Bijl. 1. Toelichting bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’
Tekst van het document
In deze verordening is voor de omgeving van traditionele molens regelgeving opgenomen. Het gaat in dit kader om het garanderen van de vrije windvang en het zicht op de molen. Dit betekent dat beperkingen moeten worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting. De molenbiotoop heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de verordening is bepaald waaraan bestemmingsplannen moeten voldaan voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe bebouwing en beplanting. Voor het bepalen van de maximale 33
bouwhoogte is onderscheid gemaakt in molens die binnen bestaand stads- en dorpsgebied zijn gelegen en molens die daarbuiten zijn gelegen. Voor molens buiten bestaand stads- en dorpsgebied is de zogenaamde 1:100 regel van toepassing. Voor molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied is de zogenaamde 1:30 regel van toepassing. Dit onderscheid is gemaakt omdat het binnen het bestaand stads- en dorpsgebied moeilijker is de vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen, gelet op de vele andere soms conflicterende belangen die daar een rol spelen. De 1:100 regel houdt in dat per 100 meter de toegestane hoogte voor bebouwing en beplanting met 1 meter toeneemt. De 1:30 regel houdt in dat per 30 meter de toegestane hoogte met 1 meter toeneemt. Voor zover de molenbiotoop deels binnen en deels buiten bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, kan vanaf de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied worden gerekend met de andere regel. Dus als de molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied staat, stijgt de toegestane bouwhoogte tot de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied met 1 meter per 30 meter en vanaf die grens met 1 meter per 100 meter. Als de molen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied staat, stijgt de toegestane bouwhoogte eerst met 1 meter per 100 meter en vanaf de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied met 1 meter per 30 meter.
In het tweede lid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die de gemeente de ruimte geeft om in bijzondere gevallen af te wijken van de molenbiotoop. Deze afwijkingsmogelijkheid is onder andere van toepassing als sprake is van een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarbij in de huidige situatie de vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt en deze beperkingen niet groter worden of elders binnen de molenbiotoop worden gecompenseerd. De categorie ‘molens met een bijzondere molenbiotoop’ omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens. De afwijkingsmogelijkheid in het tweede lid biedt de gemeente de ruimte om bij uitzondering af te wijken van deze bijzondere molenbiotoop. Artikel 6.34 Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels. Een gemeente kan gebruik maken van de mogelijkheid om in relatief beperkte mate af te wijken van de regels in deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende bepaling.
Deze afwijkingsmogelijkheid biedt gemeenten enige nadere afwegingsruimte, omdat het in concrete gevallen onredelijk kan zijn functies geheel op slot te zetten of verplaatsing van functies of gebouwen onmogelijk te maken. Een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing en bestaand gebruik van gronden die niet in overeenstemming zijn met deze verordening kan bijvoorbeeld een reden zijn om deze afwijkingsmogelijkheid te hanteren. De gemeente moet het gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid voldoende motiveren en de provincie vertrouwt erop dat de toepassing geschiedt in goed overleg. Een gemeente kan gebruik maken van de mogelijkheid om in beperkte mate af te wijken van de maten en normen die zijn voorgeschreven in deze verordening en kan beperkte uitbreiding mogelijk maken van bestaande bebouwing en bestaand gebruik van gronden die niet in 34
overeenstemming zijn met deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende bepaling. Deze mogelijkheid wordt geboden omdat het onredelijk kan zijn deze functies geheel op slot te zetten. Omdat het gaat om een beperkte uitbreiding zal eventuele aantasting van de in het geding zijnde provinciale belangen in het algemeen nihil zijn. De gemeente moet dit wel motiveren bij de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid. De bepaling biedt bovendien de ruimte om tot een beter eindresultaat te komen, voor zowel de betrokken provinciale belangen als de betrokken gemeentelijke belangen. In het plan is rekening gehouden met de windvang van de nabijgelegen molen ‘Hofwegense Molen’. In hoofdstuk 4.8 ‘Molenbiotoop’ is beschreven dat het plan geen onevenredige negatieve invloed heeft op de vrije windvang van de Hofwegense molen. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ overgenomen in het bestemmingsplan.
35
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het belangrijk dat regionale ondernemers zich verder kunnen ontplooien. Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van vier lokaal en regionaal gebonden bedrijven. De bedrijven hebben de afgelopen jaren een sterke groei doorgemaakt, waardoor de huidige bedrijfslocaties niet meer toereikend zijn voor de continuïteit van de bedrijven. Er is een concrete behoefte naar meer bedrijfsruimte.
