Passende beoordeling Zuid-West 380kV Oost [Deel A] - D10010204
Tekst van het document
• Markiezaat • De meesten van de Vogelrichtlijnsoorten van het Markiezaat (zowel broedvogels als niet-broedvogels) hebben geen leefgebied binnen de reikwijdte van effecten met uitzondering van een toename van draadslachtoffers. • Tabel 6 geeft een overzicht van de broedvogels en niet-broedvogels die binnen de reikwijdte van effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers voorkomen. • Zoommeer, Krammer-Volkerak en Hollands Diep: Tabel 6 geeft een overzicht van de broedvogels en niet-broedvogels die binnen de reikwijdte van effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers voorkomen.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
43 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Biesbosch
Hollands Diep
Krammer-Volkerak
Markiezaat
Zoommeer
Code en natuurwaarde Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A017 Aalscholver A021 Roerdomp A034 Lepelaar A072 Wespendief A081 Bruine kiekendief A119 Porseleinhoen A132 Kluut A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier A176 Zwartkopmeeuw A193 Visdief A195 Dwergstern A224 Nachtzwaluw A229 IJsvogel A236 Zwarte specht A246 Boomleeuwerik A272 Blauwborst A292 Snor A295 Rietzanger Vogelrichtlijnsoorten: nietbroedvogels A005 Fuut A007 Kuifduiker A008 Geoorde fuut A017 Aalscholver A027 Grote zilverreiger A034 Lepelaar A037 Kleine zwaan A041 Kolgans A043 Grauwe gans A045 Brandgans A046 Rotgans A048 Bergeend A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A053 Wilde eend A054 Pijlstaart A056 Slobeend A059 Tafeleend A061 Kuifeend A067 Brilduiker A068 Nonnetje A069 Middelste zaagbek A070 Grote zaagbek A075 Zeearend A094 Visarend
Brabantse Wal
Tabel 6: Samenvatting aanwezigheid broedvogels en niet-broedvogels binnen de reikwijdte van effecten. Groen: de soort komt niet voor binnen de reikwijdte en verdere effectbeschrijving is niet vereist. Oranje: de soort komt voor binnen de reikwijdte en een nadere effectbeschrijving is vereist in de volgende hoofdstukken van dit rapport. Geen kleur: soort kwalificeert niet voor het Natura 2000-gebied en is dus niet relevant.
44 van 77
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Biesbosch
Hollands Diep
Krammer-Volkerak
Markiezaat
Zoommeer
Code en natuurwaarde A103 Slechtvalk A125 Meerkoet A132 Kluut A137 Bontbekplevier A141 Zilverplevier A143 Kanoet A149 Bonte strandloper A156 Grutto A161 Zwarte ruiter A162 Tureluur
Brabantse Wal
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
45 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
6
EFFECTEN
Dit hoofdstuk vormt het begin van de Passende Beoordeling. In het vorige hoofdstuk is duidelijk gemaakt welke natuurwaarden afvallen omdat effecten bij voorbaat zijn uitgesloten. In dit hoofdstuk komen de effecten van het project aan de orde. Deze stap (V) volgt na stap IV: welke effecten zijn voorzien op gevoelige natuurwaarden? Het betreft hier natuurwaarden die: 1) kwalificeren voor een Natura 2000-gebied en 2) gevoelig zijn voor de effecten die zijn voorzien en 3) aanwezig zijn binnen de reikwijdte van het effect.
6.1
Toename verstoring
In deze paragraaf wordt ingegaan op effecten door verstoring. Dit is per Natura 2000-gebied beschreven voor de relevante soorten.
6.1.1
Brabantse Wal: Geluid, trilling en beweging en verlichting
De werkzaamheden vinden plaats binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal, zie Figuur 17.
Figuur 17. Ligging van het projectgebied ter hoogte van het Natura 2000-gebied de Brabantse Wal met paars = huidige verbinding en groen = nieuwe ondergrondse verbinding.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
46 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
De werkzaamheden (met name het amoveren van de huidige verbinding) leiden in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal tot een toename van geluid en bewegingen door inzet van materieel. De territoria van wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw liggen binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. Bij werkzaamheden in het broedseizoen worden broedende vogels mogelijk verstoord. Van aantasting is geen sprake omdat territoria zich niet binnen het projectgebied bevinden. Daarnaast wordt tijdens de werkzaamheden mogelijk verlichting gebruikt in het projectgebied. Deze verlichting heeft uitstraling naar de omgeving tot gevolg. Bij gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst worden mogelijk nachtactieve nachtzwaluwen verstoord.
6.1.2
Biesbosch: Verlichting
De werkzaamheden vinden plaats ten zuiden van het Natura 2000-gebied De Biesbosch, zie Figuur 18.
Figuur 18. Ligging van het projectgebied ter hoogte van het Natura 2000-gebied de Biesbosch.
Tijdens de bouw is mogelijk voorzien in verlichting van het projectgebied. Deze verlichting heeft uitstraling naar de omgeving tot gevolg. Hierdoor worden mogelijk foeragerende meervleermuizen, of meervleermuizen die vliegen tussen foerageergebied in het Natura 2000-gebied de Biesbosch en verblijfplaatsen in de omgeving verstoord. De vleermuizen zijn gebonden aan vliegroutes over water, waaronder de belangrijke vliegroute de Donge, die het projectgebied meerdere keren kruist. De meervleermuis kruist mogelijk deelverbinding 10 t/m 14 (zie paragraaf 2.1) wanneer zij vliegen van verblijfplaatsen naar de Biesbosch. Daarmee kan een negatief effect op deze soort bij gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst in de aanlegfase niet worden uitgesloten.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
47 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
6.2
Toename stikstofdepositie
6.2.1
Ecologische beoordeling
De effectbeoordeling stikstofdepositie is beschreven in een aparte rapportage, welke los bijgevoegd is bij deze Passende beoordeling (Deel B, Arcadis, 2021). In deze paragraaf staat een korte samenvatting en de conclusies uit de los bijgevoegde analyse. De aanlegwerkzaamheden voor het project leiden tot een tijdelijke depositie. De hoogste, door Aerius berekende stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 4,27 mol N/ha gedurende de aanlegfase, hetgeen overeenkomt met ongeveer 60 gram stikstof per hectare. Per vierkante meter betreft het 0,006 gram stikstof. De grootste toename van 4,27 mol/ha treedt op in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. In een groot aantal gebieden is de eenmalige toename van de stikstofdepositie echter zeer gering (in 64 Natura 2000-gebieden lager dan 0,05 mol N/ha). In de beoordeling worden de waarden gebruikt van het gehele projecteffect en zijn de waarden overeenkomstig met de Aerius-berekening. In werkelijkheid is de depositie per jaar lager, omdat de werkzaamheden over verschillende jaren uitgespreid worden. In de teksten wordt het gehele projecteffect in één keer beoordeeld en wordt gesproken over depositie N/hectare. De ecologische effecten van deze depositie zijn niet meetbaar op zowel habitattype als op individueel plantniveau, de vegetatiesamenstelling veranderd niet.
