Passende beoordeling Zuid-West 380kV Oost [Deel A] - D10010204
Tekst van het document
Krakeenden hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Wintertaling: het gebied heeft voor de wintertaling onder andere een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de wintertaling beslaat zowel zoete als zoute wateren. Een belangrijke voorwaarde voor de soort is dynamiek in de water-land overgang (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt ook dat de soort voornamelijk is waargenomen ter plaatse van de Prinsesseplaat (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor wintertalingen is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn wintertalingen ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Pijlstaart: het gebied heeft voor de pijlstaart een functie als foerageergebied. De pijlstaart leeft in zowel zoete als zoute wateren.
De vogels rusten overdag op open water en leggen grotere afstanden af om geschikte akkers te vinden om te foerageren. Omdat ze graag foerageren op pionierplanten en de daarin levende bodemfauna in een vochtige tot natte omgeving, vertonen de pijlstaarten voorkeur voor gebieden met dynamiek (door getij of peilfluctuaties) (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt dat de soort voornamelijk is waargenomen ter plaatse van en ten westen van de Oesterdam en ten noordwesten van het gebied, in de Oosterschelde (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor pijlstaarten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn pijlstaarten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Slobeend: het gebied heeft voor de slobeend een functie als foerageergebied. De slobeend komt voornamelijk op zoet water voor. De vogel foerageert in zoetwatermoerassen, natte natuurgebieden, rivierarmen, plassen en meren (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a).
Uit NDFFgegevens blijkt ook dat de soort voornamelijk is waargenomen en ten noordwesten van het Natura 2000gebied, in de Oosterschelde en ter plaatse van de Prinsesseplaat (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor slobeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn slobeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt Kuifeend: het gebied heeft voor de kuifeend onder andere een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de kuifeend bestaat voornamelijk uit zoete wateren. Kuifeenden rusten overdag in de beschutting van dijken of eilanden en vliegen 's nachts naar voedselgebieden die tot op 5 km (met uitschieters tot 15 km) verder liggen. Voedselgebieden bestaan uit wateren tot circa 15 m diep (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019).
Voor kuifeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
26 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn kuifeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt Meerkoet: het gebied heeft voor de meerkoet een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. Ze zijn gebonden aan ondiepe wateren. Meerkoeten slapen en zoeken voedsel in hetzelfde gebied (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor meerkoeten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn meerkoeten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Kluut: het gebied heeft voor de kluut onder andere een functie als foerageergebied. Kluten zoeken in ondiep water en losse, slikkige bodems naar kleine kreeftachtigen, insecten en wormen (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a).
Uit NDFF-gegevens blijkt dat de soort voornamelijk is waargenomen en ten noordwesten van het Natura 2000-gebied, in de Oosterschelde en ter plaatse van de Prinsesseplaat (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Steltlopers foerageren grotendeels op slikken en platen in het getijdengebied. Wanneer deze bij hoog water onder water komen te staan, vertrekken de vogels naar zogenoemde hoogwatervluchtplaatsen (HVP’s). Deze grenzen in de meeste gevallen aan de foerageerplaatsen en bevinden zich zowel binnen- als buitendijks ter plaatse van schorren en kwelderstroken aan de voet van de dijk of inlagen en waterrijke natuurgebieden. Afhankelijk van het getij vliegen de vogels hier ’s nachts of overdag naartoe. Hierbij vliegen de steltlopers voornamelijk langs de kustlijn en over open water. Ze vliegen niet ver het binnenland in en afhankelijke van de waterstand overtijen ze op relatief korte afstand van foerageergebieden binnen- of buitendijks. De steltlopers passeren de hoogspanningsverbinding daarbij niet (Tauw, 2018).
Figuur 6. Vliegbewegingen ganzen (Tauw, 2010a). Het Zoommeer is aangewezen voor de grauwe gans en rotgans. Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
27 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
5.3
Markiezaat
Het Natura 2000-gebied Markiezaat is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (Ministerie van ELI, 2010a). Effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers zijn relevant voor de broedvogels en niet-broedvogels waarvoor het gebied is aangewezen. Effecten door verstoring zijn niet relevant, omdat werkzaamheden nabij het Natura 2000-gebied zijn afgeschermd door de snelweg A58.
5.3.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
In het Natura 2000-gebied Markiezaat broeden verschillende vogels die in potentie het projectgebied kruisen tijdens de dagelijkse foerageervluchten. Voor alle broedvogels geldt dat broedgebieden zich buitendijks bevinden. Gedurende het gehele broedseizoen betreffen dit de lepelaars van de broedkolonie in het gebied en de visdieven rondom het Tholense Gat (Tauw, 2017b). De broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Dodaars: het broedbiotoop van de dodaars bestaat uit ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie, zoals de eerste verlandingsstadia (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De vogel broedt verspreid in het gebied, de randen en de Spuitkop vormen met moerassige omstandigheden geschikt broedgebied voor de vogel (Tauw, 2018). Broedende dieren zijn waargenomen net ten zuiden van Bergse Plaat, in het noordoostelijk deel van het Natura 2000-gebied (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). Voor dodaars ligt het broedgebied nabij Bergse Plaat op circa 750 m afstand van het projectgebied waar werkzaamheden plaatsvinden.
