Bijl. 1. Toelichting bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’
Tekst van het document
62
Nadere beschouwing van bestaande gebouwen in zone tussen de molen en het plangebied wijst uit dat de windvang vanuit het plangebied, uit westelijke richting, reeds wordt beperkt door de bestaande bebouwing/ beplanting op kortere afstand van de Hofwegense Molen. De bouwhoogte van de tussenliggende bebouwing is weliswaar lager dan de bouwhoogte van de geplande bedrijfsgebouwen, maar de tussenliggende bestaande bebouwing heeft een hogere bouwhoogte dan op basis van de standaardberekening is toegestaan.
Afbeelding 25: Beperking windvang door bestaande bebouwing/beplanting
2. Het plan voorziet slechts in een beperkte overschrijding aan de buitenrand van de molenbiotoop, waarmee artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van toepassing is. Conform de standaardberekening op grond van artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop is er slechts sprake van een beperkte overschrijding voor het geplande bedrijfspand van Monta. Voor het bedrijf Monta wordt de maximale bouwhoogte met slechts 1 meter overschreden. Hiermee is sprake van een overschrijding van 80 m2 in het verticale vlak van het bedrijfspand. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit bedrijfspand is gelegen aan de buitenrand van de molenbiotoop. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het bouwplan geen onevenredige negatieve invloed heeft op de vrije windvang van de Hofwegense molen.
Overschrijding verticale vlak (ca. 80 m2)
80 meter
Afbeelding 26: Overschrijding van 80 m2 in het verticale vlak
63
Bedrijfsgebouw met beperkte overschrijding van de bouwhoogte van 1 meter Afbeelding 27: Bedrijfspand is gelegen aan de buitenrand van de molenbiotoop
Artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Het ambtelijk afwegingskader dat de provincie Zuid-Holland hierbij hanteert is dat de overschrijding van verticale vlak van het bedrijfspand beperkt blijft tot max. 100 m2. Voor het bedrijf Monta wordt de maximale bouwhoogte met slechts 1 meter overschreden. Hiermee is sprake van een overschrijding van slechts 80 m2 in het verticale vlak. Het bouwplan valt hiermee binnen het ambtelijk afwegingskader om gebruik te maken van de provinciale afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 3. Het nieuwe bedrijfsgebouw van Monta ligt voor het overgrote deel buiten de molenbiotoop van de Hofwegense Molen. Het geplande bedrijfspand van Monta is grotendeels gelegen buiten de molenbiotoop. Voor dit gedeelte zijn derhalve de regels op grond van artikel 6.25 ‘Bescherming molenbiotoop’ niet van toepassing. In het kader van de juridische gelijkheid zal de gemeente Molenlanden wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte van bedrijfsgebouwen aansluiten bij de bouwregels in reeds vastgestelde bestemmingsplannen in de omgeving.
Op grond van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg’ (vastgesteld op 29 juni 2011), ten westen van het plangebied, is het toegestaan om bedrijfsgebouwen te realiseren met een bouwhoogte van maximaal 14 meter.
64
Zone buiten molenbiotoop (ca. 4000 m2)
Zone binnen molenbiotoop (ca. 2400 m2) Afbeelding 28: Zone bedrijf Monta buiten molenbiotoop
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat op grond van artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ in de Omgevingsverordening Zuid-Holland voor het bedrijfspand van Monta kan worden afgeweken van de standaardregeling op grond van artikel 6.25 ‘Bescherming molenbiotoop’, omdat er slechts sprake is van een beperkte overschrijding (max. 1 meter bouwhoogteoverschrijding en slechts 80 m2 overschrijding in het verticale vlak). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het betreffende bedrijfspand is gelegen aan de buitenrand van de molenbiotoop. Er is sprake van een kleinschalige afwijking. In het beplantingsplan is rekening gehouden met de hoogte van de beplanting teneinde nadelige gevolgen voor de molenbiotoop uit te sluiten. Het groen zal daarbij met regelmaat door de aangrenzende bedrijven worden onderhouden. Het bouwplan valt hiermee binnen het ambtelijk afwegingskader om gebruik te maken van de provinciale afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 6.34 ‘Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan geen onevenredige negatieve invloed heeft op de vrije windvang van de Hofwegense molen.
65
4.9 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van het plan op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: Het dempen van twee sloten, 6 greppels en de kap van enkele knotwilgen ten behoeve van de uitbreiding van het naastgelegen bedrijventerrein aan de Melkweg ong. te Bleskensgraaf is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te dempen sloten en aanwezige groenstructuren een relevante functie hebben voor heikikker, grote modderkruiper en platte schijfhoren. (soortenbescherming). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). 66
•
•
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijk mogelijkheden te bieden. De kap- en bouwwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van het naastgelegen bedrijventerrein. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek (42 km) en de Groene buffer (9,7 km). Hiervoor is er geen kaartmateriaal vervaardigd. Op een afstand van circa 370 m ligt Belangrijk weidevogelgebied. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. In het plangebied wordt een karakteristiek landschapselement weggehaald namelijk de huidige knotwilgen(rij).
De knotwilgen welke verloren gaan ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden in meervoud vervangen in de nieuwe situatie. Hierdoor worden de verloren karakteristieke landschapselementen teruggebracht en versterkt.
