CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Structurele begrotingsruimte

Informatiebijeenkomst 10 april 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Presentatie Rapport structurele begrotingsruimte34.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

79

6.2 Verkeer en vervoer Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Tot dit taakveld behoren de taken op het gebied van verkeer te land (inclusief voetgangers) en bijbehorende droge infrastructuur: -

6.2.1

verkeersmaatregelen: verkeersborden, -regelinstallaties, bewegwijzering en straatmeubilair in het bijzonder voor verkeersregulering; beïnvloeden van verkeersgedrag met het oog op verkeersveiligheid; aanleg, reconstructie en onderhoud van verharde openbare ruimte: wegen, pleinen, fietspaden, voetpaden en overige verhardingen; civiel technische kunstwerken: inspectie, beheer en onderhoud van bruggen, duikers, tunnels spoorwegovergangen, voorzieningen voor openbaar vervoer en dergelijke; openbare verlichting: aanleg, beheer en onderhoud; - openbare laadpalen voor elektrische voertuigen; - gladheidbestrijding: sneeuwruimen en strooien; straatreiniging: schoonmaken en (toezien op) schoonhouden van de openbare ruimte van veeg- en zwerfafval; reguleren openbare ruimte: (omgevings)vergunningen voor inritten, aanleg kabels, verhuren standplaatsen (grond, benzinestations); verwijderen verkeersobstakels en vergunningen voor het tijdelijke plaatsen van voorwerpen op de openbare weg; leges: (ontheffingen wegenverkeerswet; kabels en leidingen; ondergrondse ordening/graafwerkzaamheden in de openbare ruimte; telecommunicatie.) Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld ‘verkeer en vervoer’ zijn in de begroting 2025 circa € 12 miljoen lasten en circa € 0,8 miljoen baten begroot. Wanneer deze baten en lasten nader worden gespecificeerd levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 59 Baten en lasten (sub)taakveld verkeer en vervoer

80

6.2.2

Wegbeheer

Verreweg de meeste lasten t.b.v. verkeer en vervoer hebben betrekking op het wegbeheer (circa € 5,4 miljoen). Dit betref de lasten die gepaard gaan met de aanleg, reconstructie en het onderhoud van wegen, fietspaden, voetpaden en overige verhardingen. Gemeenten hebben op basis van artikel 16 en 18 van de Wegenwet de verplichting om de gemeentelijke wegen goed te onderhouden. De CROW-normen zijn een veelgebruikte norm om te beoordelen in hoeverre sprake is van goed onderhoud. Daarbij worden vijf onderhoudsniveaus (van A+ tot D) onderscheiden. Binnen de wettelijke onderhoudsplicht heeft de gemeenteraad beleidsvrijheid voor het bepalen van de na te streven kwaliteitsniveaus. Wanneer de baten en lasten t.b.v. het wegbeheer nader worden gespecificeerd levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 60 Baten en lasten wegbeheer

Grofweg kan onderscheid gemaakt worden tussen lasten die voortkomen uit regulier (klein) onderhoud, groot onderhoud, achterstallig onderhoud en (vervangings)investeringen. Vanuit de (BBV) wetgeving gelden voorschriften voor de wijze waarop deze lasten in de gemeentelijke administratie verwerkt moeten worden. Regulier (klein) onderhoud De lasten van regulier (klein) onderhoud moeten in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie (jaarlijkse budgetten) worden gebracht. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen die noodzakelijk zijn om het object blijvend te laten functioneren. In figuur 60 vallen deze lasten onder de post ‘overige goederen en diensten’. Groot onderhoud (onderhoudsvoorziening) De lasten t.b.v. groot onderhoud kunnen ten laste gebracht worden van een daarvoor ingestelde voorziening. Het gaat hierbij om een zogenaamde onderhoudsvoorziening die door de gemeenteraad is ingesteld om de lasten van groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren, waardoor sterke fluctuaties kunnen worden voorkomen. De voorziening wordt, voorafgaand aan de onderhoudsactiviteiten, systematisch ten laste van de exploitatie gevoed met zodanige bedragen dat de voorziening over de gehele looptijd genomen voldoende is voor het bekostigen van de uitvoering van groot onderhoud.

Voorwaarde voor het hebben van een onderhoudsvoorziening is dat hier een recent meerjarig beheer- of onderhoudsplan ten grondslag moet liggen. In het geval van de gemeente Moerdijk is dat de notitie ‘Wegbeheer Moerdijk 2021-2025’ die in de raadsvergadering van 17 juni 2021 is vastgesteld. 81

Zoals in figuur 60 is te zien is een jaarlijkse storting van circa € 2,6 miljoen in deze voorziening begroot. Daarmee vormt dit een aanzienlijk deel van de jaarlijkse lasten t.b.v. het wegbeheer. De daadwerkelijke lasten die t.b.v. het groot onderhoud worden gemaakt worden uit deze voorziening gedekt. Periodiek wordt gemonitord in hoeverre de jaarlijkse storting voldoende is en blijft ter bekostiging van de geplande onderhoudswerkzaamheden. Achterstallig onderhoud Naast de lasten t.b.v. groot onderhoud (waar jaarlijks middelen voor in de onderhoudsvoorziening worden gestort), hebben we in de gemeente Moerdijk ook een voorziening t.b.v. achterstallig onderhoud. In de raadsvergadering van 17 juni 2021 is de notitie ‘Wegbeheer Moerdijk 2021-2025’ vastgesteld. Daarbij is geconstateerd dat de kwaliteit van de wegen achteruit was gegaan en een inhaalslag nodig was in het onderhoud. In het betreffende raadsvoorstel was dit als volgt verwoord: ‘De kwaliteit van de wegen is de afgelopen 10 jaar in die mate achteruitgegaan, dat deze niet langer voldoet aan de vastgestelde beeldkwaliteit. Erger nog, op veel plaatsen is er een achterstand in het onderhoud en een dusdanige lage kwaliteit ontstaan dat het onveilig kan worden voor het regulier gebruik. We hebben een onderhoudsachterstand die hersteld moet worden.

Niet alleen omdat wij dat noodzakelijk vinden, maar ook omdat we daar wettelijk toe verplicht zijn. De gemeente heeft 3.432.000 m2 aan verhard areaal, 650.000 m2 (20%) hiervan heeft een slechte tot zeer slechte kwaliteit. Om deze verhardingen weer op een minimaal kwaliteitsniveau te krijgen (veilig), dient een aanpassing plaats te vinden in de wijze waarop het wegbeheer nu wordt uitgevoerd. De komende jaren gaan we daarom een flinke inhaalslag maken in het onderhoud.’ Om dit te realiseren is gekozen om met behulp van functioneel beheer en risico gestuurd onderhoud de onderhoudsachterstand gefaseerd in te lopen. Naast een ophoging van de bestaande onderhoudsbudgetten, is een storting van € 6,9 miljoen gedaan in een voorziening achterstallig onderhoud zodat vanuit die voorziening het achterstallig onderhoud bekostigd kan worden. Ook in de periode daarna zijn door de gemeenteraad aanvullende middelen beschikbaar gesteld t.b.v. wegbeheer. In de raadsvergadering van 13 juli 2023 zijn de budgetten opgehoogd naar aanleiding van de extreme prijsstijgingen die zich destijds voordeden in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW). Dit betrof o.a. een aanvullende storting van circa € 0,5 miljoen in de voorziening achterstallig onderhoud.

