CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Veerstraat 3

Raadsvergadering 15 juli 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Veerstraat 3, Standdaarbuiten19.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerpbestemmingsplan

Toelichting

1

Inhoudsopgave van de toelichting

2

1. Inleiding

4

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

4 4 6 8 9

Aanleiding planherziening Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Planvorm Leeswijzer

2. Gebiedsvisie

10

2.1 2.2

10 12

Bestaande situatie Toekomstige situatie

3. Juridische planbeschrijving

14

3.1 3.2

14 14

Planvorm Systematiek bestemmingen

4. Beleidskaders

16

4.1 4.2 4.3 4.4

16 17 22 28

Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

5. Inpasbaarheid

29

5.1 5.2

Functionele inpasbaarheid Ruimtelijke inpasbaarheid

29 29

6. Milieutechnische onderzoeken

30

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13

30 31 36 36 37 38 40 46 46 47 49 50 51

Archeologie Cultuurhistorie Milieu effectrapportage PAS/Stikstof Natuur en ecologie Bodemkwaliteit Hinderlijke bedrijfsactiviteiten Kabels en Leidingen Geluid Waterhuishouding Luchtkwaliteit Externe Veiligheid Parkeren en ontsluiting

7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53

7.1 7.2 7.3 7.4

53 54 54 54

Draagvlak Voorbereidingsfase Ontwerpfase Vaststellingsfase

2

8. Economische uitvoerbaarheid

55

8.1 8.2

55 55

Exploitatieverplichting Conclusie

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1:

Archeologisch onderzoek

Bijlage 2:

Stikstofberekening

Bijlage 3:

Quickscan flora en fauna

Bijlage 4:

Bodemonderzoek

Bijlage 5:

Akoestisch onderzoek

Bijlage 6:

Memo externe veiligheid

Bijlage 7:

Nota van Overleg en Inspraak, gemeente Moerdijk, d.d. 26 januari 2021

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding planherziening

De eigenaar van het pand Veerstraat 3 te Standdaarbuiten, hierna te noemen ‘initiatiefnemer’, heeft het voornemen om een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten af te splitsen en daarop te komen tot de bouw van een vrijstaande woning. De voorgenomen bouw van een extra vrijstaande woning past echter niet binnen het geldende bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”. In principe is besloten aan de kenbaar gemaakte bouwplannen medewerking te verlenen, zulks onder de volgende voorwaarden: 1.

De bebouwing dient te worden uitgevoerd in maximaal één bouwlaag met een flauw (zadel)dak; 2. De woning dient een “gesloten” karakter te hebben richting het buurperceel. Om de bouw van een extra woning mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Het thans voorliggend bestemmingsplan beoogd te voorzien in een planologisch-juridische status daartoe. Voorliggend document vormt de toelichting behorende bij het nieuwe bestemmingsplan. Daarin wordt onderbouwd dat de bouw van een extra woning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt aangetoond dat de omgevingsfactoren niet belemmerend zijn voor deze plannen.

1.2

Ligging plangebied

Het projectgebied ligt in de kern Standdaarbuiten, onderdeel uitmakend van de gemeente Moerdijk en is plaatselijk bekend Veerstraat 3 te Standdaarbuiten. Het huidige perceel Veerstraat 3 bestaat uit 3 kadastrale percelen, te weten kadastraal bekend gemeente Standdaarbuiten, sectie D, nummers 2920, 2921 en 2922. Voor de bouw van een extra woning zullen de kadastrale percelen 2920 en 2921 en een gedeelte van het perceel 2922 worden afgesplitst. Het projectgebied is gelegen in een buitenbocht van de Veerstraat en is daarop ook ontsloten. De Veerstraat betreft een doodlopende weg die doorloopt tot aan de ten zuiden daarvan gelegen vaarweg Mark- Dintel. Hierna is een gedeelte van de kadastrale schets weergegeven. Het projectgebied is daarop nader aangeduid (fig. 1). Verder is een kopie van de luchtfoto weergegeven waarop het projectgebied nader is aangeduid (fig. 2). Op de luchtfoto is met een rode belijning globaal het af te splitsen gedeelte aangegeven.

4

Ligging projectgebied Fig. 1 gedeelte kadastrale schets.

5

Projectgebied Veerstraat 3 tevens globale belijning af te splitsen gedeelte Fig. 2 luchtfoto.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het perceel Veerstraat 3 geldt momenteel het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten ”, vastgesteld door de gemeenteraad van Moerdijk op 14 maart 2013. In dat bestemmingsplan zijn aan het perceel Veerstraat 3 de enkelbestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ toegekend. De regels behorende bij die enkelbestemmingen zijn opgenomen in respectievelijk de artikelen 17 en 21. Binnen de toegekende enkelbestemming ‘Wonen’ is tevens voorzien in de aanduiding van een bouwvlak dat is gelegen ter plaatse van de bestaande woning Veerstraat 3. Voorts maakt het perceel Veerstraat 3 onderdeel uit van een gebied waarvoor in het bestemmingsplan is voorzien in de gebiedsaanduiding ‘vrijwaring – molenbiotoop’. Voor het perceel Veerstraat 3 geldt tevens nog het bestemmingsplan “Veegplan kernen 2017”, vastgesteld op 27 september 2018. In dit bestemmingsplan is aan het perceel Veerstraat 3 de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 6’ toegekend. Van beide bestemmingsplannen zijn uitsneden weergegeven. Het projectgebied is omlijnd aangegeven. Tevens is de bestaande woning Veerstraat 3 nader aangeduid.

6

Projectgebied Bestaande woning Veerstraat 3 Fig. 3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”.

Fig. 4 Legenda (ged) bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”.

7

Projectgebied Bestaande woning Veerstraat 3 Fig. 5 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Veegplan kernen 2017”.

Fig. 6 Legenda bestemmingsplan “Veegplan kernen 2017”. Op de gronden met de bestemming “Wonen” mag worden gekomen tot de bouw van een woning. Deze dient wel binnen het opgenomen bouwvlak te worden gesitueerd. Voor het perceel Veerstraat 3 is alleen ter plaatse van de bestaande woning voorzien in een bouwvlak. De bouw van een extra woning op het perceel is dan ook niet toegestaan.

1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan “Veerstraat 3 te Standdaarbuiten” is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, dat bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemmingen zijn geometrisch bepaald en analoog verbeeld door middel van een verbeelding. Bij de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen verantwoord. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond.