De aanleg van de hoogspanningsverbinding veroorzaakt een tijdelijk, kleine hoeveelheid stikstofdepositie. Deze eenmalige toename heeft in alle situaties een verwaarloosbaar effect op de kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden die in deze gebieden voorkomen. Hieronder wordt kort ingegaan op enkele voorbeelden van mechanisme en effecten. De volledige beoordeling is opgenomen in Deel B.
6.2.2
Betekenis van zeer lage deposities
Hoogte van stikstofdepositie Als gevolg van de depositie is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof, dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Een afname van deze soorten zou kunnen leiden tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Het project veroorzaakt een eenmalige stikstofemissie van in totaal 11,2 ton stikstof (NOx) die leidt tot stikstofdepositie op 70 Natura 2000gebieden, met een maximale stikstofdepositie van 4,27 mol N/ha. Voor de meeste habitattypen en Natura 2000-gebieden is de depositie echter ruim lager dan 4,27 mol N/ha/jaar, in de meeste Natura 2000-gebieden (n=64) lager dan 0,05 mol N/ha/jaar. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een eenmalige depositietoename van maximaal 4,27 mol/ha is de volgende berekening illustratief. • Een depositie van 4,27 mol N/ha komt overeen met een eenmalige toevoeging van 60 g N/ha of 0,006 gram per vierkante meter.
• De jaarlijkse biomassaproductie van natuurlijke habitattypen loopt doorgaans uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al., 2006). • Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (https://www.nutrinorm.nl); • Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is gemiddeld 15 - 90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 1.065 – 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing).
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
48 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Een depositie van 4,27 mol/ha (hele projecteffect) komt overeen met 0,07 - 0,20% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof van planten in natuurlijke habitats. Wanneer uitgegaan wordt van een doorlooptijd van zes jaar voor de realisatie van de hoogspanningsverbinding, betekent dat de maximale jaarlijkse depositie zelfs lager is. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een eenmalige toename van de stikstofdepositie van maximaal 4,27 mol/ha leidt daarom niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de berekende depositietoenames de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in de betreffende Natura 2000-gebieden niet meetbaar kunnen aantasten. Deze conclusie geldt ook als een habitattype of leefgebied zich nog niet in een gunstige staat van instandhouding bevindt. Het maakt daarom geen verschil of voor dit habitattype/leefgebied een behoud- of verbeterdoelstelling geldt.
Natuurlijke fluctuaties in depositie De daadwerkelijke depositie van stikstof in een specifiek jaar wordt sterk bepaald door meteorologische fluctuaties in windsnelheden, windrichtingen en neerslaghoeveelheden die in het betreffende jaar optreden. In het achtergrondrapport bij de grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland is door RIVM/PBL aangegeven dat sprake is van natuurlijke fluctuaties van de daadwerkelijke depositie van ongeveer 10% ten opzichte van de gemiddelde achtergronddepositie (RIVM.nl, 2013). De achtergronddeposities in Natura 2000-gebieden variëren tussen ca. 700 en ca. 3.500 mol/ha/jaar. Dit zijn dus fluctuaties in de orde van grootte van 70 - 350 mol/ha/jaar meer of minder ten opzichte van de achtergronddepositie. De eenmalige depositiebijdrage van het project valt volledig weg tegen de natuurlijke fluctuaties in de feitelijke depositie en is daarmee geen relevant risico voor het optreden van ongewenste effecten. Daarmee staat vast dat als gevolg van projectdepositie significant negatieve effecten zijn uitgesloten.
6.2.3
Conclusie
Stikstofdepositie kan leiden tot vermesting en verzuring van ecosystemen, met als gevolg achteruitgang van de kwaliteit van vegetaties en het verlies aan (zeldzame) soorten. Omdat planten ook voedingsstoffen nodig hebben, gaat het om de mate en in de huidige situatie over de permanente zware overbelasting van de systemen. Beoordeeld is of de eenmalige, lage depositie leidt tot een negatief effect, ten opzichte van de bestaande kwaliteit en belasting van de ecosystemen. Bovenstaande overwegingen geven een onderbouwing dat de aanleg van Zuid-West 380kV Oost niet zal (kunnen) leiden tot significant negatieve effecten van de kwaliteit van habitattypen in de betrokken Natura 2000-gebieden. Een verder toetsing van dit onderdeel is niet aan de orde.
6.3
Verandering aantal draadslachtoffers
De hoogspanningsverbindingen leiden in de huidige situatie tot draadslachtoffers. Voor de beoordeling is relevant of dit er meer of minder worden door veranderingen die zijn voorzien langs het tracé. Deze paragraaf gaat in meer detail in op deze veranderingen. Relevante aspecten daarbij zijn onder andere morfologie van de verbinding, combinaties met bestaande verbindingen en afstanden tussen bestaande en nieuwe verbindingen. De basis voor het onderzoek vormt de verandering in hoogspanningsverbindingen ten opzichte van de huidige situatie. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn verschillende situaties waarin sprake is van een toename of een afname: • Amoveren, bundeling of verkabeling (onder de grond) leidt tot een afname van draadslachtoffers. Extra verbindingen leiden tot meer draadslachtoffers. • Een toename van lengte leidt tot meer draadslachtoffers. • Wanneer hoogspanningsverbindingen parallel lopen dan is sprake van schaduwwerking. Met andere woorden, de kans dat de tweede verbinding leidt tot vogelslachtoffers is kleiner wanneer al een andere hoogspanningsverbinding voor staan, de lijn staat als het ware in de schaduw van de andere. Een vogel die de eerste verbinding succesvol passeert, daarvan is het aannemelijk dat deze de tweede lijn ook Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
49 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
passeert. Wanneer het aantal draadslachtoffers voor de eerste verbinding 1 is, dan is deze voor de tweede verbinding tot een afstand van maximaal 500 meter gemiddeld 0,5 tot 0,7 (Van Vliet et al, 2014). Dit betekent voor parallelle verbindingen met een tussenafstand van maximaal 500 meter, dat de lengte van de verbinding voor de berekening van het aantal slachtoffers met 1,7 (worst-case) wordt vermenigvuldigd. In deze paragraaf is beschreven welke effecten te verwachten zijn als gevolg van de relevante veranderingen aan de hoogspanningsverbinding. Relevante veranderingen zijn verandering van ligging en verandering van markeringen aan de bliksemdraad. Het soort vogel, vliegbeweging en biotoop zijn ook belangrijk (zie § 4.2.2) maar de aanwezigheid van biotoop bepaalt de aanwezig van soorten en de vliegbewegingen, dit zijn geen relevante veranderingen van het tracé, maar bepalen het effect van de verandering. Relevante veranderingen van het tracé zijn opgenomen in Tabel 7: 1. Het totale tracé is verdeeld in 15 delen, dit zijn de situaties. 2. Als de afstand toeneemt tussen verbindingen, kan deze als twee separate verbindingen worden gezien. Als de afstand afneemt kan sprake zijn van bundeling. De aangehouden afstand hiervoor is 500 meter. 3. Hoe langer de verbinding, hoe meer draadslachtoffers vallen.