Verder heeft de gemeenteraad in de raadsvergadering van 1 februari 2024 extra middelen beschikbaar gesteld voor de reconstructie van de Postbaan, Oude Heijningsedijk en Vlaaksedijk. Dit omdat naar aanleiding van nadere onderzoeken bleek dat daar de benodigde onderhoudsmaatregelen zwaarder en uitgebreider waren dan aanvankelijk was gedacht. In de raadsvergadering van 1 februari 2024 is via het document ‘Evaluatie kwaliteit verhardingen’ inzicht gegeven in de stand van zaken m.b.t. het wegwerken van de onderhoudsachterstanden en welke opgaven er nog voor ons ligt op het gebied van wegbeheer. Verder is in een raadsinformatiebijeenkomst (d.d. 23 januari 2025) ook de stand van zaken m.b.t. het wegbeheer toegelicht. Daarbij is toegelicht dat de beheerachterstanden op wegen buiten de bebouwde kom ingelopen worden. De achterstanden zijn op dit moment nog circa 10%, waarbij de verwachting is dat dit over enkele jaren volledig is ingelopen. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt dat op dit moment circa 30% van de wegen niet aan de vastgestelde ambitie voldoet. De achterstanden binnen de bebouwde kom zijn t.o.v. 2020 niet ingelopen waarbij het risico bestaat dat er verdere achterstanden kunnen ontstaan. De voornaamste reden hiervoor is dat het planbaar groot onderhoud niet wordt behaald. In een reguliere situatie waarbij er geen sprake is van achterstallig onderhoud dient 82

jaarlijks circa 5% aan onderhoud te worden uitgevoerd. Om de achterstand van circa 30% in te lopen dient bovenop het reguliere onderhoud aanvullend onderhoud te worden uitgevoerd. Hierbij geldt dat financiële middelen op dit moment niet het probleem zijn. Zoals hierboven ook is geschetst zijn er op het gebied van wegbeheer de afgelopen jaren extra middelen door de gemeenteraad beschikbaar gesteld. De voornaamste reden waarom de achterstanden op de binnenwegen niet ingelopen worden, zijn capaciteitstekorten. Door de krapte op de arbeidsmarkt wordt het (zowel voor de gemeente als de opdrachtgevers en aannemers) steeds lastiger om aan voldoende geschikt personeel te komen. Daarnaast speelt de energietransitie een rol. Circa 35% van alle straten moeten de komende 10 jaar op de schop t.b.v. het verzwaren van de elektriciteitsnetwerken. Ook is er de komende jaren een grote vervangingsopgave voor wijken uit de jaren ’60 en ’70, waarbij de ondergrondse infrastructuur aan vervanging toe is. Een integrale aanpak hiervan vraagt afstemming met de diverse (nuts)partijen waarbij de planningen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd worden. Dit om eventuele koppelkansen te benutten waarbij de overlast voor de omgeving zo beperkt mogelijk wordt gehouden door te voorkomen dat de straat meerdere keren opengebroken moet worden.

De extra tijd die hiermee gemoeid gaat staat soms haaks op de urgentie om het achterstallig onderhoud op te pakken vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid om onveilige situaties te voorkomen. Kapitaallasten Wanneer een aanpassing leidt tot een significante kwaliteitsverbetering, is er geen sprake van groot onderhoud, maar van een investering (bijv. een renovatie). Jaarlijks wordt bij de vaststelling van de begroting aan de gemeenteraad voorgesteld om de benodigde vervangingsinvesteringen beschikbaar te stellen. Deze investeringen moeten geactiveerd worden, waarna deze afgeschreven worden op basis van de verwachte levensduur. De hieruit voortkomende kapitaallasten (afschrijvingen en rente) worden voor 2025 begroot op circa € 2 miljoen. Wanneer de meerjarige verwachte ontwikkeling van de kapitaallasten t.b.v. wegbeheer in beeld gebracht wordt levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 61 Kapitaallasten wegbeheer

Hierin is duidelijk te zien dat kapitaallasten t.b.v. wegbeheer de komende jaren naar verwachting fors toenemen. In 2025 zijn circa € 2 miljoen aan kapitaallasten begroot terwijl deze in 2028 zijn begroot op circa € 4,4 miljoen. De toename van 2025 naar 2026 betreft voornamelijk de kapitaallasten van de (vervangings)investeringen (circa € 6,9 miljoen) die bij de vaststelling van de begroting 2025-2028 voor het jaar 2025 beschikbaar zijn gesteld. De kapitaallasten nemen in 2027 en 2028 naar verwachting verder toe als gevolg van diverse andere omvangrijke investeringen die de komende jaren gepland staan. Dit betreft bijv. de aanleg van het fietspad Zevenbergen-Moerdijk (raadsvergadering d.d. 13-783

2023), de aanleg van de Randweg Klundert (raadsvergadering d.d. 3 november 2022) en de verlengde Zuidrand (raadsvergadering d.d. 28 september 2023). Algehele beeld wegbeheer Al met al zijn er met het wegbeheer jaarlijks veel middelen gemoeid. Vanuit het oogpunt van het vergroten van de structurele begrotingsruimte is (net als bij diverse andere onderdelen binnen de openbare ruimte) het bijstellen van de kwaliteitsniveaus een van de knoppen waar een gemeente aan zou kunnen draaien. Hoewel gemeenten beleidsvrijheid hebben om de kwaliteitsniveaus bij te stellen geldt dat er voor wegbeheer juist een forse opgave ligt. Naast de reguliere onderhouds- en vervangingstaken ligt er een opgave om de achterstanden (verder) in te lopen. Zoals in deze paragraaf is toegelicht geldt tegelijkertijd dat krapte op de arbeidsmarkt en landelijke ontwikkelingen (zoals de energietransitie) uitdagingen met zich meebrengen om al het werk uit te kunnen (laten) voeren. Vanuit dat oogpunt is het extra van belang om hier in de begroting zo goed mogelijk rekening mee te houden waarbij een zo realistisch mogelijke raming opgesteld wordt van het geplande onderhoud en vervangingsinvesteringen. Niet vanuit het doel om onderhoud of vervangingsinvesteringen uit te stellen, maar om op basis van de gegeven situatie een zo realistisch mogelijke inschatting te doen van het werk wat in een jaar weggezet kan worden.

Dit zodat voorkomen wordt dat middelen in een bepaald jaar een beslag leggen op de structurele begrotingsruimte terwijl die middelen na afloop van een jaar niet volledig blijken te zijn besteed. In paragraaf 10.3 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op het belang van het realistisch ramen van de kapitaallasten. 6.2.3

Primaire kosten (vnl. personeelslasten)

Circa € 1,9 miljoen van de lasten t.b.v. het taakveld verkeer en vervoer heeft betrekking op de zogenaamde ‘primaire kosten’. Dit betreft nagenoeg volledig de personeelslasten die op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend worden aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van het team Openbare Ruimte. In paragraaf 10.2 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op de totale personeelslasten.

84

6.2.4

Overige

Tot slot zijn er in totaal circa € 4,7 miljoen aan lasten begroot voor diverse overige taken die binnen het (sub)taakveld ‘verkeer en vervoer’ vallen. Wanneer de baten en lasten van deze taken worden gespecificeerd levert dit onderstaand beeld op:

Figuur 62 Overige baten en lasten binnen (sub)taakveld verkeer en vervoer

Onkruidbeheersing en straatreiniging Voor onkruidbeheersing geldt dat dit een nadrukkelijke relatie heeft met het beheer van het openbaar groen. Omdat de lasten t.b.v. openbaar groen onder het taakveld ‘sport, cultuur en recreatie’ vallen, wordt hier in paragraaf 7.2.2 nader op ingegaan. De onkruidbeheersing (circa € 0,9 miljoen lasten) en straatreiniging (circa € 0,7 miljoen lasten) maken onderdeel uit van de aanbesteding van het groenbeheer (het zogenaamde groenplusbestek). De reden waarom dit in het groenplusbestek zit is dat het beide om verzorgende beheermaatregelen gaat. Het uitgangspunt van het groenplusbestek is geweest om zoveel mogelijk van het verzorgende onderhoud in een onderhoudsbestek onder te brengen. Daarnaast hebben onkruidbeheersing en straatreiniging invloed op elkaar qua afstemming (eerst borstelen en daarna vegen). Openbare verlichting Voor de openbare verlichting geldt dat de jaarlijkse lasten (circa € 0,7 miljoen) bestaan uit circa € 0,4 miljoen energielasten, circa € 0,2 miljoen kapitaallasten die voortkomen uit benodigde (vervangings)investeringen en circa € 0,1 miljoen onderhoudslasten. Aan deze lasten ligt het beheerplan vervanging masten en armaturen (raadsvergadering d.d. 11 mei 2023) ten grondslag, waarbij rekening gehouden wordt met de technische eisen, veiligheidseisen en levensduren van de masten en armaturen.

Voor de energielasten geldt dat in de begroting reeds rekening gehouden wordt met een verwachte daling als gevolg van de keuze voor energiezuinigere verplichtingsbronnen.

85

Bermen De lasten t.b.v. de bermen (circa € 0,6 miljoen) hebben betrekking op de verplichting die we als gemeente hebben om de bermen langs de gemeentelijke wegen periodiek te maaien. Voor de aanbesteding van deze taken zijn we aangesloten bij een samenwerkingsverband tussen 14 gemeenten en Waterschap Brabantse Delta. De afgelopen jaren zijn deze werkzaamheden fors duurder geworden door op ecologisch verantwoorde manier de bermen te maaien. Dit is tegenwoordig ook een verplichting waarbij met name de lasten voor de afvoer van het maaisel de afgelopen jaren fors zijn gestegen. In februari 2025 is een nieuw aanbestedingsvoorstel ontvangen, op basis waarvan de budgetten voor de komende twee jaar toereikend zijn. Waterbouwkundige objecten De lasten t.b.v. waterbouwkundige objecten (circa € 0,5 miljoen) hebben betrekking op de inspectie en het beheer en onderhoud van o.a. diepwanden, damwanden, steigers en aanmeervoorzieningen. De lasten bestaan voor circa € 0,2 miljoen uit kapitaallasten die voortkomen uit benodigde (vervangings)investeringen. Verder wordt jaarlijks circa € 0,2 miljoen in de voorziening gestort zodat (toekomstige) lasten t.b.v. groot onderhoud daaruit gedekt kunnen worden. Tot slot zijn circa € 0,1 miljoen lasten begroot t.b.v. regulier (klein) onderhoud.

Deze lasten zijn gebaseerd op het beheerplan waterbouwkundige objecten 2024-2028 (raadsvergadering 14 december 2023). Verkeersmaatregelen De lasten t.b.v. verkeersmaatregelen (circa € 0,5 miljoen) bestaan voor circa € 0,2 miljoen uit kapitaallasten die voortkomen uit benodigde (vervangings)investeringen. Daarnaast is jaarlijks circa € 0,1 miljoen begroot t.b.v. het realiseren van kleine verkeersmaatregelen en circa € 0,1 miljoen t.b.v. de aanschaf en het onderhoud van o.a. verkeersborden. Tot slot is in 2025 circa € 0,1 miljoen begroot voor het uitvoeren van diverse onderzoeken op het gebied van verkeer en mobiliteit. Op basis van het bestuursakkoord zijn in de stelpost nieuw beleid middelen gereserveerd t.b.v. mobiliteit en verkeersveiligheid. In de stelpost nieuw beleid is vanaf 2025 een jaarlijks bedrag van € 0,5 miljoen gereserveerd. Dit in afwachting van een raadsvoorstel om de betreffende budgetten daadwerkelijk beschikbaar te stellen. Bij de vaststelling van de begroting 2025-2028 is door de gemeenteraad vanuit de stelpost nieuw beleid € 60.000 onderzoeksbudget voor 2025 beschikbaar gesteld t.b.v. het opstellen van het mobiliteitsprogramma. Met deze middelen kan het mobiliteitsplan verder uitgewerkt worden. T.b.v. dit onderwerp resteert daarmee voor 2025 € 0,44 miljoen en vanaf 2026 structureel € 0,5 miljoen in de stelpost nieuw beleid. In de raadsinformatiebrief (d.d.

11 februari 2025) is de gemeenteraad geïnformeerd over de voortgang van het mobiliteitsprogramma. Bruggen Tot slot bestaan de lasten t.b.v. bruggen (circa € 0,4 miljoen) voor circa € 0,2 miljoen uit kapitaallasten die voortkomen uit benodigde (vervangings)investeringen en circa € 0,2 miljoen jaarlijkse lasten t.b.v. inspectiewerkzaamheden en het benodigde onderhoud. Aan deze lasten ligt het beheerplan civiele kunstwerken 2020-2024 ten grondslag (raadsvergadering d.d. 2 juli 2020).

86

6.2.5

Programma Fysieke leefomgeving

De kapitaalgoederen in de openbare ruimte spelen een belangrijke rol bij de huidige maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen. Veel opgaven (van klimaatadaptatie tot biodiversiteit, van een gezonde leefomgeving tot een veilige omgeving en van verduurzaming tot participatie) moeten gerealiseerd worden in de bestaande openbare ruimte. De beheerder heeft hiermee een unieke positie bij tal van opgaven en transities. Dit vraagt om een omslag, van focus op technische- en functionele instandhouding, naar sturen op effecten en maatschappelijke opgaven. Ook vraagt dit om een ontwikkeling van sectoraal naar integraal beheer. In een raadsinformatiebijeenkomst (d.d. 23 januari 2025) is de gemeenteraad geïnformeerd over het programma Fysieke leefomgeving. Het doel van het programma Fysieke leefomgeving is de bestaande, losse beheerplannen te positioneren in één document. De basis op orde, in de huidige situatie. Hierna wordt de koppeling gemaakt met de maatschappelijke opgaven. De overgang van sectoraal naar integraal beheer gaat niet op een dag. Als gemeente hebben we te maken met een overgang waarbij we tegen vraagstukken en dilemma’s lopen. En er komen grote maatschappelijke opgaven op ons af, waar we geen invloed op hebben en zeker niet leidend zijn. Denk hierbij aan de energietransitie, woningnood en een krappe arbeidsmarkt.

De verwachting is dat het programma medio 2025 ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt aangeboden.

87

7 Sport, cultuur en recreatie In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het taakveld sport, cultuur en recreatie. De landelijke toelichting van dit taakveld luidt als volgt: ‘Op dit taakveld worden uitgaven geboekt die te maken hebben met een breed scala aan voorzieningen. Variërend van sportzalen, tot musea en van openbaar groen tot de lokale media. Een breed taakveld dus, maar wel met allemaal leuke, belangrijke zaken die het leven in de Nederlandse gemeenten aangenamer maakt.’ Wanneer de lasten t.b.v. dit taakveld worden afgezet tegen de totale lasten levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 63 Aandeel taakveld sport, cultuur en recreatie in totale lasten

7.1 Hoe zijn de totale lasten binnen dit taakveld opgebouwd? De lasten binnen dit taakveld zijn als volgt opgebouwd:

Figuur 64 Opbouw totale lasten taakveld sport, cultuur en recreatie

88

Binnen dit taakveld vallen diverse onderwerpen waarbij de totale lasten zijn begroot op circa € 12,7 miljoen. Het openbaar groen en recreatie (circa € 5,6 miljoen) en sportaccommodaties (circa € 3,4 miljoen) zijn veruit de grootste begrotingsposten. Binnen het openbaar groen en recreatie gaan veruit de meeste lasten gemoeid met de aanleg en het onderhoud van het openbaar groen. Binnen de sportaccommodaties gaat het om lasten i.v.m. de aanleg en het onderhoud van de diverse buitensportaccommodaties, gymaccommodaties en zwembaden. Daarnaast vallen binnen dit taakveld diverse onderwerpen waar (relatief) minder lasten mee gemoeid gaan. Dit betreft taken op het gebied van cultureel, sportbeleid en activering, media (o.a. de bibliotheek), cultuur en musea. Er gelden relatief weinig wettelijke voorschriften m.b.t. de onderwerpen binnen dit taakveld. Gemeenten hebben hierbij dan ook relatief veel beleidsvrijheid. Zo heeft de gemeenteraad m.b.t. het openbaar groen beleidsvrijheid in het bepalen van de na te streven kwaliteitsniveaus. Daarnaast kan de gemeente zelf bepalen hoeveel subsidies worden verstrekt op het gebied van sport en cultuur. Wel hebben gemeenten een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het bevorderen van sport en beweging. Los van de mate van beleidsvrijheid speelt de maatschappelijke norm hierbij ook een rol.

Bewoners verwachten namelijk een bepaalde mate van voorzieningen, waarbij grote verschillen ten opzichte van buurgemeenten mogelijk niet acceptabel worden geacht. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de (qua financiële omvang) grootste taakgebieden binnen dit taakveld. Achtereenvolgens wordt nader ingegaan op de (sub)taakvelden ‘openbaar groen en (openlucht)recreatie’ en ‘sportaccommodaties’.

89

7.2 Openbaar groen en (openlucht) recreatie Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Tot dit taakveld behoren openbaar groen, natuur en recreatie: -

7.2.1

natuur- en landschapsbescherming, onderhoud bos en overige natuurgebieden, natuurwachten; aanleg, onderhoud openbaar groen, parken, graslanden zonder bestemming inclusief het plaatsen en onderhouden van kunstwerken in de openbare ruimte, gemeentetuin; aanleg en onderhoud van niet doorgaande openbare waterwegen: vijvers, sloten en overig water, waaronder onderhouden taluds en betuining; aanleg en onderhoud van speelvoorzieningen (zoals speeltuinen, speelplaatsen, speelwerktuigen) en recreatievoorzieningen (zoals hertenkampen, kinderboerderijen, vliegvelden uitsluitend voor sportvliegen, visvijvers, kampeerterreinen, watertappunten, dierentuinen, plantentuinen, volkstuinen, recreatiestranden, toeristische fiets- en wandelpaden, vrijetijdsbesteding in de openlucht); leges kampeervergunning; leges jagen op gemeentegrond; boomplantdagen en volkstuinderverenigingen. Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld openbaar groen en (openlucht) recreatie zijn in de begroting 2025 circa € 5,6 miljoen lasten en circa € 0,01 miljoen aan baten begroot. Wanneer deze baten en lasten nader worden gespecificeerd levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 65 Baten en lasten (sub)taakveld openbaar groen en (openlucht)recreatie

7.2.2

Groenbeheer

Verreweg de meeste lasten (circa € 3,1 miljoen) hebben betrekking op het groenbeheer. Hierbij gaat het om het onderhoud van bomen, plantsoenen, heggen, grasvelden in straten, woonwijken, parken en speelplaatsen. Deze lasten hebben voornamelijk betrekking op de jaarlijkse (onderhoud)lasten. De gemeente Moerdijk heeft een contract met Krinkels die verantwoordelijk is voor het onderhoud van het openbaar groen. Ook de taken op het gebied van onkruidbeheersing en straatreiniging (zie paragraaf 6.2.4) vallen hieronder. Voor de begraafplaatsen is er een onderhoudscontract, wat nu is aangenomen door de WVS. Verder is de raamovereenkomst bomen door Krinkels aangenomen en hebben we een begrazingsbestek lopen welke is aangenomen door Van Driel. Tot slot zijn in 2025 circa € 0,3 miljoen 90

aan kapitaallasten begroot die voortkomen uit gedane (vervangings)investeringen en zijn er diverse kleinere budgetten begroot t.b.v. inspectie en de bestrijding van ziekten en plagen. Voor het beheer van de openbare ruimte geldt als uitgangspunt het ‘Beleidskader beeldkwaliteit Gemeente Moerdijk’ (raadsvergadering d.d. 14 september 2017). Binnen dat kader zijn in 2017 het groenstructuurplan, het boombeheerplan en het groenbeheerplan vastgesteld. Verder is in 2023 gestart met de vergroeningsplannen voortkomend uit onze Klimaatstrategie (raadsvergadering d.d. 15 juli 2021). Deels wordt de uitvoering hiervan gevonden binnen de vervangingsbudgetten (slechte bomen vervangen voor nieuwe, andere soorten e.d.). Voor extra groen is geen budget beschikbaar. Bij de vaststelling van de klimaatstrategie is namelijk geen aanvullend budget beschikbaar gesteld. In december 2024 is de gemeenteraad via een raadsinformatiebrief (d.d. 17 december 2024) geïnformeerd over het feit dat begin 2024 is gestart met de herziening van het beheerplan en dat deze in vergevorderd stadium is. Tegelijkertijd spelen er diverse ontwikkelingen (zoals de omgevingsvisie en de klimaatstrategie) die een grote impact hebben op het groenbeheer. Zoals in de informatiebrief is toegelicht worden stappen gezet naar een integrale aanpak van onze openbare ruimte, het programma Fysieke leefomgeving (zie ook paragraaf 6.2.5).

Vanwege de komst van het programma Fysieke leefomgeving en daarmee de grote overlap en het korte tijdspad dat tussen de vaststelling van beide plannen zou hebben gelegen, is besloten om de herziening van het groenbeheerplan niet te laten vaststellen eind 2024 maar te wachten op de vaststelling van het programma in het tweede kwartaal van 2025 en daaropvolgend het nieuwe groenbeheerplan te laten vaststellen (verwachting derde kwartaal 2025). In de raadsinformatiebijeenkomst (d.d. 23 januari 2025) is de stand van zaken m.b.t. het openbaar groen toegelicht. Geconstateerd is dat er een achteruitgang in het bestaande openbaar groen is te zien, waarbij wordt gemerkt dat de beschikbare financiële middelen t.b.v. het vervangingsbeheer (die gebaseerd zijn op het in 2017 vastgestelde beheerplan) niet (meer) toereikend zijn. Hierbij spelen ambities op het gebied van de klimaatstrategie ook een rol waarbij meer groen het uitgangspunt is. Tot slot is er een samenhang met de ontwikkelingen binnen het wegbeheer (zie paragraaf 6.2.2), waarbij het de intentie is om zoveel mogelijk gebruik te maken van koppelkansen door bijv. gelijktijdig met de aanpak van een weg ook het openbaar groen aan te pakken.

Deze ontwikkelingen maken het dat de toereikendheid van de beschikbare middelen (om voor het bestaande groen het door de gemeenteraad vastgestelde kwaliteitsniveau te handhaven) onder druk komt te staan. Desondanks wordt het openbaar groen op dit moment conform het vastgestelde kwaliteitsniveau beheerd. Op momenten dat de groeipiek in het voorjaar erg hoog is, brengt dit qua capaciteit bij de aannemer uitdagingen met zich mee. Daarbij speelt ook het verbod op chemische bestrijding een rol. In het op te stellen programma Fysieke leefomgeving en het daaropvolgende nieuwe beheerplan worden deze aspecten en ontwikkelingen meegenomen en wordt een financiële doorvertaling gemaakt voor de toekomstige jaren. 7.2.3

Primaire kosten (vnl. personeelslasten)

Circa € 1,4 miljoen van de lasten heeft betrekking op de zogenaamde ‘primaire kosten’. Dit betreft nagenoeg volledig de personeelslasten die op basis van de verwachte urenbesteding toegerekend worden aan de diverse (sub) taakvelden van de gemeente. In dit geval betreft dit voornamelijk de personele inzet van het team Openbare Ruimte. In paragraaf 10.2 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op de totale personeelslasten. 7.2.4

Watertaken

Circa € 0,7 miljoen van de lasten heeft betrekking het onderhoud van watergangen (waaronder het schoonhouden van sloten en het onderhouden van taluds). Wanneer het Waterschap baggerwerkzaamheden uitvoert in oppervlaktewateren binnen de gemeentegrenzen, heeft de 91

gemeente de plicht om de verwijderde bagger in ontvangst te nemen. Of gemeenten dienen zelf hiervoor zorg te dragen indien zij eigenaar zijn van de watergang en hiervan het beheer niet is overgedragen. Vanaf 2026 is hier een jaarlijks bedrag van circa € 0,4 miljoen voor begroot. In 2025 bedraagt het budget circa € 0,5 miljoen in verband met een geconstateerde grotere hoeveelheid baggerspecie in de betreffende watergang. Zoals in de begroting 2025-2028 is toegelicht is er voor 2025 en de komende jaren een nieuw baggerbeheerplan nodig. In het verleden zijn keuzes gemaakt op basis van toen valide uitgangspunten. Echter nieuwe inzichten en veranderingen in wetgeving zorgen nu voor de noodzaak om het baggerbeheerplan te actualiseren. Dit maakt onderdeel uit van het programma Fysieke leefomgeving (zie ook paragraaf 6.2.5). 7.2.5

Overige

Tot slot zijn circa € 0,2 miljoen lasten begroot t.b.v. de aanleg en het onderhoud van speel- en recreatievoorzieningen en zijn er diverse kleinere budgetten begroot van in totaal circa € 0,2 miljoen.

92

7.3 Sportaccommodaties Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Tot dit taakveld behoren alle accommodaties voor sportbeoefening: -

sporthallen, zwembaden, schaatshallen etc.; (groene en kunst-)velden, terreinen en opstallen, inclusief faciliteiten en technische voorzieningen; trapveldjes in de wijk.

Gemeenten hebben een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het bevorderen van sport en beweging. Zo zijn gemeenten verplicht om scholen te voorzien van voldoende gymfaciliteiten voor lichamelijke oefening. Hoewel er m.b.t. het vrijetijdsgebruik van sportfaciliteiten relatief weinig wettelijke verplichtingen zijn, draagt de aanleg en onderhoud van voldoende sportfaciliteiten bij aan maatschappelijke doelen op het gebied van gezondheid, participatie en sociale samenhang. 7.3.1

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld sportaccommodaties zijn in de begroting 2025 circa € 3,4 miljoen lasten en circa € 0,2 miljoen baten begroot. Wanneer deze baten en lasten nader worden gespecificeerd levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 66 Baten en lasten (sub)taakveld sportaccommodaties

7.3.2

Buitensportaccommodaties

Circa € 1,6 van de lasten heeft betrekking op de buitensportaccommodaties (voornamelijk voetbal- en tennisverenigingen). Circa € 0,6 miljoen hiervan heeft betrekking op het jaarlijkse onderhoud aan de sportvelden. Sinds het voorjaar van 2022 verzorgt Van Wijlen het onderhoud van alle elf sportcomplexen in de gemeente Moerdijk. Daarvoor is een rentmeester aangesteld. De rentmeester verzorgt de communicatie tussen de gemeente, aannemer en verengingen. Hij controleert het gewenste kwaliteitsniveau en bepaalt in overleg met de uitvoerder welke werkzaamheden nodig zijn. Zowel het contract met de aannemer als de rentmeester loopt in 2025 door. Twee keer per jaar worden de werkzaamheden van de aannemer door een onafhankelijk adviesbureau beoordeeld. Aan de hand van deze kwaliteitsopname dient de aannemer, indien noodzakelijk, een herstelplan op te stellen zodat de kwaliteit van de velden optimaal is. De kleine onderhoudswerkzaamheden dienen door de clubs zelf te worden uitgevoerd en hiervoor krijgen de verenigingen een vergoeding. We hebben ervaren dat op nog niet gerenoveerde velden de onkruidgroei sterk is toegenomen. Bij renovaties passen we de ondergrond zo aan dat onkruidgroei door de opbouw van het veld sterk wordt verminderd. Bij nieuwe gerenoveerde en nieuwe velden speelt dit probleem minder. In de begroting 2025-2028 zijn extra 93

middelen beschikbaar gesteld om onkruid intensiever te beheersen op de bestaande velden en daarmee de technische levensduur van de betreffende velden in stand te houden. Wanneer een aanpassing leidt tot een significante kwaliteitsverbetering, is er geen sprake van onderhoud, maar van een investering (bijv. een renovatie). Deze (vervangings)investeringen moeten geactiveerd worden, waarna deze afgeschreven worden op basis van de verwachte levensduur. Op basis van de in het verleden gedane (vervangings)investeringen zijn in 2025 circa € 0,9 miljoen kapitaallasten begroot. De kapitaallasten lopen de komende jaren op naar circa € 1,2 miljoen. Dit als gevolg van de (vervangings)investeringen die in de begroting 2025-2028 voor 2025 beschikbaar zijn gesteld (raadsvergadering d.d. 7 november 2024) en de beschikbaar gestelde investeringskredieten t.b.v. Seolto (raadsvergadering d.d. 1 februari 2024) en de Kogelvangers (raadsvergadering d.d. 12 september 2024). Verder zijn er circa € 0,1 miljoen lasten begroot voor zaken die buiten het rentmeesterschap vallen (bijv. bomen verwijderen, het onderhoud van beregeningsinstallaties en materiaal bij schades). Tot slot wordt van diverse sportverenigingen een bijdrage ontvangen voor het gebruik van de sportvelden. Hier zijn in 2025 in totaal circa € 0,1 miljoen baten voor begroot.

Bij de vaststelling van de begroting 2025-2028 (raadsvergadering d.d. 7 november 2024) zijn voor 2025 en 2026 € 0,2 miljoen middelen beschikbaar gesteld t.b.v. extra capaciteit op het gebied van buitensport. Met deze middelen kan de afhandeling van vragen van verenigingen beter belegd worden. In eerste instantie is voor twee jaar werkbudget gevraagd om te ervaren wat de meest wenselijke structurele invulling is. Hierbij is er een samenhang met het beleidskader ‘Toekomstig bestendige buitensportaccommodaties’. In de informatiebijeenkomst d.d. 26 september 2023 is de gemeenteraad geïnformeerd over dit beleidskader welke in het 2e kwartaal van 2025 wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. Gelijktijdig wordt het meerjarenbeheerplan vastgesteld. Met de buitensportverenigingen dienen daarna nieuwe overeenkomsten te worden opgesteld waarin duidelijke afspraken gemaakt worden over onderhoud op de sportcomplexen. 7.3.3

Zwembaden

Circa € 1,2 miljoen van de lasten heeft betrekking op de vier gemeentelijk gefinancierde zwembaden in de gemeente Moerdijk. Dit betreft de zwembaden De Niervaert in Klundert, Het Buitendiep in Willemstad, De Oester in Fijnaart en De Bosselaar in Zevenbergen. Veruit de meeste lasten hebben betrekking op De Niervaert in Klundert. Voor 2025 zijn de lasten begroot op circa € 0,7 miljoen. Dit betreft grotendeels (circa € 0,5 miljoen) de bijdrage die conform de exploitatieovereenkomst aan Optisport wordt verstrekt. Daarnaast is een jaarlijkse storting in de onderhoudsvoorziening begroot van circa € 0,2 miljoen. Voor de andere zwembaden zijn jaarlijks circa € 0,2 miljoen (De Oester in Fijnaart), € 0,1 miljoen (De Bosselaar in Zevenbergen) en € 0,1 miljoen (Het buitendiep in Willemstad) lasten begroot. In december 2023 (raadsvergadering d.d. 14 december 2023) heeft de gemeenteraad een besluit genomen over de toekomst van de vier zwembaden. Hierbij is opdracht gegeven om de nieuwbouw van De Niervaert op de huidige locatie in Klundert nader uit te werken. Daarnaast is opdracht gegeven voor het uitwerken van een verduurzamings- en exploitatieplan met bijbehorende investering en de impact op de verwachtte exploitatiebijdrage voor de andere drie zwembaden. In de raadsvergadering d.d.

17 oktober 2024 heeft de gemeenteraad het startdocument Nieuwbouw De Niervaert Klundert vastgesteld waarbij een voorbereidingskrediet van € 1,28 miljoen beschikbaar is gesteld. In de raadsvergadering d.d. 13 maart 2025 heeft de gemeenteraad de uitgangspunten voor het programma van eisen vastgesteld waarbij (inclusief het aangenomen amendement) een 94

kosteninschatting van € 25,6 miljoen (exclusief btw) is afgegeven. Over de verduurzamings- en exploitatieplannen van de overige gemeentelijke zwembaden is de gemeenteraad via de raadsinformatiebrief d.d. 24 december 2024 en daaropvolgende raadsinformatiebijeenkomst d.d. 15 januari 2025 geïnformeerd. Hierbij zijn de bevindingen en aanbevelingen die uit de rapportages van onderzoeksbureau Synarchis naar voren zijn komen toegelicht. Afhankelijk van de uiteindelijke besluitvorming over de gemeentelijke zwembaden, geldt dat hier aanvullende (kapitaal)lasten uit voort zullen komen waar in de begroting op dit moment nog geen rekening mee is gehouden. In paragraaf 10.4 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op deze en diverse andere ontwikkelingen die worden voorzien en waarvan de besluitvorming naar verwachting de komende jaren gaat plaatsvinden. 7.3.4

Binnensportaccommodaties

Circa € 0,7 miljoen van de lasten heeft betrekking op de binnensportaccommodaties. Dit betreffen de onderhoudslasten, energielasten, schoonmaak, kapitaallasten en overige beheerslasten van de diverse gemeentelijke gymaccommodaties. Gemeenten hebben een wettelijke taak om scholen te voorzien van voldoende gymfaciliteiten voor lichamelijke oefening. Ter realisering van toekomstbestendige gymaccommodaties in Zevenbergen zijn de afgelopen periode diverse raadsbesluiten genomen. -

-

In maart 2023 (raadsvergadering d.d. 2 maart 2023) heeft de gemeenteraad ingestemd met de hoofdopzet voor de nieuwe sporthal op het terrein van zwembad de Bosselaar en deze te laten uitwerken tot een ontwerp bouwplan inclusief de inrichting van de openbare ruimte en vervolgens in uitvoering te nemen. Hiertoe is een investeringskrediet beschikbaar gesteld van € 13,1 miljoen. De kapitaallasten zullen naar aanleiding hiervan vanaf 2027 met circa € 0,7 miljoen toenemen. In april 2024 (raadsvergadering d.d. 18 april 2024) heeft de gemeenteraad ingestemd met het uitwerken van een gymzaal inclusief turndeel en exclusief valkuil op het terrein bij basisschool de Regenboog in Zevenbergen, met als financieel kader het geraamde investeringsbedrag van € 3,1 miljoen. Afhankelijk van de uiteindelijke beschikbaar stelling van het investeringskrediet en de realisatie zullen de kapitaallasten hierdoor op termijn met circa € 0,2 miljoen toenemen.

Voor de binnensportaccommodaties geldt verder dat er een samenhang is met het Integraal huisvestingsplan onderwijs, wat in de loop van 2025 wordt opgesteld (zie ook paragraaf 10.4).

95

7.4 Overige lasten Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? Tot slot zijn er diverse (qua financiële omvang) relatief kleinere onderdelen binnen het taakveld sport, cultuur en recreatie. Dit betreft taken op het gebied van cultureel erfgoed (conserveren en voor publiek toegankelijk maken van cultureel erfgoed), sportbeleid en activering (maatregelen ter stimulering van professionele- en amateursport), media (o.a. bibliotheken) en cultuur. 7.4.1

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Voor deze onderdelen zijn in de begroting 2025 circa € 3,7 miljoen lasten en circa € 0,3 miljoen baten begroot. Wanneer deze baten en lasten nader worden gespecificeerd levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 67 Baten en lasten overige (sub)taakvelden binnen sport, cultuur en recreatie

7.4.2

Cultureel erfgoed

Circa € 1,1 miljoen lasten hebben betrekking op de instandhouding van rijks- en gemeentelijke monumenten. Als gemeente beschikken we over een omvangrijke monumentale objectenportefeuille. Voor de eigenaar van een Rijksmonument geldt de instandhoudingsplicht overeenkomstig de Monumentenwet. Met de invoering van de Erfgoedwet, is de instandhoudingsplicht voor Rijksmonumenten aangescherpt. Het verplicht de eigenaar om het monument op zodanige wijze te onderhouden dat instandhouding wordt gewaarborgd. In december 2023 (raadsvergadering d.d. 14 december 2023) is het ‘Beheerplan gemeentelijk vastgoed 2024-2028’ vastgesteld. Daarbij is t.b.v. het onderhoud van de (Rijks)monumentale objecten een voorziening ingesteld. Jaarlijks wordt daar op basis van de onderliggende onderhoudsplannen een bedrag in gestort zodat daar het toekomstige onderhoud uit gedekt kan worden. In de begroting is een jaarlijkse storting van circa € 0,3 miljoen hiervoor begroot. Dit betreft voornamelijk de onderhoudslasten t.b.v. de instandhouding van Fort Sabina, de forten, bunkers, kruithuizen etc. Verder zijn circa € 0,3 miljoen kapitaallasten begroot. Dit betreft de afschrijvingslasten en rentelasten die voortkomen uit diverse gedane investeringen zoals de restauratie van de gevel van de kazerne en Tour Modele van fort Sabina (raadsvergadering d.d.

10 maart 2022) en de verbouwing van het Mauritshuis (raadsvergadering d.d. 6 juni 2019). Tot slot bestaan circa € 0,5 miljoen van de lasten t.b.v. het cultureel erfgoed uit diverse overige lasten (zoals energielasten, personeelslasten, schoonmaak, verzekeringslasten etc.).

96

7.4.3

Sportbeleid en activering

Circa € 1,1 miljoen lasten hebben betrekking op sportbeleid en activering. Dit betreft subsidieverstrekkingen t.b.v. het bevorderen van sport. Hiervan heeft circa € 0,8 miljoen betrekking op de zogenaamde budgetsubsidies. Deze budgetsubsidies worden gehanteerd bij professionele instellingen en vrijwilligersorganisaties. Met een budgetgesubsidieerde instelling of organisatie worden jaarlijks prestatieafspraken gemaakt. De instelling of organisatie dient jaarlijks een jaarrekening, inhoudelijk verslag en een accountantsverklaring (bij een subsidie vanaf € 50.000) te overleggen. De budgetsubsidie aan S&W Moerdijk is veruit de grootste budgetsubsidie. T.b.v. sportbeleid en activering ontvangen gemeenten via specifieke uitkeringen middelen vanuit het Rijk. De totale rijksbijdragen binnen dit (sub)taakveld zijn in 2025 begroot op circa € 0,25 miljoen. 7.4.4

Media

Circa € 1 miljoen lasten hebben betrekking op het (sub)taakveld ‘media’. Dit betreft volledig de jaarlijkse budgetsubsidie die aan de bibliotheek West-Brabant wordt verstrekt. 7.4.5

Cultuurpresentatie, productie en participatie

Tot slot hebben circa € 0,6 miljoen lasten betrekking op het (sub)taakveld ‘cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie’. Dit betreft grotendeels de evenementensubsidies (€ 0,3 miljoen) en subsidies aan diverse andere culturele instellingen (€ 0,3 miljoen).

97

8 Gemeentefonds Gemeenten zijn in grote mate afhankelijk van de inkomsten vanuit het Rijk. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de actuele ontwikkelingen binnen deze veruit grootste inkomstenbron van de gemeente.

8.1 Systematiek gemeentefonds Bijna de helft van de jaarlijkse baten van de gemeente (circa € 77 miljoen in 2025) afkomstig uit de middelen die we vanuit het Rijk ontvangen uit het gemeentefonds. Het gemeentefonds kent een algemene uitkering en decentralisatie-uitkeringen (waaronder ook integratie-uitkeringen). De belangrijkste inkomstenstroom is de algemene uitkering (circa € 73,5 miljoen in 2025). De omvang van het gemeentefonds dient mee te bewegen met verwachte volume- en prijsontwikkelingen. Dit vanuit de gedachte dat gemeenten gecompenseerd moeten worden voor een toenemend aantal inwoners, woningen, wegen etc. (volumeontwikkelingen) en prijsontwikkelingen. De jaarlijkse toe- of afname van het gemeentefonds wordt het accres genoemd. Het gemeentefonds wordt over gemeenten verdeeld aan de hand van diverse maatstaven (aantal inwoners, oppervlakte, aantal ouderen, aantal mensen in de bijstand etc.) Het verdeelmodel van het gemeentefonds heeft als doel om iedere gemeente een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, waarbij gemeenten een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiseren tegen gelijke belastingdruk. Gemeenten met relatief dure woningen kunnen met eenzelfde ozb tarief meer baten genereren dan gemeenten met relatief goedkope woningen.

Daarom ontvangen gemeenten minder geld uit het gemeentefonds als ze veel vermogen (belastingcapaciteit) hebben om belastingen te heffen. De Rijksoverheid informeert gemeenten in mei, september en december via de zogenaamde circulaires over de omvang en de verdeling van het gemeentefonds. De raming van de uitkering uit het gemeentefonds wordt in de begroting– volgens een bestendige richtlijn – gebaseerd op de meicirculaire. Hiermee voldoen we aan de begrotingsrichtlijnen van de provincie als financieel toezichthouder. Eventuele bijstellingen gedurende het jaar worden verwerkt in de bestuursrapportages en jaarrekening, waarbij de gemeenteraad indien nodig ook tussentijds wordt geïnformeerd via raadsinformatiebrieven.

98

8.2 Ravijnjaar 2026 Voor 2026 en verder heerst veel onzekerheid over de (hoogte van de) algemene uitkering uit het gemeentefonds. Het vorige kabinet besloot o.a. tot een gewijzigde (landelijke) systematiek voor de wijze waarop het gemeentefonds meebeweegt met verwachte volume- en prijsontwikkelingen. In de nieuwe systematiek wordt dit gebaseerd op de (meerjarige) ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Ook was er lang grote onzekerheid over de opschalingskorting die tot en met 2025 was geschrapt, maar voor de jaren vanaf 2026 nog was gehandhaafd. Dit besluit zou leiden tot een forse daling van het gemeentefonds vanaf 2026. Als gevolg hiervan was berekend dat gemeenten hierdoor gezamenlijk geconfronteerd werden met een korting op het budget uit het gemeentefonds van ongeveer € 3 miljard in 2026 (ook wel het ‘ravijnjaar’ genoemd), wat in de jaren daarna met circa € 0,7 miljard per jaar toenam. Dit had tot gevolg dat begrotingen van gemeenten onder druk zijn komen te staan. Voor de gemeente Moerdijk ging het om een bedrag van circa € 5,5 miljoen in 2026 dat opliep tot een bedrag van € 9,5 miljoen in 2029. Gedurende 2024 is er vanuit het Rijk enigszins duidelijkheid gekomen. -

-

In de meicirculaire 2024 is de opschalingskorting definitief geschrapt en is besloten om de nieuwe financieringssystematiek al vanaf 2024 in te voeren. In de nieuwe systematiek wordt het gemeentefonds geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product in plaats van trap-op trap-af (waarbij het gemeentefonds meegroeide met de uitgaven van het Rijk). Gemeenten worden tot en met 2029 gecompenseerd voor de effecten hiervan. Dit met uitzondering van 2025, waarin het gemeentefonds landelijk eenmalig € 675 miljoen lager is vastgesteld. Voor Moerdijk kwam dit neer op circa € 1,3 miljoen. De effecten hiervan zijn verwerkt in de begroting 2025-2028 (raadsvergadering 7 november 2024). In de septembercirculaire 2024 zijn o.a. extra middelen toegekend t.b.v. de lastenontwikkelingen binnen de Wmo. Als gevolg van vergrijzing nemen de lasten van gemeenten voor de uitvoering van de Wmo sneller toe dan de bbp ontwikkeling. Daarom is landelijk afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel van) de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Dit zodat beperkt wordt dat het risico van een grote lastenstijging volledig bij gemeenten komt te liggen. Hiervoor zijn middelen toegevoegd aan het gemeentefonds. Voor de gemeente Moerdijk ging dit om € 143.000 (2026), € 285.000 (2027) en € 428.000 (2028).

Over de effecten van de septembercirculaire 2024 is de gemeenteraad via de raadsinformatiebrieven Septembercirculaire gemeentefonds 2024 (d.d. 8-10-2024) en Correctie septembercirculaire gemeentefonds 2024 geïnformeerd. De effecten hiervan op 2025 zullen verwerkt worden in de 1e bestuursrapportage 2025 en de effecten vanaf 2026 worden meegenomen in de Kadernota 2026-2029.

99

8.3 Aanhoudende onzekerheden - Taken, middelen en ambities uit balans Ondanks het feit dat er met de mei- en septembercirculaire 2024 wat meer duidelijkheid en middelen zijn gekomen, is het landelijke financiële probleem van gemeenten nog niet opgelost. Landelijk zijn er nog steeds grote onzekerheden m.b.t. het gemeentefonds. Zoals in het begrotingsadvies van de VNG (d.d. 11 juni 2024) was verwoord: ‘We moeten vaststellen dat taken, middelen en ambities vanaf 2026 uit balans zijn gebracht door eerdere besluiten.’ ‘ Om taken en middelen vanaf 2026 weer in balans te brengen, is er nog veel werk te verzetten. In het hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet zijn stappen in het herstellen van deze balans nog niet zichtbaar. Zoals in het akkoord te lezen is, zal het nieuwe kabinet met ons in gesprek moeten treden voor verdere uitwerking van het akkoord. Tot die tijd blijft de financiële toekomst voor gemeenten ongewis.’ In het Overhedenoverleg op 19 augustus 2024 is o.a. gesproken over het proces van de totstandkoming van het regeerprogramma en hoe gemeenten en het Rijk goed samen kunnen werken bij de uitvoering hiervan. Er is uitgebreid gesproken over het belang van een goede balans tussen taken en middelen.

Hierbij heeft de VNG benadrukt dat zij ‘de ambities van het kabinet om te komen tot bestaanszekerheid, versterking voorzieningenniveau in alle gemeenten, aandacht voor de relatie tussen het zorgdomein en het sociaal domein en het versnellen van de woningbouwopgave delen, maar dat de bezuiniging op het gemeentefonds vanaf 2026 contrair is aan deze ambitie.’ Afgesproken is dat onderzocht gaat worden of de taken en middelen rond deze thema’s in balans zijn en welke stappen gezamenlijk gezet moeten worden als blijkt dat er sprake is van een disbalans. In het Overhedenoverleg op 21 november 2024 waren de dringende behoefte aan meer woningen, de beperkte beschikbare ruimte en de druk op de zorgsector de centrale thema's. Er zijn 4 hoofdthema’s geïdentificeerd voor intensieve samenwerking (wonen en bereikbaarheid, zorg, bestaanszekerheid, natuur en klimaat). De uitwerking van samenwerkingsafspraken op deze terreinen wordt de komende maanden verder vormgegeven. De afspraken van 21 november vormen een basis voor de verdere overleggen die in 2025 plaatsvinden. De uitkomst zou wat de VNG betreft moeten leiden tot een financieel pakket voor medebewindtaken (waaronder jeugdzorg en Wmo) en een gezamenlijke ‘Agenda voor Nederland’, inclusief de randvoorwaarden die daarbij horen. Inmiddels heeft de VNG een landelijke campagne gestart.

Van 10 februari tot 26 maart voerde de VNG een uitgebreide campagne via de (sociale) media om de gevolgen van de korting op het gemeentefonds (nogmaals) onder de aandacht te brengen. Dit vanuit het oogpunt dat er op weg naar de voorjaarsbesluitvorming van het kabinet een aantal belangrijke momenten staan gepland. In een ledenbrief d.d. 20 februari 2025 heeft de VNG gemeenten opgeroepen om zichzelf in te zetten voor deze campagne. In de brief is verder te lezen: ‘Op 11 maart staat het Overhedenoverleg gepland. In dit overleg spreekt voorzitter Sharon Dijksma met een brede afvaardiging vanuit het kabinet. In dit overleg benadrukken we nogmaals de grote gevolgen van de aanstaande korting op het gemeentefonds en vragen we duidelijkheid van het kabinet over het advies van de Commissie Van Ark over de jeugdzorg. Op 26 maart staat het Tweede Kamerdebat over de financiën van decentrale overheden gepland. In aanloop naar dit debat vinden gesprekken plaats met de fractievoorzitters van de Tweede Kamer. Medio april vindt naar verwachting de kabinetsbespreking over de Voorjaarsnota plaats.’ Het is belangrijk dat het Rijk in de Voorjaarsnota duidelijkheid geeft. Dit omdat eventuele maatregelen dan financieel verwerkt kunnen worden in de meicirculaire 2025. Op die circulaire baseren veel gemeenten de raming van het gemeentefonds in hun begrotingen.

In de tussentijd blijft de vraag in hoeverre er vanuit het Rijk de komende jaren daadwerkelijk extra middelen beschikbaar zullen worden gesteld aan gemeenten. Dit rekening houdend met de financiële ruimte en financiële kaders waar het Rijk zichzelf ook aan moet houden (o.a. een begrotingstekort van 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=e1e4bb43-d052-43ec-a312-018883a40115