CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Structurele begrotingsruimte

Informatiebijeenkomst 10 april 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Presentatie Rapport structurele begrotingsruimte34.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de begroting 2025 van het Werkplein is te lezen: ‘We zien dat de doelgroep die het Werkplein ondersteunt steeds grotere en complexere problemen heeft. Dit betekent dat er aandacht nodig is op meerdere leefgebieden en er regelmatig meerdere (zorg)partijen betrokken zijn rondom een inwoner. Dit heeft tot gevolg dat trajecten die voor deze inwoners ingezet worden ook intensiever zijn en een langere doorlooptijd hebben. Dit heeft ook gevolgen voor de kosten. Hierdoor is het belangrijk om meer kennis te krijgen van welke interventies bij welke doelgroep tot de beste resultaten leiden. Dit doen we onder andere door succesverhalen te delen. Hierdoor kunnen professionals van elkaar leren. Het Leerplein en intervisie dragen hier ook aan bij.’

54

5.3.3

Hoe verhouden de cijfers zich tot referentiegemeenten?

Wanneer we naar de (meerjarige) ontwikkeling van het aantal personen met bijstand en een bijstand gerelateerde uitkering kijken, levert dat onderstaand beeld op.

Figuur 41 Meerjarige ontwikkeling personen met bijstand en bijstand gerelateerde uitkering. Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

In bovenstaande figuur is te zien dat het aantal personen met bijstand in de gemeente Moerdijk vanaf 2015 (m.u.v. 2020) redelijk constant is. Per 1.000 inwoners zijn er gemiddeld 21 personen met een bijstand gerelateerde uitkering. Daarnaast is te zien dat het aantal sinds 2015 lager ligt dan het gemiddelde van de referentiegemeenten, waarbij het verschil de afgelopen jaren wel minder is geworden. In de 1e helft van 2020 valt op dat het aantal bijstand gerelateerde uitkeringen incidenteel fors toenam. Hoewel dit in het kader van dit onderzoek niet nader is onderzocht ligt het voor de hand dat de effecten van Covid-19 hierin een nadrukkelijke rol hebben gespeeld. Daarnaast heeft de instroom van statushouders een effect op het aantal uitkeringsgerechtigden. Vanaf 2022 is het Werkplein ook verantwoordelijk voor inburgering van deze inwoners. Het eerste half jaar van 2023 zijn 73 inburgeraars ingestroomd. Deze inwoners zijn veelal jaren uitkeringsafhankelijk. Een aanzienlijk deel van deze groep inwoners is moeilijk bemiddelbaar. Dit komt door de taalachterstand, het lang niet hebben gewerkt en überhaupt geen werkervaring hebben in Nederland. Ook het verschil in cultuur speelt een grote rol. Ook wanneer we kijken naar het werkloosheidspercentage is te zien dat dit percentage in de gemeente Moerdijk sinds 2015 lager ligt dan het gemiddelde van de referentiegemeenten.

Zowel bij de referentiegemeenten als de gemeente Moerdijk is dit percentage de laatste jaren afgenomen.

Figuur 42 Meerjarige ontwikkeling werkloosheidspercentage. Bron: CBS - Arbeidsdeelname (gemeente)

55

5.4 WSW en beschut werk Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Tot dit (sub)taakveld behoren voorzieningen ter bevordering van maatschappelijke participatie die niet gericht zijn op doorstromen naar arbeid: 5.4.1

beschut werken; bestaande werkverbanden sociale werkvoorziening, bestaande Wsw en begeleid werken dienstbetrekkingen. arbeidsmatige dagbesteding. Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld WSW en beschut werk zijn voor 2025 circa € 3 miljoen lasten begroot. Deze lasten hebben volledig betrekking op de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling WVS. 5.4.2

Bijdrage GR WVS

De Wet sociale werkvoorziening (WSW) is bedoeld voor mensen die door een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap niet onder normale omstandigheden kunnen werken. Sinds 1 januari 2015 kunnen er geen nieuwe mensen meer instromen in de WSW. Alleen mensen die voor die datum al een WSW-indicatie hadden en in WSW-verband aan de slag waren, komen in aanmerking voor verlenging van die indicatie. Gemeenten begeleiden mensen met een arbeidsbeperking na 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet zoveel mogelijk naar regulier werk. WVS voert vanuit de Participatiewet, de Wet sociale werkvoorziening en het beschut werken uit. Daarnaast ontwikkelt WVS mensen die de route naar werk niet zelfstandig kunnen maken. Het gezamenlijke doel van de samenwerking met de ISD Brabantse Wal en het Werkplein is om meer inwoners in ontwikkeling te zetten. De lasten van de WVS bestaan voornamelijk uit loonkosten. Volgens het jaarverslag 2023 van de WVS werken er circa 2.000 mensen bij WVS. Wanneer er landelijk wijzigingen in het minimumloon worden doorgevoerd heeft dit direct gevolgen voor de begroting van WVS waarbij niet altijd (volledige) compensatie van het Rijk volgt. Voor de taken op het gebied van beschut werk en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) ontvangen gemeenten middelen vanuit het Rijk via de integratie-uitkering Participatiewet.

Deze middelen worden 1 op 1 doorbetaald aan de gemeenschappelijke regeling WVS. In paragraaf 10.1 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op de gemeenschappelijke regelingen.

56

5.5 Jeugdzorg Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? De lasten t.b.v. jeugdzorg komen voort uit een breed takenpakket wat gemeenten hebben op dit gebied. Grofweg kunnen de taken als volgt onderverdeeld worden: 5.5.1

Jeugdhulp Jeugdbescherming Jeugdreclassering Toegang en eerstelijnsvoorzieningen Welke (landelijke) ontwikkelingen spelen er?

De afgelopen jaren is er veel te doen over de ontwikkelingen binnen de jeugdzorg. Voordat nader ingegaan wordt op de diverse onderdelen binnen de jeugdzorg en de opbouw van de baten en lasten die hiermee gemoeid gaan, wordt eerst stil gestaan bij een aantal (landelijke) ontwikkelingen. Landelijke financiering jeugdzorg Sinds de decentralisatie van de jeugdzorg in 2015 is de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg overgedragen van het Rijk naar gemeenten. Sinds 2015 is het aantal jongeren met jeugdzorg landelijk fors gestegen. Daarnaast zijn ook de lasten per jeugdzorgtraject fors toegenomen. De afgelopen jaren is er dan ook veel discussie over het budget wat gemeenten daar vanuit het Rijk voor ontvangen. Omdat de uitgaven voor de jeugdzorg de door het Rijk beschikbaar gestelde middelen in toenemende mate overtroffen, heeft het Rijk in mei 2019 voor de periode 2019 tot en met 2021 extra middelen ter beschikking gesteld aan gemeenten. Daarbij is ook afgesproken om een onderzoek in te stellen om te bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben voor de jeugdzorg. In december 2020 is door AEF het onderzoek Stelsel in groei (d.d. 15 december 2020) gepubliceerd. De hoofdconclusie daaruit was dat de ontwikkeling van de uitgaven niet houdbaar is, waarbij meer nodig is dan alleen een bijstelling van het budget.

Het is noodzakelijk om de effectiviteit en beheersbaarheid te vergroten door zowel aanpassingen aan het stelsel als door effectievere sturing. In januari 2021 hebben de VNG en het Rijk besloten om aanvullend op het AEF-onderzoek een gezamenlijke stuurgroep in te stellen. Deze stuurgroep had als taak om maatregelen en varianten in beeld te brengen om de financiële beheersbaarheid van de Jeugdwet te versterken. In het daaruit voortkomende rapport maatregelen financiële beheersbaarheid jeugdwet (d.d. 8 april 2021) zijn maatregelen beschreven om de uitgaven aan de jeugdzorg te beperken en het jeugdzorgstelsel beheersbaarder te maken. Omdat het Rijk en de gemeenten het niet eens werden over de structurele financiering van de jeugdzorg, werd in maart 2021 een arbitragezaak in gang gezet. Dit heeft geresulteerd in de uitspraak en advies van de Commissie van wijzen over het geschil tussen Rijk en gemeenten over de structurele financiering van de jeugdzorg (d.d. 18 mei 2021). Hierin is uitspraak gedaan over de structurele tekorten vanaf 2022 op de uitgaven voor de jeugdzorg en de compensatie hiervan door het Rijk. Daarnaast is uitgesproken dat gemeenten en Rijk aan de slag gaan met de inrichting en uitvoering van een ontwikkelagenda 2022-2028, waarbij (gezamenlijke) maatregelen uitgewerkt worden die tot een structurele besparing van € 1 miljard vanaf 2027 zouden leiden.

