4. Bijlagen bestemmingsplantoelichting Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk
Tekst van het document
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
0,0 referent 0,0 referent 0,0 referent 0,0 referent 0,0 elemente 0,0 elemente 0,0 elemente 0,0 elemente 0,0 referent
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam
Omschr.
ISO_H
ISO M.
Type
Cpl
Cpl_W
Helling
V(MR(D))
V(MR(A))
V(MR(N))
V(MR(P4))
V(LV(D))
V(LV(A))
V(LV(N))
V(LV(P4))
V(MV(D))
Doetse Vli Doetse Vli Doetse Vli Doetseweg Doetsew.30
Doetse Vliet Doetse Vliet Doetse Vliet Doetseweg Doetseweg (30 km/h)
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
------
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling
False False False False False
1,5 1,5 1,5 1,5 1,5
0 0 0 0 0
W9a W9a W9a W0 W0
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
------
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
------
30 30 30 60 30
Doetsew.30 Doetsew.30 Doetsew.30 Dorpsstraa Dorpsstraa
Doetseweg (30 km/h) Doetseweg (30 km/h) Doetseweg (30 km/h) Dorpsstraat Dorpsstraat
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
-0,00 ----
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling
False False False False False
1,5 1,5 1,5 1,5 1,5
0 0 0 0 0
W0 W0 W0 W0 W9a
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
------
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
------
30 30 30 30 30
Peursumsew Peursum.30 Peursum.30 Peursum.30 Vierendeel
Peursumseweg Peursumseweg (30 km/h) Peursumseweg (30km/h) Peursumseweg (30km/h) Vierendeelweg
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
------
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling
False False False False False
1,5 1,5 1,5 1,5 1,5
0 0 0 0 0
W0 W0 W0 W0 W0
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
------
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
------
60 30 30 30 60
Geomilieu V5.10
Hdef.
Wegdek
30-7-2020 16:27:51
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Naam
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 V(MV(A))
V(MV(N))
V(MV(P4))
V(ZV(D))
V(ZV(A))
V(ZV(N))
V(ZV(P4))
Totaal aantal
%Int(D)
%Int(A)
%Int(N)
%Int(P4)
%MR(D)
%MR(A)
%MR(N)
%MR(P4)
%LV(D)
%LV(A)
%LV(N)
%LV(P4)
Doetse Vli Doetse Vli Doetse Vli Doetseweg Doetsew.30
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
------
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
30 30 30 60 30
------
190,00 190,00 190,00 395,00 395,00
6,69 6,69 6,69 6,83 6,70
3,63 3,63 3,63 2,90 3,65
0,64 0,64 0,64 0,81 0,64
------
------
------
------
------
97,55 97,55 97,55 98,36 98,32
99,01 99,01 99,01 99,29 99,32
98,35 98,35 98,35 98,75 98,82
------
Doetsew.30 Doetsew.30 Doetsew.30 Dorpsstraa Dorpsstraa
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
------
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
30 30 30 30 30
------
395,00 395,00 395,00 369,00 369,00
6,70 6,70 6,70 6,69 6,69
3,65 3,65 3,65 3,63 3,63
0,64 0,64 0,64 0,64 0,64
