CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Structurele begrotingsruimte

Informatiebijeenkomst 10 april 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Presentatie Rapport structurele begrotingsruimte34.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.2 Referentiegroep Ondanks de hierboven toegelichte kanttekeningen, is als referentiegroep alle Noord-Brabantse gemeenten geselecteerd die tussen 25.000 en 50.000 inwoners tellen. Dat resulteert in onderstaande referentiegroep, waaronder ook een aantal buurgemeenten van de gemeente Moerdijk (zoals gemeente Steenbergen, Halderberge, Etten-Leur en Drimmelen). Voor de vergelijking wordt gebruik gemaakt van de meest recente landelijke cijfers (in dit geval de realisatiecijfers 2023).

Gemeentenaam Bernheze Best Boxtel Deurne Dongen Drimmelen Etten Leur Geldrop Mierlo Gemert-Bakel Gilze en rijen Halderberge Heusden Moerdijk Oisterwijk Steenbergen Valkenswaard Vugth

Figuur 18 Gehanteerde referentiegroep

27

3.3 Vergelijking baten In deze paragraaf worden de baten van de gemeente Moerdijk vergeleken met de referentiegroep. 3.3.1

Globale vergelijking

De baten van gemeenten bestaan grotendeels uit middelen die vanuit het Rijk worden ontvangen. Daarnaast hebben gemeenten ook eigen baten. De eigen baten bestaan uit de lokale heffingen en diverse overige baten. Wanneer we de diverse inkomstenbronnen van de gemeente Moerdijk vergelijken met de referentiegroep levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 19 Vergelijking totale baten per categorie

In bovenstaande figuur valt een aantal zaken op: -

-

-

Allereerst geldt dat gemeenten in grote mate afhankelijk zijn van de middelen die vanuit het Rijk worden ontvangen. Circa 60% van de gemeentelijke baten bestaan uit de bijdragen vanuit het Rijk. Het bedrag per inwoner ligt daarbij in lijn met de referentiegroep. Wel is de afhankelijkheid van het Rijk bij de gemeente Moerdijk iets lager ten opzichte van de referentiegroep. Dit komt doordat de we als gemeente in 2023 circa 14% meer baten per inwoner (€ 4.063) hadden dan de referentiegroep (€ 3.560). Omgerekend komt dat neer op circa € 19 miljoen hogere jaarlijkse baten. De hogere baten komen voornamelijk voort uit hogere baten uit de lokale heffingen. Dit zijn de lokale heffingen die geïnd worden bij inwoners en bedrijven ter bekostiging van gemeentelijke voorzieningen en diensten. Binnen de gemeente Moerdijk is circa 24% van de baten afkomstig uit de lokale heffingen, terwijl dit bij de referentiegroep circa 16% bedraagt.

28

3.3.2

Nadere duiding - Lokale heffingen

In onderstaande figuur wordt extra duidelijk dat de baten uit de lokale heffingen voor de gemeente Moerdijk substantieel hoger liggen dan de referentiegemeenten.

Figuur 20 Vergelijking lokale heffingen

Verreweg de meeste baten uit de lokale heffingen komen voort uit de onroerende zaakbelasting (ozb), rioolheffing en afvalstoffenheffing. Voor de ozb geldt dat de gemeente deze baten vrij mag besteden. Voor de heffingen (zoals rioolheffing en afvalstoffenheffing) geldt dat de totale baten van deze heffingen niet meer mag zijn dan de totale lasten die de gemeente ermee betaalt (maximaal 100% kostendekkend). Deze baten mogen dan ook niet aan andere onderwerpen besteed worden. Wanneer we de opbouw van de baten uit de lokale heffingen nader bekijken, levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 21 Nadere vergelijking lokale heffingen

29

In bovenstaande figuur vallen een aantal zaken op die hieronder nader geduid worden. Hogere baten onroerendezaakbelasting (ozb) De ozb vormt veruit de grootste inkomstenbron binnen de lokale heffingen. Wie op 1 januari van een jaar een bedrijfspand (niet-woning) in eigendom heeft of gebruikt, moet ozb betalen. Bij woningen betreft dit alleen de eigenaar. In onderstaande figuur is weergegeven hoe de baten per inwoner (€ 559) binnen de gemeente Moerdijk zijn opgebouwd. De totale ozb baten bedroegen in 2023 circa € 21 miljoen. Hiervan had circa € 17 miljoen betrekking op ‘niet woningen’ en circa € 4 miljoen op ‘woningen’.

Figuur 22 Specificatie ozb baten gemeente Moerdijk 2023

De relatief hoge ozb baten vanuit de niet-woningen is een logisch gevolg van de specifieke kenmerken van de gemeente Moerdijk. Door de aanwezigheid van de 4e grootste zeehaven van Nederland en het grote industrieterrein zijn er (vooral in verhouding tot het aantal inwoners) relatief veel niet-woningen binnen de gemeente Moerdijk. Ter indicatie: in de jaarstukken 2023 van de gemeente Roosendaal (circa 77.000 inwoners) is te lezen dat de baten uit de ozb niet-woningen in 2023 circa € 5,9 miljoen bedroeg. Dit ten opzichte van circa € 17 miljoen in de gemeente Moerdijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat gemeenten minder geld uit het gemeentefonds krijgen als ze veel vermogen (belastingcapaciteit) hebben om belastingen te heffen. Dit vanuit de gedachte dat iedere gemeente in staat moet zijn om een vergelijkbaar voorzieningenniveau te kunnen realiseren. Concreet wordt de belastingcapaciteit voor de woningen vastgesteld op 80% van de totale WOZwaarden. Voor de niet-woningen wordt de belastingcapaciteit vastgesteld op 70% van de totale WOZwaarden, waarbij deze wordt afgetopt op € 35.000 per inwoner. De verlaging die hiervoor door het Rijk is toegepast op de algemene uitkering uit het gemeentefonds bedroeg in 2023 voor de gemeente Moerdijk circa € 3,8 miljoen voor woningen en € 4,5 miljoen voor niet-woningen.

De correctie voor de niet-woningen is voor de gemeente Moerdijk dus relatief beperkt. Dit komt doordat de belastingcapaciteit voor de niet-woningen wordt afgetopt op € 35.000 per inwoner. Indien de totale WOZ-waarde daar (zoals bij de gemeente Moerdijk) boven ligt, wordt over het meerdere dus geen correctie toegepast. Uiteraard loopt de gemeente Moerdijk met de omvang en het soort bedrijven wat op het Havengebied gevestigd is ook een groter risico. Zoals in paragraaf 3.4 zal blijken heeft de gemeente Moerdijk ten opzichte van referentiegemeenten dan ook hogere lasten op het gebied van o.a. veiligheid.

30

Hogere baten rioolheffing en afvalstoffenheffing Verder valt in figuur 21 op dat de baten per inwoner uit de rioolheffing en afvalstoffenheffing binnen de gemeente Moerdijk hoger liggen dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Hierbij is sprake van een wettelijke verplichting , waarbij het uitgangspunt is dat de lasten die hiermee gemoeid gaan gedekt worden uit de baten die hiervoor via de heffingen in rekening worden gebracht (100% kostendekkendheid). Hierbij is er dus een nadrukkelijke relatie met de gemeentelijke uitgaven die hiervoor worden gedaan. Voor dit onderdeel worden daarom (in paragraaf 3.4.2) de verschillen in zowel de baten als lasten in samenhang bekeken. Hoe verhouden onze gemeentelijke woonlasten zich tot de landelijke gemiddelden? Zoals hierboven is toegelicht heeft de gemeente Moerdijk ten opzichte van de referentiegroep in 2023 hogere baten per inwoner vanuit lokale heffingen. Een aanzienlijk deel van de baten is te herleiden naar de aanwezigheid van het grote haven- en industrieterrein. De hogere baten per inwoner betekenen dan ook niet dat de gemeentelijke woonlasten voor een huishouden in de gemeente Moerdijk daarmee hoger zijn dan in de referentiegemeenten. In onderstaande figuur zijn voor 2023 de gemiddelde woonlasten in beeld gebracht van een meerpersoonshuishouden met een eigen woning.

Deze situatie is een veelgebruikt uitgangspunt in landelijke benchmarks om gemeentelijke woonlasten met elkaar te kunnen vergelijken.

