarmee direct langs de planlocatie. Een ongeval aan deze leiding kan leiden tot een fakkelbrand met een intense warmtestraling. Ter plaatse van de nieuwe woningen op 80 meter van de hogedruk aardgasleiding is deze warmtestraling afgenomen tot een niveau dat men in de woningen veilig kan schuilen. Vervoer gevaarlijke stoffen De A.M.A. van Langeraadweg wordt gebruikt voor de bevoorrading van het LPG tankstation aan de Kerkweg. De vervoersintensiteiten over deze weg zijn laag en daardoor is de ongevalskans zeer klein en worden hiertegen geen maatregelen genomen. Op ruim een kilometer ten zuiden van de planlocatie liggen de Betuweroute en de A15, waarover geklasseerde stoffen worden vervoerd. Een incident met deze stoffen kan in geval van een ongeval met giftige stoffen leiden tot en toxische wolk. De kans hierop is vanwege de afstand tussen plan en transportroute zeer klein. Bij een gifwolk kan men in de woningen veilig schuilen. Overige risicobronnen zijn vanwege de aard van het gevaar of vanwege de afstand tot de planlocatie niet relevant voor dit plan.

Verantwoording groepsrisico In de toelichting van het bestemmingsplan moet de gemeente het groepsrisico verantwoorden en ingaan op de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.’

Afbeelding 18: Uitsnede deelkaart ‘Veilige leefomgeving’

46

Gezien de conclusies uit het onderzoek is in hetzelfde rapport van DGMR tevens de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid verantwoord: ‘Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit met de buisleiding is de planlocatie mogelijk niet bereikbaar. Dat geldt voor zowel de bestaande situatie als voor de nieuwe situatie. Bij een fakkel aan deze buisleiding geldt voor het gehele traject langs de Van Langeraadweg dat open water beschikbaar is om secundaire branden te voorkomen en/of te blussen. Een fakkel zelf is niet te bestrijden en kan alleen worden gestopt door de leiding af te sluiten. De meeste calamiteiten aan buisleidingen ontstaan door graafwerkzaamheden. Het is te overwegen om bij graafwerkzaamheden de planlocatie preventief te ontruimen of de werkzaamheden in te plannen op een moment met weinig aanwezigen. Voor een ongeval met gevaarlijke stoffen op de A.M.A. van Langeraadweg is de bestrijdbaarheid afhankelijk van de locatie van het ongeval. Langs de weg liggen sloten, waardoor voldoende bluswater aanwezig is voor het blussen van een calamiteit alsook voor het blussen van een secundaire brand. Overige te beschouwen risicobronnen, namelijk de Betuweroute en de A15, liggen op een zodanige afstand dat het plangebied geen belemmering vormt om de calamiteit te bereiken en dat een calamiteit bij deze risicobronnen geen belemmering vormt om de planlocatie te bereiken.

Zelfredzaamheid Een fakkelbrand van gasleiding W-528-01 leidt in korte tijd tot een grote warmtestraling. Een fakkelbrand verloopt in twee fasen: een eerste fase van 20 seconden met wat meer warmtestraling en een tweede stabiele fase met minder warmtestraling. Op 80 meter van de leiding is de maximale warmtebelasting 25 kW/m2 in de eerste fase en 12 kW/m2 in de stabiele fase. Voor een leiding van deze afmetingen geldt een house burning distance van 64 meter. In geval van een fakkelbrand met deze belasting is ontbranding van de woningen daarmee vrijwel volledig uitgesloten. Bovendien worden de muren en daken van de woningen gemaakt van moeilijk brandbaar materiaal, zoals baksteen en dakpannen. Daarmee kan men in de woningen veilig schuilen. Wel moet men bij een fakkelbrand voor de veiligheid weg blijven van de ramen aan de zijde van de fakkelbrand vanwege warmtestraling en kans op glasbreuk. Als de betreffende woning in brand geraakt, moet men de woning alsnog ontvluchten. De vluchtmogelijkheden hangen af van de locatie van de fakkelbrand. Mogelijk is één van de twee andere woningen een optie als deze verder van het ongeval vandaan staat. Richting het zuiden vluchten van de buisleiding vandaan is vanwege sloten geen optie. Bij een calamiteit met brandstoffen op de A.M.A. van Langeraadweg is de zelfredzaamheid afhankelijk van het scenario.

