1 Toelichting bestemmingsplan Molenaarsgraaf, Kweldamweg 1
Tekst van het document
25
Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de
relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een bestaand agrarisch perceel. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren.
In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft het loskoppelen van twee bestaande bedrijven en juridisch-planologisch vastleggen van een bestaand buitenopslagterrein. Er vindt geen wijziging plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke 26
kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving (zie par. 3.2.1). Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn, die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken, verstaan. Een landschapsarchitect is gevraagd een gebiedsanalyse te doen in de omgeving en heeft voor deze locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Er is een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving. De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon blijven ongewijzigd. Het plangebied is voorzien van een groene omzoming, waarmee de bedrijfsactiviteiten aan het zicht worden onttrokken. Hiermee is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied gewaarborgd. Weidevogelgebieden Door de ligging van het plangebied in belangrijk weidevogelgebied moet de buitenopslag getoetst worden aan artikel 6.9 lid 6 van de Omgevingsverordening waarin wordt verwezen naar de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap ZuidHolland (2013). De vraag die centraal staat bij het toetsen aan artikel 6.9 lid 6 is of er hier sprake is van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijke weidevogelgebied.
De beleidsregel is in 2013 geactualiseerd en in 1997 ingevoerd. Op het perceel Kweldamweg 1/1a te Molenaarsgraaf is al jarenlang een melkveehouderij met een zuivelmachinebedrijf gevestigd. Veel agrarische bedrijven in de Alblasserwaard hebben zich door de jaren verbreed met agrarische nevenactiviteiten. Die verbreding heeft ook plaatsgevonden bij de melkveehouderij aan de Kweldamweg 1/1a. Sinds medio 1980 is op deze locatie de handel, revisie en bouw van zuivelmachines onderdeel geworden van de bedrijfsvoering. Sinds 1995 vindt buitenopslag van zuivelmachines plaats. Het zuivelmachinebedrijf is door de jaren uitgegroeid tot een volwaardig en zelfstandig bedrijf. Op basis hiervan kan dit inmiddels beschouwd worden als bestaande bebouwing en erf met een gesloten verharding dat is geëxclaveerd van belangrijk weidevogelgebied en waar het ‘nee, tenzij’ beleid uit de beleidsregel dus niet geldt. Vanwege de langjarige situatie, die meer dan 15 jaar bestaat, is het niet vast te stellen of er sprake is van eventuele significante effecten, waardoor het eisen van compensatie niet redelijk is. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stadsen dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Met dit plan is sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ noodzakelijk is. Het opslagterrein is kleiner dan 3 hectare (maximaal 5650 m2). Het plan voldoet aan ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’ (zie par. 3.1.3).
27
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het belangrijk dat regionale ondernemers zich verder kunnen ontplooien.
Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Hiermee wordt voor beide bedrijven, die al jarenlang gevestigd zijn aan de Kweldamweg 1/1a te Molenaarsgraaf, een toekomstbestendige situatie gecreëerd. Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken. Het zuivelmachinebedrijf is op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingepast. Door een landschapsarchitect is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarbij de kernkwaliteiten van het landschap als uitgangspunt zijn genomen. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
28
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en werken, die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de gemeente. Mensen moeten kunnen wonen en werken waar ze willen. De toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat er voldoende bedrijvigheid nodig is in de gemeente. De gemeente wil inspelen op economische ontwikkelingen en de aantrekkelijkheid van het gebied voor bedrijvigheid behouden. Bedrijven worden actief ondersteund en begeleid in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal veel praktische oplossingen. Op het perceel Kweldamweg 1/1a te Molenaarsgraaf is al jarenlang een melkveehouderij met een zuivelmachinebedrijf gevestigd. Veel agrarische bedrijven in de Alblasserwaard hebben zich door de jaren verbreed met agrarische nevenactiviteiten. Die verbreding heeft ook plaatsgevonden bij de melkveehouderij aan de Kweldamweg 1/1a. Sinds medio 1980 is op deze locatie de handel, revisie en bouw van zuivelmachines onderdeel geworden van de bedrijfsvoering. Het zuivelmachinebedrijf is door de jaren uitgegroeid tot een volwaardig en zelfstandig bedrijf.
Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Hiermee wordt voor beide bedrijven, die al jarenlang gevestigd zijn aan de Kweldamweg 1/1a te Molenaarsgraaf, een toekomstbestendige situatie gecreëerd. Het zuivelmachinebedrijf en agrarisch bedrijf hebben circa 12 werknemers in dienst die hoofdzakelijk afkomstig zijn uit de gemeente Molenlanden. De bedrijven hebben een maatschappelijke functie in de vorm van werkgelegenheid, het aanbieden van stageplaatsen en sponsoring aan lokale verenigingen. Middels dit plan kunnen beide bedrijven op deze locatie worden voortgezet en is de lokale werkgelegenheid en maatschappelijke functie van de bedrijven gewaarborgd. Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. 3.4.2 Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten Op 19 november 2020 heeft de gemeente Molenlanden het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten (VAB-beleid) vastgesteld.
Doel van dit beleid is om de vitalisering van het buitengebied - en dan met name in de ruilverkavelingslinten - te stimuleren. Het gaat dan om het behouden en versterken van de karakteristieken van het landschap, de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Molenlandse buitengebied. Uitgangspunt van het VAB-beleid is een bijdrage te leveren aan een vitaal buitengebied en aan de versterking van de omgevingskwaliteit van het buitengebied. Die versterking kan bijvoorbeeld bestaan uit het slopen van overtollige gebouwen, sanering van asbestdaken, landschappelijke inpassing, aanleg van recreatieve routes, versterken van de biodiversiteit. Hierbij blijft de agrarische sector centraal staan in het gebied, maar zal tegelijkertijd aandacht nodig zijn voor onder meer een aantrekkelijk landschap en biodiversiteit. Dit beleid geeft de ontwikkelingsmogelijkheden aan voor met name de vrijkomende agrarische bebouwing in de ruilverkavelingslinten. Op het perceel Kweldamweg 1/1a te Molenaarsgraaf is al jarenlang een melkveehouderij met een zuivelmachinebedrijf gevestigd. Veel agrarische bedrijven in de Alblasserwaard hebben zich door de jaren verbreed met agrarische nevenactiviteiten. Die verbreding heeft ook plaatsgevonden bij de melkveehouderij aan de Kweldamweg 1/1a. Sinds 29
medio 1980 is op deze locatie de handel, revisie en bouw van zuivelmachines onderdeel geworden van de bedrijfsvoering. Het zuivelmachinebedrijf is door de jaren uitgegroeid tot een volwaardig en zelfstandig bedrijf. Omdat de eigenaren van de melkveehouderij inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd ruim zijn gepasseerd en er geen opvolging is binnen eigen kring is besloten de melkveehouderij te koop aan te bieden. Het is niet gelukt het bedrijf te verkopen. Eén van de hoofdredenen hiervoor was dat de potentiële kopers vrij wilden zijn zelf te handelen en geen koppeling wilden met het zuivelmachinebedrijf (thans in het bestemmingsplan als nevenactiviteit gekoppeld aan het agrarisch bedrijf). Het zuivelmachinebedrijf heeft veel geïnvesteerd in de landschappelijke inpassing van het bedrijf. Het bedrijf is voorzien van een groene omzoming conform het landschappelijk inpassingsplan (zie par. 2.2.3), bestaande uit streekeigen beplanting, waarmee de bedrijfsactiviteiten aan het zicht worden onttrokken. Middels dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het bestaande agrarisch bedrijf en het agrarisch gerelateerde zuivelmachinebedrijf voort te zetten, waardoor het agrarisch karakter van het gebied is gewaarborgd. Het plan is in overeenstemming met het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing aan ruilverkavelingslinten van de gemeente Molenlanden.