------
------
------
------
------
98,32 98,32 98,32 97,77 97,77
99,32 99,32 99,32 99,10 99,10
98,82 98,82 98,82 98,47 98,47
------
Peursumsew Peursum.30 Peursum.30 Peursum.30 Vierendeel
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
------
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
60 30 30 30 60
------
1069,00 1069,00 858,00 1069,00 18,00
6,86 6,86 6,76 6,73 7,29
2,82 2,82 3,46 3,55 1,79
0,80 0,80 0,62 0,63 0,66
------
------
------
------
------
92,83 92,83 88,16 92,68 31,07
96,73 96,73 94,90 96,89 54,11
94,29 94,29 91,49 94,34 40,53
------
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:27:51
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Naam
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 %MV(D)
%MV(A)
%MV(N)
%MV(P4)
%ZV(D)
%ZV(A)
%ZV(N)
%ZV(P4)
MR(D)
MR(A)
MR(N)
MR(P4)
LV(D)
LV(A)
LV(N)
LV(P4)
MV(D)
MV(A)
MV(N)
MV(P4)
ZV(D)
ZV(A)
Doetse Vli Doetse Vli Doetse Vli Doetseweg Doetsew.30
1,81 1,81 1,81 1,36 1,39
0,75 0,75 0,75 0,60 0,57
1,39 1,39 1,39 1,07 1,06
------
0,64 0,64 0,64 0,28 0,29
0,25 0,25 0,25 0,11 0,11
0,27 0,27 0,27 0,18 0,12
------
------
------
------
------
12,40 12,40 12,40 26,54 26,02
6,83 6,83 6,83 11,37 14,32
1,20 1,20 1,20 3,16 2,50
------
0,23 0,23 0,23 0,37 0,37
0,05 0,05 0,05 0,07 0,08
0,02 0,02 0,02 0,03 0,03
------
0,08 0,08 0,08 0,08 0,08
0,02 0,02 0,02 0,01 0,02
Doetsew.30 Doetsew.30 Doetsew.30 Dorpsstraa Dorpsstraa
1,39 1,39 1,39 1,73 1,73
0,57 0,57 0,57 0,71 0,71
1,06 1,06 1,06 1,32 1,32
------
0,29 0,29 0,29 0,50 0,50
0,11 0,11 0,11 0,19 0,19
0,12 0,12 0,12 0,21 0,21
------
------
------
------
------
26,02 26,02 26,02 24,14 24,14
14,32 14,32 14,32 13,27 13,27
2,50 2,50 2,50 2,33 2,33
------
0,37 0,37 0,37 0,43 0,43
0,08 0,08 0,08 0,10 0,10
0,03 0,03 0,03 0,03 0,03
------
0,08 0,08 0,08 0,12 0,12
0,02 0,02 0,02 0,03 0,03
Peursumsew Peursum.30 Peursum.30 Peursum.30 Vierendeel
7,17 7,17 9,57 7,32 0,96
3,27 3,27 4,18 3,11 0,73
5,71 5,71 7,54 5,66 0,98
------
--2,27 -67,97
--0,92 -45,16
--0,97 -58,49
------
------
------
------
------
68,08 68,08 51,13 66,68 0,41
29,16 29,16 28,17 36,77 0,17
8,06 8,06 4,87 6,35 0,05
------
5,26 5,26 5,55 5,27 0,01
0,99 0,99 1,24 1,18 --
0,49 0,49 0,40 0,38 --
------
--1,32 -0,89
--0,27 -0,15
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:27:51
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam
ZV(N)
ZV(P4)
LE (D) 63
LE (D) 125
LE (D) 250
LE (D) 500
LE (D) 1k
LE (D) 2k
LE (D) 4k
LE (D) 8k
LE (A) 63
LE (A) 125
LE (A) 250
LE (A) 500
LE (A) 1k
LE (A) 2k
LE (A) 4k
LE (A) 8k
Doetse Vli Doetse Vli Doetse Vli Doetseweg Doetsew.30
---0,01 --
------
72,82 72,82 72,82 67,96 68,31
77,17 77,17 77,17 75,91 71,97
84,46 84,46 84,46 81,23 79,56
85,03 85,03 85,03 88,40 83,99
88,42 88,42 88,42 95,75 89,52
81,69 81,69 81,69 92,13 86,41
76,56 76,56 76,56 85,30 79,73
70,20 70,20 70,20 74,48 71,62
69,35 69,35 69,35 63,92 65,10
73,24 73,24 73,24 71,72 68,41
79,14 79,14 79,14 76,79 74,62
81,98 81,98 81,98 84,45 81,12
85,54 85,54 85,54 91,98 86,75
78,67 78,67 78,67 88,35 83,53
73,48 73,48 73,48 81,50 76,83
65,72 65,72 65,72 70,53 67,57
Doetsew.30 Doetsew.30 Doetsew.30 Dorpsstraa Dorpsstraa
------
------
68,31 68,31 68,31 68,31 75,58
71,97 71,97 71,97 72,15 79,85
79,56 79,56 79,56 80,17 87,01
83,99 83,99 83,99 83,86 87,82
89,52 89,52 89,52 89,31 91,26
86,41 86,41 86,41 86,25 84,51
79,73 79,73 79,73 79,60 79,36
71,62 71,62 71,62 71,99 72,81
65,10 65,10 65,10 64,92 72,17
68,41 68,41 68,41 68,33 76,00
74,62 74,62 74,62 74,94 81,75
81,12 81,12 81,12 80,88 84,82
86,75 86,75 86,75 86,46 88,40
83,53 83,53 83,53 83,27 81,52
76,83 76,83 76,83 76,58 76,32
67,57 67,57 67,57 67,63 68,41
Peursumsew Peursum.30 Peursum.30 Peursum.30 Vierendeel
--0,05 -0,07
------
73,50 74,94 75,27 74,91 65,30
82,25 79,18 80,09 79,16 72,53
88,31 89,03 90,12 89,02 79,37
93,51 89,01 89,28 88,95 85,12
100,27 94,40 94,11 94,33 87,33
96,78 91,75 91,71 91,69 83,63
89,99 85,14 85,24 85,08 76,99
79,87 79,76 80,88 79,75 69,18
68,76 69,63 70,35 70,56 57,60
77,07 73,46 74,66 74,36 64,85
82,69 82,23 83,88 83,05 71,63
89,05 84,64 85,20 85,62 77,45
96,27 90,18 90,45 91,17 80,13
92,69 87,22 87,63 88,19 76,44
85,87 80,56 81,05 81,52 69,76
75,28 73,53 75,03 74,40 61,63
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:27:51
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Naam
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 LE (N) 63
LE (N) 125
LE (N) 250
LE (N) 500
LE (N) 1k
LE (N) 2k
LE (N) 4k
LE (N) 8k
LE (P4) 63
LE (P4) 125
LE (P4) 250
LE (P4) 500
LE (P4) 1k
LE (P4) 2k
LE (P4) 4k
LE (P4) 8k
Doetse Vli Doetse Vli Doetse Vli Doetseweg Doetsew.30
62,19 62,19 62,19 58,56 57,83
66,25 66,25 66,25 66,45 61,29
72,98 72,98 72,98 71,68 68,34
74,55 74,55 74,55 79,03 73,64
78,08 78,08 78,08 86,47 79,24
71,27 71,27 71,27 82,85 76,08
66,10 66,10 66,10 76,01 69,38
59,01 59,01 59,01 65,12 60,72
------
------
------
------
------
------
------
------
Doetsew.30 Doetsew.30 Doetsew.30 Dorpsstraa Dorpsstraa
57,83 57,83 57,83 57,73 65,00
61,29 61,29 61,29 61,32 69,00
68,34 68,34 68,34 68,78 75,61
73,64 73,64 73,64 73,44 77,39
79,24 79,24 79,24 78,99 80,94
76,08 76,08 76,08 75,87 74,12
69,38 69,38 69,38 69,19 68,94
60,72 60,72 60,72 60,91 61,71
------
------
------
------
------
------
------
------
Peursumsew Peursum.30 Peursum.30 Peursum.30 Vierendeel
63,86 65,12 63,99 64,07 54,27
72,47 69,24 68,51 68,18 61,51
78,40 78,81 78,37 77,74 68,34
83,96 79,50 78,14 78,45 74,10
90,88 84,93 83,28 83,89 76,48
87,36 82,18 80,70 81,13 72,78
80,56 75,55 74,16 74,51 66,12
70,28 69,69 69,16 68,62 58,21
------
------
------
------
------
------
------
------
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:27:51
Invoergegevens akoestisch model 201452 Model: Groep:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
wegverkeerslawaai 2030 (hoofdgroep) Lijst van Toetspunten, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam
Omschr.
01 02 03 04
noordgevel oostgevel zuidgevel westgevel
Geomilieu V5.10
Maaiveld -1,00 -1,00 -1,00 -1,00
Hdef. Eigen waarde Eigen waarde Eigen waarde Eigen waarde
Hoogte A
Hoogte B
Hoogte C
Hoogte D
Hoogte E
Hoogte F
Gevel
1,50 1,50 1,50 1,50
4,50 4,50 4,50 4,50
7,50 7,50 7,50 7,50
-----
-----
-----
Ja Ja Ja Ja
30-7-2020 16:28:31
Invoergegevens akoestisch model 201452 Rapport: Model:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2
Lijst van model eigenschappen wegverkeerslawaai 2030
Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode
wegverkeerslawaai 2030 Jan #2|Wegverkeerslawaai|RMW-2012|
Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met
Jan op 30-7-2020 Jan op 30-7-2020 Geomilieu V5.10
Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Zoekafstand [m] Max. reflectie afstand tot bron [m] Max. reflectie afstand tot ontvanger [m] Standaard bodemfactor Zichthoek [grd] Maximale reflectiediepte Reflectie in woonwijkschermen Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0
07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 0 5 Bronresultaten Groepsresultaten ---0,80 2 1 Ja Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:29:02
Bijlage 3: Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai (4 pagina’s)
R-JVO/1586 / 20.1452
Geluidbelasting Peursumseweg, incl. aftrek art. 110g Wgh 201452 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten Peursumseweg Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
39,9 41,1 41,9 34,2 36,0
35,8 37,0 37,8 30,1 31,9
30,4 31,7 32,5 24,8 26,5
40,2 41,5 42,3 34,6 36,3
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
36,4 -2,2 -0,7 0,1 36,9
32,2 -6,5 -5,0 -4,3 32,8
26,9 -11,7 -10,2 -9,4 27,4
36,7 -1,9 -0,4 0,4 37,2
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
38,2 39,4
34,1 35,3
28,8 30,0
38,6 39,8
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:30:35
Geluidbelasting alle 30 km/h wegen, incl. aftrek art. 110g Wgh 201452 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten 30 km/h wegen Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
39,1 39,6 39,5 32,4 32,8
36,1 36,5 36,5 29,3 29,9
28,9 29,3 29,2 22,1 22,4
39,4 39,9 39,8 32,7 33,1
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
33,0 19,0 21,1 22,8 36,5
30,1 16,0 18,2 19,9 33,4
22,7 8,6 10,7 12,4 26,2
33,4 19,3 21,4 23,1 36,8
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
37,3 37,5
34,2 34,4
27,0 27,2
37,6 37,8
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:31:22
Gecum. geluidbel. alle wegen incl.30 km/h wegen, incl. aftrek art. 110g Wgh 201452 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
42,5 43,4 43,9 36,4 37,7
39,0 39,8 40,2 32,8 34,0
32,7 33,7 34,2 26,7 28,0
42,9 43,8 44,3 36,7 38,0
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
38,1 19,1 21,2 22,8 39,7
34,4 16,1 18,2 19,9 36,1
28,4 8,7 10,8 12,5 29,9
38,4 19,4 21,5 23,1 40,0
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
40,8 41,6
37,2 37,9
31,0 31,8
41,1 41,9
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:31:42
Gecum. geluidbel. alle wegen incl.30 km/h wegen, excl. aftrek art. 110g Wgh 201452 (t.b.v.gevelmaatregelen) Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Nee
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
48 48 49 41 43
44 45 45 38 39
38 39 39 32 33
48 49 49 42 43
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
43 24 26 28 45
39 21 23 25 41
33 14 16 17 35
43 24 26 28 45
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
46 47
42 43
36 37
46 47
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V5.10
30-7-2020 16:33:12
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V. T.a.v. dhr. G. Kooijman Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Datum
19 juni 2020
Kenmerk
BE/2020/444/r
Uw kenmerk
Email d.d. 29-05-2020
Auteur(s)
ir. M. Poelman
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Doetseweg 26 te Giessenburg Aan de Doetseweg 26 te Giessenburg is een perceel met een volkstuin met boomgaard, moestuin en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een woning te realiseren op het voorste (noordwestelijke) deel van het perceel. Daarvoor moet de bestaande schuur worden gesaneerd en een deel van de boomgaard en ander groen worden verwijderd. Op het achterste (zuidoostelijke) deel van het perceel verdwijnt de moestuin en worden een nieuwe dwarssloot en een nieuwe lengtesloot gegraven. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel b.v. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Doetseweg 26 te Giessenburg (figuur 1). Het betreft een perceel met een volkstuin met boomgaard, moestuin en een schuur. Verder staan er diverse struiken en bomen op het perceel. Het geheel heeft een hoog kwaliteitsbeeld en is goed onderhouden. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Het ligt in een lintgebied met woonpercelen langs veenrivier Giessen. Op circa 0,75 km ligt ten zuidwesten het centrum van Giessenburg. Op ongeveer 2,1 km ten zuiden liggen een spoorweg, de A15 en het Kanaal van Steenenhoek. Ten oosten liggen de N26 op circa 0,8 km en de A27 op ongeveer 4 km. Ten noorden/noordwesten ligt op ongeveer 2,8 km de N214.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Doetseweg 26 te Giessenburg (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning op het voorste (noordwestelijke) deel van het perceel. Daarvoor moet de bestaande schuur worden gesaneerd en een deel van de boomgaard en ander groen worden verwijderd. De moestuin op het achterste (zuidoostelijke) deel van het perceel zal ook verdwijnen en er worden een nieuwe dwarssloot en een nieuwe lengtesloot gegraven op het achterste deel van het perceel. De functie van het perceel zal worden gewijzigd van recreatie (volkstuin) naar wonen (voorste deel) en naar agrarisch/tuin (achterste deel). Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; graven van nieuwe dwars- en lengtesloot: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie landschapsarchitecten).
van
de
beoogde
situatie
(bron:
Lagendijk
tuin-
en
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren.
3
Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.
4
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie is een goed onderhouden tuin met een moestuin, een boomgaard, grasland en diverse bomen en struiken. De bodem is geëutrofieerd. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Amerikaanse vogelkers, Engels raaigras, gele lis, hortensia, klimop, laurier, ruwe berk, schietwilg, vlier, vingerhoedskruid en zomer eik.
Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
5
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, gewone bosspitsmuis, haas, konijn, mol, ree en veldmuis (NDFF 20102020). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van beschermde zoogdieren. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten als egel, konijn, en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, en ruige dwergvleermuis (NDFF 20102020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Er zijn geen voor boom bewonende vleermuizen geschikte boomholten aangetroffen. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De te slopen schuur is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw, een toegankelijke dak ruimte of andere potentieel geschikte structuren in de te slopen schuur, is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Voor de gewone grootoorvleermuis is ook geen potentie aanwezig, gezien het slechts een kleine schuur betreft zonder zolder met loshangende balken of andere structuren waar de soort een verblijfplaats zou kunnen vinden. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Een eventuele functie als foerageergebied gaat niet verloren, omdat met name op het achterste deel vrij veel groen behouden blijft. Structuren waarlangs vliegroutes zouden kunnen bestaan, zoals de erf afscheidingen met opgaande begroeiing, blijven grotendeels behouden en er is geen sprake van afname van essentiële vliegroutes tussen potentiële verblijfplaatsen en foerageergebieden.
6
Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is grotendeels onverhard en bedenkt met gras. Het wordt gebruikt als moestuin en boomgaard, waardoor er verstoringen plaats vinden. Er liggen sloten rondom de planlocatie en er worden twee nieuwe sloten aangelegd.
De heikikker maakt gebruik van drie habitattypen die op korte afstand van elkaar aanwezig dienen te zijn. Dit betreffen ondiep, relatief zuur, zon beschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode; en vochtvrije overwinteringsplaatsen. De heikikker wordt niet vaak aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, en rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009; BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van een heikikker is gedaan op ongeveer 500 meter van de planlocatie. De planlocatie vervuld naar verwachting geen essentiële rol voor de heikikker. De sloten naast de planlocatie bevatten troebel voedselrijk water met vegetatie. Er vind verstoring plaats en de planlocatie bevindt zich in agrarisch landschap. Door het vorengenoemde is de planlocatie niet erg geschikt voor de heikikker en de aanwezigheid van soort wordt niet verwacht. Er worden derhalve geen significante negatieve effecten verwacht op de heikikker ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. Het habitat van de rugstreeppad laat zich omschrijven als ruige, onbeschaduwde, laag begroeide terreinen. Braakliggende bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad.
