4. Bijlagen bestemmingsplantoelichting Doetseweg 26 Giessenburg – Bergstoep 26 Streefkerk
Tekst van het document
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bergstoep 26 te Streefkerk (figuur 1). Het betreft een perceel met een voormalige varkensschuur. Het is onderdeel van een groter agrarisch perceel met een woning en nog een aantal schuren. De varkensschuur bestaat uit twee delen. Het voorste deel is opgetrokken uit houten muren zonder spouw op een gemetselde basis en heeft een zadeldak bedekt met golfplaten zonder dakbeschot. Het achterste deel is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw waar isolatiemateriaal in zit. Het heeft een zadeldak met golfplaten en dakbeschot. Achter de varkensschuur, ten zuidoosten, bevindt zich een schapenweide. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. De rivier de Lek stroomt ten noorden/noordoosten naast de planlocatie op circa 300 meter. Ten zuiden liggen op circa 6,5 km de N214; op circa 9,5 km een spoorweg, en op ongeveer 9,8 km ligt de A15. Ten westen ligt op ongeveer 6,2 km de N216.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bergstoep 26 te Streefkerk (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een voormalige varkensschuur in het kader van een ’ruimte voor ruimte-regeling’. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd op de planlocatie. De functie van het perceel zal worden gewijzigd van agrarisch naar wonen/tuin. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
saneren van varkensstal: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; revitalisatie terrein en mogelijk aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. realiseren van open ruimte en groene landschapselementen als knotwilgen rijen en elzenhakhout;
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Lagendijk TL architecten).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 16 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4
d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: groot spiegelklokje (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, paardenbloem en smalle weegbree. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Het groot spiegelklokje groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke grond.
De soort komt voor op bijvoorbeeld akkers (graanakkers en braakliggende stoppelvelden, bermen en dijken, braakliggende grond en langs spoorwegen. De planlocatie is een agrarisch perceel dat grotendeels bebouwd is. De bodem is verstoord en geëutrofieerd. Dit is geen geschikt habitat voor het gros van de beschermde soorten zoals het groot spiegelklokje. De waarneming in kwestie is gedaan aan de overkant van de Lek en betreft een ingezaaid exemplaar. Het voorkomen van de soort op de planlocatie wordt derhalve niet verwacht. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, mol, rosse woelmuis, veldmuis en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor enkel de bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de bever. Deze soort komt met name voor in overgangsgebieden tussen land en water zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren, bij voorkeur omzoomd door broekbossen met bomen als els en wilg. Negatieve effecten op de bever kunnen worden uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet
5
vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig.
Negatieve effecten op rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het voorste deel van de varkensschuur heeft geen potentie gezien de afwezigheid van een spouwmuur en dakbeschot. Het achterste deel is opgetrokken uit gemetselde muren met een spouw, waarvan de initiatiefnemer aangeeft dat deze gevuld is met isolatiemateriaal. Er zijn een aantal open stootvoegen aanwezig, welke zich op beperkte hoogte (circa 2 m) bevinden. De stootvoegen zijn direct onder het overstek aanwezig, waardoor de aanvliegroute suboptimaal is. Daarnaast hangt er, ondanks dat er al geen varkens meer in de stal aanwezig zijn sinds januari, nog een penetrante ammoniaklucht.
Vleermuizen worden vrijwel nooit in gebruikte of recent verlaten varkensschuren aangetroffen, mogelijk heeft dit naast de bouwkundige eigenschappen ook te maken met deze hoge concentratie aan ammoniak. Er worden derhalve geen vleermuizen verwacht in de bebouwing op de planlocatie. Negatieve effecten worden daarmee ook niet verwacht. Hoewel het aannemelijk is dat vleermuizen de planlocatie niet gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling wordt echter geen essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute aangetast. Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.
Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
6
Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is grotendeels bebouwd en wordt gebruikt, waardoor verstoringen optreden. Er liggen brede sloten naast de planlocatie met redelijk steile oevers, onderwatervegetatie en algengroei op het water oppervlak wat duidt op voedselrijk water. De heikikker kan kritisch zijn ten aanzien van zijn leefgebied. Hij maakt gebruik van drie habitattypen die op korte afstand van elkaar aanwezig dienen te zijn. Dit betreffen ondiep, relatief zuur, zon beschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode; en vochtvrije overwinteringsplaatsen.
De heikikker wordt niet vaak aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, en rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009; BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). De planlocatie betreft een agrarisch perceel met verstoring en de naastliggende sloten hebben, gezien de ruime aanwezigheid van algen en kroos, voedselrijk water. Dit type oppervlaktewater is niet erg geschikt voor de heikikker. Daarnaast zijn er geen werkzaamheden voorzien aan het oppervlaktewater en betreft het plangebied zelf geen onderdeel van mogelijk leefgebied van de heikikker. Aanwezigheid van de soort en significante negatieve effecten op de soort worden derhalve niet verwacht. Het habitat van de rugstreeppad laat zich omschrijven als ruige, onbeschaduwde, laag begroeide terreinen. Braakliggende bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. De soort is ook te vinden in meer stabiele gebieden als sloten en poelen in akker- en graslandgebieden. Vaak is er een goed vergraafbare (zanderige) bodem aanwezig. De soort kent drie typen verblijfplaatsen: voortplantingswateren, een terrestrische winterverblijfplaats en meerder terrestrische zomerverblijfplaatsen. Het voorplantingswater is ondiep (tijdelijk) water dat snel opwarmt en dat bij voorkeur vrij is van vegetatie en concurrentie van andere amfibieën.
Regenplassen en ondiepe (tijdelijke) poeltjes zijn voorbeelden van geschikt voortplantingswater. Zomer- en winterverblijfplaatsen bevinden zich op hoogwatervrije terreinen. Bestaande ruimtes kunnen benut worden, zoals muizenholletjes. Daarnaast kunnen ze zich ingraven, als de bodem zich daartoe verleent. Voor de winterverblijfplaats is het van belang dat deze vorstvrij is en boven het grondwaterpeil ligt. Het is noodzakelijk dat rugstreeppadden zich kunnen verplaatsen tussen de verschillende verblijfplaatsen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie is momenteel niet erg geschikt als habitat voor de rugstreeppad, gezien er veel verstoring plaatsvindt en het grotendeels bebouwd is. Daarnaast zijn de sloten niet erg geschikt als voorplantingswater, gezien de diepte, de overvloedige aanwezigheid van vegetatie en potentiële predatie door vissen. De rugstreeppad staat er echter om bekend dat deze bouwterreinen snel kan koloniseren zodra er geschikte omstandigheden ontstaan zoals kale, vergraafbare grond en ondiepe poelen (bijlage 2). Derhalve wordt volledigheidshalve aanbevolen om de planlocatie ongeschikt dan wel ontoegankelijk te houden voor rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden (zie te treffen maatregelen).
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van reptielen niet bekend (NDFF 20102020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
7
Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde soorten: rivierrombout (NDFF 2010-2020). De rivierrombout komt met name voor in de buurt van rivieren en grote beken. De larven komen vooral voor op zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten of tussen kribben met zandophopingen. Imago’s komen ook voor in ruigtevegetaties in de directe nabijheid van de rivier. Op de planlocatie is geen sprake van geschikt habitat voor de soort. Gedurende het veldbezoek zijn geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus (in de buurt van de woning), houtduif, kauw, rietgors, tjiftjaf, en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). In de varkensschuur is geen sprake van potentieel geschikte nestlocaties voor huismussen. Het voorste deel van de schuur heeft geen dakbeschot en in het achterste deel begint het dakbeschot niet direct bij de gevel; het meest buitenste deel van het dak heeft aan de binnenzijde geen dakbeschot. Daarnaast betreft het een golfplaten dak wat wegens thermische omstandigheden niet ideaal is voor huismussen; de soort zit vaker onder dakpannen.