De bedrijven hebben een sterke binding met de gemeente Molenlanden. Veel werknemers van de betrokken bedrijven zijn woonachtig in de gemeente Molenlanden. De bedrijven hebben een maatschappelijke functie in de vorm van werkgelegenheid en onderwijs/educatie in de gemeente Molenlanden. Onderdeel van het plan is Molenlanden Technology Center. Scholen/instanties kunnen gebruik maken van speciaal hiervoor ingerichte educatiezalen in Molenlanden Technology Center. In deze zalen kunnen ook medewerkers van de bedrijven binnen Molenlanden Technology Center gastlessen verzorgen. Het plan zal resulteren in toenemende werkgelegenheid. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Bleskensgraaf. Het bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingepast in het bestaande landschap. Tevens wordt hiermee werkgelegenheid in een landelijke setting met oog voor landschappelijke- en ecologische waarden gecreëerd. Het bedrijventerrein wordt voorzien van een groene omzoming middels streekeigen beplanting. Het plan is in overeenstemming met het regionale beleid.
36
3.3.2 Bedrijventerreinenstrategie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (2015) Het ruimtelijk beleid van de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is gericht op concentratie van verstedelijking langs de infrastructuurassen. Daarnaast wordt als beleidsmatig uitgangspunt gehanteerd dat de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de kernen in het middengebied en de Lekzone in stand dient te worden gehouden. Om de (economische) leefbaarheid in de kernen te waarborgen is het behoud van economische activiteiten en werkgelegenheid van belang. Hiertoe dient voldoende ruimte voor bedrijven te worden geboden. In de kwalitatieve verdieping voor regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt vastgesteld dat er zeer weinig aanbod beschikbaar is ten opzichte van de verwachte vraag. De beschikbare ruimte voor uitbreiding en nieuwvestiging van (lokale) bedrijven is op zeer korte termijn beperkt. Ook geografisch gezien is het aanbod regionaal weinig gespreid. Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden heeft hoofdzakelijk een eigen economisch ecosysteem. De lokale gebondenheid van bedrijven met de regio is groot. Het is noodzakelijk dat bedrijvigheid zich in de eigen regio kan vestigingen en (door)groeien. Reguliere bedrijvigheid kan in de knel komen of worden beperkt in het functioneren, omdat voldoende uitbreidingsruimte ontbreekt. Dit remt de economische ontwikkeling van de regio.
Het is belangrijk oog te hebben en houden voor deze groep bedrijven. Immers, de economie van Alblasserwaard-Vijfheerenlanden bestaat voor een groot deel (70%) uit traditionele bedrijvigheid. Dit plan speelt in op de concrete behoefte naar meer bedrijventerrein in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Het plan zal resulteren in toenemende werkgelegenheid. Dit geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Bleskensgraaf. De regiogemeenten hebben afgesproken dat de ontwikkeling van kleinschalig bedrijventerrein (maximaal 3 hectare) regionaal wordt gemeld en afgestemd. De uitbreiding van bedrijventerrein Melkweg (fase 2) is opgenomen in de bedrijventerreinenstrategie als zacht plan. Het plan is regionaal afgestemd binnen de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.
37
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Graafstroom Op 29 maart 2011 is de ‘Structuurvisie Graafstroom’ vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente een strategische stap zetten naar een vitale gemeente waar het goed wonen, werken en leven is voor jong en oud. De gemeente heeft de ambitie om lokaal gebonden bedrijvigheid te faciliteren in haar ruimtebehoefte. Uitbreiding kan uitsluitend plaatsvinden grenzend aan bestaande terreinen, waarbij uitbreiding van het bedrijventerrein bij Bleskensgraaf (Melkweg) de voorkeur heeft. Het plan betreft de afronding van het bedrijventerrein Melkweg te Bleskensgraaf (fase 2). Het bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingepast in het bestaande landschap. Tevens wordt hiermee werkgelegenheid in een landelijke setting met oog voor landschappelijke- en ecologische waarden gecreëerd. 3.4.2 Toekomstvisie Molenwaard De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en werken, die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de gemeente. Mensen moeten kunnen wonen en werken waar ze willen. De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat er voldoende bedrijvigheid nodig is in de gemeente. De gemeente wil inspelen op economische ontwikkelingen en de aantrekkelijkheid van het gebied voor bedrijvigheid behouden.
Bedrijven worden actief ondersteund en begeleid in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal veel praktische oplossingen. Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van vier lokaal en regionaal gebonden bedrijven. De bedrijven hebben een sterke binding met de gemeente Molenlanden. Veel werknemers van de betrokken bedrijven zijn woonachtig in de gemeente Molenlanden. De bedrijven hebben een maatschappelijke functie in de vorm van werkgelegenheid en onderwijs/educatie in de gemeente Molenlanden. Het plan zal resulteren in toenemende werkgelegenheid. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Bleskensgraaf. 3.4.3 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op 6 onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030.
Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans;
38
• •
Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van vier lokaal en regionaal gebonden bedrijven. Hiermee worden de bedrijven de mogelijkheid geboden om te innoveren en zich verder te ontwikkelen. Het bedrijventerrein heeft een goede bereikbaarheid (nabij de Wervenkampweg en de N214) wat zeer belangrijk is voor de bedrijven. 3.4.4 Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden werkt aan de ‘Visie bedrijventerreinen gemeente Molenlanden’. In de visie wordt aangegeven hoe de gemeente Molenlanden de kwaliteit van de bedrijventerreinen wilt verbeteren, hoe de bedrijventerreinen zo goed mogelijk kunnen worden benut en hoe wordt omgegaan met het het tekort aan ruimte voor bedrijven. De visie op de toekomst van onze bedrijventerreinen bestaat uit zes kernpunten: 1. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid 2. Ruimte voor bedrijvigheid goed benutten 3. Sturen op de juiste bedrijven op de juiste plek 4. Heldere communicatie en verwachtingen 5. Toekomstbestendige bedrijventerreinen 6. Molenlanden in de regio Het plan betreft een afronding van het bedrijventerrein Melkweg te Bleskensgraaf. Dit plan speelt in op de behoefte aan bedrijventerrein in de gemeente Molenlanden/ de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Het bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingepast in het landschap.
Tevens zijn in het plan duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.12.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • •
•
Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan voldoet aan ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’. Het bedrijventerrein wordt op een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze ingepast in het bestaande landschap. De uitbreiding van bedrijventerrein Melkweg (fase 2) is opgenomen in de bedrijventerreinenstrategie als zacht plan. Het plan is regionaal afgestemd binnen de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Het plan geeft een positieve impuls aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Bleskensgraaf.
39
4.
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, valt onder categorie D 11.3 van het Besluit m.e.r. Er geldt een m.e.r-plicht wanneer de ontwikkeling boven de drempelwaarde (een oppervlakte van 75 hectare of meer) uitkomt. De drempelwaarde wordt in dit plan niet overschreden aangezien het in casu gaat om een bedrijventerrein met een omvang van circa 2 hectare. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.beoordeling. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Kenmerken van het plan Het plan betreft de realisatie van een bedrijventerrein met een oppervlakte van ca. 2 hectare.
Het plan voorziet in een concrete uitbreidingsbehoefte van vier lokaal en regionaal gebonden bedrijven. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien de kleinschaligheid van het plan in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied, en de onderbouwing van de verschillende milieuaspecten in de volgende hoofdstukken, kan worden gesteld dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op het milieu. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
40
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.
De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen In de omgeving het plangebied zijn meerdere A- of B-watergangen gelegen. De werkzaamheden vinden (deels) plaats in de beschermingszones van deze watergangen. Tevens worden ten behoeve van het bedrijventerrein enkele watergangen gedempt. Voor de realisatie van het bedrijventerrein is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland vereist.
Voor de aanleg van beplanting in de nabijheid van watergangen wordt rekening gehouden met de regels van het waterschap (de Keur).
41
Afbeelding 15: Uitsnede Legger wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW014. Het peilgebied betreft NDW014 heeft een zomer- en winterpeil van 2,24 m – NAP en 2,34 m – NAP. Conform het beleid van het waterschap Rivierenland geldt ten aanzien van de drooglegging voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Dit betekent dat de weg 1 meter hoger en de gebouwen 1,3 meter hoger moeten worden gerealiseerd. Dit is in het kader van het landschap (de omgeving) en de molenbiotoop niet wenselijk is. Derhalve is door Adcim B.V. onderzoek gedaan naar het gewenst vloer- en wegpeil voor de ontwikkeling, waarbij dat de bebouwing, maar ook de gehele buitenruimte (behoudens groen natuurlijk) wordt onderheid. Zettingen zijn daarmee uitgesloten en er kan lager worden gebouwd. De notitie is toegevoegd in de bijlage. Aansluiting op Melkweg Het bedrijventerrein zal ontsloten worden via de Melkweg. Middels een inmeting is in beeld gebracht wat hier de hoogtes van zijn. De inmeting is toegevoegd in de 42
bijlage. De as-hoogte hiervan is ingemeten op -1,50 m tot -1,80 m t.o.v. NAP. Om hier goed op aan te kunnen sluiten wordt een as-hoogte van de nieuwe wegen geadviseerd van ca. 1,50 m – NAP. Het is gebruikelijk om een vloerpeil ca. 0,30 m hoger te kiezen dan het straatpeil. Drooglegging Op basis van het polderpeil en de gewenste drooglegging kan ook het straatpeil afgeleid worden. Conform Stowa publicatie 2010 w01, Aanleghoogte van nieuwe woningen in relatie tot wateroverlast, kan is een drooglegging van 1,20 tot 1,50 m aan te bevelen in een vroeg stadium van de ontwikkeling. Naarmate er meer informatie beschikbaar komt is het mogelijk om op basis van de ontwateringsdiepte (afstand tussen maximale grondwaterstand en maaiveld) het straatpeil te bepalen. In de Stowa publicatie wordt een ontwateringsdiepte van 0,70 m geadviseerd bij weinig belaste wegen en 1,0 m bij primaire wegen. Op het bedrijventerrein zal dit beperkt waardoor een ontwateringsdiepte van 0,70 m mogelijk is. Door een drain mee te leggen in het cunet en die aan te sluiten op het oppervlaktewater zal de GHG zich op polderpeil bevinden. Op basis hiervan wordt geadviseerd de rijbaan op minimaal 0,70 m t.o.v. het zomerpeil aan te leggen, wat op 1,54 m – NAP uitkomt.
