6. Geconsolideerde tekst GR Avres
Tekst van het document
Het concept uittredingsplan wordt vervolgens ter zienswijze aangeboden aan de gemeenten, waarbij de raden en colleges gedurende tien weken in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het concept uittredingsplan kenbaar te maken aan het algemeen bestuur. Na ontvangst van de zienswijzen stelt het algemeen bestuur het definitieve uittredingsplan vast - waarbij het algemeen bestuur de uitkomsten van de ontvangen zienswijzen betrekt -, met daarin opgenomen de concept uittreedsom, dit laatste onder verwijzing van het bepaalde in het zevende lid van dit artikel. Alvorens het algemeen bestuur het concept uittredingsplan voor zienswijzen aanbiedt aan de gemeenteraden en de colleges, stelt het dagelijks bestuur de ondernemingsraad van Avres in de gelegenheid om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept uittredingsplan, conform de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden. Met de inhoud van dit advies wordt rekening gehouden bij het opstellen van het concept uittredingsplan.
Indien het dagelijks bestuur tijdens het opstellen van het concept uittredingsplan vaststelt dat de uittreding een verlies van 20 of meer arbeidsplaatsen tot gevolg heeft of kan hebben, treedt het dagelijks bestuur in overleg met de bij de sector betrokken vakbonden om te bepalen of het opstellen van een sociaal plan noodzakelijk is. De conclusies van dit overleg worden alsdan opgenomen in het voorstel waarmee het algemeen bestuur het concept uittredingsplan ter zienswijze aanbiedt aan de gemeenteraden en de colleges. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding, zijnde het jaar T-1 per 1 januari 00:00 uur, als bedoeld in artikel 41, derde lid. Het algemeen bestuur biedt de uittredende deelnemer de keuze om de definitieve uitstroom som te betalen in een aantal termijnen of om de definitieve uittreedsom in een keer te betalen. Deze keuze wordt opgenomen in het besluit van het algemeen bestuur tot vaststelling van de definitieve uittreedsom, als bedoeld in het zevende lid.
Artikel 43 Berekening van de te vergoeden kosten 1.
2.
3.
De berekening en de vaststelling van de voorlopige, respectievelijk de berekening en de vaststelling van de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten die de uittredende deelnemer toekomen. Bij de berekening van de frictiekosten en de desintegratiekosten worden de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting in acht genomen. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. Onder frictiekosten, wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 25
4.
Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen, zowel ontstaan als direct gevolg van de uittreding, als ontstaan als direct gevolg van de uittreding binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding. Onder baten wordt in ieder geval verstaan het financiële aandeel van de uittredende deelnemer in het vermogen/de reserves van het openbaar lichaam, waarbij het aandeel is gebaseerd op de financiële verdeelsleutel bedrijfsvoering. Na uittreding en (eventuele) uitbetaling van / verrekening met het aandeel in het vermogen / de reserves aan / ten behoeve van de uittredende deelnemer, bepaalt het algemeen bestuur voor de achterblijvende deelnemers de nieuwe omvang van het vermogen / de reserves onder gelijktijdige vaststelling van een nieuwe verdeelsleutel. Artikel 36, vijfde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. De afbouw binnen het openbaar lichaam van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen, behelst een periode van vijf jaar.
De jaarlijkse kosten die gepaard gaan met de afbouw worden in het uittredingsplan - en daarmee in de definitieve uittreedsom - voor het eerste jaar na de uittreding op 100 % gesteld, met een toepassing van een staffel voor de daarop volgende jaren. Het voorgaande leidt vervolgens tot het volgende schema van betaling van de kosten van de afbouw: - In het eerste jaar na de uittreding: betaling van 100 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; - In het tweede jaar na de uittreding: betaling van 80 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; - In het derde jaar na de uittreding: betaling van 60 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; - In het vierde jaar na de uittreding: betaling van 40 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; - In het vijfde jaar na de uittreding: betaling van 20 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
5.
6.
7.
Artikel 44 Peildatum van de feiten en omstandigheden 1.
2.
De berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittredsom, tenzij de uitgetreden deelnemer, dan wel het algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. De wederpartij inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. De wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uitreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
Artikel 45 Overige aspecten met betrekking tot de kostenbepaling
26
1.
2.
3.
4.
Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het uitgangspunt zoals benoemd in het tweede lid, is voor de uittredende deelnemer van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van Avres die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
De vertegenwoordigers van de uittredende deelnemer in het algemeen bestuur houden gedurende de periode vanaf het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het algemeen bestuur rekening met de belangen van het openbaar lichaam zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig onthouden deze vertegenwoordigers zich van beraadslaging en besluitvorming tenzij dit strijdig is met de belangen van hun gemeenten.
Artikel 46 Wijziging gemeenschappelijke regeling naar aanleiding van uittreding Gelijktijdig met het opstellen van het van het concept uittredingsplan stelt het algemeen bestuur indien dit noodzakelijk is gelet op de uittreding - een voorstel voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling en van de daarop gebaseerde besluiten op. Dit voorstel wordt samen met concept uittredingsplan aan de deelnemers toegezonden voor besluitvorming. Artikel 47 Archiefoverdracht bij uittreding De archiefbescheiden van de uittredende deelnemer die noodzakelijk zijn voor continuering van dienstverlening en ondersteuning door de uittredende deelnemer richting haar inwoners, worden door de gemeenschappelijke regeling overgedragen aan de uittredende deelnemer, danwel aan een door de uittredende deelnemer aan te wijzen derde partij, dit laatste evenwel alleen na gegeven schriftelijke toestemming.
27
Hoofdstuk 14 Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Artikel 48 Wijziging 1. 2.
3. 4. 5.
Zowel het algemeen bestuur, als de raad en het college van burgemeester en wethouders van een deelnemer in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid dat uitgaat van de raad en het colleges van burgemeester en wethouders van een deelnemer, dient te worden ondersteund door een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt. Het algemeen bestuur legt het voorstel tot wijziging ter beslissing voor aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. Wijziging van de regeling vindt plaats indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten in gezamenlijkheid daartoe eensluidend besluiten. Het besluit tot wijziging wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten.
28
Hoofdstuk 15 Opheffing Artikel 49 Aanvang van de opheffingsprocedure. 1. 2.
3.
4.
5.
Zowel het algemeen bestuur als de raad en het college van burgemeester en wethouders in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling. Het algemeen bestuur legt het voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling ter beslissing voor aan de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten. Een dergelijk voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling gaat in ieder geval van het algemeen bestuur uit, indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van een raad college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 41, eerste lid van deze regeling de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling nog wel mogelijk is. Opheffing van de regeling vindt plaats indien de colleges en de raden in gezamenlijkheid, die tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in het algemeen bestuur vertegenwoordigen, daartoe besluiten.