De hieruit voortgekomen Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 bevat een omvangrijk pakket afspraken met als doel dat de jeugdzorg betaalbaar, toegankelijk en effectiever wordt, met meer 57

aandacht voor preventie en normalisatie. Op basis van de uitspraak van de commissie over de landelijke financiële tekorten en de besparingen die op basis van de hervormingsagenda werden verwacht, zijn voor de jaren 2022 t/m 2025 door het Rijk aanvullende middelen voor de jeugdzorg toegevoegd aan het gemeentefonds. Voor 2026 en verder heeft het Rijk een deel van de compensatie gereserveerd maar nog niet aan het gemeentefonds toegevoegd. Dit vindt plaats op basis van de voortgang en effectiviteit van de in de hervormingsagenda opgenomen maatregelen. Om de voortgang te monitoren zijn verschillende instrumenten afgesproken, waaronder de monitor van de afspraken Hervormingsagenda Jeugd. Daarnaast is een onafhankelijke deskundigencommissie ingesteld met deskundigen op het gebied van jeugdzorg, openbare financiën en interbestuurlijke verhoudingen om zicht te krijgen op de implementatie en (structurele) opbrengsten van de maatregelen. Deze commissie brengt zwaarwegend advies uit aan het Rijk en de VNG ten aanzien van de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd. De commissie heeft in januari 2025 haar eerste advies uitgebracht. In januari 2028 volgt het tweede advies. Het eerste advies van de deskundigencommissie is op 30 januari 2025 uitgebracht en via een presentatie toegelicht. De commissie concludeert o.a.

dat partners met volle overgave aan de slag zijn met de uitwerking van de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd. Echter heeft de commissie er onvoldoende vertrouwen in dat de huidige aanpak en voortgang van de Hervormingsagenda Jeugd en de financiële risicoverdeling die hierover is afgesproken tussen Rijk en gemeenten, tot de beoogde effecten gaan leiden. Wat betreft het financiële aspect heeft de commissie ernstige bedenkingen bij de haalbaarheid en het realisme van het meerjarig financieel kader dat onder de Hervormingsagenda Jeugd ligt. De verwachting dat de ingeplande substantiële besparingen vanaf 2026 gerealiseerd kunnen worden, acht de commissie niet reëel. Over de ontstane tekorten op de inzet van jeugdzorg in de jaren 2023 en 2024 adviseert de commissie (vanuit het oogpunt van een gedeelde verantwoordelijkheid van Rijk en gemeenten) dat Rijk en gemeenten beiden de helft van de verliezen voor hun rekening nemen. Tot slot is de commissie zich ervan bewust dat de financiering van de jeugdzorg onderdeel is van een bredere discussie over de financiële en interbestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. De VNG geeft aan dat het advies bevestigt dat gemeenten onvoldoende middelen hebben ontvangen om hulp te bieden aan gezinnen en kwetsbare kinderen en dat het advies een nieuw financieel kader geeft voor de komende tijd.

Daarbij stelt de VNG wel dat het pijn doet dat de commissie oordeelt dat gemeenten 50% van de tekorten in 2023 en 2024 zelf moeten dragen en dat zij verwachten dat het kabinet de extra financiering van de jeugdhulp verwerkt in de Voorjaarsnota. Temeer omdat het kabinet al eerder (in het overhedenoverleg op 21 november 2024) heeft aangegeven dat het niet de vraag is óf, maar hoé de disbalans in ambities, taken en middelen voor de jeugdzorg wordt opgelost. Tot die tijd is het onduidelijk in hoeverre gemeenten aanvullende middelen zullen gaan ontvangen vanuit het Rijk. Indien het Rijk in de Voorjaarsnota 2025 daadwerkelijk maatregelen neemt, zullen deze waarschijnlijk financieel verwerkt worden in de meicirculaire 2025. Op die manier zal dit dan ook verwerkt kunnen worden in de begroting 2026-2029 van de gemeente Moerdijk, aangezien wij de raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds daarop baseren. Regionale samenwerking Het belang van regionale samenwerking binnen de jeugdzorg wordt landelijk erkend en is een van de maatregelen die onderdeel uitmaakt van de Hervormingsagenda Jeugd. Het wetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ wat is ingediend bij de Tweede Kamer is een concrete uitwerking daarvan waarbij gemeenten verplicht worden om regionaal samen te werken bij de inkoop van specialistische jeugdzorg.

De verplichte regionale samenwerking geldt voor de inkoop van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en bepaalde vormen van specialistische 58

jeugdhulp. Het gaat dan om jeugdhulp die moeilijk op lokaal niveau te organiseren is, bijv. vanwege de schaarste van de vraag of de complexiteit van de problematiek. In de jeugdhulpregio West- Brabant West werken negen gemeenten (Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert) samen op het gebied van Jeugdhulp. Sinds de decentralisatie jeugd in 2015 kopen de negen gemeenten gezamenlijk specialistische jeugdhulp in. De regiovisie vormt het strategisch beleidskader wat als leidraad dient voor alle acties die worden ondernomen om de zorg voor jeugd in West-Brabant West verder te optimaliseren en de kwaliteit te borgen. In 2025 wordt een nieuwe regiovisie opgesteld die de huidige regiovisie 2022-2025 vervangt. Ook zal de regionale samenwerking binnen de D9 worden geborgd in een gemeenschappelijke regeling. Actieplan Jeugd De landelijke ontwikkelingen en vraagstukken binnen de jeugdhulp hebben logischerwijs ook impact op onze gemeente. Op het gebied van inhoud van de casuïstiek, bedrijfsvoering en financiën zien we dat de complexiteit toeneemt en daarmee ook de financiële druk. In de raadsinformatiebijeenkomst van 28 november 2024 is de gemeenteraad geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen de Jeugdzorg.

Daarbij is ingegaan op de cijfermatige ontwikkeling in het jeugdhulpgebruik in onze gemeente en is het actieplan Jeugd nader toegelicht. Het actieplan Jeugd is begin 2024 opgestart en richt zich met name op uitvoering en bedrijfsvoering rondom het jeugddomein. Tegelijk zijn deze acties niet los te zien van de uitkomsten uit de scan Mens & Maatschappij en de Hervormingsagenda Jeugd. In het actieplan Jeugd zijn 12 actiepunten benoemd: -

Optimalisatie van het intakeproces en triage; Visiegroep binnen Centrum Jeugd en Gezin; Pilot Zorgdomein in de huisartsenroute; Intensievere samenwerking beleid, uitvoering en financiën; Personele capaciteit op orde brengen; Optimalisatie (preventief) aanbod bij complexe scheidingen; Analyse duurdere zorgpaden; Aansluiting zorgpaden 18-/18+; Onderzoek effecten afbouw jeugdzorgplus (gesloten jeugdzorg); Project Toekomstscenario; Onderzoek één toegang sociaal domein; Opgroeien Kansrijke Omgeving.