8

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de aanleiding voor de planherziening, de ligging van het plangebied, het vigerende bestemmingsplan en de gekozen planvorm. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de beoogde ontwikkeling gegeven en er wordt ingegaan op de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt de wijze van bestemmen nader toegelicht. Vervolgens wordt de beoogde ontwikkeling in hoofdstuk 4 getoetst aan het beleid van het Rijk, provincie en de gemeente Moerdijk. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de inpasbaarheid van het plan en in hoofdstuk 6 worden de diverse milieutechnische aspecten belicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 en 8 ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

9

2.

Gebiedsvisie

2.1

Bestaande situatie

Het projectgebied vormt een af te splitsen gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten. Het projectgebied zelf is, behoudens een in de noordoost hoek van het projectgebied aanwezig bijgebouw, momenteel onbebouwd en is ingericht als tuin behorende bij het woonpand Veerstraat 3. Het perceel Veerstraat 3 is gelegen in een buitenbocht van de Veerstraat en wordt aan de oostzijde begrensd door het perceel Veerstraat 5, waarop eveneens een woonbebouwing aanwezig is. Aan de zuidzijde wordt het perceel begrensd door een onbebouwde strook grond waarop een klein parkeerterrein is gelegen en een zandpad dat toegang geeft tot het achterliggend natuurgebied. Dit betreft feitelijk een met bossages aangeklede strook grond evenwijdig gelegen aan de vaarweg Mark – Dintel. Ten zuiden van die onbebouwde strook grond is het perceel Veerstraat 1 gelegen. Hieraan is een bedrijfsbestemming toegekend. Op het perceel is een bedrijfswoning en bedrijfsopstallen aanwezig. Aan de noordzijde wordt het projectgebied begrensd door een open onderbouwd gebied dat overloopt in het aangrenzende buitengebied. De desbetreffende gronden behoren bij het op akkerbouw gerichte agrarisch bedrijf aan de Havenstraat 7. Aan de overzijde van de Veerstraat zijn ten zuiden van de ontsluiting van het perceel Veerstraat 3 enkele bedrijfspercelen gelegen te weten Veerstraat 2, 4 en 6.

De bebouwingen aan de overzijde van de Veerstraat gaan richting Havenstraat over in reguliere woonbebouwingen te weten Veerstraat 8, 8a, 10, 12 e.v. De Veerstraat zelf is gelegen ten zuiden van de kern Standdaarbuiten en betreft een afsplitsing van de Havenstraat die vanaf de kern Standdaarbuiten in zuidoostelijke richting voert richting de ten zuiden van de kern Standdaarbuiten gelegen vaarweg Mark – Dintel. Via de Veerstraat waren, behalve de aan de Veerstraat aangrenzend gelegen woonpercelen, voorheen ook de nabij de vaarweg Mark – Dintel gevestigde bedrijven bereikbaar. Dit betrof dan vooral het direct aan de Mark – Dintel gevestigde suikerdepot van de nabij gelegen suikerfabriek. Ondanks dat de feitelijke bedrijfsactiviteiten hierin zijn beëindigd, rust op deze locatie nog wel een bedrijfsbestemming. Er wordt echter gekeken naar een herontwikkeling (woningbouw). De aan de Veerstraat aanwezige woonbebouwingen zijn in de loop der jaren gesaneerd en vervangen door nieuwe woonbebouwingen. Op enkele plaatsen langs de Veerstraat is de oorspronkelijke woonbebouwing nog aanwezig. Dat betreft onder andere het pand Veerstraat 3 zelf dat aanvankelijk de directeurswoning betrof van de nabij gevestigde suikerfabriek. Hierna zijn foto’s van het projectgebied en de directe omgeving weergegeven.

Fig. 7 Bestaand pand Veerstraat 3.

10

Fig. 8 Pand Veerstraat 3 met toegang tot aangrenzend onbebouwd gebied met bossages.

Fig. 9 Veerstraat in zuidelijke richting.

Fig. 10 Veerstraat in oostelijke richting met aangrenzend pand Veerstraat 5.

11

2.2

Toekomstige situatie

Voorliggend initiatief is gericht op de bouw van een extra woning op een gedeelte van het thans bij het woonpand Veerstraat 3 te Standdaarbuiten behorend perceel. De woning zal vrijstaand worden uitgevoerd. Het thans bij het woonpand Veerstraat 3 behorende perceel heeft een totale oppervlakte van 4800 m². Daarvan zal een gedeelte van circa 2100 m² worden afgesplitst ten behoeve van de bouw van een extra woning. Bij het bestaande woonpand Veerstraat 3 zal aldus een perceel resteren van circa 2700 m². Het in de noordoost hoek van het projectgebied aanwezige bijgebouw zal worden behouden en ondergeschikt worden aan de nieuwe woonfunctie. Door het bijgebouw in stand te houden, zal voor dit deel van het projectgebied de afscherming met het aangrenzend perceel Veerstraat 5 in stand worden gelaten hetgeen bijdraagt aan de privacy voor de gebruikers/eigenaren van dat perceel. Voor de te bouwen woning is een suggestieve invullingsschets gemaakt. Deze is hierna weergegeven. Daarop is aangegeven dat de te bouwen woning zal worden gesitueerd in de denkbeeldig doorgetrokken lijn op de voorgevel van het bestaande woonpand Veerstraat 3. De nieuwe woning zal worden uitgevoerd in één bouwlaag afgedekt met een (zadel)kap met flauwe dakhelling. Hierdoor zal de privacy van de omliggende percelen zo veel als mogelijk worden bewaakt.

De ontsluiting van de te bouwen woning zal worden gerealiseerd via het perceel dat bij het pand Veerstraat 3 blijft behoren, daarbij aansluitend aan de bestaande in- en uitrit op de Veerstraat. Het gebruik van de aldus te realiseren ontsluiting zal worden vastgelegd door middel van een gebruiksrecht ondergebracht in een vereniging van eigenaren. Op die manier is de ontsluiting van de nieuw te bouwen woning gegarandeerd alsook de bereikbaarheid daarvan voor hulpdiensten. Op de weergegeven invullingsschets zijn tevens de op eigen perceel te realiseren parkeerplaatsen (4 in totaal) met een rode belijning aangegeven.

Fig. 11 Luchtfoto met bestaande bebouwing op perceel Veerstraat 3.