In afwijking van het bepaalde in het derde lid, vindt opheffing van de regeling eveneens plaats indien een van de deelnemers uittredingsbesluiten neemt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de gemeenschappelijke regeling en er door ten minste één ander college van de overige deelnemers, alsmede door de raad van diezelfde deelnemer, gedurende de effectueringsperiode van de eerst ontvangen uittredingsbesluiten, ook besluiten tot uittreding worden genomen, danwel besluiten worden genomen houdende een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres. De besluiten tot uittreding van beide deelnemers, danwel de besluiten tot uittreding samen met de besluiten houdende een voorstel tot opheffing van de regeling worden alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie. Indien het algemeen bestuur binnen zes maanden na ontvangst van besluiten van een deelnemer houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, van een andere deelnemer eveneens besluiten ontvangt houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, worden deze besluiten alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege.
Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie.
Artikel 50 Besluit tot liquidatie en opstellen liquidatieplan 1.
2. 3.
4.
5.
Ingeval van een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het algemeen bestuur daartoe, met in achtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk, een concept liquidatieplan op. Het concept liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur ter zienswijze aangeboden aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Het liquidatieplan wordt, nadat de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten gedurende een termijn van tien weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op het concept liquidatieplan uit te brengen, vastgesteld door het algemeen bestuur. Alvorens het algemeen bestuur het concept liquidatieplan voor zienswijzen toezendt aan de colleges en de gemeenteraden, stelt het de ondernemingsraad van Avres in de gelegenheid om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept liquidatieplan, conform de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden. Met de inhoud van dit advies wordt rekening gehouden in het concept liquidatieplan. Alvorens het algemeen bestuur het concept liquidatieplan voor zienswijzen toezendt aan de colleges en de gemeenteraden treedt het algemeen bestuur bovendien in overleg met de bij de sector betrokken vakbonden om te bepalen of bij het opstellen van het concept liquidatieplan 29
6.
een sociaal plan noodzakelijk is. De conclusies van dit overleg worden opgenomen in het voorstel waarmee het concept liquidatieplan ter zienswijze wordt aangeboden aan de colleges en de gemeenteraden. Het besluit tot liquidatie wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem samen met het vastgestelde liquidatieplan toegezonden aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid Holland.
Artikel 51 Inhoud van het liquidatieplan Het liquidatieplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. Het tijdstip van liquidatie van de gemeenschappelijke regeling; b. Een beschrijving van de aanleiding tot liquidatie van de gemeenschappelijke regeling; c. Een beschrijving van de wijze waarop taken voorafgaand aan en na afloop van de liquidatie zullen worden afgehandeld; d. Een beschrijving van de wijze waarop de overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden dient plaats te vinden; e. Een beschrijving van de wijze waarop de dienstverlening en ondersteuning na de liquidatie zullen worden gecontinueerd; f. Een beschrijving van de lopende (financiële) verplichtingen en de wijze van afwikkeling hiervan; g. Een beschrijving van de wijze van toerekening en toedeling van een positief of negatief saldo van de gemeenschappelijke regeling aan de deelnemers, alsmede de wijze van toerekening en toedeling van de kosten die gepaard gaan met de opheffing. In geval van een negatief saldo bevat het plan tevens regels voor de wijze waarop de gemeenten zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van Avres. h. Een beschrijving van de wijze waarop de gevolgen van de opheffing voor het personeel worden geregeld; i. Een beschrijving van de wijze waarop de opheffing van de gemeenschappelijke regeling zal worden gecommuniceerd.
Artikel 52 Uitgangspunt voor wijze van toerekening en toedeling saldi en kosten 1.
2.
Bij de toerekening en toedeling van een positief of negatief saldo, alsmede bij de toerekening en toedeling van de kosten van de opheffing, is de financiële verdeelsleutel van toepassing, zoals is opgenomen in de begroting van Avres van het jaar waarin het algemeen bestuur het liquidatieplan vaststelt. Voor de berekening van de toerekening en toedeling van de saldi, alsmede bij de berekening van de toerekening en toedeling van de kosten van de opheffing, kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige inschakelen. Het bepaalde in artikel 42, lid 3 en lid 4 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53 Het dagelijks bestuur als vereffenaar 1. 2.
Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie en treedt op als vereffenaar. Het bestuur van Avres blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.
Artikel 54 Het archief na liquidatie Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover de archiefbescheiden niet noodzakelijk zijn voor de continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeenten, overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Gorinchem. Indien archiefbescheiden wel noodzakelijk zijn 30
voor continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n), vindt de overdracht hiervan plaats aan de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n). Overdracht van archiefbescheiden kan ook plaatsvinden aan een door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n) aan te wijzen derde, echter niet nadat hiertoe eerst door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n) schriftelijke toestemming is verleend.
31
Hoofdstuk 16 Geschillenbeslechting Artikel 55 Geschillen Geschillen omtrent de toepassing van de regeling, in de ruimste zin, tussen besturen van de gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van Avres, worden, overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regeling, beslist door gedeputeerde staten. Artikel 56 Klachten Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het algemeen bestuur een voorziening getroffen.
32
Hoofdstuk 17 Evaluatie en rekenkameronderzoek Artikel 57 Evaluatie 1.
2.
Eenmaal in de vier jaar evalueert Avres haar functioneren en de samenwerkingsrelatie met de deelnemers en brengt daarvan verslag uit aan de colleges en de raden van de gemeenten, vergezeld van conclusies en aanbevelingen. De eerstvolgende evaluatie zal in 2026 worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de evaluatie wordt door het dagelijks bestuur in het jaar voorafgaande aan de evaluatie een onderzoeksvraagstelling geformuleerd, welke vervolgens voor advies aan de deelnemers zal worden voorgelegd. Na ontvangst van de adviezen stelt het algemeen bestuur de onderzoeksvraagstelling vast.
Artikel 58 Rekenkameronderzoek De door de aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende raden ingestelde rekenkamers of rekenkamercommissies zijn afzonderlijk of in samenwerking bevoegd bij de door of vanwege de gemeenschappelijke regeling ingestelde organen of commissies nadere inlichtingen in te winnen en de beschikking te krijgen over alle informatie of deze te vorderen die nodig is voor de uitoefening van de in artikel 184 van de Gemeentewet omschreven taken, waaronder het instellen van een onderzoek.
