CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Veerstraat 3

Raadsvergadering 15 juli 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Veerstraat 3, Standdaarbuiten19.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de ondergrond van het plangebied zijn tot een diepte van 4,0 m –Mv geulafzettingen aanwezig, die gezien de verwachte diepteligging van het dekzand in het gebied de top van het dekzand zullen hebben aangetast. De geulafzettingen zelf dateren hoogstwaarschijnlijk in de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd en waren pas na inpoldering van het gebied toegankelijk. In het midden van de 20e eeuw is het plangebied opgehoogd met een pakket puin- en plastic-houdende grond. Dit pakket is 130 cm dik. Pas toen deze grond is aangebracht is er in het plangebied gebouwd. Hierom is er voor alle perioden sprake van een lage archeologische verwachting. Er hoeft dan ook geen dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ in het bestemmingsplan opgenomen te worden.

30

Hoewel de kans klein is, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Indien in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente Halderberge conform Artikel 5.10. (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2016. Conclusie. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is de conclusie gerechtvaardigd dat de kans op het aantreffen van archeologische resten klein is.

6.2

Cultuurhistorie.

Ten aanzien van het onderdeel cultuurhistorie geldt als uitgangspunt dat de ruimtelijke ontwikkeling geen afbreuk mag doen aan eventuele cultuurhistorische waarden van het object zelf noch aan dergelijke waarden van de in de directe omgeving aanwezige objecten. Wettelijk toetsingskader. Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast.

Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.

Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

31

Beleid provincie Noord-Brabant. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Prominent op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. De CHW geeft verder de meest recente erfgoedinformatie van het rijk, met archeologische en bouwkundige monumenten, met archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. Hierna is een uitsnede weergegeven van de CHW alsmede het relevante deel van de daarbij behorende legenda. De locatie Veerstraat 3 te Standdaarbuiten is daarop nader aangeduid.

Locatie Veerstraat 3 te Standdaarbuiten Fig. 16 Cultuurhistorische waardenkaart.

32

Fig. 17 Legenda behorende bij cultuurhistorische waardenkaart. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart maakt de locatie Veerstraat 3 deel uit van een gebied dat is aangeduid als historische stedenbouw. Het betreft het zuidelijke gedeelte van de kern Standdaarbuiten, plaatselijk bekend als Schans. Schans is een structureel gaaf bewaard gebleven dijknederzetting met klein bebouwingslint (bebouwingsbeeld één- en tweelaags, vrijstaande bebouwing, gescheiden door erven en tuinen, gevels direct aan de straat, kern 1800-1900), bij de aansluiting van de Oudenbossche haven op Mark en Dintel. Plaatselijk uitgebouwd met bedrijfsmatige bebouwing, gedeeltelijk gesitueerd op de noordelijke oever. Op de noordelijke oever van de Mark en Dintel ter plaatse van Standdaarbuiten een voormalige veerverbinding naar Oudenbosch, met naar de kom van Standdaarbuiten de Veerstraat, voorzien van een historische bestrating met klinkers. Ter plaatse heeft zich een klein havenbuurtje ontwikkeld, met enige bedrijvigheid. Op de CHW is verder zowel voor het pand Veerstraat 3 alsook enkele in de directe omgeving gelegen bebouwingen voorzien in de aanduiding ‘overige bouwkunst’ zonder dat daarvoor echter in een beschrijving van specifieke aan die bebouwing verbonden waarden wordt voorzien. Veelal betreffen dit dan ook reguliere woonbebouwingen zoals Veerstraat 1, 5, 6 en 8.

Op enige afstand van het plangebied Veerstraat 3 is voorzien in de aanduiding Rijksmonument. Dit betreft het voormalige suikerdepot gevestigd aan Veerstraat 18. Momenteel wordt bekeken of een hergebruik daarvan ten behoeve van wonen met instandhouding van de aan het object verbonden monumentale waarde mogelijk is. Met de voorgestane bouw van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 zal geen afbreuk worden gedaan aan de waarden van het omliggende gebied en de daarin geïnventariseerde objecten met cultuurhistorische waarden. Molenbiotoop. Het plangebied valt binnen de ook in het bestemmingsplan opgenomen aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. De vrijwaringszone betreft een cirkel met een doorsnede van 800 meter gelegen rondom en gemeten vanaf het middelpunt van de nog aan de Molenstraat in de kern Standdaarbuiten aanwezige molen. Ten aanzien van de opgenomen aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ zijn in artikel 28 van het bestemmingsplan nadere regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de binnen de vrijwaringszone op te richten bebouwing, zulks met het oogmerk om de vrije windvang niet te beperken en daarmee een onbelemmerde werking van de molen te waarborgen alsook het zicht op de

33

molen niet verder te beperken. Daarbij is onderscheid gemaakt naar gelang de afstand tot het middelpunt van de molen te weten: a. binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 meter tot het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek; Het plangebied is gelegen op een afstand van 250 meter van het middelpunt van de molen op basis waarvan de hoogte van de op te richten bebouwing is bepaald op 1/30 van 250 meter gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Alsdan bedraagt de toegestane bouwhoogte 8.33 meter gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Voor de te bouwen woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 is een maximale bouwhoogte voorgeschreven van 4.50 meter hetgeen ruim blijft onder de vanwege de ligging in de vrijwaringszone – molenbiotoop toegestane bouwhoogte. Beleid gemeente Moerdijk. Gemeente Moerdijk heeft een op het grondgebied van de gemeente afgestemde cultuurhistoriekaart vastgesteld alsmede een toelichting daarop.