12

Locatie aan te leggen parkeerplaatsen (2 x 2). Fig. 12 Suggestieve invullingsschets Veerstraat 3. Om de bouw van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 mogelijk te maken, zal de nu geldende bestemming voor dat perceel aangepast moeten worden. Hiervoor zal binnen de huidige bestemming “Wonen” een extra bouwvlak worden opgenomen waarbinnen een extra woning gebouwd kan worden. Verder is, conform het huidige bestemmingsplan, op de verbeelding voorzien in de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone molenbiotoop’. Het opnemen van de in het bestemmingsplan “Veegplan kernen 2017” opgenomen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6 ’, is niet langer nodig nu uit een uitgevoerd archeologisch onderzoek is gebleken dat op het perceel geen archeologische waarden te verwachten zijn. Verder is op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan aangegeven dat de goot- en bouwhoogte van de te bouwen woning maximaal 3.30 meter en 4.50 meter mag bedragen. Op deze wijze wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde dat de bebouwing uitgevoerd dient te worden in maximaal één bouwlaag met een flauw (zadel)dak. Ten aanzien van de regels die zullen gelden voor de te realiseren woning, wordt aangesloten bij de regels zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”.

13

3.

Juridische planbeschrijving

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het wijziging van de bestemming “Wonen” teneinde binnen die bestemming de bouw van een extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten mogelijk te maken. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is daartoe in het voorliggende bestemmingsplan de toekomstige situatie semigedetailleerd vastgelegd in een eindbestemming. Een eindbestemming biedt een directe bouwtitel, wat betekent dat wanneer een aangevraagde bouwactiviteit past binnen de in de bestemming genoemde regels, een omgevingsvergunning kan en moet worden afgegeven. Omdat er momenteel nog geen concreet bouwplan voorhanden is, is de nodige flexibiliteit aangebracht. In dit hoofdstuk is een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven.

3.1

Systematiek bestemmingen

Onderhavig bestemmingsplan betreft een partieel bestemmingsplan en vormt de juridische regeling voor het wijzigen van de bestemming “Wonen” waarbij, binnen die bestemming, de bouw van een extra woning mogelijk wordt gemaakt. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudige verbeelding en een uniforme opzet van de bouwregels. Het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een geometrische plaatsbepaling van het plangebied en van de daarin aangewezen bestemmingen (hierna: verbeelding met regels). Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In paragraaf 42 wordt de inhoud nader toegelicht. Bij het opstellen van de regels is aansluiting gezocht bij de regels zoals zijn opgenomen in de bestemmingsplannen “Kern Standdaarbuiten” en “Veegplan kernen 2017”. Hierdoor wordt de uniformiteit in regels zo veel mogelijk gewaarborgd.

3.2

Toelichting op de regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Tuin (artikel 3) De tot ‘Tuin’ bestemde gronden zijn geprojecteerd op het gedeelte van het perceel gelegen vóór de voorgevel van de te bouwen woning, een en ander volgens de systematiek van het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”. Hierdoor wordt beoogd de gronden gelegen vóór de voorgevel van de te bouwen woning onbebouwd te houden behoudens de oprichting van ondergeschikte bouwdelen ten behoeve van de woning, zoals luifels en overkappingen, en bij de tuin behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De regels behorende bij de voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn qua systematiek daar waar mogelijk afgestemd op de voorschriften behorende bij de bestemming “Tuin” uit het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”.

14

Wonen (artikel 4) De tot “Wonen” bestemde gronden zijn gesitueerd ter plaatse van de voorgestane locatie van de nieuw te bouwen woning. Daarbij is er voor gekozen om middels de opname van een bouwvlak op de verbeelding de locatie van de te bouwen woning vast te leggen. De regels behorende bij de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn qua systematiek daar waar mogelijk afgestemd op de voorschriften behorende bij de bestemming “Wonen” uit het bestemmingsplan “Kern Standdaarbuiten”. Bepaald is waar en tot welke maatvoeringen bebouwingen ten dienste van de bestemming “Wonen” mogen worden opgericht. Vrijwaringszone Molenbiotoop (artikel5) In dit artikel is voorzien in aanvullende regels vanwege de ligging van het plangebied binnen de aangeduide vrijwaringszone – molenbiotoop. Uitgangspunt daarbij is het behoud van waarden vanwege de aanwezige molenbiotoop. Hoofdstuk 3

Algemene regels

In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels aanvullende algemene regels gesteld. Anti-dubbeltelregel (artikel 6) Dit artikel bevat de anti-dubbeltelbepaling zoals deze verplicht is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene afwijkingsregels (artikel 7) Dit artikel beschrijft een aantal situaties waarin kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Algemene wijzigingsregels (artikel 8) Dit artikel bevat een algemene wijzigingsbevoegdheid om te komen tot een nader omschreven overschrijding van de bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregel (artikel 9) In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij de inwerkingtreding van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Slotregel (artikel 10) In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

15

4

Beleidskaders

4.1

Nationaal beleid

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Het nationaal beleid betreffende de ruimtelijke ordening is onder andere vormgegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zoals die vanaf 13 maart 2012 van kracht is. Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak, dat ons in Nederland ter beschikking staat. Dat wordt in vier algemene doelen in onderlinge samenhang nagestreefd: — versterking van de Nederlandse economie; — bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland; — waarborging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden; — waarborging van de veiligheid. In het beleid wordt ‘ruimte voor ontwikkeling’ centraal gesteld en wordt uitgegaan van het motto ‘decentraal wat kan en centraal wat moet’. Het accent verschuift van de toelatingsplanologie naar de ontwikkelingsplanologie. Er wordt een beperkte hoeveelheid aan generieke regels gehanteerd onder de noemer basiskwaliteit. Het beleid is gericht op de bundeling van verstedelijking en economische activiteiten, de bundeling en ruimtelijke inpassing van infrastructuur, de borging van milieukwaliteit en externe veiligheid, het anticiperen en meebewegen met het water, het investeren in de kwaliteit van de natuur en het ontwikkelen van landschap met kwaliteit.