Ook overige geschikte broedgebieden bevinden zich op enkele honderden meters van het projectgebied. Voor de familie waar de dodaars toe behoort, wordt bij verstoring door gemotoriseerde voertuigen een verstoringsafstand van 50 m aangehouden. De broedgebieden liggen daarmee niet binnen de reikwijdte van effecten door verstoring (Livezey et al., 2016). • Lepelaar: het leefgebied bestaat uit intergetijdengebied, ondiep water en moeras. Op de Spuitkop is een broedkolonie aanwezig, zie Figuur 7 (Ministerie van ELI, 2010a). Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie hiervoor onder § 5.3.2. Voor lepelaars bevindt het broedgebied zich op ruim 2,5 km afstand, zie ook Afbeelding 9. Bovendien worden de broedgebieden gescheiden van het projectgebied door de spoorverbinding aan de oost- en zuidzijde en de N289 en A58 aan de zuidoost- en zuidzijde. Deze liggen dan ook niet binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. • Kluut, bontbekplevier en strandplevier: leefgebieden bestaan uit kale, schaars begroeide gronden in intergetijdengebieden en ondiep water. De vogels volgen bij voorkeur het getijdenritme en verplaatsen zich tijdens hoogwater naar gemeenschappelijke rustplaatsen. Als belangrijkste broedgebieden voor deze soorten gelden het Slik Kraaijenberg en Schor Hogewaardpolder (Tauw, 2018).
Het (potentieel) broedareaal van deze soorten is weergegeven in Figuur 7. Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie hiervoor onder § 5.3.2. Voor de steltlopers is de afstand tussen het projectgebied en broedgebied circa 1 km afstand. Bovendien worden de broedgebieden gescheiden van het projectgebied door de spoorverbinding aan de oost- en zuidzijde en de N289 en A58 aan de zuidoost- en zuidzijde. Deze liggen dan ook niet binnen de reikwijdte van effecten door verstoring.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
28 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 7. Functies voor vogels in het Natura 2000-gebied Markiezaat (Provincie Noord-Brabant, 2014).
5.3.2
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
Een mogelijke verandering van het aantal draadslachtoffers is per soort besproken: • Fuut: het gebied heeft voor de fuut onder andere een functie als foerageergebied. Buiten de broedtijd is het leefgebied van de fuut vooral geconcentreerd op grote, onbeschutte open wateren. De fuut foerageert overdag, in relatief groot, open water, zowel zoet als zout (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De fuut is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). • Geoorde fuut: het gebied heeft voor de fuut onder andere een functie als foerageergebied. Leefgebied bestaat uit zoetwaterplassen, open water (zowel zoet als zout) en moeras. De soort foerageert op bodemfauna in zoet water en op vis in zout water (Provincie Noord-Brabant, 2014; Ministerie van ELI, 2010a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c).
• Aalscholver: het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als slaapplaats. Het leefgebied bestaat uit zowel zoet als zout water met een goede vispopulatie. De vogel rust en slaapt op gemeenschappelijke plaatsen. Ze maken overdag voedselvluchten tussen broedkolonies en water waar zij op vis foerageren. Ze leggen dan grote afstanden af, tot tientallen kilometers. In het Deltagebied bevinden zich diverse broedkolonies (Ministerie van EZ, 2017b; Tauw, 2018; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Aalscholvers hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
29 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
•
•
Lepelaar: het gebied heeft voor de lepelaar onder andere een functie als foerageergebied. Het voedselbiotoop bestaat uit zoete en zoute waterpartijen met veel ondiep (10-30 cm), helder en visrijk water, waaronder in intergetijdengebied (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). De lepelaar vliegt zowel overdag als ’s nachts. Specifiek voor de lepelaarkolonie in het Markiezaat is veldonderzoek gedaan naar onder andere de vliegrichtingen. Van de kolonie in het Markiezaat vertrokken de vogels met name richting het noorden, noordwesten en westen. Slechts enkele vogels vliegen richting het zuiden en zuidoosten. Naar de kolonie toegevlogen kwamen de vogels met name uit het zuidwesten en zuiden. Zie Figuur 8 voor een weergave van de vliegrichtingen (Tauw, 2018). Kleine zwaan: het gebied heeft voor de kleine zwaan onder andere een functie als foerageergebied. De soort is gebonden aan water en uitgestrekte polders of uiterwaarden. Voedselbiotoop bestaat uit akkers en vaak ondergelopen graslanden met korte vegetatie (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is voornamelijk in het zuidelijk deel van het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Leefgebied van de populatie bevindt zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding.
Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn kleine zwanen ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Grauwe gans en brandgans: het gebied heeft voor de beide soorten een functie als foerageergebied en slaapplaats (Ministerie van ELI, 2010a). Leefgebieden bestaan uit oeverzones, moeras en nat grasland. De soorten foerageren op planten (Provincie Noord-Brabant, 2014). De ganzen vliegen elke dag tussen slaap- en foerageergebieden, zowel over dag als in het donker (Tauw, 2018). Tussen het Markiezaat en het projectgebied zijn enkele duizenden ganzen van verschillende soorten aangetroffen in de Hogerwaardpolder en Reigersbergse polder. Dit is voor de grauwe gans het meest gebruikte gebied in de regio, zie ook Figuur 6 en Figuur 8. Deze passeren de hoogspanningsverbinding niet. Aantallen die vanuit het oosten vliegen zijn verwaarloosbaar klein. Hetzelfde geldt voor de aantallen die vanuit de richting van Bergen op Zoom vliegen (Tauw, 2010; Tauw, 2017b). Bergeend: het gebied heeft voor de bergeend onder andere een functie als foerageergebied. De bergeend foerageert bij voorkeur in zacht sediment of slikken met een dun laagje water.