De acties uit het actieplan worden continue gemonitord en geëvalueerd. Via de Planning en Control (P&C) cyclus zal de gemeenteraad geïnformeerd worden over de ontwikkelingen en effecten van de acties uit het actieplan. Rekenkameronderzoek Moerdijk Tijdens de raadsvergadering van 4 december 2024 nam de gemeenteraad een motie aan waarin de Rekenkamer Moerdijk werd verzocht onderzoek te doen naar jeugdzorg. De rekenkamer heeft het onderwerp, doel en de achtergrond getoetst aan de selectiecriteria en wil graag een onderzoek uitvoeren naar het onderwerp ‘kosten van de jeugdzorg’. Jeugdzorg is alle jeugdzorg en dus ook jeugdbescherming en jeugdreclassering, waar de gemeente voor verantwoordelijk is. Met dit onderzoek wil de rekenkamer in beeld brengen hoe de jeugdzorg in de gemeente Moerdijk wordt uitgevoerd en meer inzicht bieden waardoor de toename in de lasten wordt veroorzaakt. Daarnaast wil de rekenkamer de gemeenteraad handvatten bieden hoe zij de kaderstellende en controlerende rol 59

inzake jeugdzorg goed kan vervullen en welke informatie daarbij nodig is. De centrale onderzoeksvraag hierbij luidt “Wordt de jeugdzorg in de gemeente Moerdijk doelmatig uitgevoerd en hoe kan de gemeenteraad hierop toezien?” Bij het beantwoorden van deze vraag, stelt de rekenkamer een gefaseerde aanpak voor, waarbij eerst in beeld wordt gebracht op welke onderdelen van de jeugdzorg in de afgelopen 10 jaar een significante toename is geweest in de lasten. Dit is voornamelijk een kwantitatief onderzoek. In de tweede fase wordt op de vormen van jeugdzorg die in de afgelopen 10 jaar een significante toename laten zien een verdieping aangebracht om zicht te krijgen op handvatten voor de gemeenteraad. 5.5.2

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van de (sub)taakvelden die betrekking hebben op jeugdzorg zijn in de begroting 2025 circa € 13,8 miljoen lasten begroot. Wanneer deze lasten nader worden gespecificeerd levert dit onderstaand beeld op:

Figuur 43 Baten en lasten (sub)taakveld Jeugdzorg

De lasten t.b.v. jeugdhulp kunnen grofweg worden onderverdeeld in jeugdhulp met of zonder verblijf. Bij jeugdhulp zonder verblijf gaat het om vormen van jeugdhulp waarbij een jongere thuis woont, dus niet bij de zorgaanbieder. Veruit de meeste lasten binnen de jeugdzorg hebben betrekking op deze vorm van jeugdhulp. Binnen de gemeente Moerdijk heeft circa € 8,1 miljoen (59% van de totale lasten t.b.v. jeugdhulp) betrekking op de jeugdhulp zonder verblijf. Voor de jeugdhulp met verblijf zijn in 2025 circa € 2,4 miljoen aan lasten begroot. Dit betreft vormen van jeugdhulp waarbij de jongere formeel niet thuis in het eigen gezin, maar ergens anders overnacht (in pleeggezin, gezinsgericht verblijf, residentiële instelling of andere vorm van verblijf, waaronder crisisverblijf). Verder heeft circa €2,1 miljoen van de lasten betrekking op de toegang en eerstelijnsvoorzieningen. Dit betreft grotendeels de inzet vanuit het centrum voor jeugd en gezin Moerdijk (CJG Moerdijk). De lasten t.b.v. de Jeugdbescherming (waarbij de rechter een maatregel oplegt) zijn begroot op circa € 0,8 miljoen. Tot slot zijn er diverse relatief kleinere lasten (circa € 0,4 miljoen).

60

5.5.3

Ontwikkeling aantal jeugdzorgtrajecten

Hieronder is de meerjarige ontwikkeling van het aantal jeugdzorgtrajecten binnen de gemeente Moerdijk in beeld gebracht:

Figuur 44 Ontwikkeling aantal jeugdzorgtrajecten gemeente Moerdijk. Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

In bovenstaande figuur is duidelijk te zien dat de jeugdzorgtrajecten zonder verblijf niet alleen qua lasten maar vooral ook qua aantallen veruit de grootste vorm van jeugdhulp vertegenwoordigd. In 2024 vertegenwoordigt deze vorm van jeugdhulp circa 89% van de totale jeugdzorgtrajecten binnen onze gemeente. Daarnaast is in bovenstaande figuur te zien dat het aantal jeugdzorgtrajecten sinds 2021 redelijk stabiel is. Dit komt overeen met het landelijke beeld dat het aantal jeugdigen wat gebruik maakt van jeugdhulp vooral tot 2021 fors is toegenomen. In de publicatie De Stand van de Jeugdzorg 2023 is te lezen: ‘Ruim twee decennia geleden kreeg ongeveer 1 op de 27 jeugdigen een vorm van jeugdzorg en in 2009 was dit toegenomen tot ongeveer 1 op de 14. In 2015 was dit verder gestegen tot bijna 1 op de 12. Van een forse toename van het gebruik was dus al sprake lang voor de invoering van de Jeugdwet in 2015. De Jeugdwet heeft echter niet geleid tot een afname van het gebruik. Sinds 2015 is nog steeds sprake van een toename: in 2022 kreeg ruim 1 op de 10 jeugdigen een vorm van jeugdzorg.’

61

In De Stand van de Jeugdzorg 2024 wordt door de Jeugdautoriteit geschetst dat de landelijke toename steeds minder wordt. Waar het gebruik in 2016 nog met 6% toenam ten opzichte van het voorgaande jaar, was de toename in 2022 en 2023 gedaald tot 1% ten opzichte van het vorig jaar. Dat beeld blijkt ook uit de meerjarige ontwikkeling van het landelijk aantal jeugdzorgtrajecten.

Figuur 45 Landelijke ontwikkeling aantal jeugdigen met jeugdzorg. Bron: De Stand van de Jeugdzorg 2024

Dat betekent echter niet dat daarmee ook de (landelijke) lastenontwikkelingen afnemen. Tegelijkertijd wordt namelijk landelijk geconstateerd dat de lasten sterker toenemen dan het gebruik van jeugdzorg. De stijging van de lasten wordt dus niet veroorzaakt door alleen meer gebruik, maar de gemiddelde lasten per jeugdige nemen ook toe. Terwijl in de periode 2015-2022 het aantal jeugdigen met jeugdzorg landelijk toenam met 25% en het aantal jeugdzorgtrajecten met 32%, namen de landelijke lasten toe met 81%. De afgelopen jaren is dan ook veel discussie ontstaan over het budget wat gemeenten vanuit het Rijk hiervoor ontvangen. De gestegen landelijke lasten komen ook duidelijk naar voren in onderstaande figuur.

Figuur 46 Landelijke lastenontwikkelingen Jeugdzorg Bron: VNG

In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de jeugdzorgbudgetten waar in de gemeente Moerdijk de meeste lasten mee zijn gemoeid gaan.

62

5.5.4

Jeugdhulp zonder verblijf

Zoals in voorgaande pagina’s is geschetst hebben veruit de meeste jeugdzorgtrajecten betrekking op de jeugdhulp zonder verblijf. Hierbij gaat het om zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen of scheidingsproblematiek van de ouders waarbij de jongere thuis in het eigen gezin verblijft. In 2024 vertegenwoordigt deze vorm van jeugdhulp met 750 trajecten circa 89% van de totale jeugdzorgtrajecten. Binnen de gemeente Moerdijk zijn hier in 2025 circa € 8,1 miljoen lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 10.900 per traject per jaar. Deze lasten bestaan voornamelijk uit de inzet die door de jeugdhulporganisaties wordt verleend. Jeugdhulp zonder verblijf richt zich op het kind binnen het gezinssysteem. Naast een toename van jeugdigen met hulpvragen rondom mentale weerbaarheid zien we dat een deel van de jeugdhulp zich richt op stabilisatie van ouder gerelateerde problematiek. Denk hierbij aan relatie en/of scheidingsproblematiek (mediation), GGZ of verslavingsproblematiek bij ouders of financiële problemen. Deze gezinsgerichte aanpak is een gewenste ontwikkeling, waarbij een integrale aanpak ervoor zorgt dat niet alleen de symptomen, maar ook de oorsprong van de jeugdhulpvraag wordt aangepakt.

Daarnaast wordt er vanuit de regiovisie jeugd gewerkt vanuit het uitgangspunt, hulp en ondersteuning zo thuis mogelijk en zijn looptijden van ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen steeds korter. Dat vraagt een intensievere ondersteuning van het gezinssysteem. We zien de laatste jaren niet zozeer een toename in aantal unieke jeugdigen, als wel een verschuiving van zorggebruik naar deze vorm van jeugdhulp. In onderstaande figuur is de meerjarige ontwikkeling in de lasten t.b.v. jeugdhulp zonder verblijf weergegeven.