Figuur 23 Vergelijking gemiddelde woonlasten

De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden met een eigen woning bedroegen in de gemeente Moerdijk in 2023 circa € 909. Daarmee lagen de gemiddelde woonlasten iets onder het landelijke gemiddelde (€ 945) en iets boven het gemiddelde van Noord-Brabant (€ 877). Wel valt op dat de gemiddelde ozb aanslag in de gemeente Moerdijk (€ 281) fors lager ligt dan het landelijk gemiddelde (€ 403). Daar staat tegenover dat de gemiddelde rioolheffing in de gemeente Moerdijk (€ 289) juist hoger ligt dan het landelijk gemiddelde (€ 213). Ook de gemiddelde afvalstoffenheffing (€ 339) ligt iets boven het landelijk gemiddelde (€ 329). Voor meer informatie en (landelijke) vergelijkingen wordt ook verwezen naar de Atlas lokale lasten die jaarlijks door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere overheden (COELO) wordt opgesteld. In hoofdstuk 9 zal ook nog nader ingegaan worden op de lokale heffingen.

31

3.4 Vergelijking lasten In deze paragraaf worden de lasten van de gemeente Moerdijk vergeleken met de referentiegroep. 3.4.1

Globale vergelijking

De lasten van gemeenten kunnen onderverdeeld worden in de diverse (wettelijk voorgeschreven) taakvelden (beleidsvelden). Wanneer we voor de diverse taakvelden de lasten van de gemeente Moerdijk vergelijken met de referentiegroep levert dat over 2023 onderstaand beeld op:

Figuur 24 Vergelijking totale lasten per taakveld

In bovenstaande figuur vallen een aantal zaken op: -

-

-

De totale lasten bedroegen in 2023 in de gemeente Moerdijk circa € 4.063 per inwoner. Dit is circa 14% hoger dan het gemiddelde van de referentiegroep (€ 3.561). Omgerekend gaat het daarbij in totaal om circa € 19 miljoen hogere lasten. Zoals in paragraaf 3.3 is geschetst staat daar tegenover dat ook de totale baten van de gemeente Moerdijk circa € 19 miljoen hoger liggen dan in de referentiegemeenten. Verreweg de meeste lasten gaan gemoeid met de taakvelden ‘sociaal domein’ en ‘bestuur en ondersteuning’. Dit beeld zien we ook terug bij de referentiegemeenten, waarbij de lasten voor deze taakvelden circa 60% van de totale lasten van de gemeente Moerdijk uitmaken. Binnen enkele taakvelden zijn er substantiële verschillen (>25%). Bij de taakvelden ‘volksgezondheid en milieu’, ‘verkeer, vervoer en waterstaat’ en ‘veiligheid’ waren de lasten in 2023 substantieel hoger dan bij de referentiegemeenten terwijl de lasten binnen het taakveld ‘volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing’ juist substantieel lager waren. Op deze verschillen wordt op de volgende pagina’s nader ingegaan. 32

3.4.2

Nadere duiding – hogere lasten volksgezondheid en milieu

Zoals in paragraaf 3.4.1 al was te zien waren binnen het taakveld ‘volksgezondheid en milieu’ de lasten per inwoner als volgt:

Figuur 25 Vergelijking taakveld volksgezondheid en milieu

De lasten binnen dit taakveld lagen in 2023 binnen de gemeente Moerdijk circa 58% hoger dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Wanneer we nader ingaan op de opbouw van de lasten binnen dit taakveld, levert dat voor de gemeente Moerdijk onderstaand beeld op:

Figuur 26 Specificatie taakveld volksgezondheid en milieu

Een groot deel van de lasten binnen dit taakveld hebben betrekking op de taken die we als gemeente hebben op het gebied van riolering en afval. Hierbij is sprake van een wettelijke verplichting, waarbij het uitgangspunt is dat deze lasten gedekt worden uit baten die hiervoor via de heffingen in rekening worden gebracht (100% kostendekkendheid). Tegenover deze lasten staan dus corresponderende baten. Riolering Zoals we (in paragraaf 3.3.2) ook al bij de ozb baten zagen, is de invloed van de grote zeehaven en het industrieterrein ook bij de baten en lasten van de riolering duidelijk zichtbaar. Van de totale lasten t.b.v. de riolering had in 2023 circa €1,7 miljoen (€ 44 per inwoner) betrekking op het Havenbedrijf. De riolering op het haven- en industrieterrein Moerdijk is binnen de financiering van de gemeentelijke rioleringszorg een op zichzelf staand onderdeel met eigen baten en lasten. De aanwezige riolering is in eigendom van het Havenbedrijf Moerdijk en voor de bekostiging van het beheer en onderhoud ontvangt het Havenbedrijf jaarlijks een deel van de baten uit de gemeentelijke rioolheffing.

Hiervoor wordt sinds de verzelfstandiging van het Havenbedrijf in 2017 in de gemeentelijke verordening voor de heffing en invordering van rioolheffing onderscheid gemaakt tussen de percelen die binnen het beheersgebied van het Havenbedrijf liggen en de percelen die zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. De hogere lasten ten opzichte van de referentiegroep worden dus deels verklaard door de aanwezigheid van het grote haven- en industrieterrein. Tegenover deze lasten staan (vanuit het uitgangspunt van 100% kostendekkendheid) corresponderende baten uit de rioolheffing. 33

Verder geldt dat in de realisatiecijfers 2023 een vertekend beeld is ontstaan als gevolg van de boekhoudkundige verwerking van de voorziening riolering. Voorheen werden alle rioleringsinvesteringen geactiveerd waarbij de jaarlijkse rente- en afschrijvingslasten doorbelast werden aan de rioleringsbegroting. Dit leidde tot het ontstaan van langjarige verplichtingen (kapitaallasten). Binnen de (BBV) wetgeving is het mogelijk om vooraf te sparen voor rioleringsinvesteringen. Een nieuwe investering wordt dan rechtstreeks gedekt uit een opgebouwde spaarvoorziening, waardoor er geen nieuwe kapitaallasten meer ontstaan. In plaats daarvan wordt jaarlijks gedoteerd aan de spaarvoorziening om de toekomstige vervangingen te kunnen bekostigen. Sinds de vaststelling van het Gemeentelijk Rioleringsplan Moerdijk (raadsvergadering 24 september 2020) wordt deze financieringssystematiek gehanteerd. In 2023 heeft op basis daarvan een storting van € 3,1 miljoen in de voorziening ‘riolering sparen’ plaatsgevonden welke gedekt is uit de ‘reguliere egalisatievoorziening riolering’. Doordat de storting in de voorziening ‘riolering sparen’ boekhoudkundig als last wordt aangemerkt en de onttrekking uit de ‘reguliere egalisatievoorziening riolering’ als een baat, geeft dit in 2023 een vertekend beeld. Dit terwijl dit per saldo alleen een budgettair neutrale overheveling betrof tussen twee voorzieningen.

Bovenstaande aspecten hebben dus een rol gespeeld in het feit dat de lasten binnen dit taakveld in 2023 hoger lagen dan bij de referentiegemeenten. Desalniettemin geldt dat de gemiddelde rioolheffing van een meerpersoonshuishouden in 2023 binnen de gemeente Moerdijk hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Zoals in paragraaf 3.3.2 is toegelicht bedroeg in 2023 de gemiddelde rioolheffing van een meerpersoonshuishouden in de gemeente Moerdijk € 289 per jaar, ten opzichte van het landelijke gemiddelde van € 213 per jaar. In hoofdstuk 9 wordt nader ingegaan op de lokale heffingen en de gemiddelde woonlasten. Afval Een andere grote post binnen dit taakveld betreft de taken op het gebied van afval (zoals afvalscheiding en recycling, vuilophaal en vuilstort en verwerking). Net zoals bij de riolering geldt dat de lasten die hiermee gemoeid gaan (op basis van het uitgangspunt van 100% kostendekkendheid) volledig gedekt worden uit de baten vanuit de afvalstoffenheffing. Zoals in paragraaf 3.3.2. is toegelicht bedroeg in 2023 de gemiddelde afvalstoffenheffing voor een meerpersoonshuishouden in de gemeente Moerdijk € 339. Daarmee lag dit iets hoger dan het landelijk gemiddelde (€ 329). Overige aspecten Na de riolering en afval vormen de lasten m.b.t. milieubeheer en volksgezondheid de grootste post binnen dit taakveld. De lasten m.b.t.

milieubeheer bedroegen in 2023 circa € 79 per inwoner (totaal circa € 3 miljoen). Deze lasten bestaan voor ongeveer de helft uit de gemeentelijke bijdrage aan de Omgevingsdienst Middenen West-Brabant (OMWB). Het is aannemelijk dat de aanwezigheid van de grote zeehaven en industrieterrein een rol spelen in het feit dat de lasten t.b.v. milieubeheer voor de gemeente Moerdijk doorgaans hoger zullen liggen dan de referentiegemeenten. Tot slot bedroegen de lasten m.b.t. volksgezondheid in 2023 circa € 53 per inwoner (totaal circa € 2 miljoen). Deze lasten bestaan grotendeels uit de gemeentelijke bijdrage aan de GGD West-Brabant en Thuiszorg West-Brabant.