Bij een plasbrand loopt men in de bestaande woning langs de weg gevaar; de nieuwe woningen staan op zodanige afstand van de weg dat men hier kan schuilen. Dat geldt veelal ook bij een 47

dreigende BLEVE: mits men op voldoende afstand van de ramen blijft en aan de luwe zijde van de nieuwe woningen. Letselvrij glas kan worden afgewogen, hoewel de vervoersintensiteiten laag zijn en daarmee de ongevalskans zeer klein. Vanaf de Betuweroute en de A15 kan alleen een toxische wolk een gevaar vormen voor de planlocatie. In dat geval moet men inpandig schuilen, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitschakelen. Niet duidelijk is of men in het buitengebied binnen het bereik valt van het waarschuwings- en alarmeringssysteem. Wel kan een toxische wolk en eventueel rookvorming zichtbaar zijn en te ruiken zijn. Transport gevaarlijke stoffen, Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig.

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

48

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen (behoudens de in de vorige paragraaf genoemde aardgasleiding). Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

49

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Voorafgaande de sloop van melkveestallen (aangeduid met ‘c’ in figuur 1.2) dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (…)

Afbeelding 19: Aanvullend onderzoek naar de huismus in gebouw c

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op

50

omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De sloop van de bedrijfsopstallen aan de A.M.A. Van Langeraadweg 8 is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. (…) Vervolgstappen Voor de sloop van de melkveestallen dient aanvullend onderzoek naar de huismus uitgevoerd te worden. (…) Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van algemene broedvogels en de kwetsbare periode van steenuil (februari t/m juli). Dit houdt in dat de werkzaamheden (behoudens de te onderzoeken melkveestallen) uitgevoerd dienen te worden tussen augustus tot en met januari.’

51

Aanvullend onderzoek huismus Gezien uit de ecologische quickscan is geconstateerd dat er in de te slopen stallen potentie voor de huismus aanwezig is, is er een aanvullend huismusonderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘In 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied aan de A.M.A van Langeraadweg 8 te Giessenburg. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn 2 huismusnesten aangetroffen binnen het plangebied. Deze nesten worden bij de beoogde ingreep niet weggenomen. De overige nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar er is geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming Een ontheffing is derhalve niet aan de orde. (…) Voor de uitvoering van de ingreep is geen ontheffing Wnb nodig (…). Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

52

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Adromi B.V. een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: • • •

• • • • • • •

‘De baksteenhoudende bovengrond, ter plaatse van boring 02, is licht verontreinigd met kwik; De slibhoudende ondergrond, ter plaatse van boring 05, is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met molybdeen; De sterk slakhoudende en zwak beton- en baksteenhoudende bovengrond, ter plaatse van boring 12, is sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink, molybdeen, PCB, PAK en minerale olie; De bovengrond met sporen baksteen, ter plaatse van boring 10 en 14, is licht verontreinigd met zink, molybdeen, PAK en PCB; De betonhoudende bovengrond met sporen baksteen, ter plaatse van boring 11 (puinpad), is licht verontreinigd met zink, molybdeen, PAK en PCB; De bovengrond onder de betonverharding, ter plaatse van boring 16, 17, 18 en 20, is licht verontreinigd met kobalt, zink, PAK en minerale olie; De betonhoudende bovengrond met sporen baksteen, ter plaatse van boring 23, is licht verontreinigd met lood, zink en PCB; Het grondwater is licht verontreinigd met barium; In het mengmonster ABmm01 (boring 12) is geen asbest aangetoond; In het monster ABmm02 (boring 11) ter plaatse van het puinpad is wel asbest aangetoond. Het betreft hechtgebonden golfplaten, bestaande uit chrysotiel en crocidoliet.

De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van sterke tot lichte verontreinigingen met metalen, PAK, PCB en minerale olie in de grond en een lichte verontreiniging met barium (metaal) in het grondwater. De sterke tot matige verontreiniging met nikkel in de grond, ter plaatse van boring 05 en boring 12, kan een belemmering vormen. Voor dit deel van de locatie zal vooralsnog geen nieuwbouw plaatsvinden, maar zal alleen de bestemming worden gewijzigd. Aanbevolen wordt om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is voor dit deel van de locatie. 53

Afbeelding 20: Overzichtskaart boringen

De overige lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en/of nieuwbouw van woningen. Er is geen verdacht dempingsmateriaal waargenomen voor wat betreft de gedempte sloten. Ook is geen oliewaterreactie waargenomen ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank (boring 05). Ter plaatse van boring 11 (puinpad) is asbest aangetoond in de vorm van hechtgebonden golfplaten. Ook hiervoor wordt aanbevolen om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is. Bij het overleg moeten de (definitieve) nieuwbouwplannen worden meegenomen. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’ Conclusie De bestemmingsplanwijziging ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Voorafgaand aan de omgevingsvergunningaanvraag dient wel aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

54

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak (zie onderstaande afbeelding). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Gezien het plan deze waarden overschrijdt is door ADC ArcheoProjecten een bureauen inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek zijn op de volgende pagina’s weergegeven.