Beiden vormen de basisinstrumenten die ertoe kunnen dienen dat de waarden op het gebied van cultuurhistorie in de vroegste fase van ruimtelijke planvorming kunnen worden ingebracht en meegewogen. De kaart inclusief de legenda is gebaseerd op en sluit aan bij de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de gemeentelijke cultuurhistoriekaart. De omgeving van het plangebied is daarop omcirkeld aangegeven.

Omgeving plangebied Fig. 18 Gemeentelijke Cultuurhistoriekaart.

34

Fig. 19 Legenda gemeentelijke cultuurhistoriekaart. Zoals op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart is aangegeven, zijn in de directe omgeving van het plangebied enkele objecten van historische bouwkunst geïndiceerd. Het handelt daarbij om de locaties Veerstraat 1, 3, 5, 6 en 8. Tevens is melding gemaakt van een aanwezig rijksmonument. Dit betreft het object Veerstraat 18 (suikerdepot). Het beleid ten aanzien van de geïnventariseerde objecten is erop gericht om te komen tot een instandhouding. Dit geldt vooral voor het aanwezige rijksmonument Veerstraat 18. Ten aanzien van de geïnventariseerde objecten van historische bouwkunst is het beleid erop gericht om te komen tot een nader onderzoek naar cultuurhistorische waarden ten behoeve van een eventuele aanwijzing als gemeentelijk monument of bescherming anderszins. Met de voorliggende plannen om op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te komen tot de bouw van een extra woning zal in geen enkel opzicht afbreuk worden gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de in de directe nabijheid geïnventariseerde objecten.

Ontwikkeling van het initiatief vindt plaats op een acceptabele afstand van de geïnventariseerde objecten waarbij mede relevant is dat de ontwikkeling geschiedt op een dusdanige locatie in het straatbeeld ter plaatse dat daardoor geen van de geïnventariseerde objecten aan het straatbeeld onttrokken worden danwel aan de situeringswaarde daarvan afbreuk wordt gedaan. Conclusie. Met de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 wordt geen afbreuk gedaan aan de in de directe omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden.

35

6.3

Milieu effect rapportage

In 2001 is de Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen opgesteld. In 2006 is deze richtlijn geïmplementeerd in de Nederlandse milieuregelgeving door middel van een wijzing van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994. Bij deze wijzing is de figuur van de plan-mer geïntroduceerd. Mer staat daarbij voor milieu effect rapportage. Voor plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zijn overheden verplicht een plan-mer uit te voeren. De plan-mer dient een passende beoordeling van de gevolgen van het milieu te bevatten. Ook voor bestemmingsplannen welke mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt deze onderzoeksplicht. In artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke activiteiten, plannen en besluiten het maken van een plan-mer verplicht is. Daartoe wordt verwezen naar de onderdelen C en D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Hierin worden concrete activiteiten en projecten benoemd waarvoor de mer-plicht geldt. Onderhavig project betreft de bouw van één vrijstaande woning en valt niet onder de in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage genoemde activiteiten en projecten.

Op basis hiervan geldt voor onderhavig project derhalve geen verplichting om een plan-mer uit te voeren. Dat de verplichting tot het opstellen van een plan-mer ontbreekt, betekent overigens niet dat met onderhavig project geen rekening is gehouden met mogelijke gevolgen daarvan voor het milieu. In de plantoelichting is op meerdere onderdelen getoetst aan alle relevante milieu-aspecten en is beoordeeld of er eventueel waarden zijn welke onaanvaardbaar kunnen worden aangetast door onderhavig project. Dit is echter niet het geval.

6.4

PAS/Stikstof

Ten behoeve van de te bouwen woning is nader onderzoek gedaan naar de ten gevolge van de voorgestane ontwikkeling optredende stikstofemissies. In overleg met de gemeente Moerdijk is het uitgevoerde onderzoek niet beperkt gebleven tot de zogenaamde eindfase en is ook de bouwfase in het onderzoek betrokken. Verder is er in het uitgevoerde onderzoek van uitgegaan dat de te realiseren woning zogenaamd ‘gasloos’ zal worden gebouwd. Het onderzoek is uitgevoerd door Agel Adviseurs te Oosterhout. Daartoe is gebruik gemaakt van de Aerius Calculator 2019. Doel van het onderzoek was om te bepalen wat de bijdrage van het plan aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden is. Vervolgens is bepaald of deze resultaten leiden tot mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de uitgevoerde berekeningen geen depositieresultaten hebben opgeleverd boven de 0,00 mol/ha/jr. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitaten leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Hieruit wordt geconcludeerd dat de realisatie van de nieuwe woning op het adres Veerstraat 3 wordt uitgezonderd van de vergunningplicht.

Nu uit de berekening is gebleken dat de realisatie van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden geldt hiervoor op grond van de Wet Natuurbescherming een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarmee dan ook geen belemmering voor de bouw van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten. Het door Agel Adviseurs uitgevoerde onderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 2).