3.5
Conclusie
Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • •
• •
•
Het plan voldoet aan de van ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’. Het zuivelmachinebedrijf heeft veel geïnvesteerd in de landschappelijke inpassing van het bedrijf. Het bedrijf is voorzien van een groene omzoming, bestaande uit streekeigen beplanting, waarmee de bedrijfsactiviteiten aan het zicht worden onttrokken. Hiermee is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied gewaarborgd. Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken. Middels dit plan kunnen beide bedrijven op deze locatie worden voortgezet en is de lokale werkgelegenheid en maatschappelijke functie van de bedrijven gewaarborgd. Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
30
4.
Milieuaspecten
4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)
Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Er is geen sprake van opslag van chemische stoffen. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling.
Kenmerken van het plan Middels dit plan worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Er is geen sprake van uitbreiding/ verbreding van bedrijfsactiviteiten. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van dit plan zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
31
4.2
Watertoets
Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen; • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezem- kades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs Aen B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een 32
A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (20210319-9-25895). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied (drooglegging) Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW003. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,85 m NAP en een winterpeil van -1,95 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse C-watergangen gelegen. Er wordt geen extra water gegraven dan wel bestaande watergangen gewijzigd. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk.
Afbeelding 9: Uitsnede Legger wateren 33
.
Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede Peilgebiedenkaart Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.
Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Het plan voorziet niet in een toename aan verharding, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn.
34
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. De bestaande bedrijfsgebouwen zijn aangesloten op het rioleringsstelsel. Hier worden geen wijzigingen in gedaan. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Kweldamweg. De melkveehouderij en het zuivelmachinebedrijf hebben in de bestaande situatie een eigen ontsluiting op de Kweldamweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
35
4.3
Geluid
Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de Kweldamweg (60 km/h) en de N214 (80 km/h). Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. In het onderhavige plan worden geen (bedrijfs)woningen toegevoegd en/of verplaatst. In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van toevoeging/verplaatsing van een geluidsgevoelig object, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
36
4.4
Luchtkwaliteit
Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde concentratie (NO2) Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 18,45 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,01 μg PM10/m3); • Een fijnstofconcentratie van 11,06 μg PM2,5/m3). Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard.
Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
37
4.5
Bedrijven en milieuhinder
Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 2 zijn de afstanden weergeven.
Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk/ Gemengd gebied Rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de invloed van het plan ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering is geen specifieke categorie voor een zuivelmachinebedrijf opgenomen. Het bedrijf kan qua schaal en aard het beste worden geschaard in de categorie ‘Constructiewerkplaatsen in gesloten gebouw (milieucategorie 3.2). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie) geldt voor deze bedrijven een grootste richtafstand van 100 meter voor geluid. De richtafstanden conform het VNG-Handboek ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden strikt formeel tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (in dit geval het bouwvlak met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden handel en revisie’) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functies zijn de woningen Kweldamweg 1 en 2 (behorende bij het agrarisch bedrijf). De afstand van het functieaanduidingsvlak ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - handel en revisie’ tot de achtergevel van de dichtstbijzijnde woning Kweldamweg 1 (excl. vergunningsvrije bouwwerken) bedraagt 89 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand.
38
De uitspraak van de Raad van State (ABRS 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:63) bevestigt dat het zuivelmachinebedrijf ter plaatse legaal is gevestigd en dat een deel van de opslagloods en het buitenterrein voor het zuivelmachinebedrijf in gebruik zijn. Middels deze bestemmingsplanprocedure worden het agrarisch en zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het reeds toegestane zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridischplanologisch vastgelegd. In het kader bedrijven en milieuhinder is wat betreft het zuivelmachinebedrijf (incl. de opslagloods) sprake van een gelijkblijvende situatie. De bewoners van de woningen Kweldamweg 1 en 2 ervaren bovendien geen geluidsoverlast van de bedrijfsactiviteiten van het zuivelmachinebedrijf. In het kader van bedrijven en milieuhinder is met het juridisch-planologisch vastleggen van de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf echter wel sprake van toevoeging van een milieubelastende activiteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – buitenopslag’ op meer dan 100 meter van de woningen Kweldamweg 1 en 2 gelegd.
Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit plan. Woningen Kweldamweg 1 en 2
> 100 meter
Afbeelding 11: Bedrijf- en milieuhinder Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. 39
4.6
Externe veiligheid
Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen is de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.
Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevindt ten noorden van het plangebied op 147 meter een pluimveehouderij. Op het terrein is een propaanreservoir (8 m 3) aanwezig. Voor deze inrichting geldt een 10-6 PR-contour van 12 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten de 10-6 PR-contour (147 meter).
Gezien de lage bevolkingsdichtheid en de grote afstand tot het gebied kan worden gesteld dat het groepsrisico nihil is en daarmee een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn.
40
Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Het plangebied is gelegen nabij de provinciale weg N214. Van de N214 is bekend dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Voor de N214 geldt geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Gezien de lage bevolkingsdichtheid, het plan niet voorziet in kwetsbare objecten (het betreft een buitenopslagterrein) en het plangebied op grote afstand van de N214 is gelegen zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de N214 te verwachten. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de Kweldamweg zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen eveneens buiten het toetsingskader.
Ca. 145 meter
Ca. 180 meter
Afbeelding 12: Risicokaart externe veiligheid Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
41
4.7
Kabels en leidingen
Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42
4.8
Ecologie
Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Het plan voorziet niet in fysieke werkzaamheden, waaronder het dempen van sloten, bouw- en sloopwerkzaamheden, het kappen van bomen en/of het verwijderen van groen, welke in het kader van flora en fauna nadelige gevolgen kunnen hebben voor de verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Derhalve wordt het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk geacht. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca. 4,1 km ligt het Natura 2000-gebied Donkse Laagten en op ca. 5,4 km het Natura 2000-gebied Biesbosch.
Plangebied
Afbeelding 13: Plangebied in relatie tot Natura2000-gebieden
43
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Stikstofdepositie Een bestemmingsplan kan op basis van een Voortoets in overeenstemming met artikel 2.7 lid 1 Wnb worden vastgesteld wanneer vaststaat dat het plan niet leidt tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen dient uit worden gegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, inclusief de in het bestemmingsplan opgenomen flexibiliteitsconstructies. (ABRS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5129). Die effecten mogen worden vergeleken met de effecten die al optreden in de referentiesituatie. Voor een bestemmingsplan moet als referentiesituatie gelet op vaste rechtspraak worden uitgegaan van de “feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan” (ABRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212 (Bergeijk) en ABRS 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:498 (Doetinchem), r.o. 4.3). Dit betreft dus niet een planologische vergelijking.
De feitelijke planologisch legale situatie is bepalend en niet de onbenutte planologische gebruiksmogelijkheden (denk aan een leegstaand bedrijf). Voor zover die onbenutte planologische mogelijkheden opnieuw worden bestemd, dienen die in de beoordeling (Stikstofrapport) te worden betrokken (ABRS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2909 (Den Haag), r.o. 4.4). In zoverre is ook de natuur-, milieu-vergunde of gemelde situatie niet relevant. Voor plan is een Voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. In de Voortoets stikstofdepositie zijn uitsluitend de effecten van het zuivelmachinebedrijf beoordeeld. De melkveehouderij is feitelijk en planologisch reeds legaal aanwezig is en wordt in zoverre uitsluitend opnieuw bestemd. Daarmee maakt dit bedrijf onderdeel uit van de referentiesituatie. Reden waarom dit bedrijf verder niet in het stikstofdepositieonderzoek is betrokken. Voor wat betreft het zuivelmachinebedrijf betreft dit in zoverre een worst case uitgangspunt. Immers, voor zover het zuivelmachinebedrijf legaal aanwezig was, zouden die effecten niet opnieuw beoordeeld hoeven worden. Het reeds aanwezige bedrijf is echter gedeeltelijk niet planologisch legaal aanwezig (buitenopslag en de opslagloods die grotendeels buiten het bouwvlak is gelegen). Uit de Voortoets stikstofdepositie blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.
Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.
44
4.9
Bodem
Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. De agrarische bestemming blijft ongewijzigd. Er is geen sprake van nieuwvestiging van een bedrijf (bestaande bedrijven) en/of het realiseren/verplaatsen van woningen. Derhalve wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
45
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied deels is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting (voor prehistorie tot middeleeuwen) tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m 2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De verwachtings- en beleidsadvieskaart is juridisch verankerd in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’. Het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
Middels deze bestemmingsplanprocedure worden twee bedrijven juridisch-planologisch van elkaar losgekoppeld en afzonderlijk bestemd (waarbij beide bedrijven ook een afzonderlijk bouwvlak verkrijgen), wordt het bouwvlak van het zuivelmachinebedrijf gewijzigd (zodat de opslagloods volledig binnen het bouwvlak is gelegen) en wordt de buitenopslag bij het zuivelmachinebedrijf juridisch-planologisch vastgelegd. Er is geen sprake van bodemingrepen. Derhalve wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
46
Afbeelding 14: Uitsnede verwachtings- en beleidsadvieskaart Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van (eventuele) archeologische waarden in de bodem wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ overgenomen in dit bestemmingsplan.
47
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Dit plan voorziet niet in bouwwerkzaamheden. Het zuivelmachinebedrijf heeft ingespeeld op dit beleid door op de opslagloods zonnepanelen te plaatsen. Het bedrijf heeft veel geïnvesteerd in de landschappelijke inpassing van het bedrijf. Het bedrijf is voorzien van een groene omzoming, bestaande uit streekeigen beplanting. De groene omzoming is tevens juridisch-planologisch vastgelegd middels de bestemming ‘Groen’. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet niet in een toename aan verharding.
In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse watergangen gelegen. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Tevens wordt het plangebied voorzien van een groene omzoming waarmee hemelwater beter in de bodem kan infiltreren. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De opslagloods en het buitenopslagterrein is op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, is bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het bedrijf is voorzien van een groene omzoming, bestaande uit streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het bedrijf is voorzien van een groene omzoming, bestaande uit streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.
48
5. Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Kweldamweg 1’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Kweldamweg 1’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Kweldamweg 1’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018). De regels van het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Kweldamweg 1’ bestaat uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden Het plangebied behoudt voor het overgrote deel de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ worden twee agrarische bouwvlakken opgenomen. Groen Ter plaatse van de landschappelijke inpassing/de groene omzoming wordt de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Waarde – Archeologie 4 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4’ is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • • • •
Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – buitenopslag’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – handel en revisie van zuivelmachines’; Bouwvlak (twee bouwvlakken); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.
49
Landschappelijke inpassing van bedrijfslocatie Kweldamweg 1 te Molenaarsgraaf
26 APRIL 2021 In opdracht van: Van den Heuvel - Ontwikkeling en Beheer b.v.
Oog voor buitenruimten
2
Landschappelijke inpassing van bedrijfslocatie Kweldamweg 1 te Molenaarsgraaf 26 APRIL 2021
I.o.v. Van den Heuvel - Ontwikkeling en Beheer b.v.