Onder de tabel wordt per Natura 2000-gebied voor de relevante soorten ingegaan op effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers door veranderingen van het tracé. Tabel 7: Beschrijving van de situaties, zoals weergegeven in Figuur 2. Met kleur is aangegeven of een afname (groen) of toename van draadslachtoffers (oranje) te verwachten is. Situatie
Afstand tussen verbindingen
Lengte van nieuwe verbinding
1
Niet van toepassing want één verbinding.
Lengte neemt toe.
2
Niet van toepassing: verbinding komt ondergronds.
3
Niet van toepassing want één verbinding.
Lengte is gelijk.
4
Niet van toepassing want één verbinding.
Lengte is gelijk.
5
De derde verbinding ligt (grotendeels) op een afstand van meer dan 500 meter en dit is dus te zien als een aanvullende verbinding.
Aanvullende verbinding dus sprake van “aanvullende” lengte.
6
Huidige verbindingen liggen voor een deel op een afstand van meer dan 500 meter en deze komen in de nieuwe situatie dichter bij elkaar te liggen. Derhalve is sprake van een bundeling van verbindingen.
Lengte neemt af.
7
Zowel in de huidige als in de nieuwe en tijdelijke situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
Lengte neemt af.
8
Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
Lengte neemt af.
9
Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
Lengte is gelijk.
10
Zowel in de huidige als in de nieuwe en tijdelijke situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
De lengte van de nieuwe bovengrondse verbinding is groter dan de huidige bovengrondse verbinding.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
50 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
Afstand tussen verbindingen
Lengte van nieuwe verbinding
11
Zowel in de huidige als in de nieuwe en tijdelijke situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
Lengte is gelijk.
12
De oude verbinding wordt vervangen door een aantal nieuwe verbindingen die gebundeld zijn.
De lengte van de nieuwe bovengrondse verbinding is groter dan de huidige bovengrondse verbinding.
13
Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie liggen verbindingen op een afstand van minder dan 500 meter en is dus geen sprake van verslechtering of verbetering.
Lengte neemt af.
14
De afstand met de nieuwe verbinding is minder dan 500 meter en derhalve is sprake van een bundeling van verbindingen.
Lengte neemt af.
15
Het gaat van één verbinding naar twee, maar deze liggen minder dan 500 meter van elkaar en derhalve is dit te zien als één verbinding.
Lengte neemt af.
6.3.1
Brabantse Wal
In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is mogelijk sprake van een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de soorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. Deelverbinding 2 is het relevante deel van het tracé voor dit Natura 2000-gebied, dit loopt door de Brabantse Wal. Binnen deelverbinding 2 wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen door een kabelverbinding, de oude verbinding wordt geamoveerd. Hiermee is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie en zijn aanvaringen van Vogelrichtlijnsoorten met de hoogspanningsverbinding in het Natura 2000gebied en het aangrenzende gebied niet meer aan de orde.
6.3.2
Zoommeer
Voor het Natura 2000-gebied Zoommeer is een toename van het aantal draadslachtoffers voor de grauwe gans relevant. Deelverbinding 1 is het relevante deel van het tracé voor dit Natura 2000-gebied, dit ligt ten zuiden van het Zoommeer. Binnen deelverbinding 1 wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen, waarbij de oude verbinding wordt geamoveerd. De hoogspanningsverbinding loopt hier parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58, zie Figuur 19. Overvliegende grauwe ganzen moeten hier dan ook in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
51 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Hoogspanningsverbinding
Spoor A58
N289
Figuur 19. Oblieke luchtfoto van een deel van deelverbinding 1 ter hoogte van verzorgingsplaats ’t Rak gezien vanaf het oosten, met daarop de huidige hoogspanningsverbinding, de A58, de spoorverbinding en de N289 (bron luchtfoto: Cyclomedia).
6.3.3
Markiezaat
Voor het Natura 2000-gebied Markiezaat is een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de lepelaar relevant. Deelverbinding 1 en 2 zijn de relevante delen van het tracé voor dit Natura 2000-gebied, deze liggen respectievelijk ten zuiden en ten zuidoosten van het Markiezaat. Binnen deelverbinding 2 wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen door een kabelverbinding, de oude verbinding wordt geamoveerd. Daarmee verbetert de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie en zijn eventuele aanvaringen van lepelaar met de hoogspanningsverbinding niet (meer) aan de orde. Binnen deelverbinding 1 wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen, waarbij de oude verbinding wordt geamoveerd. De hoogspanningsverbinding loopt hier parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58, zie Figuur 2. Overvliegende lepelaars moeten hier dan ook in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.
6.3.4
Krammer-Volkerak
Voor het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak is een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de slechtvalk relevant. Deelverbindingen 3 t/m 7 zijn daarbij relevant voor dit Natura 2000-gebied, vanwege de ligging ten opzichte van het gebied. In de meeste van de relevante deelverbindingen (3 en 4) zijn geen veranderen ten opzichte van de huidige situatie of de situatie verbetert (6 en 7). Met name deelverbinding 5 is relevant, hier is sprake van een toename van de lengte van de verbinding. Hoewel veranderingen van hoogspanningsverbindingen mogelijk een verandering van het aantal draadslachtoffers tot gevolg hebben, is de slechtvalk een soort die overdag vliegt en een roofvogel die op zicht jaagt. Het is geen soort waarvan structureel meer slachtoffers vallen door de aanpassingen. De verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het Natura 2000-gebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. Effecten zijn uitgesloten.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
52 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
6.3.5
Hollands Diep
Voor het Natura 2000-gebied Hollands Diep is een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de soorten lepelaar, kolgans, grauwe gans en brandgans relevant. Deelverbinding 8 en 9 zijn de relevante delen van het tracé voor dit Natura 2000-gebied, deze liggen ten zuidoosten van het Hollands Diep. Binnen deelverbinding 8 neemt het aantal draadslachtoffers af als gevolg van afname van de lengte, hier is dus sprake van een verbetering. Binnen deelverbinding 9 is geen sprake van een verandering. Hier is dan ook geen sprake van een toename van het aantal draadslachtoffers. Effecten zijn uitgesloten.