Deze basiskwaliteit moeten door provincies en gemeenten een concretere invulling krijgen. In het in de visie weergegeven beleid wordt één beleidslijn specifiek benoemd te weten de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze heeft tot doel dat bij de afweging omtrent planologische ontwikkelingen voldaan wordt aan het principe van vraaggericht programmeren en zorgvuldig ruimtegebruik. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. Uitgangspunt van toetsing aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is dat weloverwogen wordt gekomen tot de in planologisch opzicht meest verantwoorde locatie voor een aan de orde zijnde ontwikkeling. Uitgangspunt hierbij is de activiteit in kwestie. In de volgende paragraaf (3.1.2) zal het aan de orde zijnde initiatief nader worden getoetst aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Conclusie Onderhavig initiatief heeft betrekking op de bouw van één extra woning in een bestaande stedelijk ingerichte omgeving en is daarmee dusdanig klein van schaal en opzet dat dit, behoudens de toetsing aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geen relaties heeft met het nationaal ruimtelijk beleid.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ vloeit voort uit het bepaalde in artikel 3.1.6 van het per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ bestaat uit 3 treden: (1) wordt met de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien in een actuele regionale behoefte? (2) kan de voorziene ontwikkeling worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied? En als dit niet mogelijk is (3) is de buiten stedelijk gebied gelegen locatie op verschillende manieren van vervoer (auto, fiets, ov etc.) ontsloten? Op deze wijze wordt geborgd dat een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaatsvindt. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. In artikel 1.1.1., lid 1 onder 1 van het Bro is een definitie gegeven voor het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’. Hieronder dient te worden verstaan: ‘een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Aangezien in deze bepaling geen verdere ondergrens is opgenomen, zou

16

hieruit volgen dat elke stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, is onderworpen aan de toepassing van de ladder. Aan het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is inmiddels ten aanzien van een aantal onderdelen in de jurisprudentie van met name de Raad van State wel een nadere invulling gegeven. Bepalend daarbij is de uitspraak van de Raad van State van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (gemeente Dongeradeel). In die verzameluitspraak heeft de Raad van State o.a. een nadere invulling gegeven van de vraag wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In rechtsoverweging 6.3 wordt daartoe overwogen: ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.’ Onderhavig initiatief betreft de bouw van slechts één vrijstaande woning in een gebied waarin op aangrenzende percelen overwegend woningbouw aanwezig is en behoeft, gelet op de voorgaande weergegeven rechtsoverweging van de Raad van State, niet als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt die aan de treden van de ‘ladder’ moet worden getoetst. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking levert geen belemmering op voor de voorgenomen functiewijziging.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke ordening

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 besloten tot vaststelling van de Structuurvisie 2010, partiële herziening 2014. De structuurvisie is in werking getreden op 19 maart 2014. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Met als doel een goede woon-, werken leefomgeving voor de inwoners en bedrijven in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. In deel A wordt ingegaan op de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie verwezenlijkt haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren. In deel B van de structuurvisie wordt een 4-tal ruimtelijke structuren beschreven te weten de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

Het plangebied maakt onderdeel uit van een gebied dat is aangeduid als accentgebied agrarische ontwikkeling met als thema’s landbouw en recreatie. Voor de aan het plangebied aangrenzende gronden is verder voorzien in de aanduidingen ‘Waterbergingsgebied’ en ‘Kern in het landelijk’ aangegeven. De gebiedsbegrenzing is indicatief. Hierna is een uitsnede weergegeven van de structurenkaart van de structuurvisie alsook de bijbehorende legenda.

17

Locatie projectgebied

Fig. 13 Uitsnede structurenkaart en legenda (ged.) structuurvisie.

18

Het beleid ten aanzien van het accentgebied agrarische ontwikkeling is opgenomen in artikelen 2.3 met een verwijzing naar artikel 2.2.1. Uitgangspunt van beleid is om voor deze gebieden de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Daarnaast is in situaties waarin sprake is van een gemengde plattelandseconomie naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte geboden voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Het plangebied is weliswaar gelegen binnen het accentgebied agrarische ontwikkeling maar betreft in de huidige situatie een regulier woonperceel en is verder aansluitend gegeven aan gebieden waarvoor is voorzien in de aanduidingen ‘Waterbergingsgebied’ (westzijde) en ‘Kernen in het landelijk gebied’ (oostzijde).

Het plangebied heeft hierdoor geen wezenlijke potentie meer om bij te dragen aan het verduurzamen en versterken van de agrarische productiestructuur. Mede vanwege het gegeven dat de gebiedsbegrenzing van het accentgebied agrarische ontwikkeling als indicatief dient te worden gezien, biedt dit ruimte voor het incidenteel ontwikkelen van niet-agrarische functies zoals het toevoegen van een extra woning. Het initiatief tot het realiseren van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten sluit dan ook aan bij de doelstellingen van de in de Structuurvisie ruimtelijke ordening aangegeven beleidsuitgangspunten 4.2.2. Brabantse omgevingsvisie. Momenteel wordt op nationaal niveau gewerkt aan de totstandkoming van de nieuwe Omgevingswet. De verwachting is dat deze wet op 1 januari 2021 in werking zal treden. De Omgevingswet zal een groot aantal van de huidige wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water gaan bundelen en zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving gaan regelen. Het bestaande stelsel van milieu- en ruimtelijke regels zal door de invoering van de Omgevingswet dan ook volledig worden herzien en de vele regels zullen worden samengevoegd om zo het geheel overzichtelijker te maken.

Provincie Noord-Brabant wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet en heeft in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de vaststelling van de Omgevingsvisie gaat de provincie in de praktijk ervaring opdoen met de Omgevingsvisie. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokkenen wordt actief gezocht naar praktijken waarin de nieuwe manier van werken centraal staat. De vaststelling van de Brabantse Omgevingsvisie heeft vooralsnog geen doorwerking naar particuliere initiatieven. Daarvoor blijven de eerder vastgestelde beleidskaders in stand. 4.2.3 Interim Omgevingsverordening Met het oog op de in 2021 geplande invoering van de Omgevingswet heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De planning is dat in november 2020 de definitieve omgevingsverordening zal worden vastgesteld.

Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo zal ook de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen vervangen. De nu vastgestelde Interim

19

omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, de Verordening Natuurbescherming, de Verordening Ontgrondingen, de Verordening Ruimte, de Verordening Water en de Verordening Wegen. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels uit de verschillende verordeningen dan ook samengevoegd. De Interim omgevingsverordening is grotendeels beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn wel wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. In de Interim omgevingsverordening zijn 2 soorten regels opgenomen te weten: -

-

rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels richten zich in hoofdzaak tot de burgers en bedrijven en bevatten voorwaarden om een activiteit te verrichten en geven aan of daarvoor eerst een melding gedaan moet worden. instructieregels. Deze regels richten zich tot de bestuursorganen van de overheid. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop zij hun taken uitvoeren.

Hierna zijn de kaart en legenda weergegeven van de Interim omgevingsverordening. De locatie Veerstraat 3 is daarop gemarkeerd.