33
Hoofdstuk 18 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 59 Overgangsbepaling 1. De gemeenschappelijke regeling Avres is bij haar oprichting als fusieorganisatie sinds 1 januari 2016 een voortzetting van de gemeenschappelijke regeling “Wvs De Avelingen Groep” en de gemeenschappelijke regeling “Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden”. 2. Met het oog op voortdurende wettelijke, juridische en financiële omstandigheden is de gemeenschappelijke regeling Avres voortgebouwd op de juridische structuur van de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep en is de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden per 1 januari 2016 geliquideerd en heeft vereffening plaatsgevonden. 3. Op grond van de gemeenschappelijke regeling Avres 2016, is het openbare lichaam gemeenschappelijke regeling Avres, met ingang van 1 januari 2016 in de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechten en plichten van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard /Vijfheerenlanden getreden, voor wat betreft de in artikel 4, 5 en 6 van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden omschreven belangen, taken en bevoegdheden. Artikel 60 Inwerkingtreding 1. 2. 3.
4.
De regeling is een voortzetting van de regeling “gemeenschappelijke regeling Avres 2016”. De voortgezette regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 30 juni 2024 . Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem draagt zorg voor tijdige bekendmaking van de regeling in alle deelnemende gemeenten in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad . Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
Artikel 61 Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Avres 2024”.
34
Aldus besloten ieder voor wat betreft de eigen bevoegdheid, De gemeenteraad van Giessenlanden d.d. 10 december 2015 Het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden d.d. 3 november 2015 De gemeenteraad van Gorinchem d.d. 26 november 2015 Het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem d.d. 4 november 2015 De gemeenteraad van Leerdam d.d. 26 november 2015 Het college van burgemeester en wethouders van Leerdam d.d. 3 november 2015 De gemeenteraad van Molenwaard d.d. 17 november 2015 Het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard d.d. 3 november 2015 De gemeenteraad van Zederik d.d. 14 december 2015 Het college van burgemeester en wethouders van Zederik d.d. 3 november 2015 Aldus geconstateerd tijdens de vergadering van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Wvs de Avelingen Groep, (Gepubliceerd Staatscourant 2015, nr. 48852) Gorinchem,
17 december 2015
De voorzitter,
De secretaris,
Dhr. B. Bruggeman
Mevr. S.N. Spanjaard
Eerste wijziging van de regeling met ingang van 1 januari 2018, geconstateerd aan de hand van de besluiten van de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten tijdens de vergadering van het algemeen bestuur van Avres op 21 december 2017, (Wijziging is gepubliceerd in Staatscourant 2018, nr. 288) Gorinchem,
21 december 2017
De voorzitter,
De secretaris,
Dhr. B. Bruggeman
Mevr. S.N. Spanjaard
35
Tweede wijziging van de regeling met ingang van 07-12-2019, welke terugwerkt tot en met 1 januari 2019 (Wijziging is gepubliceerd in Staatscourant 2019, nr. 67492) Aldus besloten ieder voor wat betreft de eigen bevoegdheid, De gemeenteraad van Gorinchem d.d. 31 oktober 2019 Het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem d.d. 31 oktober 2019 De gemeenteraad van Vijfheerenlanden d.d. 13 juni 2019 Het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden d.d. 13 juni 2019 De gemeenteraad van Molenlanden d.d. 11 juni 2019 Het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden d.d. 11 juni 2019 Derde wijziging van de regeling met ingang van 09-07-2020, welke terugwerkt tot en met 1 januari 2020 (Wijziging is gepubliceerd in Staatscourant 2020, nr. 174526) Aldus besloten ieder voor wat betreft de eigen bevoegdheid, De gemeenteraad van Gorinchem d.d. 28-05-2020 Het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem d.d. 28-04-2020 De gemeenteraad van Vijfheerenlanden d.d. 17-03-2020 Het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden d.d. 23-04-2020 De gemeenteraad van Molenlanden d.d. 21-04-2020 Het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden d.d. 24-03-2020 Vierde wijziging Aldus besloten ieder voor wat betreft de eigen bevoegdheid, De gemeenteraad van Gorinchem d.d.
09-12-2021 Het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem d.d. 16-11-2021 De gemeenteraad van Vijfheerenlanden d.d. 14-12-2021 Het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden d.d.09-11-2021 De gemeenteraad van Molenlanden d.d. 23-11-2021 Het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden d.d. 09-11-2021 Geconsolideerde tekst is na wijziging gepubliceerd door Gorinchem in het gemeenteblad 2022, nr. 173814 36
Algemene toelichting 1. Inleiding Sinds de fusie tussen de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (RSD) en het werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep - en daarmee de oprichting van Avres per 1 januari 2016 -, is dit de vijfde wijziging (van de tekst) van de gemeenschappelijke regeling. Deze wijziging van de (tekst van de) gemeenschappelijke regeling - vanwege voortdurende wettelijke, juridische en financiele omstandigheden een voortzetting van de Gemeenschappelijke regeling Avelingen Groep, waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de voormalige RSD zijn ingevlochten - is wat meer elementair dan de voorgaande vier wijzigingen. De vorige wijzigingen vonden met name hun oorzaak in regionale ontwikkelingen (uittredingen van deelnemende gemeenten (Hardinxveld-Giessendam en Lingewaal) en gemeentelijke herindelingen (Molenwaard en Giessenlanden en Leerdam. Zederik en Vianen), en in de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). De aanleiding voor de huidige wijziging daarentegen is een meer fundamentele wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr); de organieke wet waar ook Avres haar grondslag aan ontleent. Deze laatste wijziging van de wet - zo beschrijft het wetsvoorstel - heeft als voornaamste doelstelling de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken.
Daartoe is een aantal wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen opgenomen. De belangrijkste wijzigingen - voor zover van toepassing en directe doorwerking voor Avres - zijn: • Langere termijnen planning en control cyclus (= begroting); • Reactie op zienswijze ontwerp begroting(swijziging); • Zienswijzen op andere besluiten dan ontwerpbegroting; • Actieve informatieplicht van het bestuur van het samenwerkingsverband / de gemeenschappelijke regeling; • Regionale raadsadviescommissie; • Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid; • Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling; en • Verplichte opneming van een evaluatiebepaling. Een deel van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is op 1 juli 2022 in werking getreden. Dit geldt dan in het bijzonder voor de langere doorlooptijden bij het vaststellen van de begroting. Het overgrote deel van de overige wijzigingen treedt op 1 juli 2024 in werking. Dit biedt de gemeenschappelijke regelingen en de gemeenten de mogelijkheid om de wijzigingen tijdig formeel en feitelijk te vertalen en te implementeren in (de tekst van) de gemeenschappelijke regelingen. In het proces van het opstellen van de gewijzigde tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres heeft er diverse malen overleg plaatsgevonden met de griffies van alle drie deelnemende gemeenten.