36

6.5

Natuur en ecologie

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot de natuur. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden, die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Het toetsingskader daartoe wordt gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet geldt vanaf 1 januari 2017 en vervangt drie andere wetten te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Daartoe is door Agel Adviseurs te Oosterhout een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de locatie aan de Veerstraat 3te Standdaarbuiten (rapportage 16 juli 2019, projectnummer 19.079). Een rapportage van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is als bijlage bijgevoegd (bijlage 3). Hieruit is het volgende gebleken. Onderdeel Gebiedsbescherming. Natura 2000 Vastgesteld is dat het plangebied zelf geen onderdeel uitmaakt van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000-gebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van 7,5 km van het plangebie den betreft het Hollands Diep. Daarnaast ligt de Biesbosch op 15 km afstand, en Krammer-Volkerak op 11 km afstand van het plangebied. De voorgestane werkzaamheden gericht op de bouw van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 zijn echter beperkt van aard en worden op een grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied ligt daarmee buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn dan ook geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten. Natuurnetwerk Nederland Vastgesteld is dat het plangebied zelf geen onderdeel uitmaakt van een Natuurnetwerk Nederland maar daaraan aangrenzend is gelegen. Dit betreft het naastgelegen Standdaarbuitenbos. Dit betreft haagbeuken- en essenbos van bescheiden omvang. Voor het Natuurwerk Nederland is door de provincie een aantal doelstellingen geformuleerd. Er zijn echter geen doelstellingen geformuleerd voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen dan ook plaatsvinden. Nu het plangebied is gelegen buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland zijn er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied te verwachten.

Het afwegingskader EHS hoeft daarom niet te worden doorlopen. Geadviseerd wordt wel om bouwmaterialen niet in Natuurnetwerk Nederland te leggen. Met de realisering van de plannen zal met dit advies rekening worden gehouden. Onderdeel soortenbescherming. De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Grondgebonden zoogdieren. De voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

37

Vleermuizen. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig die mogelijk dienst kunnen doen als verblijfplaats voor vleermuizen. De bijbehorende woning naast het plangebied is wel geschikt als mogelijk vleermuizenverblijfplaats. Aan deze woning zullen echter geen werkzaamheden plaats gaan vinden. Het schuurtje binnen het plangebied is ongeschikt als vleermuizenverblijfplaats. De bomen zijn gecontroleerd op holtes, en deze zijn niet aangetroffen. De jonge bomen die worden verwijderd ten behoeve van de nieuwe woning zijn ongeschikt als eventueel verblijf voor vleermuizen. Tenslotte is er geen essentiële vliegroute of foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig.

Vogels. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden aan het woonhuis welke eventueel geschikt is als verblijfplaats voor gierzwaluwen of mussen. Het schuurtje is ongeschikt voor deze jaarrond beschermde soorten. Er waren geen jaarrond beschermde nesten aanwezig in de bomen. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig. Wel zouden zich eventueel algemene broedvogels kunnen nestelen in de aanwezige struiken. Mochten deze tijdens het realiseren van het nieuwe gebouw eventueel verwijderd worden, dan zou dit buiten de kwetsbare broedperiode moeten plaatsvinden (15 maart t/m 15 juli). Mocht het verwijderen van de struiken tijdens het broedseizoen niet vermeden kunnen worden, dan dienen de struiken voor verwijdering gecontroleerd te worden op actieve nesten. Reptielen, amfibieën en vissen. Een geschikte habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. De vijver binnen het plangebied is ongeschikt om beschermde amfibiesoorten te herbergen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Flora. In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Ongewervelden. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht.

Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Conclusie. Op basis van de onderzochte onderdelen levert het aspect natuur en ecologie geen belemmering op voor de bouw van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten.

6.6

Bodemkwaliteit.

In het kader van de realisering van ruimtelijke plannen dan wel het vestigen van ruimtelijke functies kan de bodemkwaliteit een belangrijke afweging vormen. Bepalend hierbij is dan in welke mate gebruik wordt gemaakt van de bodem en of de bodemgesteldheid van dusdanige kwaliteit is dat vanuit dat opzicht tegen het voorgenomen gebruik geen overwegende bezwaren dan wel belemmeringen bestaan. Binnen onderhavige ontwikkeling wordt de huidige bestemming “Wonen” geïntensiveerd door de bouw van een extra woning. Vanuit een waarborg voor een aanvaard woon- en leefklimaat is het geboden nader inzicht te hebben in de bodemgesteldheid ter plaatse. Inmiddels is door Bakker Milieuadviezen te Waalwijk een verkennend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek uitgevoerd (BM/2580 - 2019, juli 2019). Het doel van het uitgevoerde bodemonderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de gewenste bouw van een extra woning.

38

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan voor de onderzoeklocatie het volgende worden geconcludeerd: a. de algemeen geroerde bovengrond, met lichte bijmengingen van puin- en kooldeeltjes, is in 3 mengmonsters onderzocht. De grond blijkt in elk van de 3 mengmonsters licht verontreinigd te zijn met lood. Daarnaast is PCB in twee van de 3 mengmonsters licht verhoogd en kwik en PAK zijn in een mengmonster licht verhoogd aangetroffen; b. in de geroerde kleiige ondergrond ter plaatse van een 2-tal uitgevoerde boringen is alleen lood in een gehalte boven de AW 2000 aangetroffen; c. op circa 20 m afstand van de noordelijke perceelsgrens is ooit een sloot gedempt. De bodemlaag van 50-100 cm-mv ter plaatse is licht verontreinigd met lood, cadmium en zink. In de ondergrond (1-1.5 m) ter plaatse van alleen boring 14 is een afwijkende oranjebruine bodemlaag aangetroffen die sterk verontreinigd is met lood en zink. Op korte afstand van deze boring zijn 4 aanvullende boringen verricht en in dezelfde bodemlaag zijn in deze 4 boringen geen verhoogde gehalten aangetoond voor lood en zink. De bodemlaag van 1.5-2 m ter plaatse van boring 14 is ook nog sterk verontreinigd. Daaronder kon niet verder geboord worden door een onbekend object. Gezien de korte afstand van de boringen 16 t/m 19 rondom 14 kan de sterke verontreiniging ter plaatse van boring 14 niet meer dan enkele kuubs betreffen.