Ligging projectgebied

20

Fig. 14 Kaart en legenda (ged.) Interim omgevingsverordening. Het plangebied maakt onderdeel uit van een gebied dat is aangeduid als Landelijke Kern. In de Interimverordening zijn hiervoor instructieregels opgenomen gericht op een stedelijke ontwikkeling en behoud van het erfgoed. De instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de verordening. Op grond daarvan dient in een bestemmingsplan bij een evenwichtige toedeling van functies invulling te worden gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving dient rekening te worden gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarde in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad. a. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Verder dient bij stedelijke ontwikkeling toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking en dienen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Met voorliggend initiatief wordt bijgedragen aan het uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het plangebied is gelegen binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing waarbij verder een deel van het thans bij de bestaande woning Veerstraat 3 behorend perceel zal worden afgesplitst en ter plaatse zal gekomen worden tot de bouw van een extra woning. Het aldus creëren van een bouwmogelijkheid van een extra woning zal niet ten koste gaan van gronden die mogelijk voor invulling met een andere functie zouden kunnen worden gebruikt. Verder heeft toetsing plaatsgevonden aan de ladder voor duurzame verstedelijking en wordt de op te richten bebouwing en daarbij ondersteunende voorzieningen geconcentreerd binnen een bouwperceel. Ad. b. De lagenbenadering omvat de effecten op: -

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

21

In het kader van de voorgenomen bouw van een extra woning zijn, met toepassing van de lagenbenadering de mogelijk aan of in het gebied aanwezige waarden beoordeeld en is getoetst of het initiatief aan die waarden afbreuk zou kunnen doen. Daarvan is echter niet gebleken. Ad. c. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: -

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Van voorliggend initiatief kan worden gesteld dat dit tot een meerwaarde leidt voor het gebied nu daardoor verder gestalte wordt gegeven aan de bestaande woonfuncties binnen de kern Standdaarbuiten. Conclusie. Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde basisprincipes wordt voldaan. Daarmee levert ook de Interim omgevingsverordening om die reden geen belemmering op voor realisering van het initiatief.

4.3

Gemeentelijk beleid.

4.3.1

Strategische Visie voor Moerdijk 2030

In december 2009 is de Strategische Visie voor Moerdijk 2030 vastgesteld. Hierin is de strategische koers uitgestippeld die de gemeente voor de periode tot 2030 wil gaan volgen. Met de visie is op middellange termijn op strategisch niveau, richting gegeven aan de ontwikkelingen in de samenleving en de eigen positie van de gemeente n de regio. Een aantal ingrijpende ontwikkelingen daarbij betreft de vergrijzing, de ontgroening, de globalisering van de toeristisch recreatieve en agrarische sector en de op diverse vlakken optredende schaalvergroting. De strategische visie vormt een integraal en duurzaam afwegingskader, dat bestuurlijke en beleidsmatige handvatten biedt voor: -

het stellen van eigen prioriteiten; het beoordelen van initiatieven van derden; het verbeteren van de daadkracht en het proactief en consistent handelen en het versterken van de resultaat gerichte lokale en regionale samenwerking.

De strategische visie voor de gemeente Moerdijk heeft tot doel te komen tot een: 1. ontwikkelingsrichting voor de lange termijn; 2. kapstok en referentiekader voor integraal afgestemd gemeentelijk beleid; 3. duidelijke missie die kan worden uitgedragen naar buurgemeenten, provincie en rijk. De strategische visie maakt het mogelijk om op langere termijn een consistent beleid te voeren, en nieuwe ontwikkelingen snel te combineren met al ingeslagen richtingen, waarmee de gemeente Moerdijk een integraal beleid kan voeren en beter kan anticiperen op veranderingen in de maatschappij, wet of wensen. De strategische visie bevat een aantal fundamentele keuzes voor de gewenste toekomstrichting van de gemeente Moerdijk. Daarnaast bevat het een aantal nieuwe randvoorwaarden op hoofdlijnen en voor de langere termijn. Hiervoor zijn in de visie een 13-tal thema’s gesteld die allen op hun manier van belang zijn voor de gemeente in de periode tot 2030 en daarna. Dit betreft o.a. de thema’ vergrijzing en ontgroening, rust en ruimte, behoud van kwaliteiten van de kleine kern als leefomgeving, hoogwaardige industrie en bedrijvigheid, mobiliteit, recreatie en toerisme, sociale cohesie, voorzieningen, zorg, onderwijs, duurzaamheid, bestuur en organisatie en rol in de regio.

22

Van de aangegeven thema’s zijn in relatie tot voorliggend initiatief gericht op de bouw van een extra woning met name de thema’s vergrijzing en ontgroening en behoud van kwaliteiten van de kleine kern als leefomgeving van belang. Het beleid dient er daarbij op gericht te zijn om het behoud van de specifieke kwaliteiten van de kern als leefomgeving centraal te stellen met als resultaat een gezond woon-, werk- en leefklimaat in de gemeente. Om dit beleid na te streven is op beperkte schaal in alle kernen van de gemeente ruimte geboden voor de bouw van extra nieuwe huizen om de eigen bevolking te huisvesten. Het realiseren van een extra woning op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten draagt bij aan die doelstelling nu daardoor een bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding van het woon- en leefklimaat van de kern Standdaarbuiten. 4.3.2

Structuurvisie “Moerdijk 2030”

De gemeenteraad van Moerdijk heeft op 9 juni 2011 besloten tot vaststelling van de Structuurvisie “Moerdijk 2030”. Met dit beleidsdocument is op hoofdlijnen het ruimtelijk beleid voor de gemeente voor de periode tot 2030 vastgelegd. Met de vaststelling van de structuurvisie is dan ook beoogd verdere richting te geven aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied. Op die manier moet voor iedereen in algemene zin duidelijk kunnen of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. De visie bestaat uit twee delen, te weten het visiegedeelte en de uitvoeringsparagraaf. Het visiegedeelte (het wensbeeld) loopt tot 2030. De bij de structuurvisie behorende uitvoeringsparagraaf heeft een looptijd tot 2020 en kan iedere twee jaar worden herzien. Bij de visie behoort tevens een verbeelding. Aan het opstellen van de structuurvisie lagen een 3-tal redenen ten grondslag. Allereerst de op 1 juli 2008 ingevoerde Wet ruimtelijke ordening die niet alleen nieuwe eisen stelt aan structuurvisies maar ook nieuwe mogelijkheden biedt. Verder was de vorige structuurvisie, die dateerde uit 1999, inhoudelijk deels achterhaald. Tot slot was in december 2009 de Strategische Visie vastgesteld die ruimtelijk nog doorvertaald diende te worden in de structuurvisie.