Figuur 47 Meerjarige ontwikkeling jeugdhulp zonder verblijf gemeente Moerdijk

De kostenstijging komt met name voort uit forse tariefswijzigingen, indexering en beperkte beschikbaarheid binnen het gecontracteerde zorgaanbod, waardoor er moet worden uitgeweken naar duurdere maatwerkvoorzieningen. 5.5.5

Jeugdhulp met verblijf

Bij een klein deel van de jeugdzorgtrajecten is sprake van jeugdhulp met verblijf waarbij de jongere niet thuis slaapt bij het eigen gezin. Het gaat daarbij om verblijfsvormen waarbij sprake is van een overnachting, zoals opvang in een pleeggezin, gezinsgerichte opvang of een vorm van gesloten jeugdhulp. Ook verblijf in logeerhuizen, alleen tijdens weekenden of juist doordeweeks, valt eronder. In 2024 vertegenwoordigt deze vorm van jeugdhulp met 25 trajecten circa 3% van de totale jeugdzorgtrajecten. Binnen de gemeente Moerdijk zijn hier in 2025 circa € 2,4 miljoen lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 95.300 per traject per jaar. Deze vorm van jeugdhulp is dan 63

ook vele malen duurder dan de jeugdhulp zonder verblijf. Deze lasten bestaan voornamelijk uit de inzet die door de jeugdhulporganisaties wordt verleend. Jeugdhulp met verblijf wordt ingezet wanneer jeugdigen tijdelijk of voor een langere periode niet thuis kunnen verblijven. De afgelopen jaren is er vanuit de woonzorgvisie jeugd gewerkt aan het afbouwen van residentiele plaatsen (denk hierbij aan leefgroepen, waar meerdere kinderen in een instelling bij elkaar verblijven) en wordt er meer toegeleid naar een gezinsgerichte vorm van opvang. Gezinshuizen en pleegzorg. Kinderen groeien op in een gezinssetting, wat bijdraagt aan een positieve ontwikkeling en deelname aan de maatschappij. De afbouw van gesloten jeugdzorg en residentiele plaatsingen naar kleinschalige en gezinsvervangende settingen, veroorzaakt een stijging van kosten in het zorgarrangement woonzorg zwaar. Woonzorg zwaar is een intensievere vorm van begeleiding met kleinere groepen. Voor de open vorm van woonzorg is meer inzet van professionals nodig en moeten meer kleinschalige woonlocaties gecreëerd worden. 5.5.6

Jeugdbescherming

Tot slot zijn er ook jeugdzorgtrajecten waarbij sprake is van Jeugdbescherming. Hiervan is sprake als een rechter een dwingende maatregel oplegt wanneer een gezonde en veilige ontwikkeling van een kind of jongere in de leeftijd van 0 tot 18 jaar (ernstig) wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet (voldoende) helpt. Het doel van de jeugdbeschermingsmaatregel is het opheffen van de bedreiging voor de ontwikkeling van het kind. Een rechter kan twee soorten maatregelen opleggen. Een ondertoezichtstelling (ots) waarbij ouders verplicht hulp en ondersteuning bij het opvoeden krijgen of een gezag beëindigende maatregel (voogdij) waarbij ouders het gezag over het kind verliezen. In 2024 vertegenwoordigt deze vorm van jeugdhulp met 65 trajecten ca 8% van de totale jeugdzorgtrajecten. Binnen de gemeente Moerdijk zijn hier in 2025 circa € 0,8 miljoen lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 11.600 per traject per jaar. Deze lasten bestaan voornamelijk uit de inzet die in dit kader door de Gecertificeerde Instellingen wordt gedaan. 5.5.7

Toegang en eerstelijnsvoorzieningen

Dit betreft de voorzieningen die zich richten op het bieden van vrij toegankelijke hulp en het geleiden naar de juiste maatwerkvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan voorlichting, advisering, cliéntondersteuning, toegang tot 1e en 2e lijnsvoorzieningen en zorgcoördinatie, preventieve taken en vroegsignalering, etc. Gemeenten kunnen zelf bepalen waar zij deze taken beleggen: bijv. in lokale teams, gemeentelijke loketten of Centra voor Jeugd en Gezin. Voor 2025 zijn hier circa € 1,8 miljoen aan lasten voor begroot. Dit betreft grotendeels de inzet vanuit het centrum voor jeugd en gezin Moerdijk (CJG Moerdijk) waarbij de lasten voornamelijk bestaan uit de personele inzet (inhuur) van de jeugdprofessionals. De begrote lasten in 2025 zijn daarbij gebaseerd op 15,5 fte met een gemiddelde last van € 115.500 per fte. Het aantal fte is al jaren stabiel, waardoor de toename in aanmeldingen en complexiteit vooral wordt opgevangen door procesmatig werken en oplossingen binnen de bedrijfsvoering. Als gevolg van indexering van de loonkosten en verhoging van de inschaling van de functie (gekozen door Spring als werkgever) zijn de lasten voor de inhuur van jeugdprofessionals in de jaren 2023 tot en met 2025 gemiddeld met 7,9% per fte gestegen. 5.5.8

Overige lasten

Tot slot bestaan de overige baten en lasten binnen het (sub)taakveld jeugdzorg uit diverse relatief kleinere baten en lasten (€ 0,5 miljoen).

64

5.6 Wmo Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn gemeenten verplicht om ondersteuning te bieden aan mensen met een beperking, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen en deel kunnen nemen aan de maatschappij. De ondersteuning kan plaatsvinden via een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. •

•

Een algemene voorziening is vrij toegankelijk, waarbij geen voorafgaand onderzoek plaatsvindt naar persoonlijke omstandigheden van de gebruikers. Voorbeelden hiervan zijn een buurtcentra of een boodschappendienst. Een maatwerkvoorziening is niet vrij toegankelijk. Hierbij wordt vooraf onderzoek gedaan naar persoonlijke behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de betreffende burger. Voorbeelden hiervan zijn huishoudelijke hulp, het beschikbaar stellen van hulpmiddelen en het bieden van begeleiding.

Verder moeten gemeenten ervoor zorgen dat alle inwoners die dat nodig hebben, beschermd kunnen wonen. Beschermd wonen is bedoeld voor mensen met licht verstandelijke beperking (lvb), psychische en/of psychosociale problemen die zich tijdelijk niet op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving en 24 uur per dag hulp nodig hebben. 5.6.1

Welke (landelijke) ontwikkelingen spelen er?

Voordat nader ingegaan wordt op de diverse onderdelen binnen de Wmo en de opbouw van de baten en lasten die hiermee gemoeid gaan, wordt eerst stil gestaan bij een aantal (landelijke) ontwikkelingen. Er zijn een aantal (landelijke) factoren die samen zorgen voor een landelijk groeiende vraag naar Wmovoorzieningen en een toename van de uitgaven. De Nederlandse bevolking vergrijst, waardoor het aantal mensen dat ondersteuning nodig heeft groeit. Ouderen hebben vaker hulp nodig bij huishoudelijke taken, mobiliteit en persoonlijke verzorging. Daarnaast is de landelijke ontwikkeling dat ouderen langer thuis blijven wonen, wat leidt tot intensievere zorg- en ondersteuningsvragen. Tot slot heeft o.a. ook de krapte op de zorgarbeidsmarkt een opwaarts effect in de lasten. Deze ontwikkelingen zetten druk op de Wmo-ondersteuning die gemeenten kunnen bieden. Houdbaarheidsonderzoek Wmo In 2021 is door het ministerie van VWS en de VNG afgesproken om een gezamenlijk onderzoekstraject te starten naar de houdbaarheid van de Wmo 2015 op de lange termijn. Hierop is in 2022 een onderzoekstraject gestart waarbij in gezamenlijkheid onderzoek wordt gedaan naar de houdbaarheid van de Wmo en mogelijke maatregelen die de houdbaarheid kunnen vergroten. Dit omdat het nog niet precies duidelijk is hoe bovenstaande ontwikkelingen zich precies gaan vertalen in het Wmo gebruik voor de komende jaren.