In die zin is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (veel minder dan 25 m3 sterk verontreinigd). Naar schatting is de slootdemping in de jaren '60 uitgevoerd. d. in het grondwater is alleen het gehalte aan barium boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is geen relevante verhoging; e. uit het door Adcim BV uitgevoerde asbestonderzoek blijkt dat de licht puinhoudende bovengrond geen asbest bevat. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit in algemene zin geen belemmering voor de bestemming wonen met inachtneming van onderstaande opmerkingen: 1. bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde grond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Deze grond is elders niet vrij toepasbaar. Er bestaat echter geen plicht tot afvoer van licht verontreinigde grond; 2. en aanzien van de lood/zinkspot ter plaatse van boring 14 wordt opgemerkt dat deze bedekt is met een maximaal licht verontreinigde bodemlaag zoals deze algemeen is aangetroffen op het terrein. Verwijdering van de spot kan overwogen worden maar is niet noodzakelijk vanuit welk milieurisico (humaan, ecologisch, verspreiding) dan ook. Het uitgevoerde bodemonderzoek is inmiddels beoordeeld door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant.

D aangegeven met de in het bodemonderzoeksrapport opgenomen conclusies en aanbevelingen te kunnen instemmen en dat de bodemkwaliteit formeel geen belemmering vort voor de bestemmingswijziging en voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen.

Omdat uit het onderzoek is gebleken dat op enkele locaties binnen het onderzoeksgebied sprake is van een verhoogde aanwezigheid van lood, zijn door de omgevingsdienst de volgende aanbevelingen gedaan over het voorgenomen gebruik als Wonen met Tuin: • • • •

laat kinderen in een zandbak met schoon speelzand spelen. Leg (kunst)gras, tegels of een schone laag grond aan op plekken waar kinderen spelen bij voorkeur met een laag schone grond of zand van 15 cm onder het kunstgras of tegels; kweek groeten in bakken met schone teeltaarde; let vooral bij jonge kinderen extra op hygiëne (handen wassen na het buitenspelen); ga de inloop van grond in huis tegen (schoenen uitdoen, regelmatig stofzuigen of dweilen).

Verder wordt geadviseerd om, indien graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden ter plaatse van de uitgevoerde boring 14, de aanwezige sterke verontreiniging met zink en lood zoveel als mogelijk te verwijderen.

39

Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemmingswijzigingsprocedure. Wel dienen de aangegeven adviezen en aanbevelingen in acht te worden genomen. Een rapportage van het uitgevoerde bodemonderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 4). Conclusie. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

6.7

Hinderlijke bedrijfsactiviteiten

Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol kunnen spelen. Aspecten die daarbij van belang zijn betreffen de aanwezigheid van bedrijvigheid danwel andere functies in de directe omgeving van het projectgebied en het aspect geur. Daarbij dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. Bedrijfsfuncties. In de directe nabijheid van het plangebied zijn in planologisch opzicht bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt. Verdere zijn een 2-tal maatschappelijke functies opgenomen. Hierna is een uitsnede weergegeven van de verbeelding van het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”. Daarop zijn de bedrijfslocaties met een letteraanduiding gemarkeerd aangegeven. Tevens is de ligging van het plangebied aangeduid.

4 5

6

3

1

2

Ligging plangebied Fig. 20 Aanduiding ligging bedrijfslocaties.

40

Richtafstanden. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt.De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan daartoe globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven. Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Toepassing richtafstanden. De directe omgeving van het projectgebied kenmerkt zich door een mengvorm van meerdere functies. Naast de aanwezige woonfuncties zijn in de directe omgeving van het plangebied tevens bedrijfsfuncties aanwezig (de beide aangeduide bedrijfslocaties) alsmede een 2-tal maatschappelijke functies afgestemd op de aanwezige kerk en uitvaartcentrum.

Op basis hiervan dient de directe omgeving van het projectgebied te worden getypeerd als een 'gemengd gebied'. In de hieronder weergegeven tabel zijn de op basis van de gebiedsindeling de aan te houden afstanden afgestemd op de toe te kennen milieucategorie weergegeven.

Fig. 21 Tabel aan te houden afstanden. In onderstaande tabel zijn de geïnventariseerde locaties weergegeven met de daarbij behorende categorie-indeling, de minimaal aan te houden afstanden en de werkelijke afstanden. Locatie

Bestemming

Categorie-indeling

1 2 3 4 5

Bedrijventerrein Bedrijf Bedrijventerrein Agrarisch Maatschappelijk (uitvaartcentrum) Maatschappelijk (religie)

6

Werkelijke afstand

2 2 2 tot en met 4.1 3.2 1

Minimaal aan te houden afstand 10 10 200 100 10

2

10

54

53 80 177 40 14

Fig. 22 Tabel met richtafstanden en werkelijke afstanden.