Wateroverlast Binnen het waterschap Rivierenland wordt er rekening gehouden met een peilstijging in het oppervlaktewater van 0,70 m tijdens regenduurlijn van Buishand en Velds T=100+10%. Om dan geen overlast te krijgen dient de weg hoger te liggen dan deze 0,70 m. Rekening houdend met een restzetting van 0,10 m wordt op basis hiervan geadviseerd de rijbaan op minimaal 0,80 m t.o.v. het zomerpeil aan te leggen, wat op 1,44 m – NAP uitkomt. Concluderend wordt gesteld dat de minimale hoogte van het straatpeil wordt voorgeschreven door mogelijke wateroverlast. Dit betreft dan 1,44 m – NAP. Bij een vloerpeil van 0,30 m hoger, komt dit op 1,14 m – NAP uit. Geadviseerd wordt om deze waarden minimaal aan te houden.
Plangebied
Afbeelding 16: Uitsnede peilgebiedenkaart
43
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Het plan, de realisatie van het bedrijventerrein, resulteert in een toename aan verharding.
Tevens worden ten behoeve van het bedrijventerrein enkele watergangen gedempt. Door civieltechnisch bureau Adcim B.V. is de benodigde watercompensatie uitgerekend. De notitie is toegevoegd in de bijlage. Voor het plan zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt in de omgeving van het plangebied oppervlaktewater gegraven. Ten eerste, wordt de gebiedsvreemde bocht in de Wervenkampweg in aansluiting met de Hofwegen uitgebreid met een waterelement. Ten tweede, wordt aan de zuidzijde van het plangebied langs de zuidzijde van de Melkweg watercompensatie gerealiseerd. De nieuwe waterpartijen zullen, omdat het water als watercompensatie dient, een B-status krijgen. De waterpartijen dienen daarmee te voldoen aan de minimale afmetingen voor Bwatergangen zoals in de Keur is aangegeven. De watercompensatie zal onder regie van de gemeente Molenlanden worden gegraven.
Afbeelding 17: Watercompensatietekening (uitvergroot in bijlage)
44
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door Adcim B.V. is een rioolontwerp inclusief hydraulische berekeningen opgesteld. Het rioolplan is toegevoegd in de bijlage. Het bedrijventerrein wordt een privaat gebied. Het plan is om het gehele bedrijventerrein, inclusief verharding, gefundeerd uit te voeren. Het plan betreft daarmee vier bedrijfspanden op één onderheide betonplaat. In feite is sprake van één gebouw. Hierdoor worden toekomstige zettingen zo veel mogelijk voorkomen. Het uitgangspunt van het rioolplan is dat er een gescheiden rioolstelsel wordt aangebracht. Voor het DWA geldt dat er een verbinding wordt gelegd met het gemeentelijke stelsel.
De aansluiting op het gemeenteriool zal aan de rand van het plangebied bij de Weidestraat plaatsvinden. De riolering zal in de gebouwde voorziening (gebouwen en onderheide verharding) worden opgenomen tot aan de perceelgrens. Het plan is om een drempel in te richten tussen de laaddock en de straat, zodat het regenwater niet via de straat de laaddock bereikt en op de lijngoot afstroomt. Voor het HWA geldt dat er een verbinding wordt gelegd met het oppervlaktewater, waarin een uitstroombak(ken) uitstroomt. Overtollig hemelwater wordt direct afgevoerd op omliggende watergangen. Dit geldt overigens ook voor de terreinverharding. Bij het HWA stelsel wordt het water via een bodem- of bermpassage geloosd op het oppervlaktewater. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire of regionale waterkering Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van het bedrijventerrein dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
45
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een bedrijventerrein (zonder bedrijfswoningen). Een bedrijventerrein wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en/of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft geluid geen belemmeringen.