De soort is ook te vinden in meer stabiele gebieden als vennen in heideterreinen en sloten en poelen in akker- en graslandgebieden. Vaak is er een goed vergraafbare (zanderige) bodem aanwezig. De soort kent drie typen verblijfplaatsen: voortplantingswateren, een terrestrische winterverblijfplaats en meerder terrestrische zomerverblijfplaatsen. Het voorplantingswater is ondiep (tijdelijk) water dat snel opwarmt en dat bij voorkeur vrij is van vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. Regenplassen en ondiepe (tijdelijke) poeltjes zijn voorbeelden van geschikt voortplantingswater. Zomer- en winterverblijfplaatsen bevinden zich op hoogwatervrije terreinen. Bestaande ruimtes kunnen benut worden, zoals muizenholletjes. Daarnaast kunnen ze zich ingraven, als de bodem zich daartoe verleent. Voor de winterverblijfplaats is het van belang dat deze vorstvrij is en boven het grondwaterpeil ligt. Het is noodzakelijk dat rugstreeppadden zich kunnen verplaatsen tussen de verschillende verblijfplaatsen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Het water in de sloten naast de planlocatie is niet ideaal voor de rugstreeppad, gezien het wat te diep en erg troebel is, en er zit vegetatie in. Mocht de soort er toch voorkomen, dan is er geen sprake van het wegnemen van potentieel leefgebied; de sloten blijven behouden en worden zelfs uitgebreid.
Mocht de soort op de planlocatie voorkomen om te foerageren, dan blijft dit mogelijk gezien de planlocatie, met name het achterste deel, een groen karakter behoudt. De rugstreeppad staat er om bekend dat deze bouwterreinen snel kan koloniseren zodra er geschikte omstandigheden ontstaan zoals kale, vergraafbare grond en ondiepe poelen (bijlage 2). Derhalve wordt wel aanbevolen om de planlocatie ongeschikt dan wel ontoegankelijk te houden voor rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze
7
dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2010-2020). Deze soort komt voor in kleinere, ondiepe, stilstaande of langzaam stromende wateren met een dikke modderlaag en bij voorkeur waterplanten. Ze zijn bijvoorbeeld te vinden in sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. Naast de planlocatie liggen sloten waar de soort wellicht in voor zou kunnen komen. Echter, blijven deze behouden en worden zelfs uitgebreid, waardoor er mogelijk leefgebied bij komt. Negatieve effecten op beschermde vissen worden derhalve niet verwacht. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde ongewervelden niet bekend: (NDFF 2010-2020).
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, vink zanglijster en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Op de planlocatie staat qua bebouwing enkel een kleine houten schuur/blokhut zonder nest mogelijkheden voor de huismus. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.
De beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van groene delen, maar resulteert niet in afname van essentieel leefgebied voor de huismus, mede gezien er geen huismussen gehoord zijn tijdens het veldbezoek; er binnen een straal van 2 km geen waarnemingen van huismussen bekend zijn; en gezien de huismus over het algemeen geen gebruik maakt van boomgaarden (en andere solitaire bomen) (NDFF, 2010-2020). Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De kleine schuur heeft geen geschikte nestmogelijkheden voor de gierzwaluw. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten als kerkuil en steenuil, gezien deze zich vaak in (zolders van) oude schuren op loshangende balken begeven. Er zijn waarnemingen bekend van steenuilen en kerkuilen in de omgeving, welke de planlocatie zouden kunnen gebruiken als foerageergebied, mede gezien de aanwezigheid van fruitbomen, takkenrillen en wat open grasland. Echter is het voor kerkuilen naar verwachting te dichtbegroeid.