41

Uit het vorenstaande blijkt dat ten aanzien van de op de locaties 3 en 4 aanwezige bedrijfsfunctie niet voldaan kan worden aan de minimaal aan te houden afstanden. Hierover kan echter het volgende worden opgemerkt. Locatie 3. Op deze locatie is het bedrijf Paccor gevestigd. Dit betreft een bedrijf gericht op de productie van kunststof artikelen en verpakkingsmaterialen. Het bedrijf dient te worden ingedeeld in categorie 4.1. op basis waarvan een minimaal aan te houden afstand geldt van 200 meter. De werkelijke afstand bedraagt echter 177 meter. De locatie waarop de bouw van een extra woning wordt voorgestaan is derhalve gelegen binnen de tot het bedrijf Paccor aan te houden afstandscirkel. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeft dit echter geen belemmering te vormen aangezien er al diverse woningen gelegen zijn op kortere afstand van het bedrijf. Omdat de dichterbij gelegen woningen maatgevend zijn zal de bouw van een extra woning niet tot verdere belemmeringen leiden. Locatie 4. Dit betreft de locatie Havenstraat 11a waar een agrarisch bedrijf is gevestigd. Het huidige bedrijf is gericht op akkerbouw. Binnen de aan de locatie toegekende bestemming mag ter plaatse echter ook een agrarisch bedrijf gericht op het houden van vee worden gevestigd.

Voor een dergelijke bedrijfsvorm dient uit gegaan te worden van een milieu-categorie 3.2 op basis waarvan een minimaal aan te houden afstand geldt van 100 meter. De werkelijke afstand bedraagt echter 40 meter. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeft dit echter geen belemmering te vormen. Het gebruik van de locatie Havenstraat 11a voor een agrarisch bedrijf gericht op het houden van vee wordt op dit moment in milieuhygiënisch opzicht al belemmerd door de aan de Havenstraat aanwezige woningen welke op minder dan 100 meter van het bedrijf staan. De kortste afstand bedraagt 17 meter. Omdat ook in deze situatie de dichterbij gelegen woningen maatgevend zijn zal de bouw van een extra woning niet tot verdere belemmeringen leiden. Geur. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een omgevingsvergunning, activiteit milieu, aanvraagt. Voor kleinere bedrijven zijn de regels omtrent geurhinder vanwege dierenverblijven opgenomen in het Activiteitenbesluit. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Bij besluitvorming omtrent het wijzigen van een bestemmingsplan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan niet in strijd is met het recht. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van de betrokkenen moet worden gehandhaafd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de betrokken veehouderijen? b. Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Ad. a. Zoals onder de beschouwing van locatie 4 is aangegeven, is in de directe nabijheid van het projectgebied geen veehouderij gevestigd. In planologisch opzicht is op het adres Havenstraat 11a de vestiging van een veehouderij mogelijk. Echter vanwege de reeds op korte afstand van die locatie

42

aanwezige woningen is de vestiging van een veehouderij ter plaatse vanuit milieuhygiënisch opzicht niet mogelijk. De direct ten noorden van het projectgebied gelegen gronden behoren toe aan het op het adres Havenstraat 11a gevestigde agrarisch bedrijf. Op deze gronden is het oprichten van (agrarische) bebouwing niet toegestaan. Deze gronden zouden daarmee enkel gebruikt kunnen worden voor het beweiden met vee. De Wgv heeft echter enkel betrekking op geurhinder vanwege dierenverblijven. Ad.b. Voor het beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat is de achtergrondbelasting relevant. Hieronder wordt verstaan de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting van de omliggende veehouderijen (binnen een straal van 2 kilometer) op de projectlocatie kan worden berekend, waarbij alleen veehouderijen waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld hierin worden meegenomen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen veehouderijen gevestigd. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven betreffen Havenstraat 11a (40 meter) en Standdaarbuitensedijk 8, gelegen op het grondgebied van gemeente Halderberge. Dit betreffen echter beide geen veehouderijen.

Voor een indicatie van de achtergrondbelasting is daarom aansluiting gezocht bij de informatie vermeld op de Atlas Leefomgeving omtrent de GES-score op basis van de opgetelde geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen. Deze zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Een hinderkans van 5% betekent dat 5% van de mensen die daarnaar gevraagd wordt in een hinderenquête aangeeft dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. De GES-score gaat uit van de volgende normen: GES-score: 0 (Zeer goed) 1 (Goed) 3a (Redelijk tot vrij matig) 3b (Vrij matig tot matig) 4 (Matig) 6 (Onvoldoende) 7 (Ruim onvoldoende)

Hinderkans: 0% 0–5% 5 – 12 % 12 – 20 % 20 – 25 % 25 -39 % ˃=39 %

Het projectgebied is gelegen in een gebied waarvoor de GES-score is vastgelegd op 1 (Goed). Vestigingsmogelijkheid boom- of fruitgaard. Vanwege de ligging van het projectgebied aangrenzend aan gronden waarvoor in een agrarische bestemming is voorzien en waarbinnen de mogelijkheid bestaat tot het daarop vestigen van een boom- en/of fruitgaard, dient nader te worden onderzocht of door een dergelijk gebruik van die gronden over en weer belemmeringen kunnen ontstaan voor het voorgestane gebruik. Ten aanzien van de te bouwen woning geldt daarbij dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de in geding zijnde agrarische gronden dient te gelden dat geen onevenredige beperking mag plaatsvinden voor wat betreft het toegestane overeenkomstig de bestemming. Op de volgende schets is de te bebouwen locatie nader aangegeven alsook de aangrenzende agrarische gronden. De te bebouwen locatie wordt van de aangrenzende agrarische gronden enkel afgescheiden door een ter plaatse aanwezige waterloop. Op grond van de maximale planologische maatregelen van de aangrenzende agrarische gronden zou direct aangrenzend aan de te bebouwen locatie de vestiging van een boom- en/of fruitgaard mogelijk zijn. De kleinste afstand tot aan de te bouwen woning zal, gelet op de voorgestane situering van de woning, circa 13 meter bedragen.