55

Afbeelding 21: Archeologische verwachtingskaart

‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat de diepere ondergrond van het plangebied uit ongerijpte, kleiige komafzettingen (Formatie van Echteld) bestaat. Hierop rust een circa 190 cm dik pakket bosveen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket), dat is afgedekt met een laag of pakket komklei, in dikte variërend van 25 à 130 cm. De bovenste 20 tot 55 cm wordt gevormd door de huidige bouwvoor. In boring 7, die in de zuidwesthoek is verricht, is een afwijkende opbouw vastgesteld. Hier is geen veen aangetroffen en wordt de ondergrond gevormd door kleiige en zandige crevasseafzettingen (Formatie van Echteld). Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bovenste 15 tot 65 cm van het bodemprofiel is verstoord of bestaat uit (sub)recent opgebrachte lagen. Beneden deze diepte, die overeenkomt met circa 1,05 tot 1,45 m - NAP, is de bodemopbouw intact. Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De top van het crevasse-afzettingen, die in de zuidwesthoek (boring 7) van het plangebied zijn aangetroffen, worden als een archeologisch relevant niveau beschouwd.

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Dit niveau bevindt zich op 65 cm -mv (circa 1,05 m -NAP). Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. 56

Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? n.v.t. Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? n.v.t. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? n.v.t. In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Op basis van aangetroffen bodemopbouw kan in het grootste deel van het plangebied de middelhoge archeologische verwachting naar een lage archeologische verwachting worden bijgesteld. Dit geldt niet voor de zuidwesthoek van het plangebied, waar in boring 7 crevasse-afzettingen zijn aangetroffen. Hoewel in de top geen sporen van bodemvorming zijn aangetroffen, kan, omdat de waarneming zich beperkt tot één boring, de aanwezigheid van archeologische resten niet worden uitgesloten. Voor deze zone dient de middelhoge archeologische verwachting te worden gehandhaafd. In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Bij bodemingrepen in de zuidwesthoek van het plangebied die met inbegrip van een veiligheidsmarge van 20 cm dieper reiken dan 45 cm -mv (circa 0,85 m -NAP) kunnen (mogelijk aanwezige) archeologische waarden worden bedreigd.

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Indien geen bouw-, sloopwerkzaamheden of andere grondroerende werkzaamheden in de zuidwesthoek van het plangebied plaatsvinden die dieper reiken dan 45 cm mv (circa 0,85 m -NAP), wordt vrijgave geadviseerd (…) Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied, uitgezonderd de zuidwesthoek (zone rondom boring 7), vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. (…) Indien in de zuidwesthoek van het plangebied geen bouw- en sloopwerkzaamheden of andere grondroerende activiteiten plaatsvinden die dieper reiken dan 45 cm -mv (circa 0,85 m -NAP), wordt eveneens vrijgave geadviseerd (afb. 16). Indien niet aan genoemde voorwaarde kan worden voldaan, wordt nader archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht.’ Een uitsnede van bovengenoemde afbeelding 16 in het onderzoeksrapport is op onderstaande afbeelding weergegeven. Voor de zuidwestelijke hoek wordt een bijbehorende archeologische dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de eventuele archeologische waarden ter plaatse n.a.v. de conclusies van het onderzoeksrapport. Het plangebied wordt verder vrijgegeven.

57

Afbeelding 22: De zone voor vervolgonderzoek ligt buiten het te bebouwen gebied en daarmee vinden er geen graafwerkzaamheden plaats binnen de zone

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

58

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door een agrarisch bedrijf te verwijderen en de nieuwe woningen conform de huidige bouw- en duurzaamheidseisen te realiseren (bijvoorbeeld isolatie). Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen en windmolens) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem.

Rondom het plangebied is voldoende oppervlakte water aanwezig om zware regenbuien op te vangen. Daarbij voorziet het plan in een verbetering voor dit aspect doordat dat de verharding ter plaatse aanzienlijk afneemt met het plan. Hiermee wordt het plangebied zachter en zal het water meer/beter in de bodem infiltreren als voorheen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt voor een aanzienlijk deel groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Daarnaast wordt een groot deel van het bestaande verharde erf van het agrarische bedrijf teruggebracht naar agrarisch land.