In de structuurvisie zijn vervolgens alle kernen van de gemeente afzonderlijk belicht en is een nadere omschrijving gegeven van de bestaande karakteristieken op hoofdlijnen en de opgaven en ontwikkelingen op hoofdlijnen. Voor de kern Standdaarbuiten is in dat kader het volgende gesteld: De bestaande karakteristiek op hoofdlijnen • De ligging aan de Mark biedt kansen voor een recreatieve ontwikkeling. • De sportvelden liggen midden in de kern. • De kern wordt omsloten door (beperkende) infrastructuur. De opgaven en ontwikkelingen op hoofdlijnen • Het aantal ingeplande woningen tot 2020 voor de kern Standdaarbuiten is 106, voornamelijk in het project Vuurvlinder. • Uitbreiding van woningbouw naar behoefte is mogelijk in twee richtingen: in noordwestelijke en in noordoostelijke richting. • Er wordt ingezet op ontwikkeling van het centrum, waarbij herstructurering ten behoeve van woningbouw aan de orde is, vooral in de omgeving van de kerk. • In het buitendijkse gebied (tussen de Molendijk, Havenstraat, Veerstraat en de Mark) wordt ingezet op transformatie van oude bedrijfslocaties aan de Oude Kerkstraat naar woongebieden en van het waterfront waarbij (zware) bedrijven plaatsmaken voor recreatieve voorzieningen. Er wordt daarbij ook ingezet op ontwikkeling van de 'suikerloods' en de jachthaven. • De sportvelden worden vooralsnog midden in de kern gehandhaafd.

• De kansen voor onderscheidende woonmilieus (nieuwe landgoederen en buitenplaatsen) in de zone langs de Mark worden onderzocht. Hierna is een uitsnede van de bij de structuurvisie behorende verbeelding weergegeven alsmede de bijbehorende legenda. Het plangebied is daarop gemarkeerd aangegeven.

23

Ligging plangebied

Fig. 15 Kaart en legenda structuurvisie.

24

Volgens de verbeelding bij de structuurvisie maakt het plangebied deel uit van een stedelijk aangeduid gedeelte van de kern Standdaarbuiten. Daarbinnen is een verdere intensivering van de stedelijke functie passend. In de nabijheid van het plangebied is verder voorzien in de aanduiding ‘Ontwikkeling waterfront/havenfront’. Met deze aanduiding is beoogd aan te geven dat water een belangrijke rol gespeeld heeft in de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Moerdijk. Dat is nog steeds zichtbaar in het landschap met zijn dijken en kreekrestanten. De gemeente heeft echter langs de randen van het grondgebied de sterkste relatie met het water; ze is er aan drie zijden door begrensd: in het noorden door het Hollandsch Diep, in het westen door het Volkerak en in het zuiden door de Mark/Dintel. Het doel is in de periode tot 2030 de van oudsher innige relatie met het water te versterken. Het water moet beter beleefbaar worden. In de zone langs het Hollandsch Diep en Volkerak, waar ook de belangrijkste cultuurhistorische waarden van de gemeente liggen , moet worden ingezet op versterking van de recreatie. Dit dient te gebeuren met respect voor het landschap. Zowel de binnendijkse als de buitendijkse gebieden kunnen dan beter voor recreanten toegankelijk worden gemaakt. Er kunnen verbindingen worden gecreëerd en er moet aandacht zijn voor verblijfsrecreatie.

De zone langs de Mark/Dintel is veel kleinschaliger van aard. Het riviertje ligt vaak onopvallend in het landschap tussen de smalle uiterwaarden en de dijken. Door kleinschalige landschappelijke en recreatieve ingrepen kan het water beter beleefbaar worden gemaakt en de recreatieve waarde worden versterkt. Voorliggend initiatief zal geen belemmering vormen voor het verder vorm geven van een waterfront/havenfront. Deze ontwikkelingen zullen vooral plaatsvinden direct langs de randen van het water waarbij ingezet kan worden op het transformeren van bedrijfsfuncties naar recreatieve of daaraan ondersteunende functies. 4.3.3

Paraplunota's Maatschappij, Economisch klimaat en Leefomgeving

De paraplunota’s zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. Ze zorgen ervoor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden. De gemeentelijke ambities en doelen staan centraal in de paraplunota’s. Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringsstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren. Met de paraplunota’s zet Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving. De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. Moerdijk kiest daarom voor de ‘definitie’ die betrekking heeft op de ‘duurzame samenleving’ die uiteen valt in drie pijlers Maatschappij (people), Leefomgeving (planet) en Economisch-Klimaat (profit). • Paraplunota ‘Maatschappij’ richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom; • Paraplunota ‘Leefomgeving’ richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen; • Paraplunota ‘Economisch Klimaat’ richt zich op economie en bedrijvigheid.

Economisch Klimaat is het ‘klimaat’ waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt. Maatschappij In de Paraplunota Maatschappij 2014-2030 zijn de ambities uitgewerkt om te bouwen aan een duurzame samenleving. Deze paraplunota kent vijf thema’s, te weten wonen, gezondheid, woonomgeving, sociale structuur en ondersteuning. Elke thema heeft een eigen ambitie, die is uitgewerkt in doelen en een uitvoeringsstrategie. Het streven van de gemeente ten aanzien van wonen is: iedere woning levensloopbestendig, duurzaam en veilig. Door vergrijzing neemt het aantal ouderen toe en door veranderingen in de zorg

25

zullen mensen langer thuis blijven wonen. Het is van belang om de bestaande woningvoorraad hierop aan te passen. De belangrijkste speerpunten van dit beleid zijn: • inwoners nemen de verantwoordelijkheid voor de eigen woonsituatie: mensen vragen zich op tijd af wat er voor nodig is om in de eigen woning te kunnen blijven wonen, ook als men straks ouder is. Ze letten op welke manier bespaard kan worden op de energiekosten en/of aanpassingen nodig zijn om bijvoorbeeld inbraken te voorkomen; • zorgen voor keuzevrijheid of zo mogelijk maatwerk: inwoners krijgen zoveel mogelijk de kans om in hun woonbehoefte te voorzien. Niet alleen door het projectmatig bouwen, ook maatwerk is nodig. Zo hebben mensen iets te kiezen en zo kan de gemeente voorzien in de woonwensen die passen bij verschillende levensfasen. Betaalbaarheid van woningen is hierbij belangrijk; • passende huisvesting voor inwoners die aangewezen zijn op sociale huurwoningen. Met daarbij ook aandacht voor mensen die niet meer terecht kunnen in een sociale huurwoning maar ook niet in staat zijn een woning te kopen. Daarnaast is het van belang voldoende woonruimte beschikbaar te maken voor starters, senioren, mensen met een beperking en arbeidsmigranten; • kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: bestaande woningen zo kunnen verbouwen dat mensen in hun huis kunnen blijven wonen.