De vogel volgt min of meer het getijdenritme, maar foerageert ook bij vloed (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt ook dat de soort verspreid in het Natura 2000-gebied is waargenomen, met een concentratie in het zuidoostelijk deel (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor bergeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn bergeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Smient: het gebied heeft voor de smient onder andere een functie als slaapplaats en als foerageergebied (Ministerie van ELI, 2010a). Smienten slapen op groot open water zoals in estuaria en vliegen ‘s avonds naar voedselgebieden in cultuurgrasland. Rustplaatsen en voedselgebieden kunnen daarbij ver uit elkaar liggen, tot 10 km afstand (Ministerie van LNV, 2008a). Smienten zijn vooral waargenomen in het noordwestelijk en zuidoostelijk deel van het Natura 2000-gebied (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Vliegende smienten zijn niet waargenomen tijdens onderzoek (Gyimesi, 2010).
Voor smienten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn smienten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Krakeend: het gebied heeft voor de krakeend onder andere een functie als foerageergebied. De krakeend heeft een voorkeur voor ondiepe, voedselrijke (eutrofe) zoete wateren. De krakeend foerageert vaak bij of op harde oeversubstraten zoals strekdammen, vooroeververdedigingswerken en betonwanden (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor krakeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde.
In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn krakeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
30 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
•
Wintertaling: het gebied heeft voor de wintertaling onder andere een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de wintertaling beslaat zowel zoete als zoute wateren. Een belangrijke voorwaarde voor de soort is dynamiek in de water-land overgang (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt ook dat de soort verspreid in het hele Natura 2000-gebied is waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor wintertalingen is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn wintertalingen ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Pijlstaart: het gebied heeft voor de pijlstaart een functie als slaapplaats. Er komen in het gebied enkele honderden vogels voor die deels ergens anders foerageren. De pijlstaart leeft in zowel zoete als zoute wateren. De vogels rusten overdag op open water en leggen grotere afstanden af om geschikte akkers te vinden om te foerageren.
Omdat ze graag foerageren op pionierplanten en de daarin levende bodemfauna in een vochtige tot natte omgeving, vertonen de pijlstaarten voorkeur voor gebieden met dynamiek (door getij of peilfluctuaties) (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFFgegevens blijkt ook dat de soort voornamelijk is waargenomen in het zuidoostelijk deel van het Natura 2000-gebied (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor pijlstaarten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn pijlstaarten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Slobeend: het gebied heeft voor de slobeend voornamelijk een functie als foerageergebied. De slobeend komt voornamelijk op zoet water voor. De vogel foerageert in zoetwatermoerassen, natte natuurgebieden, rivierarmen, plassen en meren (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt ook dat de soort voornamelijk is waargenomen in het zuidoostelijk en noordoostelijk deel van het Natura 2000-gebied (NDFF, d.d. 29 augustus 2019).
Voor slobeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn slobeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Meerkoet: het gebied heeft voor de meerkoet voornamelijk een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. Ze zijn gebonden aan ondiepe wateren. Meerkoeten slapen en zoeken voedsel in hetzelfde gebied (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). Kluut: het gebied heeft voor de kluut met name een functie als foerageergebied. Kluten zoeken in ondiep water en losse, slikkige bodems naar kleine kreeftachtigen, insecten en wormen (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a).
De kluut is voornamelijk in het zuidelijk deel van het Natura 2000gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Bontbekplevier, zilverplevier, kanoet, bonte strandloper en zwarte ruiter: het gebied heeft voor deze soorten met name een functie als slaapplaats. (Ministerie van ELI, 2010a; Ministerie van LNV, 2008a). De soorten zijn met name in het zuid- en zuidoostelijk deel van het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019) Steltlopers foerageren grotendeels op slikken en platen in het getijdengebied. Wanneer deze bij hoog water onder water komen te staan, vertrekken de vogels naar zogenoemde hoogwatervluchtplaatsen (HVP’s). Deze grenzen in de meeste gevallen aan de foerageerplaatsen en bevinden zich zowel binnen- als buitendijks ter plaatse van schorren en kwelderstroken aan de voet van de dijk of inlagen en waterrijke natuurgebieden. Afhankelijk van het getij vliegen de vogels hier ’s nachts of overdag naartoe. Hierbij vliegen de steltlopers voornamelijk langs de kustlijn en over open water. Ze vliegen dan ok niet ver het binnenland in en afhankelijke van de waterstand overtijen ze binnen- of buitendijks. De steltlopers passeren de hoogspanningsverbinding daarbij niet (Tauw, 2018). Er zijn van steltlopers ook geen structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied waargenomen tijdens onderzoek (Tauw, 2017b).
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
31 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 8. Vliegbewegingen van (links) en naar (rechts) lepelaars vanaf de kolonie in Markiezaat (Tauw, 2018).
5.4
Krammer-Volkerak
Het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak is aangewezen in het kader van zowel de Vogel- als Habitatrichtlijn (Ministerie van EZ, 2017b). Effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers relevant voor de broedvogels en niet-broedvogels. Effecten door verstoring zijn niet relevant, omdat werkzaamheden plaatsvinden op een afstand van ongeveer 9,5 km afstand van het Natura 2000-gebied. Op een dergelijke afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De habitattypen, leefgebieden van habitatsoorten en van broedvogels en niet-broedvogels liggen buiten de reikwijdte van effecten door verstoring.