6.3.6
Biesbosch
Voor het Natura 2000-gebied Biesbosch is een toename van het aantal draadslachtoffers voor de Vogelrichtlijnsoorten bruine kiekendief, grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans relevant en voor de Habitatrichtlijnsoort meervleermuis. Deelverbinding 10, 11, 12, 13 en 14 zijn de relevante delen van het tracé voor dit Natura 2000-gebied, deze liggen ten zuiden van de Biesbosch. Binnen de deelverbinding 10 neemt het aantal draadslachtoffers toe als gevolg van de extra lengte. Binnen deelverbinding 11 is geen sprake van een verandering. Binnen deelverbinding 12 neemt het aantal draadslachtoffers toe als gevolg van een toename van de lengte van de nieuwe verbinding. Binnen deelverbinding 13 neemt het aantal draadslachtoffers af als gevolg van het afnemen van de lengte. Binnen deelverbinding 14 neemt het aantal draadslachtoffers af door de bundeling en afname van lengte. Hieronder wordt per soort beoordeeld in hoeverre sprake is van negatieve effecten: • Bruine kiekendief: hoewel er sprake is van veranderingen binnen enkele van de deelverbindingen die een toename van het aantal draadslachtoffers tot gevolg kunnen hebben, is de bruine kiekendief een soort die overdag vliegt en een roofvogel die op zicht jaagt. Het is geen soort waarvan structureel meer slachtoffers vallen als gevolg van de aanpassingen.
De verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het leefgebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. • Grote zilverreiger: deze soort kruist mogelijk deelverbinding 10 en 11 op basis van hun voorkomen bij Hooge Zwaluwe en Drimmelen en een toename van het aantal draadslachtoffer is niet uitgesloten vanwege de extra lengte van deelverbinding 10. • Kleine zwaan: deze soort kruist mogelijk deelverbinding 10 en 11 op basis van voorkomen nabij Wagenberg en een toename van het aantal draadslachtoffer is niet uitgesloten vanwege de extra lengte van deelverbinding 10. • Kolgans, grauwe gans en brandgans: op basis van hun vliegbewegingen, zie Figuur 16, kruisen deze soorten mogelijk deelverbinding 10 t/m 14. Een toename van het aantal draadslachtoffer is niet uitgesloten vanwege de extra lengte van deelverbinding 10 en 12. • Meervleermuis: deze soort kruist mogelijk deelverbinding 10 t/m 14 wanneer zij vliegen van verblijfplaatsen naar de Biesbosch. De meervleermuis is een soort die echter relatief laag over de wateroppervlaktes vliegt (Mostert, 1997). De kans op aanvaringen is derhalve verwaarloosbaar en een toename van aanvaringsslachtoffers is daarom uitgesloten.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
53 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
7
TOETSING
In dit hoofdstuk worden de effecten uit het vorige hoofdstuk getoetst. Dit is de voorlaatste stap die in deze Passende Beoordeling wordt genomen (stap VI): is als gevolg van de effecten voorzien in significante effecten? Daarnaast worden mitigerende maatregelen benoemd welke nodig zijn om significante effecten te voorkomen.
7.1
Inleiding
Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat: • De werkzaamheden binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal mogelijk leiden tot verstoring van broedgebied van de wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. Het is belangrijk om na te gaan of als gevolg hiervan de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, want als dit het geval is, dan is er sprake van significante effecten. • De werkzaamheden nabij het Natura 2000-gebied Biesbosch mogelijk leiden tot verstoring van leefgebied van meervleermuis. Ook hiervan moet worden nagegaan of de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen. Indien dit het geval is, dan is sprake van significante effecten. • Uit de ecologische beoordeling stikstofdepositie blijkt dat de depositie dusdanig laag is, dat deze niet kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. • Door met name een toename in lengte van enkele van de deelverbindingen, kan het aantal draadslachtoffers voor verschillende soorten mogelijk toenemen. De nieuwe hoogspanningsverbinding kan leiden tot een afname van de omvang van de vogelpopulatie in de verschillende Natura 2000gebieden. Significant negatieve effecten zijn niet uitgesloten. Het gaat om het Natura 2000-gebied de Biesbosch, en om de volgende soorten: •
Vogelrichtlijnsoorten: grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans.
7.2
Toetsing van effecten aan instandhoudingsdoelstellingen
7.2.1
Brabantse Wal: Verstoring van Vogelrichtlijnsoorten
Effecten als gevolg van verstoring in de aanlegfase zijn tijdelijk. Deze tijdelijke effecten zijn relevant voor broedende vogels langs het tracé binnen Natura 2000-gebied. Het betreft hier wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. Wespendief Binnen de Brabantse Wal zijn tenminste acht territoria van wespendief aanwezig (Provincie Noord-Brabant, 2018). De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort ligt hoger dan dit aantal, namelijk 13 broedparen. Significant negatieve effecten zijn bij werkzaamheden in het broedseizoen niet uitgesloten. Het is noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Nachtzwaluw Binnen de Brabantse Wal zijn ruim 80 territoria van nachtzwaluw aanwezig (Provincie Noord-Brabant, 2017; Sovon). Dit is evenveel als de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort, namelijk 80 broedparen. Hoewel de soort nabij de hoogspanningsverbinding nauwelijks voorkomt (Provincie Noord-Brabant, 2018), is mogelijk sprake van verstoring van een enkel broedpaar. Significant negatieve effecten zijn bij werkzaamheden in het broedseizoen niet uitgesloten. Het is noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Zwarte specht Binnen de Brabantse Wal zijn naar schatting circa 41 (29-57) broedparen zwarte specht aanwezig, waarbij het daadwerkelijke aantal naar verwachting dichter bij de ondergrens dan bij de bovengrens ligt (Provincie Noord-Brabant, 2018).