34

3.4.3

Nadere duiding – hogere lasten verkeer, vervoer en waterstaat

Zoals in paragraaf 3.4.1 al was te zien waren binnen het taakveld ‘verkeer, vervoer en waterstaat’ de lasten per inwoner als volgt:

Figuur 27 Vergelijking taakveld verkeer, vervoer en waterstaat

De lasten binnen dit taakveld lagen in 2023 binnen de gemeente Moerdijk circa 75% hoger dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Wanneer we nader ingaan op de opbouw van de lasten binnen dit taakveld, levert dat voor de gemeente Moerdijk onderstaand beeld op:

Figuur 28 Specificatie taakveld verkeer, vervoer en waterstaat

Veruit de meeste lasten binnen dit taakveld hebben betrekking op verkeer en vervoer. Hier valt een grote diversiteit aan gemeentelijke taken onder zoals het wegbeheer, openbare verlichting, bruggen, onkruidbeheersing, straatreiniging, verkeersborden en het maaien van de bermen. De omvang van deze taken heeft een nadrukkelijke relatie met de oppervlakte van een gemeente. Vanuit dat oogpunt is het niet vreemd dat de lasten per inwoner voor Moerdijk (een gemeente met het op 1 na grootste oppervlakte van Noord-Brabant) relatief hoger zullen liggen dan een gemiddelde andere gemeente met hetzelfde aantal inwoners. Daarnaast geldt dat de lasten t.b.v. verkeer en vervoer grotendeels betrekking hebben op het wegbeheer. Juist m.b.t. het wegbeheer zijn we als gemeente bezig met een inhaalslag. In de raadsvergadering van 17 juni 2021 is de notitie ‘Wegbeheer Moerdijk 2021-2025’ vastgesteld. Daarbij is vastgesteld dat de afgelopen 10 jaar de kwaliteit van de wegen is achteruitgegaan waarbij een onderhoudsachterstand was ontstaan die hersteld moest worden. Door middel van functioneel beheer en risico gestuurd onderhoud wordt de onderhoudsachterstand gefaseerd ingelopen. In paragraaf 6.2.2 wordt hier nader op ingegaan.

35

3.4.4

Nadere duiding– hogere lasten veiligheid

Zoals in paragraaf 3.4.1 al was te zien waren binnen het taakveld ‘veiligheid’ de lasten per inwoner als volgt:

Figuur 29 Vergelijking taakveld veiligheid

De lasten binnen dit taakveld lagen in 2023 binnen de gemeente Moerdijk circa 78% hoger dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Wanneer we nader ingaan op de opbouw van de lasten binnen dit taakveld, levert dat voor de gemeente Moerdijk onderstaand beeld op:

Figuur 30 Specificatie taakveld veiligheid

Het is aannemelijk dat de aanwezigheid van de grote zeehaven en industrieterrein een rol spelen in het feit dat de lasten t.b.v. veiligheid voor de gemeente Moerdijk doorgaans hoger zullen liggen dan de referentiegemeenten. Dit wordt ook duidelijk als we de onderliggende lasten nader bekijken. De lasten m.b.t. crisisbeheersing en brandweer bedroegen in 2023 circa € 100 per inwoner (totaal circa € 3,8 miljoen). Deze lasten bestaan voor ongeveer 75% (circa € 2,8 miljoen) uit de gemeentelijke bijdrage aan de Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Verder geven de lasten een wat vertekend beeld doordat in 2023 circa € 0,5 miljoen incidentele lasten zijn gemaakt naar aanleiding van de brand die in december 2022 plaatsvond aan de Huijzersdijk in Zevenbergen. De lasten m.b.t. openbare orde en veiligheid bedroegen in 2023 circa € 82 per inwoner (totaal circa € 3,1 miljoen). Hiervan heeft circa € 1 miljoen (circa € 25 per inwoner) betrekking op de zogenoemde mainportaanpak. De zeehavens van Zeeland (Borsele, Terneuzen en Vlissingen) en West-Brabant (Moerdijk) trekken samen op om de kwetsbaarheden te bestrijden en ondermijnende criminaliteit tegen te gaan. Omdat deze activiteiten aansluiten op het beleid van het ministerie van Justitie en Veiligheid, worden vanuit het Rijk hier middelen voor beschikbaar gesteld. Tegenover deze lasten staan dus corresponderende baten.

Verder zijn in 2023 lasten gemaakt t.b.v. de opsporing van Conventionele Explosieven. In 2023 ging het om circa € 0,7 miljoen (circa € 17 per inwoner). Ook tegenover deze lasten staat een bijdrage vanuit het Rijk. Op grond van de zogenoemde bommenregeling kunnen gemeenten een bijdrage vanuit het Gemeentefonds ontvangen voor het opsporen van Conventionele Explosieven.

36

3.4.5

Nadere duiding – lagere lasten volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

Zoals in paragraaf 3.4.1 al was te zien waren binnen het taakveld ‘volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing’ de lasten per inwoner als volgt:

Figuur 31 Vergelijking taakveld volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

De lasten binnen dit taakveld lagen in 2023 binnen de gemeente Moerdijk circa 24% lager dan het gemiddelde van de referentiegemeenten. Wanneer we nader ingaan op de opbouw van de lasten binnen dit taakveld, levert dat voor de gemeente Moerdijk onderstaand beeld op:

Figuur 32 Specificatie taakveld volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

De lasten die binnen dit taakveld worden verantwoord hebben veelal een raakvlak met het grondbeleid van een gemeente. Zo wordt via bestemmingsplannen bepaald welke grond voor welk gebruik geschikt is en zijn grondexploitaties financiële en ruimtelijke instrumenten waarmee gemeenten grond verwerven, ontwikkelen en uitgeven voor woningbouw, infrastructuur en andere publieke functies. Hier zijn grote bedragen mee gemoeid, die jaarlijks sterk kunnen fluctueren. Vanuit de gedachte dat gemeenten niet onbeperkt baten uit grondexploitaties kunnen genereren en er ook risico’s mee gemoeid gaan, worden lasten en baten uit de grondexploitaties als incidenteel aangemerkt. Ook de administratieve verwerking van grondexploitaties is aan nadere regels gebonden. Hierbij geldt dat het resultaat van de grondexploitaties in een bepaald jaar niet altijd een accuraat beeld geeft van de totale winstgevendheid van een grondexploitatie over de volledige looptijd. Tussentijdse winstnemingen hebben bijv. een effect op het huidige jaar maar dat hoeft niet te betekenen dat het totale resultaat over de gehele looptijd van een grondexploitatie daarmee ook direct wijzigt.

37

In onderstaande figuur is duidelijk de grote jaarlijkse fluctuatie binnen dit taakveld te zien. Hieruit blijkt ook dat de lagere lasten in 2023 een vertekend beeld geven. In 2022 was ten opzichte van de referentiegemeenten bijv. juist sprake van fors hogere lasten. Deze incidenteel hogere lasten waren voornamelijk het gevolg van verliesvoorzieningen die zijn gevormd voor de grondexploitaties Waterfront Moerdijk en Westschans Klundert (die in 2022 door de gemeenteraad zijn vastgesteld).