5.4.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
Het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak is voor verschillende broedvogels aangewezen. Het gaat om verschillende soorten die geschikte broedlocaties in het gebied vinden. Dit ligt op grote afstand van het projectbied, namelijk bijna 10 km. Het merendeel van de broedvogels is gebonden aan het habitat dat in het gebied gevonden wordt. Namelijk intergetijdengebieden, (grote) open wateren, schaars begroeide terreinen, ondiep water en moeras (Ministerie van LNV, 2008a). Hier vinden de verschillende steltlopers, de zwartkopmeeuw, visdief en dwergstern geschikte broedlocaties. Deze soorten maken geen pendelende bewegingen naar het projectgebied en kruisen daarmee de hoogspanningsverbinding niet. •
•
Lepelaar: Het leefgebied bestaat uit intergetijdengebied, ondiep water en moeras. De lepelaar broedt binnen het gebied op de Slikken van Heen (Ministerie van EZ, 2017b). Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie § 5.4.2. Bruine kiekendief: de bruine kiekendief broedt in waterriet van grote rietmoerassen, en slechts in enkele gevallen in smalle rietkragen langs sloten. Het foerageergebied van de vogel beslaat het rietmoeras, maar ook de daaromheen liggende agrarische gebieden tot op 7 km afstand van de nestplaats (Ministerie van LNV, 2008a). Gezien deze afstand, en de afstand van het gebied tot de hoogspanningsverbinding, is het aannemelijk dat de broedvogels vanuit Krammer-Volkerak deze niet kruisen.
5.4.2
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
De niet-broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Fuut: het gebied heeft voor de fuut onder andere een functie als foerageergebied. Buiten de broedtijd is het leefgebied van de fuut vooral geconcentreerd op grote, onbeschutte open wateren. De fuut foerageert overdag, in relatief groot, open water, zowel zoet als zout (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). • Kuifduiker: het gebied heeft voor de kuifduiker onder andere een functie als foerageergebied. Deze vogel is als vooral gebonden aan de kust, waar deze foerageert en rust in ondiepe kustzones en in brakke en zoetwatermeren die bij de kust liggen. De soort is een doortrekker en overwintert in ons land (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). Kuifduikers hebben hun leefgebied niet binnen het Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
32 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
•
•
•
•
projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Aalscholver: het gebied heeft voor de aalscholver onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. Het leefgebied bestaat uit zowel zoet als zout water met een goede vispopulatie. De vogel rust en slaapt op gemeenschappelijke plaatsen. Ze maken overdag voedselvluchten tussen broedkolonies en water waar zij op vis foerageren. Ze leggen dan grote afstanden af, tot tientallen kilometers. In het Deltagebied bevinden zich diverse broedkolonies (Ministerie van EZ, 2017b; Tauw, 2018; Ministerie van LNV, 2008a). Aalscholvers hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Lepelaar: het gebied heeft voor de lepelaar onder andere een functie als foerageergebied. Het voedselbiotoop bestaat uit zoete en zoute waterpartijen met veel ondiep (10-30 cm), helder en visrijk water, waaronder in intergetijdengebied (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). De lepelaars vanuit de kolonie op de Slikken van de Heen foerageren onder andere in poldersloten op Tholen en Beveland.
Zij vliegen zowel overdag als ’s nachts, en kruisen hierbij de hoogspanningsverbinding niet (Tauw, 2018). Kleine zwaan: het gebied heeft voor de kleine zwaan onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. De soort is gebonden aan water als slaapplaats en foerageergebied en uitgestrekte polders of uiterwaarden om te foerageren. In het najaar foerageren ze ook op het water. Slaapplaatsen kunnen tot op enkele kilometers van de foerageergebieden liggen (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). De afstand tot de hoogspanningsverbinding vanaf het Krammer-Volkerak is te groot voor kleine zwaan om de hoogspanningsverbinding vanuit het Natura 2000-gebied structureel te kruisen. Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Grauwe gans en brandgans: het gebied heeft voor deze ganzen een functie als foerageergebied en slaapplaats (Ministerie van EZ, 2017b). De landbouwgebieden in West-Brabant vormen belangrijke gebieden voor ganzen om te overwinteren. De vogels foerageren in speciaal daarvoor aangewezen gebieden, maar ook op gras- en akkerlanden die niet als foerageergebied zijn aangewezen. De ganzen vliegen elke dag tussen slaap- en foerageergebieden, zowel over dag als in het donker (Tauw, 2018).
De ganzen die in Krammer-Volkerak slapen, foerageren in foerageergebieden in de omgeving van Steenbergen en de omgeving van Fijnaart. Verder zijn vliegbewegingen tussen Hollands Diep en Volkerak waargenomen tijdens onderzoek (Tauw, 2017b). Deze vliegbewegingen vinden plaats ten noorden van de hoogspanningsverbinding, dus de vogels kruisen deze niet wanneer zij vliegen tussen slaapplaatsen en foerageergebieden. Rotgans: het gebied heeft voor de rotgans onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. Het is een wintergast van oktober t/m mei (Ministerie van EZ, 2017b). De rotgans is een kustgebonden vogel die voornamelijk voorkomt in getijdengebieden en estuaria. In de winter kan de vogel ook binnendijks verblijven, bijvoorbeeld in agrarisch gebied. Maar de soort blijft hierbij gebonden aan de kust en komt niet verder landinwaarts dan enkele kilometers. Slaapplaatsen vindt de soort in open getijdengebied (Ministerie van LNV, 2008a). Rotganzen hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde.
Bergeend, smient, krakeend, wintertaling, pijlstaart, slobeend, tafeleend, kuifeend, brilduiker en middelste zaagbek: het gebied heeft voor de aangewezen eenden onder andere een functie als foerageergebied en voor de smient ook als slaapplaats. De meeste soorten komen jaarrond voor (Ministerie van EZ, 2017b). Voor deze eenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn deze eenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Visarend: het gebied heeft voor de visarend onder andere een functie als foerageergebied. Het is een viseter die voornamelijk foerageert in zoete wateren omzoomd door bomen of moerasbos. Ze foerageren ook op zoute wateren (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). De visarend is gebonden aan water. Omdat dit niet aanwezig is binnen het projectgebied, is geschikt leefgebied voor de visarend niet aanwezig. Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde.