43

Bestemming Agrarisch

Te bebouwen perceelgedeelte Fig. 23 Ligging te bebouwen perceelsgedeelte ten opzichte van agrarisch gebied. Spuitzones en gevoelige functies. In Nederland gelden geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de teler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand en hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name opwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bij bespuitingen in de lage bomenteelt.

Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht . Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Omtrent de belemmeringen vanwege spuitzones in boom- en/of fruitteelt is een uitgebreid onderzoek gedaan door de Wageningen Universiteit (WUR). In dat onderzoek is betrokken welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in zowel boomteelt alsook fruitteelt, wat de effecten daarvan zijn voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen en

44

driftreducerende voorzieningen en de werking van de overheersende windrichting. Op basis van die aspecten kan een afweging plaatsvinden of een kortere afstand aangehouden kan worden. Ligging watergang. Tussen de te bebouwen locatie en de aangrenzende agrarische gronden waarop de vestiging van een boom- en/of fruitgaard mogelijk is, is momenteel een watergang gelegen. Deze heeft, gemeten van insteek tot insteek, een breedte van circa 3 meter. De aanwezige watergang zal met zich meebrengen dat ter plaatse van de noordelijk daarvan te vestigen boom- en /of fruitgaard verplicht driftreducerend gespoten moet worden. Immers in de keur van het waterschap is bepaald dat in het oppervlaktewater geen bestrijdingsmiddelen terecht mogen komen. Dit is ook bepaald in het Activiteitenbesluit. Rondom oppervlaktewater dient op basis daarvan een teeltvrije zone te worden aangehouden van 9 meter. Driftreducerende voorzieningen. Op het te bebouwen gedeelte van het perceel Veerstraat 3 is aan de noordzijde, aangrenzend aan de agrarische gronden waarop gekomen kan worden tot de vestiging van een boom- en/of fruitgaard, op een strook ter breedte van circa 2 meter van de aanwezige watergang, een aantal bomen en lage begroeiingen aanwezig. Verder is ter plaatse een aardenwal aangebracht tot een hoogte van circa 1,5 meter waarin enkele bomen aanwezig zijn alsmede laagblijvende beplanting (Cotoneaster).

De aardenwal wordt aan de perceelzijde begrensd door een afscheiding van steenkorven. Onderstaand is een impressie gegeven van de huidige inrichting.

Fig. 24 Inrichting noordzijde te bebouwen perceel.

45

Deze beplantingen zullen in de nieuwe situatie behouden blijven, c.q. verder uitgebreid worden en kunnen daarmee dienen als windhaag ten opzichte van de eventueel te vestigen boom- en/of fruitgaard. In het worstcase scenario ( bespuiten in een fruitboomgaard zonder driftreducerende spuitdoppen op kale bomen) vindt er volgens het onderzoek van de WUR bij een groene dichte haag op de perceelsrand van zo’n 3 meter hoogte, vanaf 10 meter vanaf de laatste bomenrij tot aan de gevoelige functie geen overschrijding plaats van het dermale blootstellingseindpunt, zowel zonder het gebruik van driftbeperkende spuitdoppen als met het gebruik van driftbeperkende spuitdoppen. Bij een dergelijke windhaag op de perceelsgrens met het agrarische perceel volstaat derhalve een afstand van 10 meter. Overheersende windrichting. In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is tevens de overheersende windrichting van belang . De meest voorkomende windrichting in Nederland is de west/zuid-westelijke richting. Gezien de noordelijke ligging van de aangrenzende agrarische gronden waarop de vestiging van een boom en/of fruitgaard mogelijk is, wordt verwaaiing van drift richting de te bouwen extra woning nagenoeg uitgesloten.

Op basis van de aanwezige watergang, de driftreducerende voorzieningen op het te bebouwen gedeelte van het perceel Veerstraat 3 en de overheersende windrichting, moet een afstand van 13 meter tot aan de aangrenzende agrarische gronden waarop gekomen kan worden tot de vestiging van een boom- en/of fruitgaard als voldoende worden beoordeeld om aldus ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Conclusie. Het aspect hinderlijke bedrijfsactiviteiten vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten.

6.8

Kabels en leidingen

Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding en in de planregels geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Het projectgebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van aardgastransportleidingen en/of K1, K2, K3-vloeistofleidingen Ook liggen er geen andere planologisch relevante kabels en leidingen in of in de directe nabijheid van het perceel. Het projectgebied is verder ook niet gelegen in een obstakelbeheerof radarverstoringsgebied. Voordat met graafwerkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, zullen initiatiefnemers een Klicmelding doen, zodat ook rekening gehouden kan worden met de ligging van de gebruikelijke leidingen en kabels. Conclusie. Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmering op voor de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten.