Dit ondanks veranderende levensomstandigheden door bijvoorbeeld ouderdom, ziekte, handicap of bij vermindering van het inkomen. Ook moet er aandacht zijn voor duurzaamheid van de bestaande woningen, voor een schoon milieu, besparing op energiekosten en verbetering van het wooncomfort. Via terugdringing van woninginbraken wordt gewerkt aan verbetering van de veiligheid van woningen. Het uitgangspunt voor het gemeentelijke reguliere woningbouwprogramma vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, gebaseerd op demografische ontwikkelingen en trends. Daarnaast mag de gemeente Moerdijk nog 1.075 woningen bovenop het reguliere woningbouwprogramma bouwen. Deze extra woningen vloeien voort uit de compensatieregeling voor huisvesting werknemers industrieterrein Moerdijk en de bestuursovereenkomst Realisatie Gebiedsontwikkeling Moerdijk (MoerdijkMeerMogelijk). Op basis daarvan heeft de gemeente een woningbouwcapaciteit van 2.250 woningen voor de periode tot 2025. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van 1 grondgebonden woningen en voorziet door de invulling daarvan aan het particulier initiatief over te laten in het zorgen voor keuzevrijheid en maatwerk, waardoor inwoners de kans krijgen om in hun woonbehoefte te voorzien. Het plan is zodoende in lijn met het aspect ‘Maatschappij’ van de paraplunota.

Parkeren Voor het gemeentelijk grondgebied van Moerdijk is in 2015 nieuw parkeerbeleid opgesteld, dat aansluit bij de ambities en doelstellingen van de strategische visie Moerdijk 2030. Dit parkeerbeleid maakt onderdeel uit van de paraplunota ‘Maatschappij’. Doel van dit beleidsplan is een beleidsplan op hoofdlijnen, inclusief een globaal maatregelenpakket en acties voor de komende jaren (2015-2018). Onderdeel van het gemeentelijk parkeerbeleid is de Nota Parkeernomen. Deze is opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. De nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Bij het formuleren van de parkeernormen is het belangrijk dat deze recht doen aan de plaatselijke situatie. Dit betekent dat binnen de gemeente Moerdijk verschillende parkeernormen voor dezelfde functie kunnen gelden, afhankelijk van de locatie van de functie. Als basis voor de parkeernormen gelden de in 2010 vastgestelde parkeernormen. In de praktijk werken deze goed en sluiten ze aan bij de praktijk. Daarbij is het beleidsuitgangspunt dat zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein (binnen plangrenzen) worden gerealiseerd. Om dubbelgebruik te stimuleren dienen parkeerplaatsen bij maatschappelijke en commerciële voorzieningen zoveel mogelijk openbaar toegankelijk te zijn voor openbaar gebruik.

In paragraaf 6.13.3 van deze toelichting wordt ingegaan op het te realiseren aantal parkeerplaatsen.

26

Economisch klimaat In de Paraplunota Economisch Klimaat zijn de ambities voor economie en bedrijvigheid uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. De pijler ‘Economisch Klimaat” richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het ‘klimaat’ waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt. Het bedrijfsleven staat aan de lat om economische groei (toegevoegde waarde, werkgelegenheid) te realiseren, de overheid/gemeente creëert hiervoor de randvoorwaarden. Zowel een goed ondernemingsklimaat als een goed woonleefklimaat zijn belangrijk voor een gezond economisch klimaat. Ondernemingsklimaat, vanwege de vestigingsmogelijkheden voor een bedrijf, woonleefklimaat, omdat werknemers simpelweg prettig willen wonen, met de daarbij behorende voorzieningen. De nota stelt dat naast de midden- en kleinbedrijven die op het grote Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk zijn gevestigd, ook deze bedrijven elders in de gemeente belangrijk zijn voor het versterken van de Moerdijkse positie. In het algemeen ligt innovatiekracht (juist) bij het midden- en kleinbedrijf en innovatiekracht is nodig om de concurrentiepositie te versterken en bij te dragen aan de regionaal genoemde speerpuntsectoren, waaronder Biobased economy.

Leefomgeving De Paraplunota Leefomgeving richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen ondergrond, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. Verder gaat het in deze nota over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte en het effectief ruimtegebruik, waarvoor de basis is gelegd in de Structuurvisie Moerdijk 2030. Met de Paraplunota Leefomgeving, waarin het beleid dat betrekking heeft op de leefomgeving wordt gebundeld, loopt de gemeente vooruit op de invoering van de Omgevingswet. De nota geeft aan dat Moerdijk uitdrukkelijk inzet op een toekomst die in het teken staat van duurzaamheid. Duurzaamheid is een nieuwe manier van denken waarbij een balans gezocht wordt tussen de pijlers maatschappij, leefomgeving en economisch klimaat. Er is voor gekozen om al het gemeentelijk beleid tegen het licht te houden en te koppelen aan één van deze pijlers en om dit doel te bereiken zijn de drie paraplunota’s opgesteld. In de paragraven 6.7 en 6.11 is nader ingegaan op respectievelijk de onderdelen Geur en luchtkwaliteit. Uitgangspunten daarbij zijn dat de luchtkwaliteit minimaal aan de Europese normen voldoet, er 40% minder CO2-uitstoot is en een substantiële vermindering van het aantal geur- en geluidgehinderden in 2030.

Uit genoemde paragraven blijkt dat de voorliggende ontwikkeling aan te merken is als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van het aspect ‘geluid’ streeft de gemeente Moerdijk naar een afname van het aantal geluidgehinderden. Zoals blijkt uit paragraaf 6.9 vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig plan. Water Het Waterplan Moerdijk 2009-2015 is in november 2008 door de gemeenteraad van Moerdijk vastgesteld. Dit plan maakt onderdeel uit van de paraplunota Leefomgeving. Het plan beschrijft de gezamenlijke visie van de gemeente en het Waterschap Brabantse Delta. Deze visie betreft een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit en veiligheid dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op en om het Moerdijkse grondgebied en dat nu en in de toekomst voldoet aan de wettelijke verplichtingen en beleidsregels. Verdeeld over meerdere thema’s is de visie in het waterplan uitgewerkt. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn dat: water geen gevaar oplevert, het watersysteem geschikt is voor de functies die het moet vervullen, alle elementen van het watersysteem in samenhang worden beschouwd, water een grotere rol krijgt in ruimtelijke ontwikkelingen en iedereen zijn steentje bijdraagt.