Slechtvalk: het gebied heeft voor de slechtvalk onder andere een functie als foerageergebied. De soort komt voornamelijk voor in waterrijke gebieden, zowel zoet als zout, maar komt ook voor in stedelijk- en
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
33 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
industriegebied, waar ze zowel in de stad zelf, als in omliggend agrarisch cultuurland jagen (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). Omdat de slechtvalk ook leefgebied kan vinden in de omgeving van het projectgebied, kunnen de dieren die voorkomen binnen het Krammer-Volkerak hier voorkomen. Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet uitgesloten. Meerkoet: het gebied heeft voor de meerkoet voornamelijk een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. Ze zijn gebonden aan ondiepe wateren. Meerkoeten slapen en zoeken voedsel in hetzelfde gebied (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). Kluut, bontbekplevier en tureluur: het gebied heeft voor deze soorten met name een functie als foerageergebied. (Ministerie van EZ, 2017b). Steltlopers foerageren grotendeels op slikken en platen in het getijdengebied. Wanneer deze bij hoog water onder water komen te staan, vertrekken de vogels naar zogenoemde hoogwatervluchtplaatsen (HVP’s).
Deze grenzen in de meeste gevallen aan de foerageerplaatsen en bevinden zich zowel binnen- als buitendijks ter plaatse van schorren en kwelderstroken aan de voet van de dijk of inlagen en waterrijke natuurgebieden. Afhankelijk van het getij vliegen de vogels hier ’s nachts of overdag naartoe. Hierbij vliegen de steltlopers voornamelijk langs de kustlijn en over open water. Ze vliegen dan ook niet ver het binnenland in en afhankelijke van de waterstand overtijen ze binnen- of buitendijks (Tauw, 2018). Steltlopers hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Er zijn van steltlopers ook geen structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied waargenomen tijdens onderzoek (Tauw, 2017b). Grutto: het gebied heeft voor de grutto onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. De soort is een zomergast en broedvogel. De vogels foerageren in open en natte vochtige gebieden, zowel in moerassen, als in ondiepe meren en overstroomde graslanden en slapen in ondiep water. Deze plaatsen zijn vaak nabij elkaar gelegen, maar kunnen ook tientallen kilometers uit elkaar liggen (Ministerie van EZ, 2017b; Ministerie van LNV, 2008a).
Voor de grutto is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. In Figuur 9 is te zien dat grutto’s in West-Brabant vrijwel niet in het binnenland voorkomen. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied van grutto’s uit het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde.
Figuur 9. Verspreiding van de grutto als niet-broedvogel in Nederland (van SOVON).
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
34 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
5.5
Hollands Diep
Het Natura 2000-gebied Hollands Diep is aangewezen in het kader van zowel de Vogel- als Habitatrichtlijn. (Ministerie van EZ, 2013b). Effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers relevant voor de broedvogels en niet-broedvogels. Effecten door verstoring zijn niet relevant, omdat werkzaamheden plaatsvinden op een afstand van ongeveer 3,5 km afstand van het Natura 2000-gebied. Op een dergelijke afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Bovendien is het gebied gescheiden van de hoogspanningsverbinding door het havengebied van Moerdijk. De habitattypen, leefgebieden van habitatsoorten en van broedvogels en nietbroedvogels liggen buiten de reikwijdte van effecten door verstoring.
5.5.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
De broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Lepelaar: het leefgebied bestaat uit intergetijdengebied, ondiep water en moeras. De lepelaar broedt op de Sassenplaat (Ministerie van EZ, 2013b). Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie hiervoor onder § 5.5.2. • Kluut: broedgebied bestaan uit kale, schaars begroeide gronden. De vogel foerageert en slaapt in de buurt van het nest (Ministerie van LNV, 2008a). Vastgesteld territorium bevindt zich met name in de Oeverlanden (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Tijdens het foerageren volgen de vogels bij voorkeur het getijdenritme en verplaatsen zich tijdens hoogwater naar zogenoemde hoogwatervluchtplaatsen (HVP’s). Deze grenzen in de meeste gevallen aan de foerageerplaatsen en bevinden zich zowel binnen- als buitendijks ter plaatse van schorren en kwelderstroken aan de voet van de dijk of inlagen en waterrijke natuurgebieden. Afhankelijk van het getij vliegen de vogels hier ’s nachts of overdag naartoe. Hierbij vliegen de steltlopers voornamelijk langs de kustlijn en over open water. Ze vliegen dan ok niet ver het binnenland in en afhankelijke van de waterstand overtijen ze binnen- of buitendijks. De steltlopers passeren de hoogspanningsverbinding daarbij niet (Tauw, 2018).
Er zijn van steltlopers ook geen structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied waargenomen tijdens onderzoek (Tauw, 2017b).
5.5.2
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
De niet-broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Lepelaar: het gebied heeft voor de lepelaar met name een functie als foerageergebied. Het voedselbiotoop bestaat uit zoete en zoute waterpartijen met veel ondiep (10-30 cm), helder en visrijk water, waaronder in intergetijdengebied (Ministerie van EZ, 2013b; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is voornamelijk in de Oeverlanden en de polder Oostersche Bekade Gorzen waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). De lepelaar vliegt zowel overdag als ’s nachts. Specifiek voor de lepelaarkolonie op de Sassenplaat is veldonderzoek gedaan naar onder andere de vliegrichtingen. De structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied zijn voornamelijk gericht van en naar het noorden. Slechts een klein deel van de vogels vliegt richting het zuiden en kruist daarbij de hoogspanningsverbinding tijdens dagelijkse voedselvluchten, zie Figuur 10 (Tauw, 2018). • Kolgans, grauwe gans, brandgans: het gebied heeft voor deze ganzen een functie als foerageergebied en slaapplaats (Ministerie van EZ, 2013b). In Figuur 11, Figuur 12 en Figuur 13 zijn kaarten opgenomen met belangrijke foerageergebieden van de drie ganzensoorten. De landbouwgebieden in West-Brabant vormen belangrijke gebieden voor ganzen om te overwinteren.