Figuur 33 Meerjarige vergelijking taakveld volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

38

3.5 Conclusie vergelijking met andere gemeenten In dit hoofdstuk is op hoofdlijnen inzicht gegeven in hoe de baten en lasten van de gemeente Moerdijk zich verhouden tot andere gemeenten. Hierbij geldt als aandachtspunt dat financiële gegevens van gemeenten onderling niet altijd goed te vergelijken zijn. Zo kunnen gemeenten met hetzelfde inwoneraantal alsnog zeer verschillend van elkaar zijn door specifieke kenmerken van de betreffende gemeenten. Het doel van de vergelijking is dan ook niet om een allesomvattende vergelijking te maken waarin alle verschillen volledig verklaard en geduid worden. Wel levert de vergelijking op hoofdlijnen een aantal inzichten op. Net als de referentiegemeenten is de gemeente Moerdijk in grote mate afhankelijk van de baten vanuit het Rijk. Circa 60% van de gemeentelijke baten bestaan uit de bijdragen vanuit het Rijk. Een andere overeenkomst met de referentiegemeenten is dat veruit de meeste lasten betrekking hebben op de taakvelden ‘sociaal domein’ en ‘bestuur en ondersteuning’. Circa 60% van de gemeentelijke lasten heeft betrekking op deze twee taakvelden. De globale vergelijking levert echter ook een aantal verschillen op. Ten opzichte van de referentiegemeenten heeft de gemeente Moerdijk relatief veel baten. Daar staat tegenover dat ook de lasten binnen onze gemeente relatief hoger liggen.

De hogere baten hebben voornamelijk betrekking op hogere baten uit de lokale heffingen, die voornamelijk voortkomen uit hogere ozb baten m.b.t. de niet-woningen. De relatief hoge ozb baten vanuit de niet-woningen zijn een logisch gevolg van de specifieke kenmerken van de gemeente Moerdijk. Door de aanwezigheid van de 4e grootste zeehaven van Nederland en het grote industrieterrein zijn er (vooral in verhouding tot het aantal inwoners) relatief veel niet-woningen binnen de gemeente Moerdijk. De hogere lokale heffingen betekenen dan ook niet dat de gemiddelde woonlasten in de gemeente Moerdijk hoger liggen ten opzichte van de landelijke gemiddelden. De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden met een eigen woning bedroegen in de gemeente Moerdijk in 2023 circa € 909. Daarmee lagen de gemiddelde woonlasten iets onder het landelijke gemiddelde (€ 945) en iets boven het gemiddelde van Noord-Brabant (€ 877). Aan de lastenkant geldt dat voor de taakvelden ‘volksgezondheid en milieu’, ‘verkeer, vervoer en waterstaat’ en ‘veiligheid’ de lasten in 2023 substantieel hoger waren dan bij de referentiegemeenten. Dit terwijl de lasten binnen het taakveld ‘volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing’ juist substantieel lager waren.

Deze verschillen zijn op hoofdlijnen te herleiden naar de specifieke kenmerken van de gemeente Moerdijk zoals de aanwezigheid van de 4e grootste zeehaven van Nederland en het grote industrieterrein en de grote oppervlakte van de gemeente met meerdere kernen. Verder is naar voren gekomen dat voor diverse taakvelden de verschillen over 2023 een vertekend beeld geven door incidentele lasten of financieel technische boekingen die in dat jaar hebben plaatsgevonden. Al met al levert de vergelijking die in dit hoofdstuk is gedaan nuttige inzichten op, waarbij de in beeld gebrachte verschillen geen concrete aanleiding geven om die verschillen nog verder te analyseren en uit te zoeken. Dat neemt niet weg dat in de komende hoofdstukken diverse begrotingsposten van de gemeente Moerdijk nader in beeld worden gebracht. Dit vanuit het doel van het onderzoek om richtinggevende mogelijkheden in beeld te brengen die kunnen bijdragen aan het vergoten van de structurele begrotingsruimte.

39

4. Welke begrotingsposten gaan we nader in beeld brengen? In de voorgaande hoofdstukken is nader inzicht verkregen in de opbouw van de begroting van de gemeente Moerdijk en is op hoofdlijnen ingegaan op de verschillen ten opzichte van andere gemeenten. De globale inzichten die daarin zijn opgedaan helpen om in dit hoofdstuk een selectie te maken van de begrotingsposten die we nader in beeld willen gaan brengen. Dit vanuit het oogpunt dat het niet wenselijk en efficiënt is om alle begrotingsposten volledig door te lichten. Dit sluit ook niet aan bij de doelstelling van dit onderzoek. Het doel is immers niet om met een lijst met concrete en specifieke ombuigingsmaatregelen te komen, maar om in eerste instantie vanuit een breder perspectief mogelijkheden te onderzoeken die kunnen bijdragen aan het vergoten van de structurele begrotingsruimte. Dit zodat de gemeenteraad hier voortijdig in meegenomen kan worden en deze inzichten kan betrekken bij de behandeling van de kadernota 2026-2029, als opmaat naar het opstellen van de uiteindelijke begroting 2026-2029.

4.1 Selectiecriteria De nader in beeld te brengen begrotingsposten worden geselecteerd op basis van twee criteria, de financiële omvang en de mate van beïnvloedbaarheid. 4.1.1

Financiële omvang

De betreffende begrotingspost moet van voldoende omvang zijn. Het ligt voor de hand dat een begrotingspost waar vele miljoenen in omgaan eerder in aanmerking komt om nader in beeld te brengen dan een begrotingspost waar relatief weinig financiële middelen mee gemoeid gaan. 4.1.2

Beinvloedbaarheid

Daarnaast moeten de betreffende baten of lasten door de gemeente voldoende te beïnvloeden zijn. Gemeentelijke taken kunnen grofweg onderverdeeld worden in twee hoofdcategorieën: medebewind en autonome taken. Medebewind betekent dat gemeenten verplicht zijn om mee te werken aan de uitvoering van landelijke wetten. Ze moeten dan een taak uitvoeren volgens de door het Rijk vastgestelde regels. Voorbeelden zijn het uitkeren van bijstand, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de taken op het gebied van Jeugdzorg. De beleidsvrijheid is bij medebewind beperkter, waarbij gemeenten vaak weinig ruimte hebben om van de landelijke kaders af te wijken, maar soms binnen bepaalde marges wel keuzes kunnen maken. Autonome taken betreft taken waarbij de gemeente zelf in grote mate bepaalt hoe zij binnen haar grondgebied hier uitvoering aan geeft. Hierin hebben gemeenten meer beleidsvrijheid om in te spelen op lokale behoeften en omstandigheden. Voorbeelden zijn sport- en cultuur, de ondersteuning van de lokale economie en andere taakvelden voor zover er vanuit de wetgeving geen verplichtingen zijn opgelegd. Hoewel gemeenten dus een bepaalde mate van beleidsvrijheid hebben, is er een grote afhankelijkheid van de financiële middelen die gemeenten vanuit het Rijk ontvangen. Gemeenten krijgen een groot deel van hun baten uit het gemeentefonds.

Juist op dat onderwerp heerst momenteel een landelijke discussie. Analyses van o.a. BMC, de VNG, en de Raad voor het Openbaar Bestuur tonen een grote disbalans tussen de taken en de middelen die gemeenten hiervoor ontvangen.

40

Verder is beleidsvrijheid een relatief begrip waarbij er niet altijd een eenduidige grens is tussen medebewind en autonome taken. Ook hebben gemeenten zich niet alleen aan wet- en regelgeving te houden maar moet ook rekening gehouden worden met maatschappelijke normen. Hierbij speelt de vraag in hoeverre inwoners, bedrijven en andere instellingen eventuele verschillen in bijv. het voorzieningenniveau ten opzichte van buurgemeenten acceptabel vinden. De Raad voor het openbaar bestuur (ROB) stelt over beleidsvrijheid in haar Adviesrapport Beleidsvrijheid geduid (d.d. 18-3-2019) : ‘Er is geen absoluut objectieve maat voor het vaststellen voor de mate van beleidsvrijheid. Wel kan inzichtelijk gemaakt worden welke factoren de mate van beleidsvrijheid bepalen, door consequent na te gaan in hoeverre de betrokken overheid vrij is om zelf de beleidsdoelen te bepalen. Dit kan worden afgeleid uit wat in wet en regelgeving is bepaald over met name de taak en de beleidsdoelen. Bij de taak gaat het er om wat voor het bereiken van beleidsdoelen moet worden gedaan. De mate waarin nauwkeuriger is bepaald hoe de taak moet worden uitgevoerd, of aan welke eisen de besluitvorming moet voldoen of en hoe er al dan niet moet worden samengewerkt, geven een indicatie in welk mate de gemeente vrij is zelf de uitkomst van het beleid te bepalen.