27

4.4 Conclusie De beoogde bouw van 1 extra woning op het perceel Veerstraat 3 te Standdaarbuiten past binnen het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Nationaal wordt aangesloten bij de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Ladder voor duurzame verstedelijking. Op provinciaal niveau wordt aangesloten bij de structuurvisie, de Brabantse omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening. Gemeentelijk sluit de ontwikkeling aan bij de visie uit de gemeentelijke structuurvisie, de strategische visie en de paraplunota’s Maatschappij en Economisch klimaat. Ten aanzien van de paraplunota Leefomgeving geldt dat aan alle aspecten kan worden voldaan. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend wordt geacht binnen het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk.

28

5.

Inpasbaarheid

5.1 Functionele inpasbaarheid Onderdeel van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van voorliggend plan betreft de afweging of de voorgestane ontwikkeling aansluit bij de directe omgeving daarvan. Daarbij dient gekeken te worden naar de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling en de functionele inpasbaarheid in de omgeving. Voorliggend initiatief betreft een voorgenomen bestemmingswijziging waarbij voor de momenteel op een gedeelte van het perceel Veerstraat 3 rustende bestemming “Wonen” wordt voorzien in de projectie van een extra bouwvlak waardoor de mogelijkheid ontstaat om ter plaatse te komen tot de bouw van een extra woning. Nu het initiatief betrekking heeft op het toevoegen van slechts één woning op een groot perceel stuit dan niet op bezwaren mits de woning ruimtelijk vakkundig wordt ingepast in de omgeving. Met de verdere ontwikkeling van het bouwplan en de thans op te nemen regels waarbinnen dat dient te geschieden wordt aan dit uitgangspunt tegemoet gekomen. Op enkele locaties langs de Veerstraat is verder nog sprake van de aanwezigheid van kleine bedrijfsvestigingen. Dit betreffen echter kleinschalige bedrijfsactiviteiten die, gelet op de milieucategorie waarin deze kunnen worden ingedeeld, inpasbaar zijn in een gebied waarin een overwegende woonfunctie aanwezig is.

Het beleid van de gemeente is er verder op gericht om de ontwikkeling van nieuwe woonfuncties langs en in de omgeving van de Veerstraat zo veel mogelijk te faciliteren. In dat kader wordt al enige tijd onderzocht of de realisering van het project Suikerentrepot haalbaar is. Dit project gaat uit van het realiseren van appartementen in het voormalige suikerdepot gelegen aan de Veerstraat, zulks op korte afstand van het perceel Veerstraat 3.

5.2 Ruimtelijke inpasbaarheid Het perceel Veerstraat 3 heeft momenteel een totale oppervlakte van 4800 m². Ten behoeve van de te bouwen extra woning zal een gedeelte van het perceel ter grootte van circa 2100 m² worden afgesplitst. Een dergelijke maatvoering is toereikend om daarop te komen tot de bouw van een vrijstaande woning waarbij in ruimtelijk opzicht voldoende oppervlakte resteert om daarop te komen tot de bouw van bij de woning behorende bijgebouwen en als inrichting voor de tuin. Na de afsplitsing zal voor de bestaande woning Veerstraat 3 een perceel resteren met een oppervlakte van 2700 m². Ook een dergelijke maatvoering is toereikend gelet op de maatvoering van de bestaande woonbebouwing Veerstraat 3. Met de te bouwen extra woning zal verder rekening worden gehouden met de op het aangrenzende perceel Veerstraat 5 aanwezige woonbebouwing en het gebruik van de aan de achterzijde van dat pand gelegen perceelsgedeelte als tuin. Overeenkomstig de door de gemeente in het kader van het principebesluit gestelde voorwaarden zal de te bouwen woning worden uitgevoerd in één bouwlaag waarbij een maximale goothoogte zal worden aangehouden van 3.30 meter en een maximale bouwhoogte van 4.50 meter.

Met de aangehouden goothoogte van 3.30 meter kan worden voldaan aan de bouwtechnische eisen om op begane grondniveau één volwaardige bouwlaag te realiseren terwijl de aangehouden bouwhoogte van 4.50 meter het mogelijk maakt dat de woning worden afgedekt met een flauwe kapconstructie (lessenaarsdak). Door middel van een aanduiding op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding is naleving van die maximale maatvoeringen gewaarborgd. Ook zal in de regels specifiek worden bepaald dat slechts één bouwlaag is toegestaan.

29

6

Milieutechnische onderzoeken.

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. De milieu- en landschapskwaliteiten vormen een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van ruimtelijke functies dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische en waterhuishoudkundige aspecten daarbij een rol spelen. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op archeologie, cultuurhistorie, MER, PAS/stikstof, natuur en ecologie, bodemkwaliteit, hinderlijke bedrijfsactiviteiten, kabels en leidingen, wegverkeerslawaai, waterhuishouding, luchtkwaliteit, externe veiligheid en parkeren en ontsluiting.

6.1

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden, voor onderdelen die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang dan ook vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om invulling te geven aan de gemeentelijke zorgplicht voor het archeologisch erfgoed, heeft de gemeente een archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld en deze samen met het uitvoeringskader erfgoed vastgesteld. De archeologische beleidskaart is onderlegger voor de bestemmingsplannen voor het aspect archeologie. Op de kaart is te zien dat het plangebied een middelhoge archeologische verwachting heeft. Omdat de ontwikkeling de bijbehorende vrijstellingsgrenzen overschrijdt, is in het kader van het bestemmingsplan door Transect een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IV), verkennende fase (bijlage 1). Het door Transect uitgevoerde archeologisch onderzoek is beoordeeld door de regioarcheologe van Regie West-Brabant. Aan de hand van een aantal gemaakte opmerkingen is de onderzoeksrapportage aangepast/verduidelijkt. Uit het door Transect uitgevoerde gecombineerde bureau- en booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijk middelhoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden naar laag kan worden bijgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=832ffc5e-3af6-4b31-b9d3-bad98cbfbc81