De waarnemingen van steenuilen bevinden zich met name ten westen van de planlocatie, waar mogelijk een broedpaar zit. In de directe omgeving van de waarnemingen lijken voldoende voedselbronnen aanwezig te zijn. Daarnaast blijfven het groene karakter en
8
geschikte foerageerstructuren als takkenrillen, knotwilgen en open grasland behouden, mocht het toch als foerageergebied gebruikt worden door steenuilen. Een eventuele foerageerfunctie voor uilen valt derhalve niet volledig weg.. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Er is ook geen sprake van essentieel foerageergebied voor roofvogels. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,4 km ligt het Natura 2000gebied ‘Biesbosch’ (figuur 4). Op een afstand van circa 900 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 1 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 11 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 6). Er zijn karakteristieke landschapselementen in de vorm van knotwilgen aanwezig op de planlocatie die mogelijk worden weggenomen ten gevolge van de beoogde ingreep. En welke gecompenseerd moeten worden.
4,4 km
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
900 m
Figuur 5
10
De planlocatie ligt op een afstand van circa 900 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).
11 km
1 km
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot een Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 11 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning. Gezien er sprake is van een voldoende grote afstand (4,4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase slechts sprake is van een geringe toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
11
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor het aanleggen van de nieuwe sloten dienen maatregelen getroffen te worden. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Er worden mogelijk wel karakteristieke landschapselementen weggenomen in de vorm van knotwilgen, welke moeten worden gecompenseerd in de nieuwe situatie. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
+/-
-
-
-
-
+/-
-
+/-
n
n
n
n
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
4,4 km
geen
n.v.t
Natuurnetwerk Nederland
900 m
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
1 km
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
1 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
n
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (n het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
13
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, rugstreeppad en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Doetseweg 26 te Giessenburg uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Bij het uitgraven van de watergang dient het effect van de graafwerkzaamheden op mogelijk aanwezige (beschermde) soorten geminimaliseerd te worden. Daarbij dient onderstaande werkwijze gehanteerd te worden: De nieuw te realiseren watergang wordt van binnen naar buiten gegraven, waarbij aan weerszijden een damwandplaat wordt geplaatst aan de bestaande watergangen (situatie 2 in figuur 8) om deze in stand te houden. Zo wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden water met daarin voorkomende soorten het nieuwe gedeelte in stroomt en dat het water in de bestaande watergang vertroebeld. Nadat de nieuwe watergang is gerealiseerd kunnen de damwand platen één voor één voorzichtig en langzaam worden weggehaald situatie 3 in figuur 7). Tevens dienen deze werkzaamheden buiten de meest kwetsbare voortplantingsperiode van de grote modderkruiper en de rugstreeppad uitgevoerd te worden. De werkzaamheden kunnen gestart/uitgevoerd worden van september-maart.
Figuur 7
Graafmethode die toegepast dient te worden om negatieve effecten op (beschermde) soorten als grote modderkruiper en rugstreeppad te voorkomen.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
14
• Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
15
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Fotografische impressie
18
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Doetseweg 26 te Giessenburg en bestaat uit een boomgaard, moestuin en een kleine houten schuur/blokhut.
Figuur 2
De moestuin op het achterste deel van het perceel.
19
Figuur 3
Aanzicht op het achterste deel van het perceel met de moestuin op de achtergrond.
Figuur 4
De begroeing langs oever van een sloot en takkenrillen. Dit blijft behouden.
Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
20
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V. T.a.v. dhr. G. Kooijman Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Datum
17 juni 2020
Kenmerk
BE/2020/443/r
Uw kenmerk
Email d.d. 29-05-2020
Auteur(s)
ir. M. Poelman
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Bergstoep 26 te Streefkerk Aan de Bergstoep 26 te Streefkerk is een boerenerf met een voormalige varkensstal gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de varkensschuur te saneren in het kader van een ’ruimte voor ruimte-regeling’. Elders in Giessenburg wordt een woning gerealiseerd in het kader van dezelfde regeling. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd aan de Bergstoep 26 te Bergambacht. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel b.v. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.