Is voorbereid door: Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten b.v. Postbus 67 2860 AB Bergambacht 0182 357077 info@lagendijkTLarchitecten.nl lagendijktlarchitecten.nl
3
4
Inhoud
Inleiding
7
Inventarisatie / analyse
9
Projectgebied in wijdere omgeving
10
Projectgebied ingezoomd en kadastraal
11
Fotobeelden bestaande situatie
12
Ruimtelijk kwaliteitskader Molenwaard
15
Landschappelijke en stedenbouwkundige hoofdstructuur
16
Landschappelijke kwaliteit
18
Aanbevelingen
25
Bestaande situatie
26
Nieuwe situatie met daarop doorsnede aangegeven
27
Doorsnede A, B en C
28
Bestaande en nieuwe situatie
32
Aanzicht 1 en 2
35
Oppervlakte opslag en groen
36
Erfbeplanting
39
Referentiebeelden beplanting
41
Conclusie
43
5
Inhoud
6
Inleiding Aanleiding Opdrachtgever Van den Heuvel - Ontwikkeling en Beheer b.v. heeft Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten opdracht gegeven te onderzoeken of de landschappelijke inpassing van de kavel op verantwoorde wijze is uitgevoerd omdat daar vraagtekens bij worden geplaatst. Dit heeft verband met de op handen zijnde bestemmingsplantechnische splitsing van de bedrijven op de huidige locatie. Het perceel ligt ingesloten tussen de Provincialeweg N214 en de Kweldamweg te Molenaarsgraaf (gemeente Molenwaard) in het hart van de Alblasserwaard. De huidige bebouwing op de percelen bestaat uit een ligboxenstal met bedrijfsloodsen, bedrijfswoning en erf dat voor een belangrijk deel voor opslag van goederen en veevoeder wordt gebruikt. Er is sprake van de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de reeds bestaande situatie. Het complex is nu een opvallende verschijning in het veenweide gebied en heeft wat gebiedsvreemde eigenschappen. Doelstelling Doelstelling is de verschijningsvorm van het gebied met de deels gebiedsvreemde eigenschappen aan te passen, dusdanig dat een situatie ontstaat die vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is.
Aanpak Via een stedenbouwkundige en landschappelijke verkenning en de analyse van verschillende landschappelijke aspecten wordt een beoordeling gegeven over de mogelijkheden die het gebied geeft en de maatregelen die genomen kunnen worden om de doelstelling te bereiken.
7
Inleiding
8
Inventarisatie / analyse
9
Inventarisatie / analyse
Molenaarsgraaf
n sla Ope a genl hap ndsc
Projectgebied Ope age n sl dsc nlan
ldam Kwe
weg
hap o Pr
Luchtfoto van wijdere omgeving (Ruimtelijke plannen)
Inventarisatie / analyse
Projectgebied in wijdere omgeving
10
e ew l a ci vin
4 21 N g
De Put
e Kw
Projectgebied
eg mw a ld
Projectgebied
14 N2
Projectgebied ingezoomd (Ruimtelijke plannen)
Kadastrale ondergrond met GBKN
11
Inventarisatie / analyse
Projectgebied ingezoomd en kadastraal
Projectgebied gezien vanuit oosten
Kweldamweg in westelijke richting
Woningen en schuren op projectlocatie
Projectgebied met links op de foto de provinciale weg N214
Bomenlanen langs toegangsweg naar bedrijf
Westzijde van projectgebied
Oostzijde projectgebied, open slagenlandschap
Projectgebied gezien vanaf Kweldamweg
Westzijde van projectgebied, grotendeels groene inpassing
Inventarisatie / analyse
Fotobeelden bestaande situatie
12
Schrale bufferbeplanting in een smalle taludstrook langs oostzijde perceel
Schrale bufferbeplanting langs zuidzijde perceel
Schrale bufferbeplanting achterzijde perceel, zuidzijde kijkende in oostelijke richting. Opslagterrein momenteel leeg
Schrale bufferbeplanting langs westkant perceel
Westkant perceel, bestaande schuur niet ingekleed in bufferbeplanting
Schrale bufferbeplanting westkant perceel, beplantingsstrook te smal en weinig tot geen onderbegroeiing
Schrale bufferbeplanting langs westzijde perceel
Schrale bufferbeplanting westkant perceel
Schrale bufferbeplanting langs perceel, zuid– en westzijde