46
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 5: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 14,67 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,05 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 8,79 µg/m3 PM2,5 Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
47
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is om een bedrijventerrein te realiseren met vier bedrijfspanden voor de bedrijven TTA/Eurogroep, Monta, Blokland Non Ferro, Ventilatieservice Holland. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met de NIBM-tool berekend of de toename van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierbij is uitgegaan van de minimale verkeersgeneratie op grond van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) dat 7,5% van deze verkeersgeneratie voertuigbewegingen met zwaar vrachtverkeer betreft. Zoals in paragraaf 2.2.2 Verkeer en parkeren beschreven zal de verkeersgeneratie van het plan in de praktijk echter lager ligger dan de minimale verkeersgeneratie op grond van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeersbewegingen tevens in de praktijk lager liggen. De vier bedrijven is gevraagd een indicatie te geven van de verwachte (vracht)verkeersbewegingen. De bedrijven geven aan dat er, uitgaande van een worstcasescenario, sprake is van max. 52 vrachtbewegingen. Desondanks blijkt uit de NIBM-tool dat de toename van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tabel 6: Verkeersgeneratie (o.b.v.
CROW-publicatie 381) BVO Kengetal (per VerkeersSubtotalen m2 100 m2 BVO) bewegingen Blokland non Ferro montage 2000 9,1 182 Blokland non Ferro kantoor 450 7,9 35,6 Blokland non Ferro opslag 900 3,9 35,1 252,7 Monta distributie 6200 3,9 241,8 Monta kantoor 200 7,9 15,8 257,6 Ventilatieservice kantoor 100 7,9 7,9 Ventilatieservice opslag 900 3,9 35,1 43 Eurogroep kantoor 1600 7,9 126,4 Eurogroep testruimte 1600 3,9 62,4 Eurogroep opslag 800 3,9 31,2 220 Totaal 773,3 Totaal verkeersgeneratie
774 verkeersbewegingen
48
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
49
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 7: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstand mag daarmee één afstandstrap worden verlaagd. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein. Hiermee is conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) sprake van een uitbreiding van een milieubelastende activiteit. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Monta Monta helpt webshops groeien via fulfilment en magazijnsoftware. Via de fulfilment tak wordt de volledige logistiek voor ruim 1.500 webshops verzorgd vanuit 15 onafhankelijke vestigingen in Nederland. Monta’s klanten hebben tevens toegang tot Monta's zelfgebouwde software, zo hebben de webshops real-time inzicht in alle data m.b.t. de orders en voorraad. Sinds enkele jaren biedt Monta haar zelf 50
ontwikkelde software ook aan webshops met eigen magazijnen voor optimale procesinrichting. Het bedrijfspand wordt gebruikt als distributiehal voor het verwerken van consumenten orders voor webshops.In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is geen specifieke categorie opgenomen voor een packaging- en fulfilmentbedrijf. Gezien de schaal en aard van de werkzaamheden kan het bedrijf Monta worden geschaard in de milieucategorie 3.2. Voor het bedrijf geldt een richtand van 50 meter tot omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woning (Melkweg 17) is gelegen op meer dan 50 meter van het bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Blokland Non Ferro Blokland is een familiebedrijf met 60 jaar geschiedenis en een sterke focus op de toekomst. Het bedrijf werkt met een team van ongeveer 55 mensen aan innovatieve producten voor scheepvaart en industrie. Blokland Non Ferro is een bedrijf gespecialiseerd in de ontwikkeling en productie van voorstuwingsinstallaties en besturingsinstallaties t.b.v. plezier en beroepsvaart. De twee hoofdactiviteiten bestaan uit koeling en voortstuwing voor de maritieme sector. De engineering ontwerpt oplossingen voor schepen op gebied van voorstuwing en besturing. Dit produceert Blokland met behulp van een modern machine park grotendeels in eigen huis.