59

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Giessenlanden’ (2015), ‘Parapluherziening Parkeren’ (2020) en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (2021). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch De agrarische bestemming wordt deels gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’ ter plaatse van het meer compacte erf, maar blijft deels behouden aan zuidwestzijde. De agrarische bestemming blijft hier behouden, maar het bouwvlak ter plaatse wordt verwijderd. Dit deel van het plangebied wordt teruggebracht naar agrarisch grasland. Wonen De agrarische bestemming wordt deels gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Het bouwvlak van ca. 1,5 ha voor het agrarische bedrijf wordt verwijderd en er worden vijf kleine bouwvlakken toegekend ter plaatse. Eén voor elke nieuwe woning, één voor de bestaande woning en één voor de bestaande plattelandswoning nr. 8B. De bouwvlakken van de nieuwe woningen zijn gebaseerd op de positie van de woningen in het landschappelijk inpassingsplan. Hiermee wordt aan de westkant van het plangebied een grote openheid en verzachting gecreëerd. De bouwvlakken bezitten enige flexibiliteit binnen de kaders van het erf van het landschappelijke

60

inpassingsplan, zodat het erf op een speelse wijze en met een boerenkarakter kan worden opgericht. Waarde – Archeologie - 4 Ter plaatse van de zuidwestelijke hoek wordt een archeologische dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de eventuele archeologische waarde ter plaatse. Hetgeen n.a.v. het uitgevoerde archeologische onderzoek. Waarde – Landschap De dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ is mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke kwaliteit ter plaatse. Met deze dubbelbestemming wordt geborgd dat er geen losstaande bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd zonder omgevingsvergunning.

5.4 Aanduidingen • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding: specifieke bouwaanduiding – 1; Bouwaanduiding: specifieke bouwaanduiding – 2; Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen: hobbyboer Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

61

Regels

bestemmingsplan “Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8” Planstatus: vastgesteld Datum: 2023-09-19 Plan identificatie: NL.IMRO.1978.BPlangeraadweg8GSB-VG01

1 Inleidende regels .................................................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 10 2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................ 11 Artikel 3 Agrarisch ............................................................................................................................. 11 Artikel 4 Wonen................................................................................................................................. 15 Artikel 5 Waarde - Archeologie - 4 .................................................................................................... 18 Artikel 6 Waarde - Landschap ........................................................................................................... 20 3 Algemene regels .................................................................................................................................

21 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 21 Artikel 8 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 21 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 22 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 22 Artikel 11 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 24 Artikel 12 Overige regels ................................................................................................................... 25 4 Overgangs- en slotregels .................................................................................................................... 26 Artikel 13 Overgangsrecht ................................................................................................................. 26 Artikel 14 Slotregel ............................................................................................................................ 26

2

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan Het bestemmingsplan Giessenburg, A.M.A. van Langeraadweg 8 van de Gemeente Molenlanden. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1978.BPlangeraadweg8GSB-VG01 met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan- en uitbouw Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig en estethisch opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-gebonden beroepen Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 achtererf De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8 afhankelijke woonruimte Een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.9 agrarische activiteiten bij wijze van hobby/hobbyboer Agrarische activiteiten, voornamelijk bij wijze van liefhebberij, niet zijnde bedrijfsmatig. 1.10 archeologisch onderzoek Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.11 archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

3

1.12 bebouwing Een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.13 bed & breakfast/gastenverblijf Het verstrekken van logies met ontbijt binnen de bestaande (bedrijfs)woning of het hoofdgebouw. 1.14 bestaand gebruik Het gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan en in gebruik genomen is conform de geldende gebruiksregels of een onherroepelijke omgevingsvergunning. 1.15 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, en oppervlaktematen Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo. 1.16 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.17 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18 bevoegd gezag Bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.19 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 bouwgrens De grens van een bouwvlak.

1.21 bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 1.22 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 4

1.25 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.26 bijgebouw Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.27 consumenten vuurwerk Vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.28 cultuurhistorische waarde De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. 1.29 dakkapel Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.30 dakopbouw Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst. 1.31 deskundige Een door het bevoegd gezag te erkennen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake archeologie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie.

1.32 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 1.33 dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. 1.34 extensieve dagrecreatie Niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. 1.35 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

5

1.36 hobbykas Een gebouw, dat geheel of vrijwel geheel bestaat uit glas of ander doorzichtig materiaal en dat dient voor het hobbymatig telen van planten. 1.37 hobbymatige agrarische activiteiten Het niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden voor het hobbymatig houden van vee en/of telen van agrarische producten. 1.38 hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.39 huishouden Eén of meer personen die in vast verband samenleven en gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals bijvoorbeeld een keuken, woonkamer, sanitaire voorzieningen en de entree, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling daarvan. 1.40 inpandig Omsloten door andere gedeelten van een gebouw of door andere gebouwen. 1.41 kampeermiddelen Niet als een bouwwerk aan te merken vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. 1.42 kantoor Voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=438090dd-69ed-445b-98fc-6d3738d7bf68