De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort ligt op 40 broedparen. Dit ligt Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
54 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
weliswaar binnen de schatting, maar omdat het daadwerkelijke aantal naar verwachting lager ligt, wordt de doelstelling waarschijnlijk niet gehaald. Significant negatieve effecten zijn bij werkzaamheden in het broedseizoen niet uitgesloten. Het is noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Boomleeuwerik Binnen de Brabantse Wal zijn geen aantallen broedparen bekend van het gebied. Wel is bekend dat 26 tot 29 broedparen aanwezig zijn in twee van de belangrijkste broedgebieden (Provincie Noord-Brabant, 2018; SOVON). Hoewel het daadwerkelijke aantal broedparen in het gebied hoger zal zijn, is niet bekend of de instandhoudingsdoelstelling, van 100 broedparen, gehaald wordt. De soort komt verspreid in het gebied voor. Significant negatieve effecten zijn bij werkzaamheden in het broedseizoen niet uitgesloten. Het is noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen.
7.2.2
Biesbosch: Toename aantal draadslachtoffers van Vogelrichtlijnsoorten en Verstoring meervleermuis
Draadslachtoffers In Tabel 8 is een overzicht opgenomen van de niet-broedvogels waarvoor mogelijk sprake is van een negatief effect als gevolg van het project en in hoeverre de instandhoudingsdoelstelling van deze soorten in het Natura 2000-gebied Biesbosch wordt gehaald. Hieruit blijkt dat de aantallen voor kolgans (foerageerfunctie) onder de instandhoudingsdoelstelling liggen. Het gaat echter om de foerageerfunctie die de Biesbosch heeft voor deze soort. Het foerageergebied waar deze instandhoudingsdoelstelling over gaat, ligt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Deze functie wordt niet aangetast als gevolg van het voornemen, aangezien de kolganzen daarvoor de lijn niet hoeven te passeren. Significant negatieve effecten zijn voor deze soorten dan ook uit te sluiten. Het is niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Tabel 8: Overzicht van Vogelrichtlijnsoorten met mogelijke effecten als gevolg van het project in Biesbosch en de staat van instandhouding. De staat van instandhouding is gebaseerd op het gemiddeld aantal vogels over de laatste vijf jaren waarvoor aantallen bekend zijn (SOVON). Alleen het ISD voor de foerageerfunctie van kolgans wordt nu niet gehaald. *Voor deze soort zijn vier jaren met een aantal beschikbaar.
Natuurwaarde
Instandhoudings-doelstelling Biesbosch
Staat van instandhouding Biesbosch (2012-2017) (SOVON)
10 foerageerfunctie
161 foerageerfunctie
60 slaapplaats
479 slaapplaats
10 seizoensgemiddelde
15 seizoensgemiddelde
1.800 foerageerfunctie
1.639 foerageerfunctie*
34.200 slaapplaats
45.730 slaapplaats
2.300 seizoensgemiddelde
3.203 seizoensgemiddelde
870 foerageerfunctie
2.708 foerageerfunctie*
4.900 slaapplaats
8.465 slaapplaats
A027 Grote zilverreiger
A037 Kleine zwaan
A041 Kolgans
A043 Grauwe gans
A045 Brandgans
Verstoring De instandhoudingsdoelstelling voor meervleermuis in de Biesbosch is behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied voor behoud van de populatie. Betrouwbare gegevens over een trend in het Natura 2000-gebied zijn niet beschikbaar, maar landelijk is de trend stabiel. Het perspectief voor de Biesbosch is goed, maar dit is wel afhankelijk van de aanwezigheid van trekroute naar foerageergebieden, zoals ook toegelicht in paragraaf 5.6.1 (RvO, 2017). Significant negatieve effecten als gevolg van verstoring zijn niet zonder meer uitgesloten. Mitigerende maatregelen moeten daarom worden getroffen om effecten te voorkomen.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
55 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
7.3
Mitigerende maatregelen
Het is noodzakelijk om voor de duur van de werkzaamheden en/of in de gebruiksfase maatregelen te nemen voor de volgende Natura 2000-gebieden met kwalificerende natuurwaarden: • Brabantse Wal: Vogelrichtlijnsoort broedvogel: wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw; • Biesbosch: Habitatrichtlijnsoort: meervleermuis. Per gebied zijn de maatregelen hieronder beschreven.
7.3.1
Brabantse Wal
Het is noodzakelijk om voor de duur van de werkzaamheden maatregelen te nemen voor de wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw: • Voer de werkzaamheden die gepaard gaan met amoveren in het Natura 2000-gebied buiten het broedseizoen uit. • Maak geen gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst. Het resultaat van de maatregelen is dat effecten op kwalificerende broedvogels worden voorkomen. Hiermee zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.
7.3.2
Biesbosch
Het is noodzakelijk om maatregelen te nemen voor de duur van de werkzaamheden voor de meervleermuis: • Maak geen gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst ter plaatse van watergangen en in de actieve periode van de meervleermuis, bij benadering van maart t/m november. Het resultaat van deze maatregelen is dat verstoring van meervleermuizen die gebruik maken van de trekroute naar foerageergebied in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen. Hiermee zijn significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken uit te sluiten en komt het halen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar.
7.4
Cumulatie
Het project van TenneT leidt op zichzelf niet tot significant negatieve effecten als mitigerende maatregelen worden genomen. Nu is het belangrijk om het plan/project ook in samenhang met andere plannen of projecten te bekijken of dit nog steeds het geval is. Vele kleine effecten kunnen immers leiden tot één groot effect. De volgende zaken zijn relevant: • Het project van TenneT leidt tijdelijk tot een toename van verstoring. Dit kan cumuleren met andere projecten die ook leiden tot verstoring. Project F135 Vliegbasis Woensdrecht 4 leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de leefgebieden van soorten en heeft geen wezenlijk verstorend effect op soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is aangewezen. Cumulatie is dan ook niet aan de orde. • Omdat het project op zichzelf niet leidt tot negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie, zijn ook cumulatieve significante effecten als gevolg van stikstofdepositie met andere projecten uitgesloten.
4
Vergunning Wet natuurbescherming F135 Vliegbasis Woensdrecht. Kenmerk DGAN-NB / 18069497. D.d. 10 april 2018.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
56 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
8
CONCLUSIE
De laatste en afsluitende stap in deze Passende Beoordeling is het formuleren van de conclusies (stap VII).