67
Afbeelding 29: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
Afbeelding 30: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
68
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Voor het plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (aanleg- en gebruiksfase). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor wat betreft de verkeersgeneratie van het plan, hoewel dit in de praktijk lager zal uitvallen (zie paragraaf 2.2.2 Verkeer en parkeren), uitgegaan van de minimale verkeersgeneratie op grond van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) en dat 7,5% van deze verkeersgeneratie voertuigbewegingen met zwaar vrachtverkeer betreft. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.
Conclusie Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te dempen sloten en aanwezige groenstructuren een relevante functie hebben voor heikikker, grote modderkruiper en platte schijfhoren. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan.
69
4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Adcim B.V. een verkennend onderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. Voor de voorgenomen grondtransactie, de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw op het terrein vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering, uitgezonderd de eerder aangetroffen sterke verontreiniging in de oostelijk gedempte sloot op perceel E802. Uit eerder onderzoek blijkt dat de oostelijk gedempte sloot op perceel E802 sterk verontreinigd is. Door Geofox Lexmond is vastgesteld dat dit een ernstige verontreiniging betreft. Vastgesteld is dat de demping circa 3,5 meter breed en 152 meter lang is.
De bodemlaag waarin slib en stortmateriaal voorkomt, is aanwezig tussen 0,8 en 2,0 mmv. De gemiddelde dikte is 0,35 meter. Het volume verontreinigde grond is daarmee circa 190 m3. Voor de westelijke sloot werd toentertijd geen ernstige verontreiniging geconstateerd. Aanbevolen wordt de ernstige bodemverontreiniging bij herinrichting te saneren. De verontreiniging betreft een geval van bodemverontreiniging ontstaan voor 1987. Sanering kan plaats vinden door het indienen van een BUS melding of saneringsplan. Bij het werken in verontreinigde grond dient rekening gehouden te worden met de aanbevelingen van CROW publicatie 400. Conclusie Voor de voorgenomen grondtransactie, de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw op het terrein vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering, uitgezonderd de eerder aangetroffen sterke verontreiniging in de oostelijk gedempte sloot op perceel E802.
70
4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen aan of nabij het oppervlak (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
71
Afbeelding 31: Archeologische verwachtingskaart
Voor het plan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. Het onderzoek heeft aangetoond dat aan de noordelijke rand van het plangebied relatief hooggelegen rivierduinafzettingen aanwezig zijn. De top van deze rivierduin ligt op 6.83-6.98 m -NAP (4.95-5.00 m onder maaiveld). Op basis van de hooggelegen ligging blijft de hoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Mesolithicum op de rivierduin in het noorden van het plangebied gehandhaafd. Voor alle andere perioden is de verwachting op het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied op basis van de resultaten van het booronderzoek bijgesteld naar laag, waarvoor geen vervolgonderzoek wordt geadviseerd. Het is nog niet bekend of het archeologische niveau op de rivierduin op 6.83-6.98 m -NAP (4.95- 5.00 m onder maaiveld) in het noorden van het plangebied wordt bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden. Op basis van de bevindingen van dit bureau- en booronderzoek wordt het echter wel als onderzoekswaardig beschouwd, waardoor vervolgonderzoek wordt geadviseerd indien werkzaamheden dieper dan 4.5 m onder maaiveld reiken en daarmee een bedreiging vormen voor dit niveau (inclusief een bufferzone).
In het noordelijk deel zijn geen werkzaamheden dieper dan 4.5 m onder maaiveld voorzien, waardoor vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
72
Het archeologisch onderzoek is namens de gemeente Molenwaard beoordeeld door Hamaland Advies. Hamaland Advies onderschrijft de conclusies uit het onderzoek. Voor het noordelijke deel van het plangebied blijft de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 4’ gehandhaafd. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk (eventuele) archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.
73
4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij nieuwbouw de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. In het plan zijn duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. De bedrijfspanden zullen voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. De bedrijfspanden wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De bedrijfspanden wordt gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Deze eisen worden gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De bedrijfspanden wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen in combinatie met zonne-energie.
Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het plan is om hemelwater van dakvlakken in eerste instantie op te vangen. Overtollig hemelwater wordt direct afgevoerd op omliggende watergangen. Het plan voorziet in voldoende watercompensatie. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien te kunnen opvangen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De bedrijfspanden worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de bedrijfspanden rekening gehouden met de accumulatie van warmte.
De installaties in de bedrijfspanden worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht met streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Er wordt in het kader van hittestress onderzoek gedaan naar de kleur van de verharding en opvang van regenwater voor koeling. 74
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘ Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg (vastgesteld op 29 juni 2011) en ontwerpbestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Melkweg fase 2’ (gepubliceerd op 31 maart 2020). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijventerrein Het bedrijventerrein wordt logischerwijs bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Op het bestemmingsvlak worden twee bouwvlakken opgenomen. De bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is vastgelegd middels de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte’. Groen De groene omzoming van het bedrijventerrein wordt bestemd als ‘Groen’. In de bestemming ‘Groen’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt en is parkeren uitgesloten. Waarde – Archeologie 4 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
5.4 Aanduidingen • • •
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2.0’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’;
75
• • • •
Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’; Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m): 9’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m): 11’.
76