De vogels foerageren in speciaal daarvoor aangewezen gebieden, maar ook op gras- en akkerlanden die niet als foerageergebied zijn aangewezen. De ganzen vliegen elke dag tussen slaap- en foerageergebieden, zowel overdag als in het donker (Tauw, 2018). Vanuit Hollands Diep vliegen de ganzen voornamelijk richting het westzuidwesten. Een deel van de ganzen vliegt naar het zuiden in de richting van de hoogspanningsverbinding, zie Figuur 14. Deze vogels kruisen het tracé. Tussen de Volkeraksluizen en Tonnekreek zijn veel foeragerende ganzen waargenomen (ongeveer 17.000 in totaal). Er wordt aangenomen dat deze op de Sassenplaat slapen, gezien de structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied richting westzuidwest vanaf Hollands Diep (Tauw, 2017b). • Smient: het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied (Ministerie van EZ, 2013b). Smienten slapen op groot open water zoals in estuaria en vliegen ‘s avonds naar voedselgebieden in cultuurgrasland. Rustplaatsen en voedselgebieden kunnen daarbij ver uit elkaar liggen, tot 10 km afstand (Ministerie van LNV, 2008a). Voor smienten is het niet noodzakelijk om de Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
35 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn smienten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Krakeend: het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. De krakeend heeft een voorkeur voor ondiepe, voedselrijke (eutrofe) zoete wateren. De krakeend foerageert vaak bij of op harde oeversubstraten zoals strekdammen, vooroeververdedigingswerken en betonwanden (Ministerie van EZ, 2013b; Ministerie van LNV, 2008a). Voor krakeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn krakeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Wilde eend: het gebied heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied.
De soort foerageert op een verscheidenheid aan zowel plantaardig materiaal, maar ook insecten, slakjes en kreeftachtigen. De wilde eend past zich aan zijn leefgebied en het voedselaanbod aan. Ze worden met name aangetroffen in waterrijke gebieden waar ze rusten, soms 10 km van foerageergebieden vandaan (Ministerie van EZ, 2013b; Ministerie van LNV, 2008a). Voor wilde eenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn wilde eenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Kuifeend: het gebied heeft voor de kuifeend met name een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de kuifeend bestaat voornamelijk uit zoete wateren. Kuifeenden rusten overdag in de beschutting van dijken of eilanden en vliegen 's nachts naar voedselgebieden die tot op 5 km (met uitschieters tot 15 km) verder liggen. Voedselgebieden bestaan uit wateren tot circa 15 m diep (Ministerie van EZ, 2013b; Ministerie van LNV, 2008a).
Voor kuifeenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn kuifeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
36 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 10. Vliegbewegingen van lepelaars vanaf de Sassenplaat (Tauw, 2018). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer.
Figuur 11. Belangrijke foerageergebieden brandgans op basis van het totaal aantal waargenomen ganzen tijdens de veldbezoeken (Tauw, 2017b). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer. Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
37 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 12. Belangrijke foerageergebieden kolgans op basis van het totaal aantal waargenomen ganzen tijdens de veldbezoeken (Tauw, 2017b). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer.
Figuur 13. Belangrijke foerageergebieden grauwe gans op basis van het totaal aantal waargenomen ganzen tijdens de veldbezoeken (Tauw, 2017b). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
38 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 14. Vliegbewegingen van de Sassenplaat naar foerageergebieden (Tauw, 2017b). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer.
5.6
Biesbosch
Het Natura 2000-gebied Biesbosch is aanwezen in het kader van zowel de Vogel- als Habitatrichtlijn (Ministerie van ELI, 2013c). Effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers zijn relevant voor de broedvogels en niet-broedvogels waarvoor het gebied is aangewezen. Effecten door verstoring door geluid, trilling en beweging zijn niet relevant, omdat werkzaamheden plaatsvinden op een afstand van ongeveer 1,1 km afstand van het Natura 2000-gebied. Op een dergelijke afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Bovendien is het gebied gescheiden van de hoogspanningsverbinding door de Drimmelen. De habitattypen, leefgebieden van habitatsoorten en van broedvogels en niet-broedvogels liggen buiten de reikwijdte van effecten door verstoring door geluid, trilling en beweging. Hoewel de afstand tot het gebied groot is, maakt de meervleermuis gebruik van een netwerk in de omgeving en kan toename door verlichting tot verstoring zorgen. Voor deze soort is dit effect dan ook wel meegenomen.