De aanwezige huismussen op het perceel zijn ook enkel waargenomen in de directe omgeving van de woning, niet de varkensschuur. Het voorkomen van nestlocaties van huismus in het dak van de varkensschuur wordt derhalve niet verwacht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Er zijn geen geschikte potentiële nestlocaties of invliegopeningen aangetroffen op de planlocatie. Daarnaast bevindt het plangebied zich in landelijk gebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen op en rondom loshangende houten balken. Op de planlocatie is door de hoge mate van verharding en verstoring geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen bomen aanwezig op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten, gezien het grotendeels bebouwd is.
8
Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of essentieel functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormt voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,5 km ligt het Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 4). Op een afstand van circa 140 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 800 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 5,1 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 5). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.
2,5 km
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
140 m
Figuur 5
10
De planlocatie ligt op een afstand van circa 140 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).
800 m 5,1 km
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 800 m tot een Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 5,1 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop- van een voormalige varkensschuur. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een afname in het aantal verkeersbewegingen.
Gedurende de sloopfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een voldoende grote afstand (2,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied; er in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie; en er geen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn binnen het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘’De Donkse Laagten’’, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
+/-
-
-
-
-
-
-
n
n
n
n
-
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
2,5 km
geen
n.v.t
Natuurnetwerk Nederland
140 m
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
800 m
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
5,1 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
nee
nee
n.v.t.
Bomen
nee
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
12
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Bergstoep 26 te Streefkerk uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1 Fotografische impressie
16
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bergstoep 26 en bestaat uit een voormalige varkensschuur welke bestaat uit twee delen. Dit is een aanzicht vanuit het noorden op het voorste deel van het gebouw.
Figuur 2
Het aanzicht vanuit het zuiden op het achterste deel van het gebouw..
Figuur 3
17
Aansluiting van de twee gebouwen..
Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
18
INHOUDSOPGAVE:
blz 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING
1
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE 2.1 Terreinsituatie 2.2 Bodemopbouw en geohydrologische situatie
1 1 2
3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA 3.1 Algemeen 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Laboratoriumonderzoek
3 3 3 3
4.
ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Bodemopbouw en veldwaarnemingen 4.2 Analyseresultaten
5 5 5
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
7
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5.
Regionale situering onderzoekslocatie (1:12.500) Situatieschets met locaties boringen en peilbuis (1:500) Gegevens grondboringen en peilbuis Analyserapporten Toetsingstabellen
BM/2687-2020 (V.O. Doetseweg 26, Giessenburg)
1 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het perceel Doetseweg 26 te Giessenburg, kadastraal bekend gemeente Giessenburg, sectie G, nummer 1491. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de bouw van een woning. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE.
2.1
Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de zuidzijde van de Doetseweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het onderzochte perceelsdeel bedraagt ca 1400 m2. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de eigenaar, de websites Omgevingsrapportage Zuid Holland Zuid, TOPO-tijdreis, Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarchief geraadpleegd. Terreinbeschrijving. Het perceel betreft grotendeels onbebouwd grasland waarvan met name het meest zuidelijke deel een soort hobbytuin is voor een aantal dorpsgenoten. Het perceel is L-vormig. Het onderzochte terreindeel is op tekening aangegeven. Het zuidelijke deel van de L-vorm valt buiten het onderzoeksoppervlak. Halverwege het perceel staat langs de oostelijke perceelsgrens een houten schuur, waarin tuingereedschappen staan en waarin gelegenheid is voor het hobbytuingezelschap om te zitten. De oppervlakte van de gezamenlijke hobbytuin zal omgevormd worden tot een natuurlijk grasland. Tevens zullen een tweetal gedempte slootdelen worden hersteld, namelijk een dwarssloot, die de grens gaat vormen tussen de tuin bij de te bouwen woning en het te herstellen grasland en een lengtesloot ten behoeve van het herstel van de voormalige slagenverkaveling. Beide te herstellen slootdelen vallen buiten het onderzoeksvlak.
Bij de terreininspectie zijn geen concrete waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging. Op de schuur op het terrein ligt geen asbestdak. Huidig gebruik. Hobbytuin voor een aantal dorpsgenoten.