Het houdbaarheidsonderzoek is breed opgezet en bestaat uit twee fases: (A) de analysefase en (B) de fase van duiding en het voorstellen van mogelijke beleidskeuzes. De analysefase bestaat uit diverse samenhangende (deel)onderzoeken. Dit betreft een historische analyse Wmo 2015, onderzoek naar de sociale basis en de houdbaarheid van de Wmo, een raming uitgevoerd door het CPB, onderzoek naar de samenhang met aanpalende beleidsterreinen en een onderzoek naar de diversiteit binnen de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. 65

De uitkomsten van het eerste deelonderzoek zijn in januari 2024 opgeleverd in het rapport ‘Historische analyse Wet maatschappelijke ondersteuning 2015’ (d.d. 2 januari 2024). De historische analyse bevat o.a. de voorgeschiedenis en context van de Wmo (de inhoud van de wet, relevante maatschappelijke ontwikkelingen, raakvlakken met andere wetten en communicerende vaten), feiten en cijfers en voorlopige conclusies en reflecties. De uitkomsten van het tweede deelonderzoek zijn opgeleverd in het rapport ‘de sociale basis en de houdbaarheid van de Wmo’ (d.d. 31 augustus 2024). In dit onderzoek staat de vraag centraal wat de relatie is tussen (gemeentelijke beleidskeuzes in) de sociale basis en de Wmo maatwerkvoorzieningen. Het onderzoek dient meer inzicht te geven in de (ontwikkeling van) sturing van gemeenten ten aanzien van de sociale basis, hoe de sociale basis zich verhoudt tot de maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo 2015, en welke lasten hiermee gepaard gaan. De planning is om het onderzoekstraject eind 2025 af te ronden met een eindrapport waarin aanbevelingen staan die een (fundamentele) bijdrage kunnen leveren aan de houdbaarheid van de Wmo 2015. Indexering gemeentefonds Onderdeel van een toekomstbestendige Wmo is ook passende financiering. Naast het houdbaarheidsonderzoek is de VNG in overleg gegaan met het Rijk over de gewenste groei van het gemeentefonds.

Het rijk heeft onlangs de systematiek daarvoor aangepast, waarbij de jaarlijkse groei van de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt gebaseerd op de (meerjarige) ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Vanuit de VNG is aangekaart dat de jaarlijkse groei van het gemeentefonds daarmee onvoldoende is om de groei van de lasten op te vangen. Als gevolg van vergrijzing nemen de lasten van gemeenten voor de uitvoering van de Wmo sneller toe dan de bbp ontwikkeling. In de meicirculaire 2024 is afgesproken dat voor een nader te bepalen deel van de Wmo in de toekomst een aparte financiering wordt gehanteerd die beter aansluit bij de lastenontwikkelingen. Afhankelijk van de gekozen bekostigingsvorm wordt een passende indexering onderzocht (die aansluit bij de raming die het CPB doet in het kader van het houdbaarheidsonderzoek) en daardoor ook rekening houdt met lastenontwikkeling en demografie/vergrijzing. Het streven is dat er met ingang van 2026 nadere afspraken zijn, waarbij dit ook in samenhang wordt gezien met het houdbaarheidsonderzoek. Vooruitlopend op de uitwerking hiervan heeft het Rijk in de septembercirculaire 2024 aanvullende middelen toegevoegd aan het gemeentefonds. Voor de gemeente Moerdijk ging dit om circa € 0,1 miljoen (2026), € 0,3 miljoen (2027) en € 0,4 miljoen (2028).

Invoering inkomensafhankelijke eigen bijdrage Sinds 2019 is voor de meeste Wmo voorzieningen een abonnementstarief ingevoerd. Dit betekent dat inwoners die gebruik maken van Wmo voorzieningen een vast maandbedrag betalen ongeacht hun inkomen of vermogen. In 2025 bedraagt het abonnementstarief maximaal € 21 per maand. Het doel van het abonnementstarief was voornamelijk om zorg toegankelijker te maken en administratieve lasten te verlagen. De invoering van het abonnementstarief heeft landelijk geleid tot een toename van het aantal Wmo vragen (met name bij huishoudelijke hulp) en daarmee hogere lasten voor gemeenten. Door het Cbs werd destijds becijferd dat in de eerste helft van 2023 ruim 485.000 mensen gebruik maakten van Hulp bij het huishouden, wat 27% meer is dan in de eerste helft van 2019. In de praktijk leidt het gestegen gebruikt ertoe dat de toegankelijkheid van Wmo-voorzieningen onder druk komt te staan, juist voor kwetsbare groepen.

66

In 2023 heeft het toenmalige kabinet aangekondigd om het abonnementstarief te vervangen door een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Dit met als doel om de gemeentelijke Wmo-dienstverlening beschikbaar te houden voor inwoners die hulp en ondersteuning het hardst nodig hebben en niet vanuit ‘eigen kracht’ kunnen organiseren. In eerste instantie was het plan om alleen voor huishoudelijke hulp een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in te voeren met als ingangsdatum 1 januari 2025. Doordat werd besloten om de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor alle Wmovoorzieningen waarop het abonnementstarief van toepassing is in te voeren, werd de ingangsdatum uitgesteld naar 1 januari 2026. Inmiddels heeft staatsecretaris Maeijer in een brief aan de tweede kamer (d.d. 20 december 2024) bekend gemaakt dat de invoering is uitgesteld naar 1 januari 2027. Dit naar aanleiding van het advies van de raad van state (d.d. 28 augustus 2024) waarbij o.a. is geadviseerd om het wetsvoorstel overtuigender te motiveren en zo nodig aan te passen of deels te heroverwegen. De financiële consequenties van het verschuiven van de beoogde implementatiedatum naar 1 januari 2027 wordt door het kabinet besproken bij de aankomende voorjaarsbesluitvorming. 5.6.2

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Voor de diverse taken die de gemeente op het gebied van de Wmo verleend zijn in de begroting 2025 in totaal circa € 10,1 miljoen lasten en € 0,3 miljoen baten begroot. Wanneer deze baten en lasten verder gespecificeerd worden levert dit onderstaand beeld op:

Figuur 48 Baten en lasten (sub)taakveld Wmo

Veruit de meeste lasten binnen de Wmo hebben betrekking op de maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt op het gebied van huishoudelijke hulp (circa € 4,4 miljoen), begeleiding (circa € 3,5 miljoen) en het beschikbaar stellen van hulpmiddelen en diensten (circa € 2,1 miljoen). Sinds 2019 is voor de meeste Wmo voorzieningen een abonnementstarief ingevoerd. Dit betekent dat gemeenten aan inwoners die gebruik maken van Wmo voorzieningen een vast maandbedrag kunnen vragen ongeacht hun inkomen of vermogen. In 2025 bedraagt het abonnementstarief maximaal € 21 per maand. De eigen bijdragen zijn in 2025 begroot op circa € 0,3 miljoen. het CAK draagt de geïnde eigen bijdragen maandelijks aan de gemeente af. Circa € 0,5 miljoen van de lasten betrekking op de toegang en eerstelijnsvoorzieningen. Dit betreft grotendeels de budgetsubsidies die aan diverse instellingen (o.a. Surplus en GGz Breburg) worden verstrekt t.b.v. de algemene voorzieningen die zij hiervoor aan inwoners bieden. Tot slot zijn voor beschermd wonen in 2025 circa € 0,6 miljoen negatieve lasten begroot. De gemeente Breda is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van beschermd wonen voor de 67

inwoners van de regio Breda (Altena, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Moerdijk, Oosterhout en Zundert). Conform de afspraken in de Gemeenschappelijke Regeling Beschermd Wonen regio Breda stelt de gemeente Breda jaarlijks een begroting op, waarin de middelen die gemeente Breda vanuit het Rijk ontvangt via de integratie uitkering beschermd wonen de belangrijkste inkomstenbron zijn. De begroting van de beschermd wonen regio Breda laat een structureel overschot zien, wat op basis van het aantal inwoners wordt uitgekeerd aan de deelnemende gemeenten. 5.6.3