5.6.1
Habitatrichtlijnsoorten
Meervleermuis: de meervleermuis komt in de Biesbosch verspreid voor en is gebonden aan wateren en oevers. De soort gebruikt het gebied als foerageergebied, en maakt vooral gebruik van de grotere wateren zoals de drinkwaterspaarbekkens en de kreken. Deze liggen beschut. Kraamverblijven liggen buiten het gebied, namelijk onder andere in Wagenberg en ’s Gravenmoer. Overige verblijven zijn bekend uit Hank, Dordrecht en Werkendam. Een van de belangrijke vliegroutes is de Donge, waarmee de soort het projectgebied meerdere keren kruist, namelijk nabij ’s Gravenmoer en Geertruidenberg (RVO, 2017), zie Figuur 15.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
39 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 15. Ligging van het projectgebied ten zuiden van Natura 2000-gebied De Biesbosch en ten opzichte van locaties waar meervleermuizen verblijfplaatsen hebben (blauwe cirkel) en de bekende vliegroute van de meervleermuis over de Donge die de hoogspanningsverbinding kruist (rode cirkels).
5.6.2
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
Het Natura 2000-gebied Biesbosch is voor verschillende broedvogels aangewezen. Het gaat om verschillende soorten die geschikte broedlocaties in het gebied vinden. Het merendeel van de broedvogels is gebonden aan het habitat dat in het gebied gevonden wordt. Namelijk rietland met wilgenopslag, moerasstruwelen, broekbos, oevers langs visrijk water, waterrijk landschap met overjarig waterriet en overgangen van riet naar water en/of grasland en kruidenrijke ruigten. Hier vinden de roerdomp, porseleinhoen, ijsvogel, blauwborst, snor en rietzanger geschikte broedlocaties (Ministerie van LNV, 2008a). Deze soorten maken geen pendelende bewegingen waarbij ze de hoogspanningsverbinding kruisen (Tauw 2017c). •
•
Aalscholver: de aalscholver broedt in bomen en andere verticale landschapselementen zoals hoogspanningsmasten. Deze liggen in de buurt van water met veel vis, zowel in het binnenland als langs de kust. Ze maken overdag voedselvluchten tussen broedkolonies en water waar zij op vis foerageren. Ze leggen dan grote afstanden af, tot tientallen kilometers (Ministerie van LNV, 2008a). Binnen het gebied broedt een kolonie in de Dordtse Biesbosch (RVO, 2017). Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie hiervoor onder § 5.6.3. Bruine kiekendief: de bruine kiekendief broedt in waterriet van grote rietmoerassen, en slechts in enkele gevallen in smalle rietkragen langs sloten. Het foerageergebied van de vogel beslaat het rietmoeras, maar ook de daaromheen liggende agrarische gebieden tot op 7 km afstand van de nestplaats (Ministerie van LNV, 2008a). De soort broedt verspreid in het gebied. In de Biesbosch zijn ruim voldoende rietmoerassen als foerageergebied aanwezig (RVO, 2017). Leefgebied voor de bruine kiekendief is binnen het projectgebied wel aanwezig in het agrarisch gebied. Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom mogelijk aan de orde. Echter steken roofvogels bij voorkeur geen brede stukken water over, zoals de Amer.
Daarom wordt verwacht dat de vogels uit de Biesbosch slechts incidenteel voorkomen binnen het projectgebied (Tauw, 2017c).
5.6.3
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
De niet-broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Fuut: het gebied heeft voor de fuut onder andere een functie als foerageergebied. Buiten de broedtijd is het leefgebied van de fuut vooral geconcentreerd op grote, onbeschutte open wateren. De fuut foerageert overdag, in relatief groot, open water, zowel zoet als zout (Ministerie van EZ, 2013c; Ministerie van LNV, 2008a). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
40 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
•
individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). Aalscholver: het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. Het leefgebied bestaat uit zowel zoet als zout water met een goede vispopulatie. De vogel rust en slaapt op gemeenschappelijke plaatsen. Ze maken overdag voedselvluchten tussen broedkolonies en water waar zij op vis foerageren. Ze leggen dan grote afstanden af, tot tientallen kilometers. In het Deltagebied bevinden zich diverse broedkolonies (Ministerie van EZ, 2013c; Tauw, 2018; Ministerie van LNV, 2008a). De vogels uit de kolonies van de Biesbosch foerageren binnen het gebied zelf, en daarnaast op de rivieren (Tauw, 2018). Aalscholvers hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Grote zilverreiger: het gebied heeft voor de grote zilverreiger met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De vogel wordt overal in het gebied aangetroffen. De slaapplaats ligt voornamelijk in de Polder Maltha (Ministerie van EZ, 2013c; RVO, 2017). Grote zilverreigers kunnen in het projectgebied voorkomen, vooral in de omgeving Hooge Zwaluwe en Drimmelen (Tauw, 2017c).
Lepelaar: het gebied heeft voor de lepelaar met name een functie als foerageergebied. Het voedselbiotoop bestaat uit zoete en zoute waterpartijen met veel ondiep (10-30 cm), helder en visrijk water, waaronder in intergetijdengebied (Ministerie van EZ, 2013c; Ministerie van LNV, 2008a). De nieuwe natuurgebieden in het gebied zijn met name van belang voor de lepelaar. De soort wordt voornamelijk in het noordelijk deel van de Biesbosch aangetroffen. De lepelaar vliegt zowel overdag als ’s nachts (Tauw, 2018). Lepelaars hebben hun leefgebied niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Kleine zwaan: het gebied heeft voor de kleine zwaan onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. De soort is gebonden aan water als slaapplaats en foerageergebied en uitgestrekte polders of uiterwaarden om te foerageren. In het najaar foerageren ze ook op het water. Slaapplaatsen kunnen tot op enkele kilometers van de foerageergebieden liggen (Ministerie van EZ, 2013c; Ministerie van LNV, 2008a). Op basis van uitgevoerd onderzoek kan niet worden uitgesloten dat kleine zwanen die bij Wagenberg foerageren, in de Biesbosch slapen en daarbij de hoogspanningsverbinding kruisen.