De inventarisatie van de wijzigingen uit het wetsvoorstel in relatie tot datgene wat hieromtrent reeds in de “oude” tekst of nadere regelgeving geregeld was, de uitkomst van de gesprekken met de griffies en nog enige (andere) actualiseringsaspecten, hebben geleid tot de thans voorliggende tekst. In het volgende hoofdstuk zal kort en op hoofdlijnen worden ingaan op welke wijze de wijzigingen zijn verwerkt. 2.
De doorgevoerde wijzigingen in de tekst van de GR Avres
Langere termijnen planning en control cyclus. De langere termijnen planning en control cyclus, hebben betrekking op de ruimere doorlooptijden bij het besluitvormingsproces rondom de begroting(swijzigingen). Onder de werking van de “oude” wet moest de vastgestelde begroting vóór 15 augustus bij de provincie zijn ingediend. Na de wetswijziging is deze datum verschoven naar 15 september. Tegelijkertijd is de termijn van de wettelijke ver37
plichte zienswijzeprocedure op de ontwerp begroting verruimd van acht naar twaalf weken. Deze verschuiving valt voor een (groot deel) in de periode van het zomerreces, een periode waarin besluitvormingsprocessen gewoonlijk stilliggen. De verruiming biedt echter wel de mogelijkheid voor de raden om het hele traject van zienswijze vóór het zomerreces (7-15 juli) af te ronden. De vaststelling van de begroting door het AB wordt dan over het zomerreces heen getild (31 augustus – 14 september), in plaats dat deze vaststelling plaatsvindt - zoals voorheen gebruikelijk was - vóór het zomerreces. (artikel 32 GR Avres) Overigens geldt de verruiming van de termijn van het besluitvormingsproces niet voor de jaarrekening. Deze moet - net als voorheen - vóór 15 juli bij de provincie zijn ingediend. De niet wettelijke zienswijzeprocedure - hiervoor is bij de totstandkoming van Avres in 2016 gekozen (zie ook zienswijze op andere besluiten dan ontwerpbegroting) - en de vaststelling moeten dan ook vóór het zomerreces zijn afgerond. Wel is de termijn van de zienswijzeprocedure voor de jaarrekening iets uitgebreid: van acht naar tien weken. (artikel 33 GR Avres) Reactie op zienswijze ontwerpbegroting.
Na het doorlopen van de zienswijzeprocedure en de vaststelling van de begroting (en rekening) door het algemeen bestuur, was het binnen Avres al gebruikelijk om een reactie op de uitgebrachte zienswijze(n) naar de gemeenten te sturen. Het versturen van een reactie op de zienswijzen is nu ook wettelijk verankerd en heeft om die reden ook een plek gekregen in de GR Avres. Afwijkend ten opzichte van de praktijk in het verleden is daarbij dat deze reactie niet meer na de vaststelling, maar voor de vaststelling moet worden verzonden. Ook dat is in de tekst van de GR verwerkt. (artikel 32 GR Avres) Zienswijzen op andere besluiten dan ontwerpbegroting Avres is een zogeheten gemengde raadsregeling waarbij zowel de raden als de colleges taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden hebben overgedragen aan Avres. Bij de totstandkoming van Avres in 2015 - 2016 is er reeds voor gekozen om de verbinding met de raden en de colleges zo maximaal mogelijk vorm te geven door in besluitvormingsprocessen zienswijzeprocedures in te bouwen. Dit betreft niet wettelijk verplichte zienswijzeprocedures voor (extern werkende) verordeningen (artikel 11, lid 3 GR Avres), de jaarrekening (artikel 33, lid 2 Gr Avres) en strategische en kadernota’s (artikel 11, lid 3 GR Avres).
In vergelijking met de vorige (tekst van de) gemeenschappelijke regeling is de termijn waarbinnen deze zienswijzeprocedure lopen uitgebreid van acht naar tien weken. Naast de zienswijzeprocedures stellen de raden het meerjarenbeleidsplan van Avres vast (artikel 6 GR Avres) en het bankreglement (artikel 5, lid 4 GR Avres) De wijziging in de Wet gemeenschappelijke regelingen die de mogelijkheid biedt om ook zienswijzeprocedures toe te passen op andere besluiten dan de ontwerpbegroting heeft derhalve geen gevolgen voor de bestaande handelswijze omdat dit reeds in 2016 sinds de oprichting van Avres is geregeld. Actieve informatieplicht van het bestuur van het samenwerkingsverband / de gemeenschappelijke regeling. Een bepaling over de actieve informatieplicht is al sinds 2002 opgenomen in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op grond van die bepaling dient het bestuur de raden en de colleges te voorzien van alle inlichtingen die de raden en/of de colleges nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. In de vorige tekst van de gemeenschappelijke regeling stond dit enkel geformuleerd voor het algemeen bestuur. Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is dit verruimd. Niet langer geldt de actieve informatieplicht (alleen) voor het algemeen bestuur, maar voor het gehele bestuur van de gemeenschappelijke regeling.
Alle bestuursorganen binnen de gemeenschappelijke regeling, dat wil zeggen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter, hebben nu afhankelijk van hun taken en bevoegdheden binnen de gemeenschappelijke regeling een actieve informatieplicht. Dit wordt in de nieuwe bepaling vorm gegeven door het gebruik van het woord bestuur dat alle bestuursorganen omvat (artikel 26, lid 1 en lid 3 GR Avres). De informatieverstrekking 38
ook als het vanuit de overige twee bestuursorganen betreft, gaat uit van het dagelijks bestuur (lid2), tenzij expliciet wordt verzocht dat deze informatie wordt verstrekt door het algemeen bestuur of de voorzitter. Hiervoor is gekozen omwille van de coördinerende rol die het dagelijks bestuur uitoefent rondom de informatievoorziening. In het kader van de informatievoorziening is verder in artikel 28, lid 3 van de tekst van de GR invulling gegeven aan de inwerking getreden bepalingen uit de Wet open overheid. Regionale raadsadviescommissie Een geheel nieuw instrument is de zogeheten regionale adviescommissie. De Wet gemeenschappelijke regeling geeft de gemeenteraden de mogelijkheid om het algemeen bestuur te verzoeken een regionale adviescommissie in te stellen. Omdat deze mogelijkheid al in de wet is opgenomen is het niet noodzakelijk om dit per se in de tekst van de gemeenschappelijke regeling op te nemen. Toch is dit in de nieuwe tekst van de GR gebeurd als “kapstokartikel”, om als daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, een wat meer directe borging van deze commissie in de governancestructuur van Avres te krijgen. De instelling van een raadsadviescommissie geschiedt door het algemeen bestuur op verzoek (=besluit) van de betrokken gemeenteraden. Alle raden moeten instemmen met de instelling van de raadsadviescommissie.