Als het Rijk bepaalt dat een gemeente een taak moet uitvoeren, dan is de beleidsvrijheid per definitie klein. De mate waarin de gemeente vrij zelf haar beleidsdoelen en daarmee verbonden taak kan vaststellen wordt bepaald door de mate waarin zij zelf aanvullende regels kan stellen, gehouden is aan uitvoeringsregels, regels over besluitvorming en/of vrij is te kiezen in de samenwerking. Dit kan per onderdeel variëren van geheel vrij, wenselijk, dwingend tot verplicht.

41

4.2 Beoordeling omvang en beïnvloedbaarheid begrotingsposten Op basis van de gehanteerde criteria is een afweging gemaakt welke taakvelden in de komende hoofdstukken nader in beeld gebracht worden. Dit vanuit de gedachte dat deze taakvelden op basis van de financiële omvang en beïnvloedbaarheid in potentie de meeste impact kunnen hebben op (het vergroten van) de structurele begrotingsruimte. De gemaakte afweging kan als volgt worden samengevat. In bijlage 3 is een nadere onderbouwing opgenomen van de afweging die hierin is gemaakt. Taakveld

Financiële omvang

Beïnvloedbaarheid

Sociaal Domein Bestuur en dienstverlening

5/5 4/5

2/5 2/5

Volksgezondheid en milieu

4/5

2/5

Verkeer, vervoer en waterstaat Sport, cultuur en recreatie Volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

3/5

4/5

3/5 3/5

4/5 4/5

Nader in beeld brengen? Ja (hoofdstuk 5) Deels: Gemeenschappelijke regelingen (o.a. ICT WBW, WBA) (paragraaf 10.1) Overhead (personeelslasten) (paragraaf 10.2) Stelpost nieuw beleid (paragraaf 10.4) Reservemutaties (paragraaf 10.5) Deels: Gemeenschappelijke regelingen (o.a. OMWB en GGD) (paragraaf 10.1) Afval en riolering vanuit oogpunt structurele begrotingsruimte minder relevant i.v.m. 100% kostendekkendheid. Ja (hoofdstuk 6)

Ja (hoofdstuk 7) Nee, vanwege incidentele karakter grondexploitaties en maximaal 100% kostendekkendheid leges omgevingsvergunningen. Veiligheid 2/5 2/5 Deels: Gemeenschappelijke regelingen (o.a. Veiligheidsregio) (paragraaf 10.1) Onderwijs 2/5 2/5 Nee, wel een link met investeringen op het gebied van scholenontwikkelingen (paragraaf 10.4) Economie 1/5 4/5 Nee, gezien financiële omvang en recente raadsbesluiten (centrummanagement vitale centra, toeristische markering, Powerport, stedelijke regio’s) Baten gemeentefonds 5/5 1/5 Ja (hoofdstuk 8) Baten lokale heffingen 4/5 4/5 Ja (hoofdstuk 9) Overige baten 3/5 3/5 Deels: Reservemutaties (paragraaf 10.5) Tabel 2 Beoordeling omvang en beïnvloedbaarheid begrotingsposten

42

4.3 Nader in beeld te brengen begrotingsposten Op basis van de gemaakte selectie worden in de komende hoofdstukken de volgende begrotingsposten nader in beeld gebracht: -

Sociaal domein (hoofdstuk 5) Verkeer, vervoer en waterstaat (hoofdstuk 6) Sport, cultuur en recreatie (hoofdstuk 7) Gemeentefonds (hoofdstuk 8) Lokale heffingen (hoofdstuk 9)

Gemeente brede onderwerpen (hoofdstuk 10) -

Verbonden partijen (paragraaf 10.1) Personeelslasten (paragraaf 10.2) Kapitaallasten (paragraaf 10.3) Nieuw beleid (paragraaf 10.4) Reserves (paragraaf 10.5)

Hierbij dient te worden opgemerkt dat het doel hiervan niet is om voor bovenstaande begrotingsposten met specifieke ombuigingsvoorstellen te komen. In lijn met de doelstelling van dit onderzoek, is het doel om nader inzicht te creëren zodat op basis daarvan richtinggevende mogelijkheden in beeld gebracht kunnen worden die als basis kunnen dienen voor het gesprek over de (on)wenselijkheid van eventuele toekomstige vervolgstappen.

43

5. Sociaal domein In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het taakveld sociaal domein. De landelijke toelichting van dit taakveld luidt als volgt: ‘Sinds de decentralisaties in het sociaal domein (1 januari 2015) zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de Wmo & Jeugdzorg. Maar naast de taken en verantwoordelijkheden die uit deze twee wetten voortvloeien, speelt de gemeente ook nog een belangrijke rol als het gaat om inkomensondersteuning en de (re-)integratie naar werk. Al de hieraan gerelateerde baten & lasten zijn terug te vinden binnen dit taakveld.’ Wanneer de lasten t.b.v. dit taakveld worden afgezet tegen de totale lasten levert dat onderstaand beeld op:

Figuur 34 Aandeel taakveld sociaal domein in totale lasten

Het sociaal domein is binnen de gemeente Moerdijk (net als bij andere gemeenten) veruit het grootste taakveld met circa € 55 miljoen aan jaarlijkse lasten. Gemeenten hebben binnen het sociaal domein een brede verantwoordelijkheid om kwetsbare inwoners te ondersteunen. Taken op het gebied van jeugd, zorg, wonen en werk waarbij maatwerk, preventie en samenwerking centraal staan. Een aanzienlijk deel daarvan komt voort uit de omvangrijke decentralisaties die sinds 1 januari 2015 binnen het sociaal domein hebben plaatsgevonden. Dit betekende een forse uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op het gebied van de Participatiewet, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdhulp.

44

5.1 Sociaal domein vanuit breder perspectief Voordat in dit hoofdstuk nader ingegaan wordt op de diverse onderdelen binnen het sociaal domein en de opbouw van de baten en lasten die hiermee gemoeid gaan, wordt eerst expliciet stil gestaan bij het bredere perspectief binnen het sociaal domein, de Scan mens en Maatschappij en hoe dit zich verhoudt tot dit onderzoek. 5.1.1

De decentralisaties en samenhang binnen het sociaal domein

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Participatiewet vormen samen de kern van het sociaal domein. De taakgebieden binnen het sociaal domein kunnen niet als losstaande onderdelen worden gezien. Hoewel deze wetten formeel gescheiden zijn, richten ze zich allemaal op het versterken van de zelfredzaamheid, participatie en ondersteuning van kwetsbare groepen. Daarnaast kunnen er ook raakvlakken zijn met diverse andere gemeentelijke taken die (in)direct het welzijn van burgers raken (zoals schuldhulpverlening, onderwijs etc.). De decentralisaties die in 2015 zijn doorgevoerd gingen gepaard met grote verwachtingen. De decentralisaties hadden als doel om zorg en ondersteuning dichter bij de burger, efficiënter en meer op maat te organiseren. Omdat gemeenten dichter bij de burger staan was de gedachte dat zij de hulp en ondersteuning beter en goedkoper kunnen bieden waarbij er meer verbindingen gelegd kunnen worden tussen de verschillende domeinen en de problemen van burgers in samenhang kunnen worden aangepakt. Hierbij wordt van burgers verwacht dat zij meer vanuit de ‘eigen kracht’ doen waarbij het sociale netwerk een belangrijke rol speelt. Uiteindelijk moest dit alles leiden tot een beter functionerend en financieel houdbaar stelsel.

In de afgelopen jaren zijn diverse rapporten verschenen waaruit het landelijke beeld naar voren komt dat de beoogde resultaten van de decentralisatie tot op heden niet of slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt (zie bijv. het rapport 'Sociaal domein op koers?' (d.d. 16 november 2020) van het Sociaal en Cultureel Planbureau). In de Eindrapportage van de visitatiecommissie financiële beheersbaarheid sociaal domein van de VNG is over de samenhang en complexiteit binnen het sociaal domein o.a. te lezen: ’Bij de decentralisaties staat integrale zorg op maat hoog in het vaandel. Het zorgaanbod moet aansluiten bij de behoeften van inwoners en problemen in samenhang aanpakken. Eén gezin, één plan, één regisseur is het streven. Dit moet leiden tot een vitale samenleving met actief participerende burgers. De praktijk blijkt weerbarstig. Al jaren wordt hard gewerkt aan het inrichten en optimaliseren van het sociaal domein. Gemeenten zetten in op de kracht van de samenleving en richten zich daarbij steeds meer op normaliseren en preventieve, laagdrempelige zorg. Tegelijkertijd is de maakbaarheid van de samenleving maar beperkt en blijkt de complexiteit van het sociaal domein groot. In de praktijk is het behalen van ambitieuze doelen een zaak van lange adem en ervaren veel gemeenten hoe lastig het is om tegelijkertijd greep op de kosten te houden.