Overige waargenomen kleine zwanen kruisten de hoogspanningsverbinding niet (Tauw, 2017b). Kolgans, grauwe gans, brandgans: het gebied heeft voor deze ganzen een functie als foerageergebied en slaapplaats (Ministerie van EZ, 2013c). De landbouwgebieden in West-Brabant vormen belangrijke gebieden voor ganzen om te overwinteren. De vogels foerageren in speciaal daarvoor aangewezen gebieden, maar ook op gras- en akkerlanden die niet als foerageergebied zijn aangewezen. De ganzen vliegen elke dag tussen slaap- en foerageergebieden, zowel over dag als in het donker (Tauw, 2018). De ganzen die in de Biesbosch slapen, vliegen voornamelijk richting het oostzuidoosten, maar ook richting het zuiden waar ze foerageren in de omgeving van Hooge Zwaluwe, zie Figuur 16. Foeragerende ganzen in de omgeving van Etten-Leur vliegen richting het noordoosten, waaronder richting de Biesbosch. Hierbij kruisen zij de hoogspanningsverbinding (Tauw, 2017b).
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
41 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 16. Vliegbewegingen ganzen vanuit de Biesbosch naar foerageergebieden (Tauw, 2017b). De tracés op de kaarten zijn de alternatieven uit het MER en geeft niet het huidige tracé correct weer.
•
•
•
•
Smient: het gebied heeft voor de smient onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats (Ministerie van EZ, 2013c). Smienten slapen op groot open water zoals in estuaria en vliegen ‘s avonds naar voedselgebieden in cultuurgrasland. Rustplaatsen en voedselgebieden kunnen daarbij ver uit elkaar liggen, tot 10 km afstand (Ministerie van LNV, 2008a). Voor smienten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn smienten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Krakeend, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje en grote zaagbek: het gebied heeft voor de aangewezen eenden onder andere een functie als foerageergebied en voor de smient ook als slaapplaats. Voor krakeend is de Biesbosch het belangrijkste gebied en voor wintertaling één van de belangrijkste gebieden (Ministerie van EZ, 2013c).
Voor deze eenden is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2017b) zijn deze eenden ook niet genoemd als soorten die de verbinding structureel overvliegen. Zeearend: het gebied heeft voor de visarend onder andere een functie als foerageergebied. Het is een wintergast in het gebied die sinds 2013 ook als broedvogel voorkomt. Natuurontwikkelingsgebieden maken onderdeel uit van het territorium van de vogel. De vogels foerageren in grote moerassen, meren, estuaria, uitgestrekte kweldergebieden en soms in uiterwaarden. Nabij de Biesbosch gebruiken ze de rivieren om te foerageren (Ministerie van EZ, 2013c; RVO, 2017; Tauw, 2018). Zeearenden hebben hun leefgebied ook niet binnen het projectgebied en structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Visarend: het gebied heeft voor de visarend onder andere een functie als foerageergebied en vormt het belangrijkste gebied voor de visarend.
Ze komen in de hele Biesbosch voor en in 2016 is een broedgeval
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
42 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
vastgesteld. Het is een viseter die voornamelijk foerageert in zoete wateren, die zijn omzoomd door bomen of moerasbos. Ze foerageren ook op zoute wateren (Ministerie van EZ, 2013c; RVO, 2017; Tauw, 2018; Ministerie van LNV, 2008a). De visarend is gebonden aan water en heeft zijn leefgebied niet binnen het projectgebied. Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding zijn daarom niet aan de orde. Meerkoet: het gebied heeft voor de meerkoet voornamelijk een functie als foerageergebied. Het leefgebied van de meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. Ze zijn gebonden aan ondiepe wateren. Meerkoeten slapen en zoeken voedsel in hetzelfde gebied (Ministerie van EZ, 2013c; Ministerie van LNV, 2008a). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). Grutto: het gebied heeft voor de grutto onder andere een functie als foerageergebied en slaapplaats. De vogels foerageren in open en natte vochtige gebieden, zowel in moerassen, als in ondiepe meren en overstroomde graslanden en slapen in ondiep water.
Deze plaatsen zijn vaak nabij elkaar gelegen, maar kunnen ook tientallen kilometers uit elkaar liggen (Ministerie van EZ, 2013c; Ministerie van LNV, 2008a). De grutto heeft zijn leefgebied niet binnen het projectgebied. Het voorkomen van deze soort beperkt zich hier tot de rivieren (Tauw, 2018). Voor de grutto is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. In Figuur 9 is te zien dat ze niet in het binnenland voorkomen. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde.
5.7
Samenvatting aanwezigheid
Deze paragraaf is een samenvatting van de kwalificerende natuurwaarden die binnen de reikwijdte van mogelijke effecten voorkomen. Deze worden meegenomen naar de passende beoordeling in het volgende hoofdstuk: • Brabantse Wal: • De territoria van de broedvogels wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw liggen binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. Dodaars en geoorde fuut hebben geen territoria binnen de reikwijdte van effecten. • Tabel 6 geeft een overzicht van de broedvogels en niet-broedvogels die binnen de reikwijdte van effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers voorkomen. • Biesbosch: • De meervleermuis kruist het projectgebied wanneer deze zich verplaatst tussen verblijfplaatsen in de omgeving van de Biesbosch en foerageergebied dat zich binnen dit Natura 2000-gebied bevindt. Effecten als gevolg van een toename door verlichting in de aanlegfase en een verandering van het aantal draadslachtoffers zijn voor deze soort relevant. • Tabel 6 geeft een overzicht van de broedvogels en niet-broedvogels die binnen de reikwijdte van effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers voorkomen.