6.9

Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien in een plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten, met uitzondering van:

46

- wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebed liggen; - wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Ter beoordeling van het aspect geluid heeft in de afweging of sprake is van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Doel van het onderzoek is geweest het bepalen van de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige functies binnen de ruimtelijke ontwikkeling als gevolg van het wegverkeer en deze resultaten te beoordelen in het kader van een goed akoestisch klimaat. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Agel Adviseurs te Oosterhout (rapportage 27 augustus 2018, projectnummer 20190139). Een rapportage van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 5). Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de geluidzone van de route Standdaarbuitensedijk-Havendijk-Oudlandsedijk en om die reden vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de Veerstraat betrokken in het onderzoek, dit ondanks dat voor die weg een maximum snelheid geldt van 30km/uur. Voor het onderzoek is een rekenmodel opgesteld en zijn de geluidbelastingen berekend volgens Standaardrekenmethode 2 overeenkomstig het Rmg 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma Geomilieu, versie 4.50.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege het verkeer op de route Standdaarbuitensedijk-Havendijk-Oudlandsedijk niet wordt overschreden. Het vaststellen van een hogere waarde is dan ook niet aan de orde. Het verkeer op de Veerstraat genereerd een geluidbelasting, welke ruim lager is dan de voorkeurswaarde die geldt voor gezoneerde wegen. Daardoor levert dit geen belemmering op voor de nieuwe woning. Conclusie Op basis van de rekenresultaten kan geconcludeerd worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering oplevert voor de realisatie van de extra woning op het perceel van het adres Veerstraat 3 en vanuit het aspect geluid sprake is van een goede ruimtelijke ontwikkeling.

6.10 Waterhuishouding Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen dient middels een uit te voeren watertoets inzicht te worden verschaft in de mate waarin de geplande ruimtelijke ontwikkeling consequenties kan hebben voor de waterhuishouding ter plaatse zowel in kwalitatief alsook in kwantitatief opzicht. De situatie van het water mag door de ruimtelijke ingreep in ieder geval niet verslechteren (stand still beginsel). Kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren moeten zoveel mogelijk worden benut. De aspecten vasthouden, bergen en afvoeren van regenwater zijn daarbij belangrijke uitgangspunten zeker als bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een toename van het bebouwd c.q. verhard oppervlak. De locatie Veerstraat 3 te Standdaarbuiten valt onder het beheer van Waterschap Brabantse Delta. Het waterschap Brabantse Delta is dan ook verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: -

het zuiveringsbeheer; het watersysteembeheer en het beheer van dijken en beheer van vaarwegen.

Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.

47

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de aterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Huidige situatie.

Het gedeelte van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan dat zal worden aangewend voor de bouw van een extra woning is in de huidige situatie geheel onverhard en in gebruik en ingericht als tuin behorende bij het bestaande woonpand Veerstraat 3. Vanuit het gedeelte van het plangebied dat zal worden aangewend voor de bouw van een extra woning vindt momenteel geen afvoer van huishoudelijk afvalwater plaats. Het hemelwater ter plaatse van het plangebied kan, vanwege het in de huidige situatie ontbreken van bebouwing en oppervlakteverharding volledig worden verwerkt middels infiltratie op de locatie zelf. Toekomstige situatie. In de nieuwe situatie zal een gedeelte van het plangebied worden aangewend voor de bouw van een vrijstaande woning. Ondersteunend aan de te bouwen woning zal het eveneens toegestaan zijn bijbehorende bijgebouwen op te richten en oppervlakteverhardingen te realiseren. Binnen de in het bestemmingsplan gestelde regels zal voor de te bouwen woning worden voorzien in een bouwvlak van 680 m². Verder zal het toegestaan zijn om, buiten het aangegeven bouwvlak, bij de woning behorende bijbebouwingen op te richten tot een totale maatvoering van 90 m². De toename van het bebouwd oppervlak komt daarmee op maximaal 770 m². De op de locatie aan te brengen oppervlakteverhardingen zullen worden uitgevoerd in een half open vorm. Hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Algemeen uitgangspunt is dat het hemelwater niet geloosd mag worden op het gemeentelijk riool maar middels infiltratie verwerkt wordt op het eigen perceel. Het waterschap hanteert in dit opzicht een vrijstelling voor verhardingstoename onder 2000 m². Plannen met een verhardingstoename tot 2000 m² zijn onder de keur vrijgesteld van compensatie. Vanuit het watersysteem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. Door de initiatiefnemer is er voor gekozen om het hemelwater afkomstig van de nieuw te bouwen woning en bijbehorende bijgebouwen te bergen en te laten infiltreren in een op het perceel te realiseren voorziening in de vorm van een aan te leggen wadi. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt uitgegaan van een neerslaggebeurtenis T=10. Aangenomen wordt dat bij een dergelijke bui 32,6 mm neerslag valt in 1 uur en 42,9 (afgerond 43) mm in 4 uur. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,043 m. Verder voorziet het project in een voorziening bij een extreme neerslaggebeurtenis. Hierbij is een neerslaggebeurtenis van T= 100 maatgevend, waarbij uitgegaan wordt van een bui van 84 mm met een duur van 2 dagen, waarbij er niets kan infiltreren.

De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,084 m.