Dit jaar heeft men in Bleskensgraaf nieuwe huisvesting mogen realiseren voor 2 nieuwe onderdelen uit onze groep: GreenSonic en GreenPower Propulsion. Daarmee bestaat de Blokland Groep uit: • Blokland non ferro BV, Sliedrecht en verkoopkantoor in Beugen (ontwikkelen en produceren van warmtewisselaars voor scheepvaart en industrie). • Machinefabriek Sliedrecht BV, Sliedrecht (machinefabriek met modern machinepark t.b.v. eigen productie en derden). • Blokland Propulsion BV, Sliedrecht (ontwikkelen en produceren van voortstuwings- en roerasinstallaties voor scheeps- en jachtbouw). • Poseidon Propulsion, Barendrecht (ontwikkelen en produceren van elektrische voorstuwingsoplossingen voor beroeps en pleziervaart met Poseidon leveren we een belangrijke bijdrage aan het elektrificeren van grootstedelijk vervoer over het water. • GreenSonic, Bleskensgraaf (ontwikkelen en produceren van ultrasoon anti aangroeisystemen voor maritieme en industriële toepassingen: de biocide vrije oplossing tegen aangroei). • GreenPower Propulsion BV, Bleskensgraaf (ontwikkelen van hybride en elektrische motoren voor beroeps en pleziervaart: elektrisch varen voor schepen en jachten). Voor Blokland non ferro en Poseidon zal het nieuwe bedrijfspand gebruikt gaan worden voor montage en testen van warmtewisselaars en montage van thusters e.d. (2000 m2), kantoor (450 m2) en opslag (900 m2).
De productie (draaien, frezen, lassen, boren, zagen) van de componenten zal grotendeels in Sliedrecht blijven. In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is geen specifieke categorie opgenomen voor een dergelijk bedrijf. Gezien de schaal en aard van de bedrijfsactiviteiten kunnen de geplande bedrijfsactiviteiten van het bedrijf Blokland Non Ferro op deze locatie worden geschaard in de milieucategorie 3.2. Voor het bedrijf geldt een richtand van 50 meter tot omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woningen (Hofwegen 28 t/m 31) zijn gelegen op meer dan 50 meter van het bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. 51
Ventilatieservice Holland Ventilatieservice Holland is een bedrijf gespecialiseerd in ventilatietechniek. Het bedrijfspand zal worden gebruikt voor een nieuwe afdeling van Ventilatie Service Holland. Het bedrijf is voornemens een online activiteit op te starten voor noviteiten op het gebied van ventilatietechniek. In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is geen specifieke categorie opgenomen voor een dergelijk bedrijf. Gezien de schaal en aard van de werkzaamheden kan het bedrijf Ventilatieservice Holland worden geschaard in de milieucategorie 2.0. Voor het bedrijf geldt een richtand van 10 meter tot omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woning (Hofwegen 23a) is gelegen op meer dan 10 meter van het bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. TTA/Eurogroep TTA/Eurogroep is een bedrijf in ontwikkeling. Het bedrijf is ruim 20 jaar geleden in Bleskensgraaf begonnen als TTA (Tuinbouw Technisch Atelier) om tuinbouwmachines te maken. Het bedrijf heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een gerenommeerd bedrijf op het gebied van machines die de selectie en behandeling van planten regelen. Door de combinatie van het volledig zelf ontwerpen en fabriceren van de machines, inclusief de software die hierbij nodig is, heeft het bedrijf expertise opgebouwd om de ontwikkelde technieken ook toe te passen binnen vakgebieden buiten de tuinbouw.
Het nieuwe bedrijfspand zal gebruikt gaan worden door Lowpad. Het bedrijf Lowpad is onderdeel van Eurogroep waar TTA en Eurotron ook onderdeel van zijn. Het bedrijf TTA (Tuinbouw Technisch Atelier) houdt zich bezig met de ontwikkeling en productie van tuinbouwmachines. Het bedrijf heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een gerenommeerd bedrijf op het gebied van machines voor het overzetten en selecteren van jong plantmateriaal. Het bedrijf Eurotron ontwikkelt en produceert machines voor de productie van zonnepanelen. Het bedrijf Lowpad ontwikkelt en produceert autonoom rijdende voertuigen. Alle drie de bedrijven hebben een hoog innovatief karakter waarbij ontwikkeling, productie en software centraal staan. Bij Lowpad werken veel programmeurs en ontwikkelaars. Voor deze mensen is kantoorruimte nodig. Daarnaast zal een deel van het pand gebruikt worden voor de assemblage en het testen van de autonoom rijdende voertuigen. Daarnaast zal een deel gebruikt worden als magazijn. Het bedrijfspand van Lowpad heeft een oppervlakte van 4.000 m2 (waarvan 1.600 m2 kantoor, een test- en lichte assemblageruimte van 1.600 m2 en 800 m2 opslag). In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is geen specifieke categorie opgenomen voor een dergelijk bedrijf.
Gezien de schaal en aard van de bedrijfsactiviteiten kunnen de geplande bedrijfsactiviteiten van het bedrijf TTA/Eurogroep op deze locatie worden geschaard in de milieucategorie 3.2. Voor het bedrijf geldt een richtand van 50 meter tot omliggende woningen. Voor het bedrijf geldt een richtand van 50 meter tot omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woning (Hofwegen 23a) is gelegen op meer dan 50 meter van het bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en dat geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt.