Ontwikkeling aantal Wmo-voorzieningen

In het algemeen geldt dat het aantal cliënten dat gebruik maakt van de diverse voorzieningen de afgelopen jaren is toegenomen. De (meerjarige) ontwikkeling van het aantal cliënten dat binnen de gemeente Moerdijk gebruik maakt van huishoudelijke hulp, begeleiding en hulpmiddelen en diensten ziet er als volgt uit:

Figuur 49 Ontwikkeling aantal Wmo voorzieningen gemeente Moerdijk. Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

Het aantal voorzieningen is ten opzichte van 2016 met circa 10% toegenomen (van 2.995 cliënten in 2016 naar 3.295 cliënten in 2024). Deze stijging ligt in lijn met de landelijke ontwikkelingen waarbij een aantal factoren (o.a. vergrijzing, het langer blijven thuis wonen van ouderen en krapte op de arbeidsmarkt) samen zorgen voor een landelijk groeiende vraag naar Wmo-voorzieningen en een toename van de uitgaven. Deze landelijke ontwikkelingen zetten druk op de Wmo-ondersteuning die gemeenten kunnen bieden. Verder is in bovenstaande figuur te zien dat verreweg de meeste voorzieningen betrekking op de hulpmiddelen en diensten (1.825 cliënten in 2024), gevolgd door de huishoudelijke hulp (1.055 cliënten in 2024) en begeleiding (415 cliënten in 2024). In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze voorzieningen.

68

5.6.4

Hulpmiddelen en diensten

Verreweg de meeste Wmo voorzieningen hebben betrekking op de hulpmiddelen en diensten die aan mensen met fysieke beperkingen worden verstrekt om zelfstandig te kunnen (blijven) functioneren. Voorbeelden hiervan zijn woondiensten, rolstoelvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, woonvoorzieningen en overige hulpmiddelen. In 2024 vertegenwoordigen deze voorzieningen met 1.825 cliënten circa 55% van de totale maatwerkvoorzieningen binnen de gemeente Moerdijk. Tegelijkertijd geldt dat hier ten opzichte van de andere maatwerkvoorzieningen relatief minder lasten mee gemoeid gaan. In 2025 zijn hier circa € 2,1 miljoen lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 1.900 per cliënt per jaar. Dit betreft dan ook voornamelijk het beschikbaar stellen van rolstoelen, scootmobielen en (elektrische) fietsen en de aanschaf en het onderhoud van trapliften, waarbij de gemiddelde lasten per voorziening relatief laag zijn. Ook de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling Regio West-Brabant t.b.v. Kleinschalig Collectief Vervoer (circa € 0,7 miljoen) valt hieronder. Tot slot bestaan de lasten voor circa € 0,5 miljoen uit personeelslasten. De personele inzet vanuit de gemeente wordt op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van het team Maatschappelijke ondersteuning.

Wanneer de (meerjarige) ontwikkeling van het aantal cliënten nader wordt bekeken levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 50 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening hulpmiddelen en diensten (gemeente Moerdijk). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

Ten opzichte van 2016 is het aantal cliënten met circa 9% gedaald. Waar er in 2016 nog 2.010 cliënten gebruik maakten van deze voorziening zijn dat er 1.825 in 2024. Sinds 2022 is het aantal cliënten redelijk stabiel.

69

Wanneer het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk wordt vergeleken met de referentiegemeenten levert dat onderstaand beeld op. Hierin is ook duidelijk de daling te zien die zich binnen de gemeente Moerdijk heeft voorgedaan ten opzichte van 2016. Daarbij geldt wel dat het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk nog steeds hoger ligt dan het gemiddelde van de referentiegemeenten.

Figuur 51 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening hulpmiddelen en diensten (vergelijking). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD). Voor 2022 is het landelijke cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of niet toonbaar i.v.m. herleidbaarheid tot personen (privacy).

70

5.6.5

Huishoudelijke hulp

Na de hulpmiddelen en diensten vormt de huishoudelijke hulp (qua aantal cliënten) de tweede grootste groep aan maatwerkvoorzieningen. Dit betreft voornamelijk de hulp die aan burgers wordt geboden bij het opruimen, schoonmaken en ramen zemen. In 2024 vertegenwoordigen deze voorzieningen met 1.055 cliënten circa 32% van de totale maatwerkvoorzieningen binnen de gemeente Moerdijk. In 2025 zijn hier circa € 4,4 miljoen aan lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 4.200 per cliënt per jaar. Deze lasten bestaan voornamelijk uit de inzet die door de zorgaanbieders wordt verleend. Verder bestaan de lasten voor circa € 0,5 miljoen uit personeelslasten. De personele inzet vanuit de gemeente wordt op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van het team Maatschappelijke ondersteuning. Wanneer de (meerjarige) ontwikkeling van het aantal cliënten nader wordt bekeken levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 52 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening huishoudelijke hulp (gemeente Moerdijk). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

Ten opzichte van 2016 is het aantal cliënten met circa 49% toegenomen. Waar er in 2016 nog 710 cliënten gebruik maakten van deze voorziening zijn dat er 1.055 in 2024. Uit de grafiek blijkt de redelijke constante lijn tot en met 2018 en de stijging vanaf 2019 toen landelijk het abonnementstarief werd ingevoerd. De invoering van het abonnementstarief heeft met name bij huishoudelijke hulp landelijk geleid tot een toename van het aantal Wmo vragen. Verder is in de grafiek te zien dat vanaf 2022 sprake is van een minder sterke groei, waarbij het aantal cliënten vooral in 2022 en 2023 stabiel was.

71

Wanneer het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk wordt vergeleken met de referentiegemeenten levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 53 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening hulpmiddelen en diensten (vergelijking). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD). Voor 2022 is het landelijke cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of niet toonbaar i.v.m. herleidbaarheid tot personen (privacy).

In bovenstaande figuur is te zien dat de stijging die zich ten opzichte van 2016 binnen de gemeente Moerdijk heeft voorgedaan overeenkomt met het beeld bij de referentiegemeenten. Zoals in paragraaf 5.6.1 is toegelicht zorgen een aantal landelijke factoren (o.a. vergrijzing, het langer blijven thuis wonen van ouderen) samen voor een landelijk groeiende vraag naar Wmo-voorzieningen. Daarnaast heeft de invoering van het abonnementstarief met name bij huishoudelijke hulp landelijk geleid tot een toename van het aantal Wmo vragen en is (mede door de problemen/wachtlijsten in de GGZ) sprake van een toename aan/verergering van psychische/psychiatrische problematiek in de samenleving. Dit levert o.a. meer/een grotere ondersteuningsbehoefte op het vlak van begeleiding (en ook huishoudelijke ondersteuning) op. Desondanks geldt dat het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk in 2024 nog wel altijd circa 10% lager ligt dan bij de referentiegemeenten. Een mogelijke verklaring hiervoor zijn de investeringen in onder meer ergotherapie bij de Wmo huishoudelijke ondersteuning en het bredere uitgangspunt van re-ablement: aanleren wat iemand nog zelf kan en daardoor mogelijk lichtere hulp nodig heeft. Hierdoor kunnen aanvragen voor huishoudelijke ondersteuning zonder of met een lichtere Wmoindicatie opgelost worden.