48

Kwantiteitsberekening en infiltratietijd Neerslag T=10 -> 43 mm neerslag/m2, te infiltreren -> 770 m2 x 0,043 m = 33,1 m3. Neerslag T=100 -> 84 mm neerslag/m2, te infiltreren -> 770 m2 x 0,084 m = 64,68 m3. Te realiseren opvang- en infiltratievoorziening. De te realiseren infiltratievoorziening zal worden aangelegd in de noordwesthoek van het plangebied en worden betrokken bij de inrichting van de tuin behorende bij de te bouwen woning. Daartoe zal over een oppervlakte van 80 m2 het maaiveld met 0.50 meter worden verlaagd hetgeen, met de te realiseren taluds, zal resulteren in een bergingscapaciteit van 63 m³. De aldus te realiseren voorziening biedt voldoende capaciteit voor het bufferen en infiltreren van het hemelwater. Van de te realiseren voorziening zal overigens geen overloop worden gemaakt naar de aan de noordzijde aangrenzend gelegen sloot. Met de aldus te realiseren opvangvoorziening zal het van de bebouwing aanwezige hemelwater op het perceel geborgen kunnen worden en ter plaatste kunnen infiltreren in de bodem. Het op te vangen hemelwater kan echter in voorkomende situaties ook gebruik worden voor verwerking op het plangebied zelf voor het besproeien van de tuin of anderszins. Voorkomen van vervuiling. Zowel de gemeente alsook het waterschap streven naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen.

Om te waarborgen dat met de afvoer en infiltratie van dat hemelwater geen schadelijke stoffen kunnen uitspoelen en op die manier in de bodem terecht kunnen komen dient met de keuze van bouwmaterialen rekening worden gehouden dat geen gebruik gemaakt wordt van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood. Met het ontwikkelde bouwplan en de keuze van bouwmaterialen zal met dit uitgangspunt rekening gehouden. Verder zal de te bouwen woning worden aangesloten op het aan de Veerstraat aanwezige gemeentelijke rioolstelsel (gemengd stelsel) op basis waarvan het vrijkomend huishoudelijk afvalwater op een verantwoorde wijze kan worden afgevoerd. Met de te realiseren opvang- en infiltratievoorziening zijn er vanuit hydrologisch opzicht geen belemmeringen voor de gewenste bouwplannen.

6.11 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden door de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van de nieuwe regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de wet Milieubeheer. Door deze wijziging zijn het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit 2006 komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is een aantal nieuwe Ministeriële regelingen en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) van kracht geworden, waaronder de AMvB ‘Niet in Betekenende Mate’ (NIBM). Een belangrijk verschil met het oude Besluit luchtkwaliteit 2005 is een flexibele koppeling tussen ruimtelijke ontwikkelingen en luchtkwaliteit. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). Het begrip NIBM is uitgewerkt in het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

49

In de aangegeven regelingen is verder aangegeven dat woningbouwlocaties met een netto toename van minder dan 500 woningen met één ontsluitingsweg niet nader hoeven te worden onderzocht en wanneer het verkeer zich gelijkmatig verdeelt over twee ontsluitingswegen hoeven woningbouwprojecten met een netto toename van minder dan 1.000 woningen niet nader te worden onderzocht. Onderhavige ontwikkeling betreft het binnen de bestaande bestemming “Wonen” creëren van een bouwmogelijkheid van een extra woning. Dit aantal blijft ruim onder de norm waarvoor tot een nader onderzoek ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zou dienen te worden gekomen. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een toename van het aantal verkeersbewegingen van 20 voertuigen per dag nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie. De Wet luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de gewenste bouw van een extra woning.

6.12 Externe veiligheid. Onder externe veiligheid wordt begrepen het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij die activiteit betrokken personen. Het hierop gebaseerde beleid is er op gericht risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport van onder andere gevaarlijke stoffen te voorkomen en te beheersen. De wettelijke regeling hiervoor is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes. Uit deze regelingen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen vervolgens te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

50

Groepsrisico. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Risicobronnen kunnen vervolgens onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (bv lpg-stations), vervoer van gevaarlijke stoffen (per weg, water, rails of lucht) en (transport)leidingen (bv aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om de beoogde bescherming te kunnen bieden, is het vaak zaak om bepaalde afstanden in acht te nemen om zodoende voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen. Ook moet rekening worden gehouden met ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid. Door Agel Adviseurs is een memo externe veiligheid opgesteld welke als bijlage is bijgevoegd (bijlage 6). Hierin is als uitgangspunt genomen dat het projectgebied is gelegen buiten: - PR 10-6 contouren; - het invloedgebied van inrichtingen en buisleidingen.

Wel is gebleken dat het projectgebied is gelegen binnen het invloedgebied van een toxisch scenario op de A17. Om die reden dient het plan getoetst te worden aan artikel 7 van het Bevt. In het door Agel Adviseurs uitgevoerde onderzoek is nader ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe woning is geen functie die specifiek bedoeld is voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat de toekomstige bewoners van de woning zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Ten aanzien van het aspect bestrijdbaarheid is nader ingegaan op de verschillende manieren van bestrijding zoals bronbestrijding en effectbestrijding. Hieruit is naar voren gekomen dat het belangrijk is dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Dit is het geval. Conclusie. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste bestemmingswijziging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=832ffc5e-3af6-4b31-b9d3-bad98cbfbc81