52
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is rekening gehouden met de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein. Derhalve is besloten om de zonering van de 1ste fase van het bedrijventerrein door te zetten. Ter plaatse van het bestemmingsvlak ‘Bedrijventerrein’ zijn de functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 2.0’, ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’,‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’ opgenomen teneinde milieuhinder voor de woningen langs de Hofwegen en de woning aan de Melkweg te voorkomen.
60 meter
20 meter
50 meter
50 meter
Afbeelding 18: Afstand bedrijventerrein tot omliggende woningen
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
53
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen (weg, spoor of water) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen (water)gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader.
Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport te verwachten. 54
Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
55
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Vooruitlopend op de grondwerkzaamheden zal er een Klicmelding worden gedaan.
56
4.8 Molenbiotoop Het plangebied ligt binnen de molenbiotoop van de Hofwegense Molen. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop ingesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen waarbinnen beperkingen gelden ten aanzien van bouwen.
Afbeelding 20: Situatie plan t.o.v. ‘Hofwegense molen’
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan getoetst aan de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland. In deze memo wordt onderbouwd dat de vrije windvang van de Hofwegense Molen niet wordt beperkt als gevolg van dit bouwplan Provinciaal beleidskader (Omgevingsverordening Zuid-Holland) In artikel 6.25 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn – met het oog op een afweging van de molenbelangen – instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels dient een bestemmingsplan bij vaststelling getoetst te worden. Artikel 6.25 van de omgevingsverordening Zuid-Holland vermeldt hierover: Artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. Binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 57
i. Voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; ii. Voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. Een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. Een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.
Toelichting In de provincie Zuid-Holland is een groot aantal cultuurhistorische en archeologische waarden aanwezig. Deze zijn beschreven in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Het behoud van de cultuurhistorische hoofdstructuur is van provinciaal belang. Molens en de daarbij behorende molenbiotopen zijn onderdeel van de CHS. In deze verordening is voor de omgeving van traditionele molens regelgeving opgenomen. Het gaat in dit kader om het garanderen van de vrije windvang en het zicht op de molen. Dit betekent dat beperkingen moeten worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting. De molenbiotoop heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de verordening is bepaald waaraan bestemmingsplannen moeten voldaan voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe bebouwing en beplanting. Voor het bepalen van de maximale bouwhoogte is onderscheid gemaakt in molens die binnen bestaand stads- en dorpsgebied zijn gelegen en molens die daarbuiten zijn gelegen. Voor molens buiten bestaand stads- en dorpsgebied is de zogenaamde 1:100 regel van toepassing. Voor molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied is de zogenaamde 1:30 regel van toepassing.
Dit onderscheid is gemaakt omdat het binnen het bestaand stads- en dorpsgebied moeilijker is de vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen, gelet op de vele andere –soms conflicterendebelangen die daar een rol spelen. De 1:100 regel houdt in dat per 100 meter de toegestane hoogte voor bebouwing en beplanting met 1 meter toeneemt. De 1:30 regel houdt in dat per 30 meter de toegestane hoogte met 1 meter toeneemt. Voor zover de molenbiotoop deels binnen en deels buiten bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, kan vanaf de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied worden gerekend met de andere regel. Dus als de molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied staat, stijgt de toegestane bouwhoogte tot de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied met 1 meter per 30 meter en vanaf die grens met 1 meter per 100 meter.
58
Als de molen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied staat, stijgt de toegestane bouwhoogte eerst met 1 meter per 100 meter en vanaf de grens van het bestaand stads- en dorpsgebied met 1 meter per 30 meter. In het tweede lid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die de gemeente de ruimte geeft om in bijzondere gevallen af te wijken van de molenbiotoop. Deze afwijkingsmogelijkheid is onder andere van toepassing als sprake is van een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarbij in de huidige situatie de vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt en deze beperkingen niet groter worden of elders binnen de molenbiotoop worden gecompenseerd. De categorie ‘molens met een bijzondere molenbiotoop’ omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens. De afwijkingsmogelijkheid in het tweede lid biedt de gemeente de ruimte om bij uitzondering af te wijken van deze bijzondere molenbiotoop. Artikel 6.34 Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels.