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
2 Voormalig gebruik. In het verleden was het terrein in gebruik als boomgaard. Om deze reden is een extra OCB-analyse uitgevoerd. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. De toekomstige grenslijn tussen de tuin bij de woning en het in ere te herstellen natuurlijke grasland is een gedempt slootdeel. In onderhavig onderzoek zijn hier een drietal proefboringen gedaan om te kijken waarmee de sloot gedempt is. Hierbij is normale onverdachte grond aangetroffen, waarvan het niet nodig was om deze te onderzoeken. Boven- en ondergrondse tanks. Op en rondom het perceel is geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Ten westen staat sinds circa 10 jaar een tamelijk grote luxe woning. Ten oosten bevindt zich een oude woonboerderij. De westelijke en oostelijke perceelsgrenzen zijn slootjes. De Doetseweg is een enigszins slingerende lintbebouwingsweg met voornamelijk woningen of voormalige boerderijen. Ten noorden van de Doetseweg ligt De Giessen. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Van de locatie zelf is geen eerder bodemonderzoek bekend. Op het westelijk gelegen perceel (Doetseweg 24) is in 2007 door Adcim BV een bodemonderzoek verricht, waarbij gangbare verhogingen aan zware metalen en PAK zijn aangetroffen. Op dit terrein was tot 2007 een woning met schildersbedrijf gevestigd.
Het schildersbedrijf had geen aantoonbare verontreinigingen nagelaten. Tot 2017 werden bodemonderzoeken onder de naam van Adcim overigens uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen. Dit geldt dus ook voor het onderzoek op Doetseweg 24. Het terrein Doetseweg 24 wordt op Bodemloket.nl aangegeven met de kleur paars, hetgeen betekent dat de grond voldoende was onderzocht en geschikt om te bewonen. Uit eigen archief zijn verder 8 eerdere onderzoeken bekend aan de Doetseweg, waarbij meestal gangbare lichte verhogingen werden aangetroffen. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning voor wat betreft het NEN-5740-pakket uitgegaan van een licht verdacht locatie. De bovengrond is tweemaal onderzocht in mengmonsters van maximaal 4 deelmonsters. De bovengrond is licht verdacht voor OCB vanwege het boomgaardverleden. Uit eigen ervaring blijkt echter meestal dat in dergelijke kleine hobbymatige boomgaarden geen bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt. Aandachtspunt PFAS De bovengrond is extra onderzocht op PFAS. 2.2
Bodemopbouw en geohydrologische situatie.
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
3 Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde Westlandformatie, welke wordt gekarakteriseerd door overwegend kleiige bodemsoorten op een venige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende maar ook stuwende werking van aangrenzende sloten. De stromingrichting is hiermee dan ook niet eenduidig. 3.
ONDERZOEKSOPZET.
3.1
Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.
3.2
Veldwerkzaamheden. Op 10 juni 2020 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 9 boringen verricht en 3 proefboringen ter verificatie van de zuidelijke slootdemping. Boring 1 is uitgevoerd tot 2.2 m-mv en voorzien van een peilbuis. Boring 5 is 1.5 m diep uitgevoerd en de overige boringen tot 0.5 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
3.3
Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 3 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 3 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.
Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
4 aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM). 1 mengmonster is extra onderzocht op OCB. Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
5 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem bestaat uit een toplaag van sterk humeuze klei en vervolgens uit matig humeuze klei. Daaronder is sprake van kleiig veen tot tenminste 2.2 m-mv. Een boring is uitgevoerd in de schuur. Onder de tegelbestrating bevindt zich een dun laagje ophoogzand en vervolgens de kleiige bovengrond. Zintuiglijk zijn geen noemenswaardige bijmengingen met puin- of kooldeeltjes waargenomen. Dit geldt ook voor de proefboringen ter verificatie van de zuidelijke slootdemping. Er was dan ook geen reden voor asbestonderzoek in de bodem. Op de datum van grondwatermonstername werd grondwater op 0.85 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.
4.2
Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.