8.1
Samenvatting
Uit de Voortoets volgt dat effecten op Natura 2000-gebieden Brabantse Wal, Zoommeer, Markiezaat, Krammer-Volkerak, Hollands Diep en Biesbosch nadere uitwerking vereisten in de Passende Beoordeling. Overige beschermde natuurgebieden liggen buiten de reikwijdte van effecten en daarom zijn effecten bij voorbaat uitgesloten. Tabel 9 geeft een overzicht van de verwachte effecten op deze Natura 2000-gebieden als gevolg van aanleg en gebruik van de hoogspanningsverbinding ZW380 Oost. Dit vormt de samenvatting van effecten voor de Passende Beoordeling. Specifiek ten aanzien van stikstofdepositie, is in de Ecologische beoordeling stikstofdepositie (Deel B bj deze rapportage) onderzocht of uitgesloten kan worden dat de aanleg van Zuid-West 380kV Oost de natuurlijke kenmerken van Natura-2000 gebieden aantast als gevolg van de depositie van stikstof. Uit de berekening van de depositie van stikstof met AERIUS Calculator blijkt dat als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost een zeer geringe eenmalige toename optreedt van stikstofdepositie binnen 70 Natura 2000-gebieden. De grootste toename van 4,27 mol/ha treedt op in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. In een groot aantal gebieden is de eenmalige toename van de stikstofdepositie echter zeer gering (in 64 Natura 2000-gebieden lager dan 0,05 mol N/ha).
Uit de bijgevoegde analyse en beoordeling stikstofdepositie blijkt dat de berekende tijdelijke toenames van stikstofdepositie zo gering zijn, dat deze op zichzelf niet leiden tot meetbare veranderingen in de samenstelling (en daarmee in de kwaliteit) van de vegetaties die deel uitmaken van de habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden waarop deze berekend zijn en neerkomen. Dergelijke kleine toenames kunnen daarmee niet leiden tot een significant negatieve effecten op de kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden.
Tabel 9: Overzicht van de effecten en consequenties als gevolg van ZW380 Oost.
Kwalificerende natuurwaarden binnen reikwijdte voorzien effect
Voorzien effect
Kans op een significant negatief effect
Noodzaak tot het nemen van mitigerende maatregelen
Broedvogels
Toename verstoring voor de duur van de werkzaamheden
Ja: wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw
Ja: wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw
Brabantse Wal
Zoommeer
Niet-broedvogels
Geen
Nee
Nee
Markiezaat
Niet-broedvogels
Geen
Nee
Nee
Hollands Diep
Niet-broedvogels
Geen
Nee
Nee
Meervleermuis
Verstoring: toename verstoring door verlichting
Ja: meervleermuis
Ja: meervleermuis
Niet-broedvogels
Geen
Nee
Nee
Natura 2000gebied
Biesbosch
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
57 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
8.2
Vergunning Wet natuurbescherming
Uit de effectbeoordeling van de Passende beoordeling blijkt dat als gevolg van de realisatie van de hoogspanningsverbinding Zuid West-380kV Oost, significant negatieve effecten op enkele kwalificerende natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal en Biesbosch niet op voorhand uitgesloten zijn. In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is gedurende de realisatiefase verstoring van de Vogelrichtlijnsoorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw niet uitgesloten. In het Natura 2000-gebied Biesbosch is gedurende de realisatiefase verstoring van de Habitatrichtlijnsoort meervleermuis niet uitgesloten. Het aanvragen van een vergunning voor de realisatie van de hoogspanningsverbinding Zuid-West 380kV Oost in het kader van de gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming (conform artikel 2.7, lid 2) is hierdoor vereist. Het is noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen om de verstoring te beperken (paragraaf 7.3). Met deze mitigatiemaatregelen is het mogelijk om de negatieve effecten te verminderen en daarmee significant negatieve effecten te voorkomen. Het uitvoeren van de zogenaamde ADC-toets, waarbij alternatieven, de dwingende redenen van openbaar belang en mogelijke compensatiemaatregelen worden onderzocht, is hierdoor niet noodzakelijk.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
58 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
BRONNEN Arcadis, 2021. Ecologische effectbeoordeing stikstofdepositie hoogspanningsverbinding Zuid-West 380kVOost. Arcadis, Arnhem. Als bijlage bijgevoegd. Dobben, H.F. van, Bobbink, R., Bal, D. & Hinsberg, A. van, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterrarapport 2397 2397. Gyimesi, A., Smits, R.R. & Prinsen, H.A.M., 2010. Vliegbewegingen van ganzen, eenden en steltlopers in het zoekgebied van hoogspanningsverbinding ZW380 Radaronderzoek rond het oostelijke deel van de Oosterschelde in winter 2009/2010. Rapport nr.: 10-084, d.d. 2 september 2010. Bureau Waardenburg, Culemborg. Livezey, Kent B., Esteban Fernández-Juricic, Daniel T. Blumstein, 2016. Database of Bird Flight Initiation Distances to Assist in Estimating Effects from Human Disturbance and Delineating Buffer Areas. Journal of fish and wildlife management. June 2016, volume 7, issue 1. Ministerie van Economische Zaken, 2013a. Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-128 | 128 Brabantse Wal. Ministerie van Economische Zaken, 2013b. Natura 2000-gebied Hollands Diep. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-111 | 111 Hollands Diep. Ministerie van Economische Zaken, 2013c. Natura 2000-gebied Biesbosch. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-112 | 112 Biesbosch.
Ministerie van Economische Zaken, 2014a. Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2014-128 | 128 Brabantse Wal (wijziging). Ministerie van Economische Zaken, 2017a. Ontwerpbesluit Natura 2000-gebied Zoommeer. Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-120 | 120 Zoommeer (ontwerpbesluit). Ministerie van Economische Zaken, 2017b. Ontwerpbesluit Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak. Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-114 | 114 Krammer-Volkerak (ontwerpbesluit). Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, 2010a. Natura 2000-gebied Markiezaat. PDN/2010-127 | 127 Markiezaat. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008a. Profielen Vogels, versie 1 september 2008. Gepubliceerd op de website van het ministerie van EZ. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018. Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitarichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden. Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2018-000 | Aanwezige waarden (ontwerp-wijziging). Mostert, 1997. 17 Meervleermuis Myotis dasycneme (Boie 1825). Uit Atlas van Nederlandse vleermuizen Onderzoek naar verspreiding en ecologie (red. H. Limpens, K. Mostert, W. Bongers). Blz. 124-150. KNNV Uitgeverij. NDFF: Nationale Databank Flora en Fauna, geraadpleegd in augustus 2019. Prinsen, H.A.M., 2017.