Daarnaast kunnen de lastenstijgingen worden beheerst door een andere mix van type indicaties voor huishoudelijke ondersteuning. Door bijv. minder (duurdere) indicaties HO stabilisatie en meer (goedkopere) indicaties HO stabilisatie light zijn de lastenstijgingen voor Wmo begeleiding en voor Wmo huishoudelijke hulp in de begroting 2025 lager uitgevallen dan dat op basis van de tariefontwikkelingen het geval zou zijn geweest. Naast de ontwikkeling van het aantal (en soort) indicaties hebben de arbeidskrapte en stijgende lasten waar aanbieders mee te maken hebben een grote rol in de gemeentelijke uitgaven. Op grond van de AMvB’s Reële tarieven Wmo en Jeugdwet moeten gemeenten bij het afsluiten én bij de verlenging van contracten voor de inkoop van Wmo-ondersteuning en jeugdhulp een zorgvuldige afweging maken om een reëel tarief te kunnen bepalen. Een van de belangrijkste elementen hierin is de loonontwikkeling. De VNG publiceert ieder jaar een bericht met daarin informatie over de reële tarieven voor Wmo- en jeugdhulp en de jaarlijkse indexatie daarvan door middel van het zogenaamde OVA-percentage. 72

5.6.6

Begeleiding

De begeleiding vormt qua aantal cliënten de derde groep aan maatwerkvoorzieningen. Bij begeleiding leert een cliënt om allerlei dagelijkse handelingen zelf te doen, of krijgt ondersteuning hierbij. Deze hulp wordt meestal ingezet in het geval van psychische problemen, een verstandelijke of een zintuigelijke beperking. Begeleiding kan gaan over ondersteuning bieden bij het plannen en organiseren van de dag, het omgaan met een ziekte of beperking, geldzaken en administratie, of het dagelijks leven thuis. In 2024 vertegenwoordigen deze voorzieningen met 415 cliënten circa 13% van de totale maatwerkvoorzieningen binnen de gemeente Moerdijk. In 2025 zijn hier circa € 3,5 miljoen aan lasten voor begroot. Dit komt neer op gemiddeld circa € 8.400 per cliënt per jaar. Daarmee liggen de gemiddelde lasten per cliënt fors hoger dan bij de hulpmiddelen en hulp bij het huishouden. Dit betreft dan ook de meest intensieve vorm van ondersteuning. Deze lasten bestaan voornamelijk uit de inzet die door de zorgaanbieders wordt verleend. Verder bestaan de lasten voor circa € 0,5 miljoen uit gemeentelijke personeelslasten. De personele inzet vanuit de gemeente wordt op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van het team Maatschappelijke ondersteuning.

Wanneer de (meerjarige) ontwikkeling van het aantal cliënten nader wordt bekeken levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 54 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening begeleiding (gemeente Moerdijk). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD)

Ten opzichte van 2016 is het aantal cliënten met circa 51% toegenomen. Waar er in 2016 nog 275 cliënten gebruik maakten van deze voorziening zijn dat er 415 in 2024. Wel geldt dat vanaf 2021 de ontwikkeling in het aantal cliënten is gestabiliseerd, waarbij in 2022 en 2023 zelfs sprake was van een lichte daling.

73

Wanneer het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk wordt vergeleken met de referentiegemeenten levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 55 Ontwikkeling aantal cliënten voorziening hulpmiddelen en diensten (vergelijking). Bron: Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD). Voor 2022 is het landelijke cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of niet toonbaar i.v.m. herleidbaarheid tot personen (privacy).

In bovenstaande figuur is duidelijk de stijging te zien die zich binnen de gemeente Moerdijk heeft voorgedaan ten opzichte van 2016, waarbij de ontwikkeling in het aantal cliënten vanaf 2021 is gestabiliseerd en in 2022 en 2023 zelfs sprake was van een lichte daling. Zoals in paragraaf 5.6.1 is toegelicht zorgen een aantal landelijke factoren (o.a. vergrijzing, het langer blijven thuis wonen van ouderen) samen voor een landelijk groeiende vraag naar Wmo-voorzieningen. Daarnaast is (mede door de problemen/wachtlijsten in de GGZ) sprake van een toename aan/verergering van psychische/psychiatrische problematiek in de samenleving. Dit levert o.a. meer/een grotere ondersteuningsbehoefte op het vlak van begeleiding en Huishoudelijke ondersteuning op. Het aantal cliënten binnen de gemeente Moerdijk ligt desondanks nog steeds circa 8 % lager dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Net zoals bij de huishoudelijke hulp kan een mogelijke verklaring hiervoor gevonden worden in de investeringen die worden gedaan vanuit het bredere uitgangspunt van re-ablement: aanleren wat iemand nog zelf kan en daardoor mogelijk lichtere hulp nodig heeft.

Door minder (duurdere) indicaties HO stabilisatie en meer (goedkopere) indicaties HO stabilisatie light zijn de lastenstijgingen voor Wmo begeleiding en voor Wmo huishoudelijke hulp in de begroting 2025 lager uitgevallen dan dat op basis van de tariefontwikkelingen het geval zou zijn geweest. Tot slot speelt ook bij de Wmo begeleiding de arbeidskrapte en stijgende lasten waar aanbieders mee te maken hebben een grote rol in de gemeentelijke uitgaven, waarbij (op grond van de AMvB’s Reële tarieven Wmo en Jeugdwet) reëele tarieven gehanteerd moeten worden bij het afsluiten én bij de verlenging van contracten voor de inkoop van Wmo-ondersteuning.

74

5.7 Samenkracht en burgerparticipatie Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Dit taakveld bestaat uit een breed palet aan voorzieningen, diensten, activiteiten en initiatieven gericht op het bieden van een sociale basis. Vaak hebben voorzieningen in deze sociale basis meerdere doelen en zijn ze daarmee van belang voor meerdere domeinen. Tot dit taakveld behoren bijvoorbeeld: -

5.7.1

ondersteuning van op participatie gerichte burgerinitiatieven, ondersteuning vrijwilligers en mantelzorg; sociaal en cultureel werk, Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW), wijkopbouw, jongerenwerk, schoolmaatschappelijk werk, straathoekwerk; preventie op het gebied van participatie (bijv. eenzaamheidsbestrijding), preventie op het gebied van GGZ, aanpak risicojongeren, vroegsignalering; buurt- en clubhuizen; collectief aanvullend vervoer, alleen als dit vervoer als algemene voorziening wordt aangeboden; toegankelijkheid voorzieningen (inclusie); kinderopvang: toezicht op en handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang en peuteropvang; aanvraag en verstrekking kinderopvangtoeslag Sociaal Medische Indicatie; activiteiten volgend uit de Wet Inburgering; noodopvang vluchtelingen; beleid en activiteiten gericht op vreemdelingen;

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie zijn in de begroting 2025 circa € 11,8 miljoen lasten en € 8,2 miljoen baten begroot. Deze baten en lasten kunnen onderverdeeld worden in diverse soorten lasten (ook wel economische categorieën genoemd). Dit levert voor 2025 onderstaand beeld op:

Figuur 56 Baten en lasten (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie

75

5.7.2

Overige goederen en diensten en inkomensoverdrachten Rijk

Binnen het (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie worden circa € 3,9 miljoen van de lasten geclassificeerd als ‘overige goederen en diensten’. Deze lasten hebben grotendeels betrekking op de opvang van nieuwkomers. De lasten bestaan voor een groot deel uit de huurvergoeding die aan ontwikkelaar KaFra Housing wordt betaald t.b.v. de drie flexwoontorens voor Oekraïense ontheemden aan de Schansdijk. Tegenover de lasten die voor de opvang van Oekraïense ontheemden gemaakt worden staat een bijdrage vanuit het Rijk. Gemeenten ontvangen een normbedrag voor zowel de Gemeentelijke Opvang Oekraïners (GOO) als de Particuliere Opvang Oekraïners (POO). De hoogte van de normbedragen is in 2022 vastgesteld en wordt jaarlijks herijkt, steeds op basis van onafhankelijk onderzoek. Bij de start van de opvang in 2022 bedroegen deze normbedragen nog € 100 per dag per gerealiseerde opvangplek (GOO) en € 210 per maand per persoon waaraan een verstrekking was gedaan (POO). Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt het normbedrag voor de GOO € 44 per dag per gerealiseerde opvangplek en voor de POO € 48 per maand per persoon. De component leefgeld voor de personen in de GOO is vanaf 2024 uit het normbedrag gehaald en wordt sindsdien op basis van werkelijke lasten vergoed. Het leefgeld voor de personen in de POO werd vanaf 2022 al op basis van werkelijke lasten vergoed.