Dit geldt overkoepelend voor de hele linie in het sociaal domein, maar extra in de jeugdzorg.’ Ook de komende jaren blijven de ontwikkelingen binnen het sociaal domein een actueel vraagstuk. Zo bevat de Hervormingsagenda Jeugd een omvangrijk pakket aan afspraken met als doel de jeugdzorg te verbeteren en financieel gezond te maken en richt het houdbaarheidsonderzoek Wmo zich op de houdbaarheid van de Wmo 2015 als stelselwet. Vanuit een breder perspectief werken gemeenten, GGD’en, zorgverzekeraars en VWS samen aan een gezond en actief leven (GALA) voor iedereen en de ambitie van het IZA is om de zorg voor iedereen toegankelijk, kwalitatief goed en betaalbaar te houden.

45

5.1.2

Scan Mens en Maatschappij

De omvang, complexiteit en hoge lasten van het sociaal domein stelt gemeenten landelijk voor de vraag: hoe houden we er grip op? Gemeente Moerdijk ontwikkelde hiertoe de Scan Mens en Maatschappij. Deze Scan (die in de periode 2021 t/m 2023 in drie delen is opgesteld) betrof een inventarisatie van feiten, inzichten en kansen op sociaal-maatschappelijk vlak. We wilden inzicht krijgen in het profiel van onze gemeente, in de problematiek die leeft in onze kernen en in het buitengebied. Daarnaast wilden we duidelijk krijgen wat nu precies onze wettelijke taken en bestuursopdrachten zijn in het hele brede sociaal-maatschappelijke domein. We hadden behoefte aan zicht op hoe we onze taken uitvoeren, hoe dat nog beter en meer in samenhang kan en òf we onze doelstellingen halen. Naar aanleiding van de Scan heeft de gemeenteraad negen uitgangspunten voor het sociaal-maatschappelijk domein vastgesteld die ook zijn opgenomen in het Bestuursakkoord Moerdijk. 1. 2.

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid: Het vraagt een scherpere, meer kritische blik van ons: wat heeft iemand werkelijk nódig? Er is geen vanzelfsprekend recht op (professionele) hulp of voorzieningen. Kan een inwoner het zelf oplossen? Normaliseren: Is elke ‘afwijking’ een probleem of hoort het bij het normaal opgroeien en leven? Niet elk probleem of elke diagnose heeft (meteen) gespecialiseerde zorg nodig. Soms kunnen gewone, dagelijkse activiteiten ook helpen. Reablement: Inzet van ouderenzorg, niet gericht op een probleem maar op een oplossing en het (weer deels) voor zichzelf zorgen. Herstelgerichte zorg ofwel opnieuw leren van vaardigheden om weer voor jezelf te zorgen. Normeren: Wanneer zijn wij tevreden als gemeente. Wat vinden wij van deze cijfers? Wanneer vinden wij dat we een wet of taak voldoende uitvoeren? Zijn gemiddelde scores goed voor ons? Verdieping op de (afwijkende) cijfers: Naar leefstijl bijvoorbeeld. Leidt dat tot andere keuzes? Investeren in preventie: Ook al is dat moeilijk te becijferen in dalende cijfers: de kwaliteit van leven gaat er mee omhoog. Investeren in de samenwerking met de maatschappelijke partners om samen dezelfde koers te varen. 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur Administratieve lasten zoveel als mogelijk verminderen

Deze uitgangspunten vormen de basis bij het maken en uitvoeren van toekomstig beleid. Ze vormen als het ware ‘de lat’ waarlangs we ons dagelijks werk uitvoeren.

De Scan had een financiële aanleiding, maar de uitwerking is vooral inhoudelijk. De financiële taakstelling bestond uit een besparing van € 1,7 miljoen tot en met 2024, ten opzichte van 1 januari 2021. Een taakstelling die inmiddels volledig is gerealiseerd. Dat neemt echter niet weg dat verder gegaan wordt met de inhoudelijke kansen die uit de Scan naar voren zijn gekomen. Zoals in de begroting 2025-2028 is aangegeven: ‘De doorontwikkeling van het Sociaal Domein, op grond van de uitgangspunten en alle inzichten en kansen zoals geformuleerd in de Scan Mens en Maatschappij, krijgt in 2025 vorm.’ ‘Naast preventie zijn integraliteit, vindbaarheid, een stevige sociale structuur en zoveel mogelijk het ‘normale’ leven met het gezin, in heldere taal voor alle betrokkenen sleutelwoorden.’

46

5.1.3

Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot de Scan Mens en Maatschappij?

In de Scan Mens en Maatschappij is de afgelopen jaren een omvangrijke inventarisatie gedaan. Dit kan de vraag oproepen hoe dit onderzoek zich daartoe verhoudt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit onderzoek geen herhaling of nadere uitwerking is van de scan Mens en Maatschappij. Dit onderzoek is namelijk vanuit een ander perspectief ingestoken. In hoofdstuk 1 zijn de mogelijke aanpakken geschetst die gemeenten kunnen hanteren in relatie tot de financiële uitdagingen waar zij landelijk voor staan. Daarbij is toegelicht dat de methode ’meten is weten’ het beste aansluit bij de doelstelling van dit onderzoek.

Figuur 35 Het onderzoek in relatie tot de verschillende ombuigingsmethoden

De omvangrijke inventarisatie die in de Scan Mens en Maatschappij is uitgevoerd ging verder dan alleen ‘meten is weten’. De Scan bestond immers niet alleen uit een inventarisatie van feiten en inzichten maar (vooral) ook uit het in beeld brengen en verzilveren van kansen die gericht waren op de dienstverlening binnen het sociaal domein. Hoewel dit onderzoek minder diepgaand is dan de Scan Mens en Maatschappij betekent dit niet dat dit onderzoek geen aanvullende inzichten kan opleveren. Juist doordat dit onderzoek vanuit een ander perspectief is opgezet kan dit mogelijk aanvullende inzichten opleveren. In het komende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de opbouw van de baten en lasten binnen de diverse onderdelen binnen het sociaal domein. Dit vanuit de doelstelling van dit onderzoek om op hoofdlijnen nader inzicht te bieden in de (on)mogelijkheden voor het vergroten van de structurele begrotingsruimte. De inzichten die hieruit voortkomen kunnen daarbij (net als de inzichten uit de Scan Mens en Maatschappij) een zinvolle basis vormen voor het afwegen van eventuele toekomstige vervolgstappen. Vervolgstappen die (rekening houdend met de landelijke financiële ontwikkelingen) mogelijk nodig zijn voor het in de toekomst kwalitatief goed en duurzaam betaalbaar houden van het sociaal domein.

47

5.2 Hoe zijn de totale lasten binnen dit taakveld opgebouwd? De lasten binnen dit taakveld zijn als volgt opgebouwd:

Figuur 36 Opbouw totale lasten taakveld sociaal domein

Het sociaal domein vormt met circa € 55 miljoen aan lasten veruit het grootste taakveld van de gemeente Moerdijk. Gemeenten hebben binnen het sociaal domein een brede verantwoordelijkheid om kwetsbare inwoners te ondersteunen. Taken op het gebied van jeugd, zorg, wonen en werk waarbij maatwerk, preventie en samenwerking centraal staan. In bovenstaande figuur wordt deze brede verantwoordelijkheid ook duidelijk in de grote diversiteit aan taken die hiervoor wordt uitgevoerd. Een aanzienlijk deel daarvan komt voort uit de omvangrijke decentralisaties die sinds 1 januari 2015 binnen het sociaal domein hebben plaatsgevonden. Dit betekende een forse uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op het gebied van de Participatiewet, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdhulp. De lasten binnen het onderdeel inkomensregelingen betreffen hoofdzakelijk de lasten t.b.v. het verstrekken van bijstandsuitkeringen op grond van de Participatiewet. De uitvoering hiervan ligt bij het Werkplein. Gemeenten ontvangen van het Rijk een gebundelde uitkering (BUIG) voor het bekostigen hiervan. Ook de lasten die voortkomen uit de gemeentelijke verantwoordelijkheid vanuit de Wet sociale werkvoorziening (WSW) vallen binnen dit taakveld. Ook hier worden gemeenten vanuit het Rijk voor gecompenseerd. De lasten m.b.t.

de Wmo, zijn grofweg onder te verdelen in huishoudelijke hulp (ondersteuning bij dagelijkse huishoudelijke taken), begeleiding (en dagbesteding voor inwoners met bijv. een beperking

48

of chronische ziekte) en hulpmiddelen en diensten (bijv. vergoeding of ondersteuning bij woningaanpassingen). De lasten die t.b.v. de Jeugdzorg worden gemaakt komen voort uit taken op het gebied van jeugdhulp (zoals begeleiding en behandeling van kinderen en jongeren met psychische problemen, gedragsproblemen, een beperking of een ontwikkelachterstand), jeugdbescherming (zoals uitvoering van maatregelen zoals ondertoezichtstelling en begeleiding van jongeren) en pleegzorg (zoals organiseren van opvang voor kinderen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen). Tot slot vormt het onderdeel samenkracht en burgerparticipatie ook een omvangrijk onderdeel binnen het sociaal domein. Dit betreft o.a. de lasten die worden gemaakt in verband met de opvang van Oekraïense ontheemden en de inburgering van nieuwkomers. Gemeenten worden hiervoor vanuit het Rijk gecompenseerd. Daarnaast bestaan de lasten binnen dit onderdeel vooral uit de jaarlijkse subsidies die we als gemeente aan diverse (professionele) instellingen en verenigingen verstrekken. Al met al is het sociaal domein dus een breed taakveld, waarbij dit qua financiële omvang verreweg het grootste taakveld is. Daarbij geldt wel dat de beïnvloedbaarheid van de lasten over het algemeen relatief beperkt is. Veel verplichtingen die gemeenten hierin hebben zijn vastgelegd in wetgeving.

Enkele voorbeelden hiervan zijn de Participatiewet, Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet sociale werkvoorziening (Wsw), Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Wet inburgering 2021 en sinds 2024 verplichtingen vanuit de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne. Binnen de wettelijke kaders hebben gemeenten wel enige vrijheid ten aanzien van kwaliteit en intensiteit van de uitvoering van deze taken. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de (qua financiële omvang) grootste (sub) taakvelden binnen het sociaal domein. Achtereenvolgens wordt nader ingegaan op de inkomensregelingen, WSW en beschut werk, jeugdhulp, Wmo en samenkracht en burgerparticipatie.

5.3 Inkomensregelingen Welke taken vallen binnen dit (sub)taakveld? De meeste lasten binnen het sociaal domein hebben betrekking op de inkomensregelingen. Tot dit (sub)taakveld behoren alle inkomens- en bijstandsvoorzieningen: -

inkomensvoorzieningen en loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet; geneeskundige en andere adviezen in verband met de bijstandsverlening; IOAW (Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers); IOAZ (Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen); kosten van levensonderhoud uit het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004); kosten levensonderhoud voor startende ondernemers uit Bbz 2004; sociale zekerheidsregelingen van het rijk zoals bijvoorbeeld eenmalige uitkeringen voor minima; schuldhulpverlening; gemeentelijk armoedebeleid: bijzondere bijstand, kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen, korting op musea, sportclubs etc., meerkosten bij werk in geval van handicap of chronische ziekte, etc. 49

5.3.1

Hoe zijn de baten en lasten opgebouwd?

Ten behoeve van het (sub)taakveld inkomensregelingen zijn in de begroting 2025 circa € 15,2 miljoen lasten en € 10 miljoen baten begroot. Wanner deze baten en lasten nader worden gespecificeerd levert dit onderstaand beeld op:

Figuur 37 Baten en lasten (sub)taakveld inkomensregelingen

Uit bovenstaande figuur wordt duidelijk dat de lasten t.b.v. inkomensregelingen vrijwel volledig bestaan uit de bijdrage aan gemeenschappelijke regelingen. Dit betreft de bijdrage aan het Werkplein. 5.3.2

Bijdrage GR werkplein

De jaarlijkse bijdrage aan het Werkplein kan onderverdeeld worden aan de hand van de diverse programma’s zoals die in de begroting 2025 van het Werkplein worden gehanteerd.

Figuur 38 Opbouw deelnemersbijdrage 2025 Werkplein

Hieronder wordt nader ingegaan op de diverse programma’s. Programma inkomen Circa € 10 miljoen van de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein heeft betrekking op het programma inkomen. Dit betreft voornamelijk de inkomensvoorzieningen en loonkostensubsidies die op grond van de Participatiewet door het Werkplein worden verstrekt. Voor het bekostigen hiervan stelt het Rijk jaarlijks een landelijk (BUIG) budget vast dat volgens een verdeelsystematiek onder gemeenten wordt verdeeld. Gemeenten mogen een eventueel overschot vrij besteden, maar moeten een tekort in beginsel ook zelf opvangen. Dit kan zich voordoen als er ten opzichte van de landelijke cijfers bijv. meer / minder inwoners een beroep doen op een bijstandsuitkering. In onze begroting hanteren we jaarlijks het uitgangspunt dat de (BUIG) middelen die we vanuit het Rijk ontvangen gelijk zijn aan de uitgaven voor de bijstandsverstrekking. In figuur 37 is dan ook te zien dat de bijdrage die vanuit het Rijk wordt ontvangen (circa € 10 miljoen) overeenkomt met de bijdrage die aan het Werkplein t.b.v. het programma inkomen wordt gedaan (figuur 38). Aan de 50

hand van de definitieve vaststelling van de BUIG middelen en tussentijdse begrotingswijzigingen van het Werkplein wordt deze inschatting indien nodig bijgesteld en verwerkt in de gemeentelijke bestuursrapportages. In de jaarrekening wordt het definitieve overschot of tekort gepresenteerd. In onderstaande figuur is de meerjarige ontwikkeling van de BUIG middelen die de gemeente Moerdijk vanuit het Rijk heeft ontvangen, afgezet tegen de jaarlijkse netto uitgaven. Hierin is te zien dat er in de meeste jaren sprake is geweest van een overschot en in enkele jaren sprake was van een tekort. Over het algemeen geldt echter dat de BUIG middelen in lijn liggen met de netto uitgaven.

Figuur 39 Meerjarige ontwikkeling BUIG middelen ten opzichte van netto uitgaven (* 2024 is een voorlopig cijfer)

Door de uitstroom naar werk te bevorderen en de instroom te beperken dalen logischerwijs de bijstandslasten, wat doorwerkt in de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein. Bij de vraag in hoeverre gemeenten mogelijkheden hebben om deze uitgaven te beïnvloeden, spelen een aantal aspecten een rol. -

-

Allereerst kunnen landelijke ontwikkelingen van invloed zijn op de omvang van het uitkeringsbestand op gemeentelijk niveau. Wat is het landelijke beeld van de ontwikkeling van de Nederlandse economie? Hoe ontwikkelt de inflatie zich? Wat betekent dat voor de werkgelegenheid en de kosten van levensonderhoud? Deze factoren kunnen van invloed zijn op de instroom en uitstroomcijfers in de lokale gemeenten. Verder staat het verstrekken van bijstandsuitkeringen niet op zichzelf maar heeft een brede samenhang met andere onderdelen binnen het sociaal domein. Het landelijke beeld is dat mensen in de bijstand vaak niet alleen problemen hebben op het gebied van werk en inkomen. In de publicatie ‘een brede blik op bijstand’ (d.d. 9-6-2023) van het sociaal en cultureel planbureau is hierover o.a. te lezen: ‘Wanneer de Participatiewet het vizier primair blijft richten op de uitstroom naar betaald werk, hoe belangrijk ook, dan blijft problematiek op andere levensdomeinen mogelijk buiten beeld. Een integrale benadering is noodzakelijk, en dat vraagt niet alleen van de uitvoering, maar ook vanuit het wettelijk kader, om een brede blik op bijstand.’ Ook het Werkplein ziet steeds 51

-

meer dat er bredere problemen spelen als mensen zich melden met een vraagstuk op het gebied van inkomen. Denk daarbij aan problemen op het gebied van schulden, jeugd en de Wmo. Vanuit dat oogpunt is in 2023 door het Werkplein o.a. gestart met de brede intake wat deel uitmaakt van het nieuwe poortproces, waarbij tijdens de intake wordt ingegaan op meerdere leefgebieden. Hierbij worden al vroegtijdig eventuele problemen gesignaleerd. Denk daarbij aan problemen op het gebied van schulden, jeugd en de Wmo. Daarnaast geldt dat het landelijke beeld is dat de kans op uitstroom afneemt naarmate mensen langer in de bijstand zitten waarbij ook achtergrondkenmerken een rol spelen. Voor deze groep is het in de praktijk moeilijk(er) om deze mensen (op korte termijn) uit de bijstand te laten uitstromen. In de notitie ‘langdurig in de bijstand’ (d.d. juni 2023) van het SEO Economisch Onderzoek wordt hierover gesteld: ‘De verkennende data-analyse toont aan dat mensen die langer in de bijstand zitten een kleinere kans hebben om uit te stromen dan mensen die pas kort bijstand ontvangen.’ ‘Verder zien we dat binnen de populatie van alle bijstandsontvangers enkele achtergrondkenmerken sterk samenhangen met langdurig bijstandsgebruik.

Specifiek mensen met een hogere leeftijd, eenouderhuishoudens, mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond en mensen met psychische problematiek (wat tot uiting komt in gebruik van ggz of medicatie tegen depressie) hebben een relatief hoge kans op een lange duur in de bijstand.’ In onderstaande figuur is de bestandsopbouw van de gemeente Moerdijk weergegeven.

Figuur 40 Bestandsopbouw gemeente Moerdijk

In de 2e bestuursrapportage 2024 van het Werkplein is hierover toegelicht: ‘Doelgroep A zijn de inwoners die binnen een half jaar met enige ondersteuning naar werk bemiddelbaar zijn. Inwoners die in categorie B zijn gecategoriseerd hebben nog een heel traject te doorlopen om zich verder te ontwikkelen richting werk of participatie. Inwoners in categorie C zijn veelal niet bemiddelbaar naar betaald werk. Doel is om een stabiele leefsituatie te creëren. We zien dat inwoners veelal op verschillende vlakken hulpvragen hebben. Indien de leefsituatie stabiel is kunnen inwoners kleine stapjes zetten naar participatie en wellicht dat er op termijn meer mogelijk. Daarnaast zijn er nog inwoners die niet in een categorie ingedeeld zijn.’ Wat betreft de bestandsbeheersing en het bevorderen van de uitstroom naar werk, is in de begroting 2025 van het Werkplein o.a. te lezen: ‘We zetten in 2024 en 2025 in op een aantal extra projecten gericht op bestandsbeheersing. Hiermee zetten we extra in op ontwikkeling van onze inwoners.’ ‘Een deel van deze projecten heeft een doorloop in 2025. We verwachten in 2025 dus ook extra ontwikkeling, participatie en uitstroom te realiseren.’ 52

Uitvoerings- en organisatiekosten Circa € 2,6 miljoen van de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein heeft betrekking op de uitvoeringsen organisatiekosten. Dit betreft de personeelslasten en andere bedrijfsvoeringlasten die het Werkplein maakt t.b.v. de uitvoering van de bij hen belegde taken. In de begroting geeft het Werkplein jaarlijks inzicht in de opbouw en ontwikkeling van de personele formatie. Dit conform de jaarlijkse richtlijnen die door de gemeenteraad aan het Werkplein worden meegegeven. In de regionaal opgestelde financiële richtlijnen voor de budgetcyclus 2026 (raadsvergadering 17 oktober 2024) is net als in voorgaande jaren aan het Werkplein verzocht om ‘in de bijlage van de begroting een overzicht op te nemen met het verloop van de vaste en tijdelijke formatie sinds 2015. Hieruit blijkt welke mutaties er sinds 2015 in de formatie zijn doorgevoerd, met welke reden en de besluitvorming hierover.’ In de begroting 2025 van het Werkplein is te lezen dat de formatie in 2024 194,6 fte bedraagt ten opzichte van 122,2 fte in 2015. Hoewel de personele capaciteit in theorie een knop is om aan te kunnen draaien, is het zonder nader onderzoek niet eenduidig aan te geven in hoeverre het wenselijk en realistisch is om hier daadwerkelijk besparingen in te realiseren.

Daarbij geldt ook dat hier afstemming en commitment op moet zijn met de andere deelnemende gemeenten (Roosendaal, Etten-Leur, Halderberge, Rucphen en Zundert). Vanuit dit oogpunt is er dit jaar door de gemeenteraad een aanvullende financiële richtlijn t.b.v. alle gemeenschappelijke regelingen vastgesteld. Deze richtlijn luidt als volgt: ‘In verband met de verwachte neerwaartse bijstelling van het gemeentefonds in 2026 beschrijft de gemeenschappelijke regeling in de kadernota en de begroting 2026 in hoeverre de bijdrage van de gemeente/deelnemers gelijk blijft aan c.q. beperkt stijgt ten opzichte van de bijdrage voor 2025. Dit kan door besparingen voor te stellen of beleidsinhoudelijke keuzes aan te geven.’ In paragraaf 10.1 wordt vanuit een breder perspectief ingegaan op de gemeenschappelijke regelingen. Programma inkomensondersteuning Circa € 1,1 miljoen van de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein heeft betrekking op het programma ‘inkomensondersteuning’. Dit betreft o.a. de bijzondere bijstand. Waar de algemene bijstand er in voorziet dat bijstandsgerechtigden voldoende geld hebben om in het levensonderhoud te voorzien, is de bijzondere bijstand een bijdrage voor bijzondere kosten die men door bijzondere omstandigheden niet kan betalen (zoals kosten voor rechtsbijstand, energiekosten of verhuizing). De gemeente kan in deze gevallen bijzondere bijstand verlenen.

Verder maken de lasten t.b.v. de collectieve zorgverzekering onderdeel uit van dit programma. Onder voorwaarden komen mensen in aanmerking voor de collectieve zorgverzekering die vanuit het Werkplein wordt aangeboden voor een lage(re) premie. Op dit vlak is er voor gemeenten relatief meer beleidsvrijheid om keuzes te maken in de omvang en intensiteit van de ondersteuning die aan de burgers wordt geboden. Hierbij geldt dat (vanuit de doelstelling dat minder inwoners in armoede leven) het gebruik van landelijke- en lokale armoede- en minimaregelingen momenteel juist meer wordt gestimuleerd. Via regionale communicatie wordt meer bekendheid gegeven aan de diverse regelingen voor huishoudens die moeten rondkomen van een laag inkomen. Een concreet voorbeeld is de implementatie van de Voorzieningenwijzer vanaf het voorjaar 2024, waarbij op basis van persoonlijke adviesgesprekken en met behulp van een softwareapplicatie wordt gecheckt op welke landelijke en lokale armoede- en minimaregelingen inwoners aanspraak kunnen maken. In vervolg op het advies vanuit de Voorzieningenwijzer worden inwoners ook geholpen en ondersteund bij het feitelijk indienen van de betreffende aanvragen. De extra inspanningen op dit gebied betekenen logischerwijs iets voor de lasten die hiermee gemoeid gaan.

Zoals het Werkplein in de begroting 2025 verwoord: ‘Alle hiervoor beschreven inspanningen van de gemeenten en het Werkplein bieden nieuwe kansen om de armoedeproblematiek bij onze inwoners te verkleinen en de 53

bestaanszekerheid te vergroten. Het stimuleren en vergroten van het gebruik van landelijke -en lokale armoede-en minimaregelingen leidt uiteraard tot verhoogde lasten. Op dit moment is nog niet te voorspellen hoe hoog die extra lasten zullen gaan worden.’ Programma inburgering Circa € 1 miljoen van de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein heeft betrekking op het programma ‘inburgering’. De taken op dit gebied vallen onder het (sub)taakveld ’ samenkracht en burgerparticipatie’ (zie paragraaf 5.7). De gemeente ontvangt van het Rijk een specifieke uitkering om de kosten van de inburgeringsvoorzieningen op grond van de Wet inburgering 2021 te bekostigen. De bijdrage aan het Werkplein voor het programma inburgering is gelijk aan het bedrag dat de gemeente aan rijksvergoeding ontvangt. Programma werk en participatie Tot slot heeft circa € 0,6 miljoen van de gemeentelijke bijdrage aan het Werkplein betrekking op het programma ‘werk en participatie’. Dit betreft de begeleiding en ondersteuning van inwoners op het gebied van arbeidsparticipatie. Hierbij is de ontwikkeling naar betaald werk het hoogste doel waarbij er ook voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt voldoende ontwikkelmogelijkheden zijn. De ondersteuning van inwoners is steeds meer gericht op maatwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=e1e4bb43-d052-43ec-a312-018883a40115