De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); >T overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); >I overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging). Grond. Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
1+2+3+4
Bovengrond noordelijk terreindeel
molybdeen,koper,lood kwik
-
-
6 t/m 9
bovengrond zuidelijk terreindeel
kwik,lood,molybdeen
-
-
1.3+5.2+5.3
ondergrond veen
kobalt,molybdeen nikkel
-
-
NB: van de extra onderzochte OCB is geen enkele stof verhoogd aangetroffen.
Onderzoek PFAS Mengmonster 1+2+3+4 is extra onderzocht op PFAS met onderstaande gehalten voor de 2 meest relevante stoffen uit deze reeks: PFOA 7.5 ug/kgds PFOS 1.0 ug/kgds
Grondwater peilbuis 1 In het grondwater is onderstaand verhoogd gehalte aangetroffen. Parameter
Gehalte in ug/l
Barium
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
140
*
streefwaarde
Tussenwaarde
50
340
Interventiewaarde
625
Bakker Milieuadviezen
7 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.
Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: -
De sterk humeuze kleiige bovengrond op het noordelijke terreindeel bevat licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood en molybdeen. Dit zijn gebruikelijke lichte verhogingen. Vanwege het boomgaardverleden is deze bovengrond extra onderzocht op OCB. Van deze componenten is geen enkele stof verhoogd aangetroffen, ofwel ten tijde van de boomgaard zijn geen bestrijdingsmiddelen gebruikt.
-
De sterk humeuze kleiige bovengrond op het zuidelijke terreindeel bevat licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en molybdeen;
-
De venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel, kobalt en molybdeen. Uit eigen ervaring blijkt vaak dat de venige ondergrond verhoogde gehalten bevat voor specifiek deze 3 metalen. De verhogingen hebben geen consequenties voor de bestemming wonen;
-
De bovengrond bevat een PFOA-gehalte van 7.5 ug/kgds, hetgeen redelijk past binnen de verwachtingskaart van de OZHZ. Dit gehalte vormt geen belemmering voor de bestemming wonen;
-
Het grondwater uit peilbuis 1 bevat een licht verhoogd bariumgehalte, hetgeen een gangbare, niet relevante verhoging is.
Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning. NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde grond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Mede vanwege de PFAS-problematiek wordt dan ook juist aanbevolen om te werken met een gesloten grondbalans. Daarbij komt dat voor onderhavig perceel juist eerder noodzaak is tot ophoging vanwege de relatief lage ligging van het perceel.
V.O. Doetseweg 26, Giessenburg
Bakker Milieuadviezen
Omgevingskaart
Doetseweg 26 Giessenburg
Kadastrale kaart
Uw referentie: doetseweg 1491
s gra
2
1
4 3
r uu h sc
5 6
s gra
7 8 9
te mp e d t ge sloo
Bijlage 2: situatietekening V.O. Doetseweg 26, Giessenburg 1 : 500 Boring 0.5 m-mv Boring 1.5 m-mv Controleboring slootdemping 1.2 m-mv Peilbuis Bakker Milieuadviezen BM 2687-2020 Get. A.F. Bakker
N
Bijlage 3
Boorstaten
Boring:
1
Boring:
GWS: Opmerking:
85 pH 7,1 Ec 98 mS/m 40 NTU
GWS: Opmerking:
0
0 1
-40
50
1,2 -80
100
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin Klei, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin
2
0
0
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin
2 -50
50
Veen, mineraalarm, donkerbruin
1,3
150
200 -220
Boring:
3
Boring:
GWS: Opmerking:
GWS: Opmerking:
0
0
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin
3 -50
50
Boring:
0
0
5
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin
4 -50
50
Boring:
GWS: Opmerking:
6
GWS: Opmerking:
0 -5 -15
0
50
4
tegel Zand, matig grof, zwak siltig, lichtbruin
5 -60
5,2 100
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin Veen, mineraalarm, donkerbruin
-150
Projectcode: 2687
Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin
6 50
5,3 150
0
0
Doetseweg 26 Giessenburg
-50