Toelichting Een gemeente kan gebruik maken van de mogelijkheid om in relatief beperkte mate af te wijken van de regels in deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende bepaling. Deze afwijkingsmogelijkheid biedt gemeenten enige nadere afwegingsruimte, omdat het in concrete gevallen onredelijk kan zijn functies geheel op slot te zetten of verplaatsing van functies of gebouwen onmogelijk te maken. Een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing en bestaand gebruik van gronden die niet in overeenstemming zijn met deze verordening kan bijvoorbeeld een reden zijn om deze afwijkingsmogelijkheid te hanteren. De gemeente moet het gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid voldoende motiveren en de provincie vertrouwt erop dat de toepassing geschiedt in goed overleg. Een gemeente kan gebruik maken van de mogelijkheid om in beperkte mate af te wijken van de maten en normen die zijn voorgeschreven in deze verordening en kan beperkte uitbreiding mogelijk maken van bestaande bebouwing en bestaand gebruik van gronden die niet in overeenstemming zijn met deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende bepaling. Deze mogelijkheid wordt geboden omdat het onredelijk kan zijn deze functies geheel op slot te zetten.
Omdat het gaat om een beperkte uitbreiding zal eventuele aantasting van de in het geding zijnde provinciale belangen in het algemeen nihil zijn. De gemeente moet dit wel motiveren bij de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid. De bepaling biedt bovendien de ruimte om tot een beter eindresultaat te komen, voor zowel de betrokken provinciale belangen als de betrokken gemeentelijke belangen.
59
Toetsing bouwplan aan artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop Uitgangspunten: 1. De Hofwegense Molen ligt op ca. 275 meter ten oosten van de geplande nieuwe bedrijfsgebouwen van de bedrijven Ventilatieservice Holland en Eurogroep (oostelijk deel van het plangebied); 2. De Hofwegense Molen ligt op ca. 355 meter ten oosten van de geplande nieuwe bedrijfsgebouwen van de bedrijven Blokland Non Ferro en Monta (westelijk deel van het plangebied); 3. Het onderste punt van de verticale wiek van de Hofwegense Molen: + 0,4 m NAP. 4. Het bouwpeil van de nieuwe bedrijfsbebouwing: - 1,14 m NAP. 5. Het plangebied is gelegen buiten stedelijk gebied (conform provinciale kaart). 6. De Hofwegense Molen is gelegen binnen stedelijk gebied (conform provinciale kaart).
Ca. 355 meter
Ca. 275 meter
Afbeelding 21: Afstanden geplande bedrijfsgebouwen t.o.v. ‘Hofwegense molen’
Afbeelding 22: Stedelijk gebied (in rood gearceerd) versus buitenstedelijk gebied
60
Rekensom max. bouwhoogte Ventilatieservice Holland/Eurogroep: 20,5 meter / 100 = 0,205 meter 210,2 meter / 30 = 7,006 meter 44,3 meter / 100 = 0,443 meter NAP-hoogteverschil tussen molen en bouwpeil (verschil 1,54 meter) ------------------------------------------------------------------------------------------ + Max. bouwhoogte: 9,19 meter Rekensom max. bouwhoogte Blokland/Monta: 20,5 meter / 100 = 0,205 meter 210,2 meter / 30 = 7,006 meter 124,3 meter / 100 = 1,243 meter NAP-hoogteverschil tussen molen en bouwpeil (verschil 1,54 meter) ------------------------------------------------------------------------------------------ + Max. bouwhoogte: 9,99 meter
44,3 m
210,2 m
20,5 m
Afbeelding 23: Afstanden binnen en buiten stedelijk gebied
61
Wanneer het bouwplan wordt vergeleken met de standaardberekening conform artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop is er sprake van één overschrijding. Voor het bedrijf Monta wordt de maximale bouwhoogte met 1 meter overschreden.
Afbeelding 24: Bouwhoogten geplande bedrijfsgebouwen
Motivering afwijken van de standaardberekening Op grond van artikel 6.25 ‘Bescherming molenbiotoop’ lid 2 kan worden afgeweken van de standaard berekening en/of het leveren van maatwerk. Artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Voor het bedrijf Monta geldt dat een minimale bouwhoogte van 11 meter echt een absoluut minimum is. Dit heeft te maken met de indeling en de bedrijfsprocessen. Derhalve is het plan om voor het bedrijfspand van Monta af te wijken van de standaardberekening. Argumenten:
1. De windvang van de Hofwegense Molen wordt reeds beperkt door bestaande bebouwing tussen het plangebied en de molen. Op het moment dat de nieuwbouw op of onder de nokhoogte van bestaande bebouwing blijft, dan is er geen sprake van strijdigheid met de regels ten aanzien van de molenbiotoop in onze omgevingsverordening. In dat geval gaat de nieuw toe te voegen bebouwing volledig schuil achter de bestaande bebouwing in dezelfde richting en kan er met behulp van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 6.25 lid 2 sub a worden afgeweken van de 1/100 en 1/30 regel in artikel 6.25 lid 1 sub b 1 en 2.