Effecten van Randstad380 Zuidring op beschermde soorten, provincie Zuid-Holland. Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapportnr. 17-057. Bureau Waardenburg, Culemborg. Provincie Noord-Brabant, 2014. Natura 2000 Beheerplan Markiezaat. D.d. 2014. Provincie Noord-Brabant, 2018. Beheerplan Brabantse Wal. D.d. juni 2018. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2017. Natura 2000-beheerplan Biesbosch (112). D.d. oktober 2017. Smits, R.R., Hartman, J.C., Gyimesi, A., Collier, M.P. & Prinsen, H.A.M., 2010. Vliegbewegingen van lepelaars, steltlopers en nachtzwaluwen in het zoekgebied van hoogspanningsverbinding ZW380 Radaronderzoek rond het oostelijke deel van de Oosterschelde en de Brabantse Wal in het zomerhalfjaar van 2010. Rapport nr.: 10-169, d.d. 9 december 2010.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
59 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Tauw, 2010a. Veldwerk vliegbewegingen vogels in zoekgebied ZW380. In opdracht van TenneT TSO B.V. Kenmerk R0014684432FAA-V01, d.d. 27 juli 2010. Tauw, 2010b. Veldwerk vliegbewegingen vogels in zoekgebied ZW380. In opdracht van TenneT TSO B.V. Kenmerk R002-4684432FAA-V01, d.d. 28 december 2010. Tauw, 2012. Markering van hoogspanningsverbindingen. Effectiviteit en aandachtsgebieden voor toepassing. Kenmerk R001-4806141BXH-aao-V02-NL, d.d. 19 juni 2012. Tauw, 2017a. TenneT ZW Aanvullend onderzoek vliegbewegingen. In opdracht van TenneT TSO B.V. Kenmerk R004-1232999KES-efm-V01-NL. D.d. 23 maart 2017. Tauw, 2017b. TenneT ZW Aanvullend onderzoek vliegbewegingen eenden, ganzen, zwanen en steltlopers. In opdracht van TenneT TSO B.V. Kenmerk R013-1232999ERT-kmi-V02-NL. D.d. 4 oktober 2017. Tauw, 2017c. Vereenvoudigde passende beoordeling Zuid-West Oost. Toetsing van alternatieven en varianten aan Wet natuurbescherming. Kenmerk R012-1232999WCH-evp-V02-NL. D.d. 2 mei 2017. Tauw, 2018. Milieueffectrapport Zuid-West 380kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg. Achtergronddocument Natuur. D.d. 16 januari 2018. Verbeek, R.G. & H.A.M. Prinsen, H.A.M., 2012. Draadslachtoffers bij hoogspanningsverbinding Randstad380 Noordring. Begeleidende rapportage ten behoeve van ontheffingsaanvraag ex artikel 9 Floraen faunawet. Bureau Waardenburg bv, rapport nr. 11.209, 26 januari 2012.
Vliet, van der, R.E. & M. Boerefijn, 2014. Kennisdocument over draadslachtoffers in Nederland. Overzicht van theoretische achtergronden en resultaten van literatuur- en veldonderzoek. Tauw.
Websites • • •
Kaartenmachine Natura 2000-gebieden: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx SOVON: https://www.sovon.nl/nl/gebieden. Ruimtelijke plannen: http;//www.ruimtelijkeplannen.nl
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
60 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
BIJLAGE A WIJZIGINGEN TRACE Totaaloverzicht van de huidige en nieuwe situaties langs het tracé. De ligging van de tracés is terug te vinden in Figuur 2.
Situatie
1
2
3
Lengte huidig (km)
3,3
9,4
9
Lengte nieuw (km)
4,3
10
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Voltage
150kV (RLL-WDT-RSD)
380/150 vakwerk
Mastnr
-
Portaal Rilland-1014
Bliksemdraad
2
2
Retourstroomgeleider
0
0
Afstand
nvt
nvt
Voltage
150kV (RLL-WDT-RSD)
380/150 Kabel
Mastnr
-
-
Bliksemdraad
2
nvt
Retourstroomgeleider
0
nvt
Afstand
nvt
nvt
Voltage
150kV (RLL-WDT-RSD)
380/150 vakwerk
Mastnr
-
1025-1051
Bliksemdraad
2
2
Retourstroomgeleider
0
0
Afstand
nvt
nvt
9
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Korte toelichting
Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd.
Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. 150kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed.
Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd.
61 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
4
5
Lengte huidig (km)
a: 2,6
a. 1.780 b. 2.330 c. 2.330
Lengte nieuw (km)
a: 2,6 b: 2,6
a. 1.780 b. 2.330 c. 2.330 d. 2.518
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Voltage
a: 150kV (RLL-WDT-RSD)
a: 150kV-kabel b: 380 vakwerk
Mastnr
-
1051-1059
Bliksemdraad
a: 2
a: nvt b: 2
Retourstroomgeleider
a: 0
a: nvt b: 0
Afstand
nvt
nvt
Voltage
a. 150kV (RLL-WDT-RSD) b. (RSD-GT) c. 380kV GT-BSL
a. 150kV (RLL-WDT-RSD) b. (RSD-GT) c. 380kV GT-BSL d. 380 vakwerk
Mastnr
-
1059-1066
Bliksemdraad
a. 2 b. 2 c. 2
a. 2 b. 2 c. 2 d. 2
0
a. 0 b. 0 c. 0 d. 0
a-b 30-2000m a-c 800-2000m b-c 800-2000m
a-b 30-2000m a-c 800-2000m a-d 100-2000m b-c 800-2000m b-d 350-2000m c-d 500-800m
Retourstroomgeleider
Afstand
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Korte toelichting
Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd.
Tracé waar de huidige hoogspanningsverbindingen gehandhaafd blijven en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd.
62 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
6
7
8
Lengte huidig (km)
a. 2.320 b. 1.140
a. 3.120 b. 3.190
a. 7.870 b. 7.170
Lengte nieuw (km)
b. 1.140 c. 1.760
c. 3.140 d. 2.982 e. 650
b. 7.170 c. 7.168
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
b. 380kV (GT-BSL) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1066-1071
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
b. 0 c. 0
Afstand
a-b 100-850m
b-c 300-400m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
c. 380kV (GT-BSL) d. 150/380 vakwerk e. 380kV tijdelijk
Mastnr
-
1071-1079
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
c. 2 d. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
c. 0 d. 0
Afstand
a-b 0-150m
c-d 100-300m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
b. 380kV (GT-BSL) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1079-1099
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0
b. 0
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Korte toelichting
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380 en de oude verbinding wordt geamoveerd
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gereconstrueerd wordt op een andere locatie. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100m vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380kV verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding.
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding.
63 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
9
10
11
Lengte huidig (km)
a. 8.748 b. 8.748
a. 3.019 b. 3.219
a. 5.170 b. 5.170
Lengte nieuw (km)
b. 8.748 c. 8.748
c. 3.322 d. 3.322 e. 950
b. 5.170 c. 5.170 d. 600
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
b. 0
c. 0
Afstand
a-b 50-150m
b-c 300-400m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
b. 380kV (GT-BSL) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1099-1123
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
b. 0 c. 0
Afstand
a-b 50-75m
b-c 100m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
c. 380kV (GT-BSL) d. 150/380 vakwerk e. 380kV tijdelijk
Mastnr
-
1123-1133
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
c. 2 d. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
c. 0 d. 0
Afstand
a-b 0-350m
c-d 100m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL)
b. 380kV (GT-BSL) c. 150/380 vakwerk d. 380kV tijdelijk
Mastnr
-
1133-1147
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Korte toelichting
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding.