Het saldo van alle lasten en baten in het kader van de opvang van nieuwkomers wordt conform raadsbesluit verrekend met de daarvoor ingestelde bestemmingsreserve. Het saldo van de lasten (€ 3,9 miljoen) en baten (€ 6,8 miljoen) wordt voor 2025 begroot op circa € 2,9 miljoen voordelig. Momenteel bedraagt de omvang van de bestemmingsreserve opvang nieuwkomers circa € 8 miljoen, wat de komende jaren naar verwachting verder oploopt. Hoewel deze middelen zijn afgezonderd in een bestemmingsreserve, heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om deze middelen indien gewenst een andere bestemming te geven (bijv. een gedeeltelijke overheveling naar de algemene reserve). In paragraaf 10.5 wordt vanuit breder perspectief ingegaan op het onderwerp reserves. 5.7.3

Salarissen en sociale lasten

Circa € 2,8 miljoen van de lasten binnen het (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie heeft betrekking op de salarissen en sociale lasten. De personele inzet wordt op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van de teams Jeugd en Ruimtelijke en economische ontwikkeling. Daarnaast heeft circa € 0,8 miljoen betrekking op de opvang van nieuwkomers (zie ook hierboven). In paragraaf 10.2 wordt vanuit een breder perspectief nader ingegaan op de totale personeelslasten. 5.7.4

Inkomensoverdrachten – overige instellingen en personen

Circa € 2,6 miljoen van de lasten binnen het (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie betreft inkomensoverdrachten aan overige instellingen en personen. Dit betreft subsidies en overige bijdragen aan instellingen en verenigingen. Een groot deel hiervan (circa € 1,6 miljoen) heeft betrekking op (budget)subsidies die aan uitvoeringsorganisaties worden verstrekt. Dit is een subsidie, waarbij de instelling of organisatie een gemaximeerd taakstellend bedrag krijgt om een tevoren overeengekomen activiteitenaanbod uit te voeren. Deze budgetsubsidies worden gehanteerd bij professionele instellingen en vrijwilligersorganisaties. Met een budgetgesubsidieerde instelling of organisatie worden jaarlijks prestatieafspraken gemaakt. De instelling of organisatie dient jaarlijks een jaarrekening, inhoudelijk verslag en een accountantsverklaring (bij een subsidie vanaf € 50.000) te overleggen. De budgetsubsidie aan Surplus (€ 1,4 miljoen) is veruit de grootste budgetsubsidie. Surplus ontvangt deze subsidie voor o.a. maatschappelijk werk, wijkgerichte dienstverlening / huizen van de wijk, 76

mantelzorgondersteuning, de buurtkamers, de vrijwilligerscentrale en ondersteuning bij financiële of juridische vragen. Daarnaast worden aan diverse andere instellingen en verenigingen subsidies en bijdragen verstrekt. De exploitatiebijdragen die aan De Parel Sports & Events BV in Fijnaart en Trefpunt meer Moerdijk in Zevenbergen worden verstrekt zijn hiervan de grootste voorbeelden. Ook de initiatiefsubsidies (een bijdrage in de kosten van losse activiteiten die voor en door inwoners en/of organisaties in een kern worden opgepakt) vallen binnen dit (sub)taakveld. Periodiek wordt in de begroting en jaarrekening (in de paragraaf subsidies) nader inzicht gegeven in de subsidies die de gemeente jaarlijks verstrekt. 5.7.5

Inkomensoverdrachten – gemeenschappelijke regelingen

Circa € 1,1 miljoen van de lasten binnen het (sub)taakveld samenkracht en burgerparticipatie betreft inkomensoverdrachten aan gemeenschappelijke regelingen. Dit betreft grotendeels (circa € 1 miljoen) de bijdrage die aan het Werkplein wordt gedaan t.b.v. de taken die zij uitvoeren op het gebied van inburgering. Met de invoering van de Wet inburgering 2021 hebben gemeenten een belangrijke rol bij de begeleiding van nieuwkomers die inburgeringsplichtig zijn. Het doel hiervan is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen in Nederland. En dat ze daarnaast zo snel mogelijk werk vinden. De uitvoering van deze is sinds 2022 een nieuwe taak voor het Werkplein. In de begroting 2025 van het Werkplein is te lezen: ‘Het Werkplein begeleid onder de inburgeringswet 2021 twee groepen inburgeraars; de statushouders en gezins- en overige migranten. De eerste groep valt onder de taakstelling huisvesting die gemeenten opgelegd krijgen. De tweede groep gaat om inburgeraars die bij een Nederlandse partner gaan wonen of om geestelijk dienaren.

Het Werkplein heeft de volgende gemeentelijke taken voor inburgeraars: brede intake, PIP, begeleiding en voortgang van het inburgeringstraject, participatieverklaringstraject (PVT), module arbeidsmarkt en participatie (MAP), leerroute zowel gericht op taal als participatie (alleen voor statushouders), maatschappelijke begeleiding (alleen voor statushouders) en handhaving gedurende het inburgeringstraject. Wat betreft het financieel ontzorgen passen we maatwerk toe voor bijstandsgerechtigde statushouders.’ Verder schetst het werkplein in de begroting 2025 de ontwikkelingen die op dit gebied spelen in relatie tot de spreidingswet die vanaf 1 februari 2024 is ingegaan en wordt inzicht gegeven in de aantallen inburgeraars die zij per gemeente de komende jaren verwachten. De gemeente ontvangt van het Rijk een specifieke uitkering voor de inburgeringsvoorzieningen. 5.7.6

Overige

Tot slot bestaan de overige baten en lasten binnen dit (sub)taakveld uit diverse relatief kleinere baten en lasten. Enkele voorbeelden hiervan zijn de exploitatielasten, kapitaallasten en huurbaten van diverse gemeentelijke accommodaties (gemeenschapshuizen) en de vergoedingen waar aanspraak op kan worden gemaakt als kinderopvang noodzakelijk is vanwege een sociale of medische situatie van de ouder of het kind.

77

6 Verkeer, vervoer en waterstaat In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het taakveld verkeer, vervoer en waterstaat. De landelijke toelichting van dit taakveld luidt als volgt: ‘Alle kosten die de gemeente maakt rondom mobiliteit van voertuigen worden geboekt op dit hoofdtaakveld. Binnen dit taakveld worden vooral veel lasten geboekt voor de aanleg, en het onderhoud, van wegen en (fiets) paden. Kosten die gemeenten maken voor parkeergarages en parkeermeters vallen ook onder dit taakveld, net als het openbaar vervoer. Naast deze mobiliteit ter land, valt ook de (recreatieve) vaart onder dit taakveld, zoals het onderhouden van havens en waterwegen.’ Wanneer de lasten t.b.v. dit taakveld worden afgezet tegen de totale lasten levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 57 Aandeel taakveld verkeer vervoer en waterstaat in totale lasten

78

6.1 Hoe zijn de totale lasten binnen dit taakveld opgebouwd? De lasten binnen dit taakveld zijn als volgt opgebouwd:

Figuur 58 Opbouw totale lasten taakveld verkeer, vervoer en waterstaat

De totale lasten binnen dit taakveld (circa € 12,8 miljoen) bestaan grotendeels uit de lasten m.b.t. verkeer en vervoer (circa € 12 miljoen). Dit betreft alle taken op het gebied van verkeer te land en de bijbehorende infrastructuur. De meeste lasten (circa € 5,5 miljoen) gaan hierbij gemoeid met de aanleg, reconstructie en het onderhoud van wegen, fietspaden, voetpaden en overige verhardingen. Andere posten binnen dit taakveld hebben betrekking op taken t.b.v. civieltechnische kunstwerken (inspectie, beheer en onderhoud van bruggen, duikers en tunnels), straatreiniging, onkruidbeheersing, het maaien van de bermen, de openbare verlichting (aanleg, beheer en onderhoud), gladheidbestrijding (sneeuwruimen en strooien) en het treffen van verkeersmaatregelen (variërend van het beïnvloeden van verkeersgedrag met het oog op verkeersveiligheid via verkeersplannen tot aan de verkeersborden, bewegwijzering en het straatmeubilair t.b.v. de verkeersregulering). Al met al omvat het (sub)taakveld ‘verkeer en vervoer’ een breed en divers takenpakket. In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=e1e4bb43-d052-43ec-a312-018883a40115