Als dat gebeurt, dan is het voor het algemeen bestuur een verplichting om tot instelling hiervan over te gaan. Het kiezen van de leden van de commissie per gemeente is aan de betreffende raad. Een raad kan na haar genomen instemmend besluit tot instelling, ook besluiten om niet actief te participeren. Alleen raadsleden kunnen lid zijn. De doelstelling van de raadsadviescommissie is om raden met elkaar te laten overleggen bijvoorbeeld met het oog op het afstemmen van een uit te brengen zienswijze. De raadsadviescommissie is uitdrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. Besluitvorming blijft bij de individuele raden liggen. Daarnaast kan de raadsadviescommissie een advies geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Zoals hierboven al is aangegeven is in de tekst van de gemeenschappelijke regeling de mogelijkheid tot het instellen van een raadsadviescommissie als kapstokartikel opgenomen (artikel 21, lid 1 GR Avres). Of een dergelijke adviescommissie er bij Avres ook komt, is uiteindelijk afhankelijk van een besluit dat alsdan door alle raden eensluidend is genomen. Na een dergelijk instellingsbesluit moet het algemeen bestuur de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de raadsadviescommissie regelen.
Het algemeen bestuur kan de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van de raadsadviescommissie pas vaststellen, nadat de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. (artikel 21, lid 2 GR Avres). De raadsadviescommissie heeft in de tekst van de gemeenschappelijke regeling een plek gekregen tussen de andere commissies die kunnen worden ingesteld: de bestuurscommissie (artikel 22 GR Avres) en de commissie van advies (artikel 23 GR Avres). De auditcommissie, die in de oude tekst van de GR was opgenomen onder artikel 23a, is geschrapt. Deze is bij de oprichting van Avres in de tekst opgenomen omdat toen slechts 3 van de 7 gemeenten vertegenwoordigd waren in het dagelijks bestuur. Op deze wijze - zo was de gedachte - konden de gemeenten die toen niet vertegenwoordigd waren in het DB, meer betrokken worden bij de financiële aspecten binnen Avres. Door middel van een praktische aanpassing van de werkwijze door het DB vlak na de oprichting van Avres, maar op dit moment ook en vooral omdat alle drie de deelnemende gemeenten op gelijke wijze in zowel in het DB als het AB zijn vertegenwoordigd, is de noodzaak voor een dergelijke auditcommissie verdwenen. Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
Burgerparticipatie is een nieuw aspect dat in de gewijzigde wet is opgenomen. De Wet gemeenschappelijke regelingen loopt hiermee vooruit op een aanstaande wijziging van de Gemeentewet. 39
Participatie van en door inwoners wordt steeds belangrijker gevonden. Om die reden is in de Wgr dan ook bepaald dat in de tekst van de gemeenschappelijke regeling moet worden opgenomen op welke wijze ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. In de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres is dit uitgewerkt in artikel 24. In het tweede lid van dit artikel is in het kader van de burgerparticipatie met name de rol (en positie) van de cliëntenraad van Avres benoemd. In de tekst van de gemeenschappelijke regeling is hieraan ook nog verder invulling gegeven in artikel 11, vijfde lid. Deze bepaling biedt de cliëntenraad, bij het uitbrengen van een advies aan het algemeen bestuur, een gelijkwaardige positie als de gemeenteraden bij het uitbrengen van een zienswijze. Overigens is in het tweede lid van artikel 24 uitdrukkelijk gekozen voor de formulering dat de door het algemeen bestuur op grond van artikel 47 van de Participatiewet ingestelde cliëntenraad in ieder geval een van de vormen is waardoor invulling wordt gegeven aan burgerparticipatie. Ook inspraak tijdens de vergadering van het algemeen bestuur (artikel 10, lid 3, tekst GR Avres) en bijvoorbeeld opiniepeilingen zijn vormen waarmee invulling en inhoud kan worden gegeven aan burgerparticipatie.
Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling Sinds haar oprichting in 2016 heeft Avres moeten inspelen op twee uittredingen (gemeente Hardinxveld-Giessendam en de voormalige gemeente Lingewaal). Daarnaast waren er ook twee gemeentelijke herindelingen (gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik, en Molenwaard en Giessenlanden). In dat licht heeft het algemeen bestuur al in 2016 een uitgebreidere uitgewerkte uittredingsregeling vastgesteld, later gevolgd door een gecombineerde uittredings-/opheffingsregeling. Deze uitgewerkte regeling voldoet inhoudelijk nog steeds, echter op grond van de bepalingen in de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen, mag een dergelijke uitwerking niet meer in een nadere regeling plaatsvinden, maar moet dit onderdeel zijn van de tekst van de gemeenschappelijke regeling zelf. Om die reden is de bestaande tekst van de uittredings-/opheffingsregeling inhoudelijk zoveel mogelijk één op één verplaatst naar de tekst van de gemeenschappelijke regeling (artikel 41 t/m 47 en artikel 49 t/m 54, tekst GR Avres). Wel zijn daarbij enkele artikelen tot nieuwe artikelen samengevoegd en zijn de artikelen passend gemaakt aan de huidige situatie van drie deelnemende gemeenten. Eén nieuw element is daarbij toegevoegd.
Dit nieuwe element betreft artikel 43, zesde lid van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres en behelst de toepassing van een zogeheten staffel bij de afbouw binnen het openbaar lichaam van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen. De toepassing van een dergelijke staffel is door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid Holland als verplichting (aan Avres) opgelegd in een uitspraak naar aanleiding van een procedure van administratief beroep tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld Giessendam en het algemeen bestuur van Avres (uitspraak GS provincie Zuid Holland d.d. 04-07-2017). Het staffelprincipe is ook toegepast bij de latere uittreding van de voormalige gemeente Lingewaal. Van de gelegenheid tot aanpassing van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres is ook gebruik gemaakt tot het invoegen van een drietal nadere aspecten bij de toetreding van een nieuwe deelnemer. Deze aspecten hebben betrekking op de storting van een kapitaal in de reserves, de kosten die gepaard gaan met de “invlechting” van de nieuwe deelnemer en de aanpassing van de financiële verdeelsleutel (artikel 40, lid 4, tekst GR Avres). Verplichte opneming van een evaluatiebepaling.
Tijdens het totstandkomingsproces van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen werd geconstateerd dat in heel veel gemeenschappelijke regelingen een bepaling rondom evaluatie ontbrak. In de oude tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres was een dergelijke bepaling al wel
40
opgenomen. De laatste evaluatie van Avres is in 2021 ter bespreking aangeboden aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 57 van de tekst van de gemeenschappelijke regeling betreft de evaluatiebepaling. Deze is geactualiseerd. Overige aspecten. In deze nieuwe versie van de tekst van de gemeenschappelijke regeling is verder een aantal technische en tekstuele wijzigingen doorgevoerd die beter aansluiten bij de situatie met drie deelnemers, inspelen op het feit dat Avres reeds acht jaar bestaat (bijvoorbeeld considerans, overgangsrecht en algemene toelichting) en rekening houden met wijzigingen in overige wet- en regelgeving.
41
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In artikel 1, eerste lid onder e, wordt met het begrip deelnemers nogmaals benadrukt dat het hier een regeling betreft tussen zowel de raden, als de colleges van burgemeester en wethouders. Het hanteren van alleen het begrip gemeente of deelnemende gemeente in dit verband zou tot verwarring kunnen leiden, immers de burgemeester als orgaan is bijvoorbeeld niet bij de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling betrokken. Door deelnemers te definiëren als in de begripsbepaling is vermeld, wordt op die plaatsen in de tekst benadrukt dat het de raden en de colleges zijn als gemeentelijke organen met wie de verbinding tussen de gemeenten en het openbare lichaam tot stand is gebracht. Verder wordt in artikel 1, eerste lid, onder h bij het college van gedeputeerde staten gesproken over de colleges van de provincie Zuid-Holland en Utrecht. Het rechtsgebied van onderliggende gemeenschappelijke regeling is provincie-overschrijdend. De gemeenten Gorinchem en Molenlanden behoren tot de provincie Zuid-Holland. De gemeente Vijfheerenlanden behoort tot de provincie Utrecht.
In de Wgr is in artikel 29 het uitgangspunt opgenomen dat het college van gedeputeerde staten van de provincie waar de plaats van vestiging van de gemeenschappelijke regeling is gelegen, de bevoegdheden uit de wet uitoefent die de provincie toekomen. Bij deze gemeenschappelijke regeling is dat derhalve de provincie Zuid-Holland. Wel vloeit uit de tweede en derde volzin uit artikel 29 Wgr voort, dat het college van GS bij het uitoefenen van haar bevoegdheden overleg voert met het andere college van GS en dat besluiten die moeten worden medegedeeld aan het college van gedeputeerde staten van de provincie waar de gemeenschappelijke regeling is gevestigd, ook aan gedeputeerde staten van die andere provincie moet worden medegedeeld. Artikel 2 Openbaar lichaam Een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam is de “zwaarste” vorm van een gemeenschappelijke regeling. Op grond van artikel 8, lid 1, tweede volzin Wgr bezit dit lichaam rechtspersoonlijkheid. De gemeenschappelijke regeling kan hierdoor zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld overeenkomsten afsluiten, maar ook besluiten om personeel in dienst te nemen. Op de vrijheid tot deelname aan het rechtsverkeer is één beperking van toepassing.
In artikel 31 a van de Wgr is opgenomen dat het oprichten en/of deelnemen in een privaatrechtelijke rechtspersoon slechts mogelijk is als de regeling daarin voorziet, “dat (…deelname en/of oprichting…) in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang” én dat een besluit niet eerder wordt genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en de raden in de gelegenheid zijn gesteld om hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen, Hoofdstuk 2: Belang, doelstelling, taken en bevoegdheden Artikel 3 Belang/doelstelling In artikel 3 wordt gevolg gegeven aan artikel 10, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin staat aangegeven dat het belang waartoe de gemeenschappelijke regeling is getroffen, in de gemeenschappelijke regeling moet staan vermeld. Het belang van de gemeenschappelijke regeling kan ook worden beschouwd als de doelstelling van de organisatie. Artikel 4 De taken van het openbaar lichaam
42
In het eerste lid van dit artikel worden taken opgesomd waarop het openbaar lichaam zich richt. Omdat deze gemeenschappelijke regeling de juridische basis vormt voor de fusieorganisatie van de Avelingen Groep en de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, worden in dit lid taken opgesomd die voorheen al door beide organisaties werden uitgevoerd. Overigens blijkt uit de woorden “in ieder geval”, dat in dit lid niet alle taken limitatief worden opgesomd. Een dergelijke limitatieve taakopsomming zou te gedetailleerd worden, met het gevaar dat wellicht een specifieke taak vergeten zou worden. Uit de jurisprudentie en de literatuur blijkt dat de beschrijving van het belang/de doelstelling - en de uitwerking daarvan in de taken - niet te algemeen mag zijn, maar ook niet tot op detailniveau hoeft plaats te vinden. De taakopsomming die in dit lid wordt gegeven is derhalve een opsomming op hoofdlijnen die verder reikt dan een algemene beschrijving, zonder dat deze tegelijkertijd te gedetailleerd is. Zij moet dan ook vooral worden beschouwd als een verdere uitbouw van hetgeen is gesteld in artikel 3, onder het belang / de doelstelling, waartoe de gemeenschappelijke regeling is getroffen. Overigens betekent de formulering van “het richten op” nog niet dat daarmee de taken ook daadwerkelijk zijn overgedragen.
De juridische basis voor de overdracht van de taken (en bevoegdheden) door de deelnemers aan het openbaar lichaam is geregeld in artikel 5. De formulering in artikel vijf in de vorm van “alle taken” - maakt bovendien dat de opsomming sluitend is geworden. In het tweede lid is een bepaling opgenomen over de taken die de organisatie toekomen in het kader van de (regionale) rampenbestrijding. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de gemeenten om bij rampen aan de burgers in de regio een bepaalde ondersteuning te geven. Omdat in 2015 de structuur en de organisatie bij rampenbestrijding zijn gewijzigd, zullen die taken kleinschaliger zijn dan in het verleden. De afspraken die de betrokken gemeenten en het openbare lichaam daarover gaan maken, zullen daarop worden afgestemd. Artikel 5 De overdracht van taken en bevoegdheden In dit artikel wordt de formele overdracht van de taken en bevoegdheden door de raden en de colleges van burgemeester en wethouders aan Avres geregeld (= delegatie). Het betreft hier een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een gemengde raadsregeling. Dit betekent dat zowel de colleges van burgemeester en wethouders als de raden deze regeling treffen.
Zij hebben derhalve als gemeentelijk bestuursorgaan in 2015 dus ook ieder afzonderlijk een besluit over deze gemeenschappelijke regeling genomen, en daarmee tevens - voor zover het de eigen bevoegdheden van de raad en het college betreft - ook een afzonderlijk besluit over de overdracht van de taken en de bevoegdheden. In de formulering van artikel 5 komt dit ook tot uitdrukking omdat wordt gesproken over de bevoegdheden die aan de raad of aan het college van burgemeester en wethouders zijn opgedragen/toekomen. Daar waar het een expliciete bevoegdheid van de raad of het college betreft is dit ook tot uitdrukking gebracht, bijvoorbeeld met betrekking tot het Bijstandsbesluit zelfstandigen, op grond waarvan slechts het college bevoegdheden bezit (lid 2) of het vaststellen van het plan schulddienstverlening, dat op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening toekomt aan de raad (lid 1). De bijzondere bijstand en het minimabeleid - voor zover dat gerelateerd is aan de bijzondere bijstand - worden in dit artikel niet expliciet benoemd. Zij maken als zodanig namelijk onderdeel uit van de (uitvoering) van de Participatiewet waarvan de overdracht van de taken en bevoegdheden al geregeld is.
Het verstrekken van (financiële) tegemoetkomingen in het kader van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie is overigens niet opgenomen in de overdracht van taken en bevoegdheden, omdat deze zijn grond vindt in de eigen bevoegdheid van het bestuur van de Regionale Sociale Dienst. 43
Bij het lezen en de interpretatie van de tekst van de gemeenschappelijke regeling is daarnaast ook artikel 11 van belang (de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur en de zienswijzeprocedure); artikel 18 (taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur en de overdracht van de bevoegdheden via de regeling door het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur). In het derde lid is bepaald dat een van de taken van Avres is, het in stand houden van een kredietbank. Omdat het hier een voortzetting van de kredietbank betreft die was ondergebracht bij de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, en Avres moet worden beschouwd als haar rechtsopvolger, wordt in dit lid gesproken over “het in stand houden” van een kredietbank. Het vierde lid geeft inhoud en gevolg aan het bepaalde in artikel 4.37 van de Wet op het financieel toezicht. Daarin wordt bepaald dat in het geval een kredietbank is ingesteld bij het treffen van een gemeenschappelijke regeling, de raden de bevoegdheid hebben om het bankreglement vast te stellen. Overigens wordt hier wellicht ten overvloede vermeld, dat het toezicht bij een kredietbank die door een gemeenschappelijke regeling is getroffen, op grond van het bepaalde in de Wet financieel toezicht wordt uitgevoerd door het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling.
Uitgangspunt binnen deze gemeenschappelijke regeling is zoveel mogelijk inhoud, vorm en uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op basis van gezamenlijkheid, gemeenschappelijkheid en solidariteit. Een en ander neemt niet weg dat er voor ieder van de deelnemers de mogelijkheid moet blijven bestaan om binnen het verband van de gemeenschappelijke regeling eigen beleidsaccenten aan de uitvoering te geven. Tijdens het wijzigingsproces van deze gemeenschappelijke regeling bij de fusie in 2015, is afgesproken dat dit in de tekst van de gemeenschappelijke regeling tot uitdrukking komt. In het vijfde lid wordt hier aan tegemoet gekomen. De afspraak is dat bij geringe afwijkingen van het gezamenlijke beleid die binnen “de contributie” blijven, dat wil zeggen niet al te grote gevolgen hebben voor de effectiviteit en de efficiency van de bedrijfsvoering, dergelijke beleidsaccenten zondermeer mogelijk zijn. Bij grote afwijkingen van het beleid en die door die afwijking “buiten de contributie” vallen, blijft dit nog steeds mogelijk, maar kan het bestuur hieraan nadere voorwaarden en een eventuele kostentoerekening verbinden. Overigens dient nog vermeld te worden dat op grond van artikel 8 c van de Paticipatiewet één uitzondering is gemaakt met betrekking tot de overdracht van collegebevoegdheden richting een gemeenschappelijke regeling, namelijk de paragrafen 7.1 en 7.3.
Deze paragrafen hebben betrekking op de financieringsstromen en het leveren van verantwoordingsinformatie. De Rijksuitkeringen worden namelijk nooit rechtstreeks aan een gemeenschappelijke regeling toegekend, maar aan de individuele gemeenten, omdat de landelijke verdeelmodellen uitgaan van alle afzonderlijke gemeenten in Nederland. Als gevolg hiervan dient ook de verantwoording per gemeente plaats te vinden. Indien derhalve in de tekst van deze gemeenschappelijke regeling wordt gesproken over alle taken van het college, moet dit in samenhang gelezen worden met het bepaalde van artikel 8 c van de Participatiewet. In het zesde lid van artikel 5 is dit nogmaals expliciet aangegeven. Artikel 6 Meerjarenbeleidsplan. Om de sturing op kaders en hoofdlijnen door de colleges en de raden te waarborgen wordt in deze gemeenschappelijke regeling het instrument van het meerjarenbeleidsplan geïntroduceerd. Dit meerjarenbeleidsplan is een beleidsplan met het beleidsperspectief voor de komende vier a vijf jaar. Het meerjarenbeleidsplan wordt (ambtelijk) gezamenlijk voorbereid door de gemeenten én Avres en wordt zoals eerder is aangegeven vastgesteld door de colleges en de gemeenteraden. Met betrekking tot het vaststellen van het meerjarenbeleidsplan vindt derhalve geen delegatie of overdracht van bevoegdheden plaats. Dit is het meerjarig beleidskader, (mede) vanuit de gemeenten, dat door 44
de colleges en de gemeenteraden wordt vastgesteld. Als uitwerking van het meerjarenbeleidsplan zal jaarlijks een jaarplan worden ontwikkeld, waarin de uitgangspunten van het meerjarenbeleidsplan voor ieder begrotingsjaar worden geconcretiseerd. Dit jaarplan zal als zodanig in de verschillende programma’s van de begroting worden verwerkt. Artikel 7 Dienstverlening Dit artikel schept de mogelijkheid voor de deelnemers om bepaalde diensten van Avres af te nemen. Bij dienstverlening gaat het om de uitvoering van feitelijke werkzaamheden door het openbaar lichaam ten behoeve van de deelnemers. Er is bij dienstverlening geen overdracht van bevoegdheden van de deelnemende gemeente(n) aan het openbaar lichaam. Wel kan er sprake zijn van bevoegdheidsuitoefening. De gemeenschappelijke regeling Avres is niet alleen bevoegd om diensten te verlenen aan de deelnemers. Ook bestuursorganen van gemeenten en andere organisaties die niet deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling kunnen in principe diensten afnemen van de gemeenschappelijke regeling. De dienstverlening geschiedt op basis van een dienstverleningsovereenkomst. In de dienstverleningsovereenkomst wordt in ieder geval opgenomen welke prestaties er geleverd moeten worden, welke kosten hiervoor in rekening worden gebracht en de voorwaarden waaronder tot dienstverlening wordt overgegaan.
Uiteraard zullen dienstverleningsovereenkomsten worden gesloten met inachtneming van de reguliere regels en procedures die voortvloeien uit de Wet markt en overheid, de Aanbestedingswet en Europese regelgeving. Hoofdstuk 3: Bestuursorganen Artikel 8 Organen In dit artikel zijn de organen in deze gemeenschappelijke regeling genoemd. Het algemeen bestuur bekleedt daarbij de positie die vergelijkbaar is met die van de gemeenteraad. De taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn vergelijkbaar met die van het college van burgemeester en wethouders. Ook de positie van de voorzitter is opgenomen. Deze is slechts deels vergelijkbaar met die van de burgemeester. Afgezien van de benoemingswijze (de burgemeester is immers kroonbenoemd) zit het verschil inhoudelijk met name in de bevoegdheden. Vanuit de Gemeentewet kent de burgemeester een aantal specifieke bevoegdheden, in het bijzonder op het terrein van de openbare orde en veiligheid, die de voorzitter van een gemeenschappelijke regeling niet toekomen.
De belangrijkste bevoegdheden van een voorzitter van een gemeenschappelijke regeling beperken zich tot het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeenschappelijke regeling, het leiding geven aan de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling en het ondertekenen van de correspondentie die van het algemeen en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling uitgaat. Als laatste orgaan worden de bestuurscommissies genoemd. Op grond van de Wgr kunnen er drie commissies worden onderscheiden. Een raadsadviescommissie, een commissie van advies en een commissie ter behartiging van bepaalde belangen (= bestuurscommissie). De raadsadviescommissie wordt door het algemeen bestuur na een eensluidend verzoek van de raden van de deelnemende gemeenten ingesteld. Na een dergelijk verzoek moet het algemeen bestuur hier gevolg aan geven en de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van deze commissie regelen, echter niet nadat de raden hieromtrent in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken. 45
De commissies van advies kunnen door het algemeen bestuur voor de volgende drie organen worden ingesteld: voorzitter, dagelijks bestuur of algemeen bestuur. Voor het dagelijks bestuur en de voorzitter gebeurt dit op voordracht. Een commissie ter behartiging van bepaalde belangen wordt door het algemeen bestuur ingesteld. Een mogelijkheid daartoe moet in de regeling zijn opgenomen en het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een dergelijke commissie alvorens de raden van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen hierover ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. In onderliggende gemeenschappelijke regeling is de mogelijkheid tot het instellen van een commissie ter behartiging van bepaalde belangen opgenomen. Alleen de commissie ter behartiging van bepaalde belangen (= bestuurscommissie) is overigens als een orgaan aan te merken (lid 4). De raadsadviescommissie en de commissie van advies zijn derhalve geen organen. Hoofdstuk 4: Het Algemeen Bestuur Artikel 9 Samenstelling Gelet op de overgedragen bevoegdheden (artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling), is deze gemeenschappelijke regeling een zogeheten gemengde raadsregeling. Deze regeling is gemengd van aard omdat er zowel raads- als collegebevoegdheden worden overgedragen. Artikel 13, lid 1, tweede volzin van de Wgr is dan van toepassing.
“De leden van het algemeen bestuur worden door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders aangewezen”. Aan het begin van de raadsperiode, wijzen de raden derhalve de leden van het algemeen bestuur aan. De formulering van artikel 13, lid 1, tweede volzin van de Wgr, houdt de mogelijkheid open om zowel raads- als collegeleden aan te wijzen als lid van het algemeen bestuur. In de tekst van deze gemeenschappelijke regeling wordt dit bevestigd. . In de juridische literatuur rondom de Wet gemeenschappelijke regelingen is namelijk aangegeven dat de raad op voorhand niet beperkt mag worden in zijn keuze, door in de bepalingen van de tekst van de betreffende gemeenschappelijke regeling hier sturing aan te geven door de keuze bijvoorbeeld op voorhand al te beperken tot een wethouder met een bepaalde portefeuille. Overigens wordt als overweging ten overvloede nog het volgende meegegeven. Een belangrijke reden om juist een wethouder als lid van het algemeen bestuur aan te wijzen kan zijn gelegen in de verantwoordingsrelatie met betrekking tot het functioneren van de leden van het algemeen bestuur ten opzichte van de raden die zij vertegenwoordigen en daarmee deze verantwoordingsrelatie ook zo “zuiver” mogelijk te houden. De keuzeoptie om bij een gemengde raadsregeling ook raadsleden aan te wijzen is namelijk een monistisch element in de Wgr.
De Gemeentewet daarentegen is geheel dualistisch van aard. Wethouders maken sinds de invoering van het dualistisch stelsel geen deel meer uit van de raad. Met betrekking tot de verantwoordingsrelatie tussen raad en college heeft dit een meer zuivere verhouding gecreëerd, op het moment dat het vertrouwen niet meer aanwezig is tussen raad en een lid van het college. Diezelfde verhouding is en blijft aanwezig in de context van de Wgr op het moment dat alleen collegeleden worden aangewezen als lid van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. In de situatie dat een raadslid lid is van het algemeen bestuur, kan de raad uiteraard ook het vertrouwen in dat raadslid opzeggen met betrekking tot zijn/haar functioneren in het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling, Echter, naast de mogelijkheid tot het verlenen van ontslag als lid van het algemeen bestuur (=terugroeping), heeft de raad ten opzichte van een collegaraadslid slechts beperkte mogelijkheden om het vertrouwensaspect aan de orde te stellen en indien gewenst daar een gevolguitspraak aan te verbinden. In de raad kan uiteraard een debat plaatsvinden met het raadslid dat is teruggeroepen, maar hij kan na een dergelijk debat met de raad – ook als het vertrouwen in hem/haar is opgezegd – zijn/haar werkzaamheden in de raad regulier voortzetten.