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gereconstrueerd wordt op een andere locatie. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100m vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380kV verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden als de bestaande verbinding. Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd
64 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
12
13
Lengte huidig (km)
a. 1.360 b. 730 d. 2.000 e. 740 f. 1.000
a. 2.220 b. 1.890
Lengte nieuw (km)
a. 1.360 b. 730 c. 2.145 d. 2.000 f. 0.880
b. 1.890 c. 1.876
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
b. 0 c. 0
Afstand
a-b 50-75m
b-c 100m
Voltage
a. 150kV (RSD-GT) b. 380kV (GT-BSL) d. 380kV (GT-EHV) e. 150kV (GT-TBW) f. 150kV (GT-BD)
a. 150kv kabel b. 380kV (GT-BSL) c. 380 vakwerk d. 380kV (GT-EHV) f. 150kV (GT-BD) deel kabel.
Mastnr
-
1147-1153
Bliksemdraad
a. 2 b. 2 d. 2 e. 2 f. 2
b. 2 c. 2 d. 2 f. 2
Retourstroomgeleider
0
0
Afstand
Afstanden zijn weergegeven in de figuur onder de tabel
b-c 100-450m c-d 100-1000m c-f 60-1000m
Voltage
a. 150kV (GT-TBW) b. 380kV (GT-EHV)
b. 380kV (GT-EHV) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1153-1159
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Korte toelichting
Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100m vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380kV verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding.
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. Dit resulteert in het volgende beeld: a: wordt verkabeld b: blijft hetzelfde c: nieuwe verbinding d: blijft hetzelfde e: wordt verkabeld f: wordt gedeeltelijk verkabeld. Zie afbeelding onder tabel voor een overzicht van de nieuwe situatie.
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt
65 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Situatie
14
15
Lengte huidig (km)
a. 13.950 b. 10.180
a. 7.080
Lengte nieuw (km)
b. 10.180 c. 10.152
b. 6.505 c. 6.586
Aspect
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Korte toelichting
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
b. 0 c. 0
Afstand
a-b 50-75m
b-c 105m
Voltage
a. 150kV (GT-TBW) b. 380kV (GT-EHV)
b. 380kV (GT-EHV) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1159-1187
Bliksemdraad
a. 2 b. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0 b. 0
b. 0 c. 0
Afstand
a-b 50->2000 m
b-c 105m
Voltage
a 380kV (GT-EHV)
b. 380kV (GT-EHV) c. 150/380 vakwerk
Mastnr
-
1187-portaal Tilburg
Bliksemdraad
a. 2
b. 2 c. 2
Retourstroomgeleider
a. 0
b. 0 c. 0
Afstand
nvt
b-c 105m
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gehandhaafd blijft. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg West. Amovering verbinding tot aan Tilburg West in deze sectie meegenomen, deze loopt namelijk na dit punt op meer dan 500m afstand van de verbinding GT-EHV
Tracé waar de huidige 380kV hoogspanningsverbinding gereconstrueerd wordt op een andere locatie. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd, dit vergelijk is in de vorige sectie opgenomen. In deze sectie bevindt de 150kV lijn GTTBW zich op een grotere afstand dan 500 m.
66 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Weergave van situatie 12.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
67 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
BIJLAGE B INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN RELEVANTE NATURA 2000-GEBIEDEN Zoommeer De algemene doelen zijn: Behoud en indien van toepassing herstel van: 4. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; 5. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 6. de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 7. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Tabel 10: Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Zoommeer. Instandhoudingsdoelstellingen zijn afkomstig uit Ministerie van EZ, 2017a.
Kwalificerende natuurwaarde Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
A132 Kluut A138 Strandplevier A176 Zwartkopmeeuw A193 Visdief Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
A005 Fuut A043 Grauwe gans A046 Rotgans A048 Bergeend A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A054 Pijlstaart A056 Slobeend A061 Kuifeend A125 Meerkoet A132 Kluut
Instandhoudingsdoelstelling Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste <aantal paren>. 2.000 220 400 6.500 Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld <aantal> vogels (seizoensgemiddelde). 170 470 55 40 800 180 130 10 15 500 710 3
Markiezaat De algemene doelen zijn: Behoud en indien van toepassing herstel van: 8. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; 9. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 10. de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
68 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
11. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Tabel 11: Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Markiezaat. Instandhoudingsdoelstellingen zijn afkomstig uit Ministerie van EL&I, 2010a.
Kwalificerende natuurwaarde Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
A004 Dodaars A034 Lepelaar A132 Kluut A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
A005 Fuut A008 Geoorde fuut A017 Aalscholver A034 Lepelaar A037 Kleine zwaan A043 Grauwe gans A045 Brandgans A048 Bergeend A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A054 Pijlstaart A056 Slobeend A125 Meerkoet A132 Kluut A137 Bontbekplevier A141 Zilverplevier A143 Kanoet A149 Bonte strandloper A161 Zwarte ruiter
Instandhoudingsdoelstelling Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste <aantal paren>. 30 20 2.000 (bijdrage draagkracht voor de populatie Deltagebied) 105 (bijdrage aan de populatie Deltagebied) 220 (bijdrage draagkracht voor de populatie Deltagebied) Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld <aantal> vogels (seizoensgemiddelde tenzij anders vermeld). 200 50 680 (seizoensmaximum) 50 30 510 130 250 1.600 280 700 480 (seizoensmaximum) 150 920 140 360 1.300 (seizoensmaximum) 1.600 (seizoensmaximum) 6.400 (seizoensmaximum) 210 (seiezoensmaximum)
Brabantse Wal De algemene doelen zijn: Behoud en indien van toepassing herstel van: 1. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; 2. de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 3. de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
69 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Tabel 12: Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Instandhoudingsdoelstellingen zijn afkomstig uit Ministerie van EZ, 2013a; 2014a. Aanvullende instandhoudingsdoelstellingen uit het ontwerpaanwijzingsbesluit voor de Habitatrichtlijngebieden (Ministerie van LNV, 2018) zijn schuin gedrukt.
Kwalificerende natuurwaarde Habitattypen H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Habitatrichtlijnsoorten H1166 Kamsalamander H1831 Drijvende waterweegbree Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels