Passende beoordeling Zuid-West 380kV Oost [Deel A] - D10010204
Tekst van het document
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A] EU-204 Planologie en omgeving Zuid-West 380kV Oost Projectnummer TenneT: 002.678.20 Meridiannummer: 002.678.00 0855153 (VKA 1.0.2) TenneT T.S.O.
10 FEBRUARI 2021
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Contactpersoon ARJEN GOUTBEEK Projectleider Natuur & Biodiversiteit
M +31 6 5433 6237 E Arjen.Goutbeek@Arcadis.com
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel van Passende Beoordeling
5
1.3
Opbouw van het rapport
5
PROJECTOMSCHRIJVING
7
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
7
2.2
Werkzaamheden
8
METHODIEK
9
3.1
Beoordelingskader
9
3.2
Methode
9
3.3
Uitgangspunten
11
AFBAKENING VAN EFFECTEN
12
4.1
Aanlegfase
12
4.2
Gebruiksfase (permanente effecten)
14
4.3
Reikwijdte van effecten
15
AANWEZIGHEID KWALIFICERENDE NATUURWAARDEN
22
5.1
Brabantse Wal
22
5.2
Zoommeer
24
5.3
Markiezaat
28
5.4
Krammer-Volkerak
32
5.5
Hollands Diep
35
5.6
Biesbosch
39
5.7
Samenvatting aanwezigheid
43
EFFECTEN
46
6.1
Toename verstoring
46
6.2
Toename stikstofdepositie
48
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
3 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
6.3
7
8
Verandering aantal draadslachtoffers
49
TOETSING
54
7.1
Inleiding
54
7.2
Toetsing van effecten aan instandhoudingsdoelstellingen
54
7.3
Mitigerende maatregelen
56
7.4
Cumulatie
56
CONCLUSIE
57
8.1
Samenvatting
57
8.2
Vergunning Wet natuurbescherming
58
BIJLAGEN BIJLAGE A WIJZIGINGEN TRACE
61
BIJLAGE B INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN RELEVANTE NATURA 2000-GEBIEDEN
68
COLOFON
77
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
4 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
TenneT TSO B.V., de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in Zuidwest-Nederland aan te leggen. Het betreft de realisatie van het tracédeel vanaf station Rilland naar de landelijke ring bij Tilburg. Deze verbinding transporteert elektriciteit van productielocaties in Zeeland naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. TenneT heeft dit voornemen in 2009 bekend gemaakt. De besluitvorming over het project en realisatie ervan vindt in verschillende onderdelen plaats: • Over het deel van de verbinding tussen Borssele en Rilland heeft besluitvorming plaatsgevonden; de aanleg van dit gedeelte van de verbinding is momenteel in voorbereiding. • Momenteel vindt besluitvorming plaats over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg; de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid. • De planvorming van de verbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.
Om de hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk te maken wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK). In de aanloop naar dit Rijksinpassingsplan en voor het MER zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt overleg plaats met onder andere gemeenten en andere belanghebbenden. Dit document betreft de Passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.2
Doel van Passende Beoordeling
De Passende Beoordeling dient als plantoets ten behoeve van het inpassingspan maar is mede opgesteld ten behoeve van de vergunningaanvraag in het kader van de gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). De Passende Beoordeling richt zich op de mogelijke effecten tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Zuid-West 380kV tracé Rilland-Tilburg (hierna ZW380 Oost). Dit rapport is een beoordeling in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb en richt zich alleen op de effecten op Natura 2000-gebieden en de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante Natura 2000-gebieden.
1.3
Opbouw van het rapport
Het onderzoek dat is gedaan voor de Passende Beoordeling gaat uit van een zogenoemd trechteringsprincipe. Nadat het beoordelingskader is beschreven worden relevante zaken zodanig ingekaderd dat alleen datgene wat relevant is voor de planprocedure van het Rijksinpassingsplan en later een vergunning in het kader van de Wnb overblijft. In deze Passende Beoordeling worden zeven stappen genomen (stap I tot en met VII). Stap I t/m IV vormen een zogenoemde Voortoets. De stappen V t/m VII vormen de Passende Beoordeling. De uitkomst van elke genomen stap vormt de input van de volgende stap. Alle niet-relevante zaken worden op deze manier geëlimineerd totdat alleen relevante zaken (waarden waar effecten op voorzien zijn) overblijven. In Figuur 1 is deze trechtering schematisch weergegeven. Aan het begin van elk hoofdstuk is het voor dat hoofdstuk relevante deel van het schema weergegeven.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
5 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 1 Schematische weergave van de opbouw van deze Passende Beoordeling en de relevante vragen voor de trechtering.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
6 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
2
PROJECTOMSCHRIJVING
In dit hoofdstuk is het project omschreven. Dit is stap I van de toetsing: hoe ziet het plan er uit?
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
TenneT voorziet in een nieuwe 380kV-verbinding. Het realiseren van de nieuwe verbinding gaat gepaard met het combineren, aanpassen en amoveren van bestaande verbindingen. Hierin is echter niet over de volledige lengte van het tracé eenzelfde aanpassing gemaakt, maar leiden verschillende bestaande situaties tot verschillende inrichtingen. In Figuur 2 is een overzicht van 15 onderscheidende situaties weergegeven. De onderscheidde deelverbindingen zijn gekozen op basis van landschapsmorfologie. Hieronder volgt een samenvatting van deze 15 onderscheidende situaties, in Bijlage A staat de meer uitgebreide beschrijving per deeltracé: 1. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 2. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd; 150kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed. 3. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 4. Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd. 5. Huidige hoogspanningsverbindingen blijft gehandhaafd en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. 6. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd.
De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380kV en de oude verbinding wordt geamoveerd. 7. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 8. Huidige 380kV hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding. 9. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding. 10. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden als de bestaande verbinding. 11. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd.
De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 12. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. 13. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. 14. Huidige 380kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg-West en amoveren verbinding tot aan Tilburg-West. 15. Huidige 380kV hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150kV-verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
7 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 2: Overzicht nieuwe hoogspanningsverbinding ZuidWest 380kv-Oost tussen Rilland en Tilburg.
2.2
Werkzaamheden
Deze werkzaamheden vinden niet tegelijkertijd over de gehele lengte van het tracé plaats. Op één of meerdere locaties wordt gewerkt en de werkzaamheden schuiven langs het tracé op. De werkzaamheden, niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde, zijn als volgt: • Vrijmaken ruimte voor tijdelijke wegen en bouwterrein, sloop en bouw van verbindingen. • Bouw nieuw 150kV hoogspanningsstation • Aanpassingen aan bestaande 150kV hoogspanningsstations • Uitvoeren ondergrondse kabelverbinding in open ontgraving • Uitvoeren boring: • • • •
Bouw nieuwe gecombineerde verbinding: • • • • • • • • • •
•
Aanleggen werkwegen en werkterrein (geotextiel / tijdelijke verharding) per mast. Aanbrengen funderingspalen (mogelijk door heien). Ontgraven bouwput per mast. Aanbrengen fundering. Aanvoer mast in delen. Plaatsen masten met een kraan. Aanbrengen isolatoren. Indien nodig bouwen van jukken. Aanbrengen trekdraad. Intrekken geleiders.
Indien van toepassing: sloop verbinding: • • • • • •
•
Aanleg van intrede- en uittredepunt. Uitleggen buis. Bij het afpompen bij het in- en uittredepunt wordt water meteen teruggebracht in het gebied waardoor de grondwaterstand niet daalt.
Verwijderen geleiders. Demonteren masten. Afvoeren masten. Vrijleggen mastvoeten (graven). Verwijderen bovenste deel fundering (tot 2 m diepte). Aanvullen gaten rond mastvoeten/herstel bouwvoor.
Opruimen: • • •
Verwijderen tijdelijke verharding en geotextiel. Herstel oude maaiveld, watergangen en dergelijke. Eventueel inzaaien.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
8 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
3
METHODIEK
3.1
Beoordelingskader
Beschermde gebieden De Wnb kent voor de Natura 2000-gebieden een toetsingskader. De bescherming van het NNN verloopt via het provinciale ruimtelijke beleid. Ten aanzien van de bescherming van bijzondere nationale en provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is in de Wnb geen regeling opgenomen. Provincies kunnen -wanneer zij een dergelijk gebied aan zouden wijzen- daarvoor zelf een regeling opstellen. Regels ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst Natura 2000-gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Op de aanwijzing of wijziging van de aanwijzing van gebieden is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (deze besluiten staan dus open voor bezwaar en beroep), tenzij het een wijziging van ondergeschikte aard is (artikel 2.1).
Gedeputeerde staten - en in bepaalde gevallen het Ministerie van LNV - zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000gebieden en moeten ook -indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen (artikel 2.2). Daarnaast moet er voor ieder Natura 2000-gebied een beheerplan worden opgesteld (artikel 2.3). Beoordeling Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor deze projecten wordt de vergunning alleen verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren.
Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen, mag de vergunning alleen worden verleend wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een dwingende reden van groot openbaar belang wordt gediend en er compenserende maatregelen worden getroffen (de ADC-toets). Wanneer er sprake is van significante gevolgen voor een prioritair habitat of prioritaire soort en de dwingende reden van groot openbaar belang is een reden van sociale of economische aard, dient in aanvulling op de ADC-toets door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een advies gevraagd te worden aan de Europese Commissie voordat de vergunning wordt verleend. De te nemen compenseren maatregelen moeten onderdeel uitmaken de vergunning voor het betreffende project. Een eventueel in te richten compensatiegebied dient de status van Natura 2000-gebied te krijgen (artikel 2.7 lid 2 en lid 3 en 2.8 lid 1-8).
3.2
Methode
Gezien de verschillende aard van kwalificerende natuurwaarden worden de volgende methoden toegepast in het rapport. Afbakening In het eerste deel van het rapport worden de effecten afgebakend. Aan de hand van de projectbeschrijving wordt bepaald welke effecten mogelijk optreden. Vervolgens wordt beschreven wat de reikwijdte van die effecten is. Aan de hand daarvan is te bepalen welke Natura 2000-gebieden relevant zijn voor de toetsing. In de vervolgtoetsing (Passende Beoordeling) wordt specifiek gekeken voor de Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte welke effecten optreden op de kwalificerende habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
9 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Beoordeling habitattypen Voor habitattypen wordt kwantitatief bepaald welk ruimtebeslag is voorzien. Vervolgens wordt de afname gerelateerd aan de huidige staat van instandhouding en wat de afname betekent voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Ten aanzien van stikstofdepositie wordt gekeken of de achtergronddepositie de kritische depositiewaarde overschrijdt. Wanneer dat het geval is, dan is er sprake van een overbelaste situatie. Wanneer als gevolg van een project de stikstofdepositie toeneemt én de situatie overbelast is, dan moet beoordeeld worden of voorzien is in een ecologische verandering en daarom van een significant negatief effect. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, is er sprake van een significant negatief effect. Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Voor Habitatrichtlijnsoorten wordt bepaald of de populatie afneemt door directe effecten als doden of verstoren maar ook indirect door afname van leefgebied. Deze beoordeling is kwalitatief en waar mogelijk ook kwantitatief en aan de hand van de beoordeling wordt gekeken of de instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, is er sprake van een significant negatief effect.
Beoordeling Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels Voor broedvogels wordt bepaald of de populatie afneemt door directe effecten als doden of verstoren maar ook indirect door afname van leefgebied. Deze beoordeling is kwalitatief en waar mogelijk ook kwantitatief. Aan de hand van de beoordeling wordt gekeken of de instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, is er sprake van een significant negatief effect. Beoordeling Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels Het beoordelen van effecten op niet-broedvogels uit Natura 2000-gebieden gebeurt door te kijken naar: • of populaties zich in of nabij werkgebieden bevinden en daarom hinder ondervinden van de werkzaamheden; • welke kwalificerende vogelsoorten mogelijk een effect ondervinden van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Dit is bepaald door van populaties te onderzoeken of deze de oude en de nieuwe verbinding passeren; • vervolgens is kwalitatief bepaald er een invloed is op de populatie van het Natura 2000-gebied voor de kwalificerende vogels waarvoor een effect is voorzien.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
10 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
3.3
Uitgangspunten
Voor de toetsing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • In dit rapport wordt beoordeeld in welke Natura 2000-gebieden een effect te verwachten is. Vervolgens richt de beoordeling zich op de Natura 2000-gebieden en de natuurwaarden en populaties van deze beschermde natuurgebieden. De Passende beoordeling verschilt hierin wezenlijk van een beoordeling aan de soortbescherming van de Wnb, waarin een meer algemene uitspraak over vogelpopulaties in Nederland wordt gedaan. • Over het gehele tracé is in de huidige situatie een bliksemdraad aanwezig. Ook in de toekomstige situatie is langs de volledige lengte voorzien in een bliksemdraad. • Voor de toetsing is uitgegaan dat over de gehele lengte van het nieuwe tracé geen retourstroomgeleider wordt gerealiseerd. • Voor de toetsing wordt uitgegaan dat opgaande begroeiing langs het tracé wordt verwijderd. Op termijn wordt per locatie gekeken waar dit ook echt nodig is. • Voor beoordelingen in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb is het nodig om uit te gaan van een worst case benadering op het moment dat het effect niet helemaal duidelijk is. In geval geen significant negatief effect is voorzien in de worst case, dan is voor andere scenario’s die een kleiner effect hebben, het effect ook uit te sluiten. In het rapport wordt daar waar relevant aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan.
• Voor dit rapport is gebruik gemaakt van het veldonderzoeken en informatie aangeleverd door TenneT, zoals opgenomen in de bronnenlijst. • Bij de toetsing is niet uitgegaan van het toepassen van draadmarkeringen. Deze zijn in de huidige situatie ook niet aanwezig. Indien uit de toetsing blijkt dat draadmarkering wenselijk is, wordt draadmarkering toegepast en zal dit als mitigerende maatregel aan de vergunning moeten worden verbonden. Voor draadmarkering wordt uitgegaan van het gebruik van ‘varkenskrullen’. Er zijn diverse typen draadmarkering, maar ‘varkenskrullen’ zijn relatief eenvoudige voorzieningen en het blijkt dat deze effectief zijn: de afname van de hoeveelheid draadslachtoffers loopt uiteen van 48% tot 100%. Het merendeel van de studies rapporteert een afname van meer dan 70% (Tauw, 2012). Een dergelijke waarde komt ook uit de monitoring van de Randstad 380 Zuidring (Prinsen, 2017). Hoewel in die rapportage ook gesteld wordt dat de daadwerkelijke effectiviteit lastig is te valideren omdat er geen referentietellingen zijn zonder draadmarkeringen. Een afname is echter wel degelijk aannemelijk. • De voor de toetsing gebruikte gegevens van het tracé zijn weergegeven in Tabel 1. Tabel 1: Gegevens die gebruikt zijn voor de toetsing.
Deelgebied
Versie
Rilland – Tilburg
Shape-files met datum 07-08-2020, aangeleverd door TenneT.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
11 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
4
AFBAKENING VAN EFFECTEN
Aanleg en gebruik van de nieuwe hoogspanningsverbinding leidt mogelijk tot effecten op Natura 2000gebieden en bijbehorende populaties van beschermde soorten. In §4.2 en §4.3 wordt bepaald welke effecten relevant zijn voor een nadere analyse (stap II): welke aanpassingen zorgen voor een mogelijk effect? Vervolgens wordt de reikwijdte bepaald in §4.3 (Stap III): welke effecten zijn relevant en wat is de reikwijdte. Op basis van de beoogde werkzaamheden worden leidt de aanlegfase tot een tijdelijk 1) ruimtebeslag en toename van 2) geluid, trilling en visuele prikkels door beweging, toename van 3) verlichting, toename van 4) stikstofdepositie en 5) hydrologische effecten. Effecten in de gebruiksfase zijn het gevolg van 6) ruimtebeslag en 7) een verandering van het aantal draadslachtoffers. Deze zeven effecten worden in dit hoofdstuk behandeld en waar relevant wordt de reikwijdte van het effect bepaald.
4.1
Aanlegfase
4.1.1
Ruimtebeslag
Ruimtebeslag betreft de fysieke bedekking van een oppervlak door het project. Ruimtebeslag kan ten koste gaan van de huidige natuurwaarden die aanwezig zijn of leiden tot verlies van de functie die het gebied heeft voor soorten die in de omgeving voorkomen. Ruimtebeslag kan leiden tot vermindering van natuurwaarden en verkleining van het leefgebied. Ruimtebeslag is relevant voor alle natuurwaarden die zich binnen de begrenzing van het ruimtebeslag bevinden. Hierbij gaat het niet alleen om de daadwerkelijke aanwezigheid, maar ook om de functie die de delen binnen het ruimtebeslag hebben voor soorten. Ruimtebeslag beperkt zich tot het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden. Het enige Natura 2000gebied waar het tracé doorheen loopt is Brabantse Wal. Hier wordt het tracé geboord vanaf buiten de rand van het gebied en is alleen sprake van een ondergrondse ligging van de verbinding. Daarmee is geen sprake van ruimtebeslag tijdens de aanlegfase. Daarnaast wordt de bestaande verbinding binnen het gebied geamoveerd. Daarbij vinden werkzaamheden in het gebied plaats en is sprake van positief ruimtebeslag, omdat op de locatie van de masten uitbreiding van natuurwaarden mogelijk is. Dit wordt niet meegenomen in de toetsing omdat niet bekend is welke natuurwaarden zich ontwikkelen. Het amoveren wordt wel getoetst onder verstoring (2 & 3).
Ruimtebeslag op Natura 2000-gebieden is uitgesloten. Dit effect is in de volgende beoordeling niet meegenomen.
4.1.2
Toename geluid, trilling en beweging
De werkzaamheden leiden tot een toename van geluid en bewegingen door inzet van materieel. Bij verstoring door werkzaamheden is vaak niet te onderscheiden of de verstoring wordt veroorzaakt door geluid, trilling of beweging. Deze vormen van verstoring treden tegelijkertijd op. De veroorzaakte verstoring is dan ook een combinatie van geluid, trilling en beweging die leidt tot een reactie. Geluid, trilling en optische prikkels zijn belangrijke factoren in de verstoring van fauna. Verstoring kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. Er kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continue verstoring door bijvoorbeeld geluid. Diersoorten zijn gevoelig voor verstoring. De werkzaamheden leiden tot een tijdelijke verandering van geluidsverstoring voor de omgeving. De aanlegwerkzaamheden en aanvoer van materiaal leiden tot geluidsverstoring over de volledige lengte van het tracé en de werkwegen. Dit leidt mogelijk tot effecten op kwalificerende soorten die in de omgeving voorkomen. Dit effect is daarom in de volgende beoordeling meegenomen.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
12 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
4.1.3
Toename verlichting
Kunstmatige verlichting van de omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. In de huidige situatie is nabij de bebouwing en langs de weg al verlichting aanwezig. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij aangetrokken of juist verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Schemer- en nachtactieve dieren zijn gevoelig voor verlichting. Hierbij moet gedacht worden aan vleermuizen, maar ook kleine grondgebonden roofdieren zijn vaak nachtactief. Ook van vogels is bekend dat deze gevoelig zijn voor verstoring van licht. Het gaat hierbij om broedende (weide)vogels: de effecten zijn echter nog niet bekend. Onderzoek naar de effecten van licht is nog in volle gang, maar in dit onderzoek wordt ervan uitgegaan dat broedende en rustende vogels mogelijk hinder ondervinden van onnatuurlijke lichtbronnen. Tijdens de bouw is mogelijk voorzien in verlichting van het projectgebied. Deze verlichting heeft uitstraling naar de omgeving. Dit effect is in de beoordeling meegenomen.
4.1.4
Toename stikstofdepositie
Stikstofdepositie leidt tot vermesting (verrijking) van ecosystemen via de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen, duinen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Vooral (veelal soortenrijke) kruidenvegetaties met plantensoorten die langzaam groeien, klein en laag blijven en die zijn aangepast aan een situatie van permanent ‘voedselgebrek’ zijn gevoelig voor vermesting. Stikstofdepositie kan leiden tot verrijking van de voedselsituatie (vermesting), waardoor grotere, sneller groeiende en meer concurrentiekrachtige planten de soortenrijke vegetaties kunnen overwoekeren (verruiging). Stikstofdepositie kan ook verzurend werken, waarbij bodem en grondwater chemisch van karakter veranderen en waardoor soorten en habitattypen van basische, neutrale en zwak zure omstandigheden kunnen verdwijnen.
De oorspronkelijk aanwezige planten worden daarbij vrijwel geheel verdrongen en/of verdwijnen en er ontstaat dus een ander vegetatietype. In hoeverre en in welke mate effecten door stikstofdepositie optreden, is afhankelijk van lokale factoren als hydrologische conditie, fosforgehalten, zuurgraad en het gevoerde beheer. De toename als gevolg van bouwverkeer leidt tot een eenmalige emissie van in totaal 11,2 ton stikstof (NOx) en daarmee tot depositie, verspreid over de werkperiode. Daarbij wordt uitgegaan van een doorlooptijd van zes jaar voor de realisatie van de hoogspanningsverbinding. Omdat het hier om een eenmalige bijdrage gaat, is dit effect onder de effecten van de aanlegfase ingedeeld. Relevant voor de veranderende depositie van stikstof zijn stikstofgevoelige natuurwaarden (zowel habitattypen als leefgebieden van kwalificerende soorten) in een overbelaste situatie. Gevoelige natuurwaarden zijn die natuurwaarden: • Die gevoelig of zeer gevoelig zijn voor de depositie van stikstof volgens Van Dobben et al., 2012 én; • Waar de achtergronddepositie1 de kritische depositiewaarde2 van het gevoelige habitattype overschrijdt én; • Als gevolg van de werkzaamheden een toename van de stikstofdepositie ontvangt. De tijdelijke toename van stikstof is wel meegenomen.
1 De aanwezige stikstofdepositie in de huidige situatie waarin de bijdrage van verkeer, industrie, verkeer, landbouw, etc. is
meegenomen. 2 Het niveau van de stikstofdepositie waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast (Van Dobben et al., 2012). Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
13 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
4.1.5
Hydrologische effecten
Hydrologische effecten zijn die effecten die een verandering van de (grond)waterstanden ten opzichte van het maaiveld tot gevolg hebben. Voor het hydrologische effect zijn die soorten relevant die gevoelig zijn voor een verandering van de waterstanden. Dat gaat om soorten die afhankelijk zijn van hoge waterstanden. In dit geval moet gedacht worden aan planten met specifieke eisen aan de groeiplaats, bijvoorbeeld in moerassen en veenweides. Ook voor weidevogels geldt dat deze natte gebieden nodig hebben, omdat alleen bij hoge waterstanden de bodemfauna waar weidevogels afhankelijk van zijn, dusdanig hoog in de bodem voorkomen dat deze te bereiken tijdens het foerageren. Hydrologische effecten treden op als langere tijd geboord moet worden. Voor de duur van de boring kan het noodzakelijk zijn om water af te pompen om het werkgebied droog te houden. De hoogspanningsverbinding wordt onder het Natura 2000-gebied Brabantse Wal door geboord. Er wordt echter van uitgegaan dat bij het afpompen bij het in- en uittredepunt, water meteen wordt teruggebracht in het gebied en de grondwaterstand daarmee niet daalt. Er is derhalve geen sprake van hydrologische effecten op Natura 2000-gebieden. Dit effect is in de volgende beoordeling niet meegenomen.
4.2
Gebruiksfase (permanente effecten)
4.2.1
Ruimtebeslag
Ruimtebeslag treedt al op in de aanlegfase en wordt daar behandeld. Zie §4.1.1.
4.2.2
Verandering aantal draadslachtoffers
Hoogspanningsverbindingen leiden tot slachtoffers onder vogels die tegen de draden aanvliegen. Het aantal draadslachtoffers is afhankelijk van een aantal factoren, deze zijn aangegeven in Tabel 2.
Tabel 2: Factoren en invloed op het aantal draadslachtoffers bij elektriciteitsleidingen (zie voor details Tauw, 2014).
Factor
Verandering draadslachtoffers
Soort
De kans op aanvliegen is afhankelijk van de soort: lichaamsbouw bepaalt wendbaarheid. Plaatsing van ogen bepaalt in hoeverre draden kunnen worden waargenomen.
Meteorologie
Bij mist, zware bewolking, veel wind en neerslag is het aantal draadslachtoffers hoger dan bij weer met beter zicht.
Bundeling fasedraden
Het effect van de bundeling van fasedraden is niet significant.
Bliksemdraad
Bliksemdraden zijn slechter zichtbaar dan fasedraden. Deze draden zorgen dan ook voor de meeste slachtoffers. Uit onderzoek blijkt dan ook dat markering van bliksemdraden leidt tot significant minder slachtoffers: ongeveer 60% lager bij vogels die overdag en ’s nachts vliegen. Voor nachtvliegers is dit slechts 10%.
Retourstroomgeleider
Net als bliksemdraad.
Bundeling van verbindingen
Bundeling van verbindingen leidt mogelijk tot een kleiner aantal draadslachtoffers dan twee losse verbindingen samen. Bij bundeling wordt uitgegaan van twee, op minimale afstand van elkaar gelegen, verbindingen die parallel lopen.
Spanningsniveau
De volgende effecten zijn waargenomen: • In open landschappen meer slachtoffers bij lager spanningsniveau in vergelijking met een hoger spanningsniveau. • In meer gesloten landschappen meer slachtoffers bij hoger spanningsniveau in vergelijking bij een lager spanningsniveau.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
14 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Factor
Verandering draadslachtoffers •
In meer gesloten landschappen zijn minder slachtoffers dan in open landschappen bij hetzelfde spanningsniveau.
Er is geen verklaring gegeven voor bovenstaande zaken, maar dit hangt mogelijk ook samen met dat niet voldoende statistische onderzoeken voor handen zijn en met de biotoop (zie hieronder). Biotoop
Aantal slachtoffers is het hoogst in wetlands, lager in open grasland en het minst in gesloten landschappen. Dit verschil komt mogelijk door aantal vliegbewegingen: in open landschappen zijn meer vliegbewegingen dan in meer gesloten landschappen. Bovendien komen vogels in open landschappen meer geconcentreerd voor. Het bewegen van een concentratie van vogels leidt tot meer draadslachtoffers dan een incidentele vogel die verspreid de lijn passeert. Er is ook een andere verklaring mogelijk: hoewel verbindingen in gesloten landschappen meer verstopt liggen, zijn vogels uit dergelijke landschappen meer gewend om met “hindernissen” als takken en bomen om te gaan.
Vliegrichting
Wanneer de algemene vliegrichting de verbinding loodrecht kruist, zijn er meer slachtoffers dan bij meer parallel gelegen verbindingen.
In de huidige situatie zijn al hoogspanningsverbindingen aanwezig. De vraag is of het nieuwe tracé leidt tot een significant negatieve verandering van het aantal slachtoffers. Hierbij zijn de volgende zaken van belang: • Soort die de leiding kruist (dit hangt samen met vliegbeweging en aanwezigheid van biotopen in de omgeving). • Lengte van de nieuwe verbinding. • Bundeling van verbindingen (ligging in het landschap). • Aanwezigheid van draadmarkeringen. • Aanwezigheid van retourstroomgeleider. Als gevolg van de nieuwe hoogspanningsverbinding vinden veranderingen plaats van het tweede en derde punt. Dit betekent dat het aantal draadslachtoffers kan veranderen. Wanneer het gaat om kwalificerende vogelsoorten, is het relevant of de populaties van de Natura 2000-gebieden veranderen als gevolg van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Dit effect is in de nadere beoordeling meegenomen.
4.3
Reikwijdte van effecten
4.3.1
Relevante effecten
De begrenzing van het studiegebied wordt bepaald door de reikwijdte van effecten. In de vorige twee paragrafen is aangegeven met welke effecten in de nadere beoordeling rekening gehouden moet worden. Tabel 3 geeft een overzicht van de mogelijke effecten en de kwalificerende natuurwaarden waar de effecten relevant op zijn.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
15 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Tabel 3: Selectie van mogelijke effecten en kwalificerende soorten waar deze mogelijk effect op hebben. Kwalificerende waarden Mogelijke effecten Habitattypen
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten
Aanlegfase (tijdelijke effecten) Toename geluid, trilling en beweging
◼
◼
Toename verlichting
◼
◼
◼
◼
Toename stikstofdepositie
◼
Gebruiksfase (permanente effecten) Verandering aantal draadslachtoffers
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
◼
16 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
4.3.2
Ligging van het projectgebied
In de vorige paragraaf zijn de relevante effecten en soortgroepen bepaald. Vervolgens is het van belang om te kijken welke Natura 2000-gebieden in de omgeving liggen. Figuur 3 laat zien welke Natura 2000-gebieden mogelijk binnen de reikwijdte van de effecten, met uitzondering van stikstofdepositie 3, liggen. In Tabel 4 zijn de afstanden van het tracé tot de Natura 2000-gebieden opgenomen. Het effectbereik van stikstofemissies is hier niet in meegenomen omdat de emissies als gevolg van het bouwverkeer ten behoeve van de (tijdelijke) bouw- en aanlegactiviteiten tot over grotere afstanden kunnen reiken en daarmee een groot aantal Natura 2000-gebieden kunnen raken. De voor stikstofdepositie relevante Natura 2000-gebieden worden bij dit effect benoemd.
Biesbosch Langstraat Hollands Diep Krammer-Volkerak
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Zoomme er Markiezaat Brabantse Wal
Figuur 3 Ligging van Natura 2000-gebieden (blauw: Vogelrichtlijngebied, geel: Habitatrichtlijngebied, groen: Vogelrichtlijngebied + Habitatrichtlijngebied).
Tabel 4: Afstanden van tracé tot Natura 2000-gebieden die in de nabijheid van het tracé liggen. Niet alle gebieden die overlap hebben met de stikstofemissiepluim zijn hierin meegenomen. Beschermd natuurgebied
Kortste afstand tot tracé
Brabantse Wal
0 meter
Markiezaat
<100 meter
Biesbosch
1,2 km
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
1,5 km
Langstraat
1,7 km
Hollands Diep
3,3 km
Zoommeer
3,3 km
3 De reikwijdte van dit effect wordt bepaald door de Aerius-rekening.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
17 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Beschermd natuurgebied
Kortste afstand tot tracé
Krammer-Volkerak
9,6 km
4.3.3
Relevante Natura 2000-gebieden en reikwijdte van effecten
Uit de vorige paragrafen blijkt welke effecten relevant zijn en welke beschermde natuurgebieden in de omgeving liggen. De instandhoudingsdoelstellingen/kwalificerende natuurwaarden voor deze gebieden zijn opgenomen in Bijlage B. Aan de hand van deze informatie wordt de reikwijdte bepaald en welke gebieden en welke kwalificerende natuurwaarden relevant zijn voor de effectbeoordeling. De reikwijdte verschilt per type effect. In Tabel 5 is dit per gebied beschreven. Uitzondering hierop is de reikwijdte van stikstofemissie en -depositie. De emissiepluim van stikstof kan tot over grote afstand reiken en daarmee overlap hebben met veel Natura 2000-gebieden. Op voorhand is niet te stellen op welke gebieden enige mate van stikstofdepositie berekend wordt. Omdat het effect op die gebieden alleen beperkt is tot stikstofdepositie, worden deze gebieden niet individuele beschreven. De reikwijdte van dit effect wordt beschreven in het los bijgevoegde Deel B: Ecologische beoordeling stikstofdepositie.
Tabel 5: Beoordeling van relevante kwalificerende natuurwaarden voor de effectbeoordeling, per type effect. Natura 2000-gebied
Mogelijk effect
Brabantse Wal
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Zoommeer
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Markiezaat
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Relevant voor het Natura 2000-gebied? Ja, de werkzaamheden vinden plaats aan de grens van het Natura 2000-gebied en er wordt onder het gebied door geboord. Daarnaast wordt de bestaande verbinding in het gebied geamoveerd. Daarom zijn effecten van geluid, trilling, beweging en verlichting niet bij voorbaat uitgesloten.
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren, is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt.
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een aanzienlijke afstand (zie Tabel 4). Verder is het Natura 2000-gebied van de hoogspanningsverbinding gescheiden door de A58. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt.
Nee, de werkzaamheden vinden niet plaats in dit Natura 2000-gebied. De werkzaamheden die dicht
18 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Natura 2000-gebied
Mogelijk effect
Relevant voor het Natura 2000-gebied?
Toename verlichting
bij het Natura 2000-gebied uitgevoerd worden, vinden plaats aan de zuidkant van de A58 en de rest van het tracé tot na de Brabantse Wal wordt geboord. Effecten als gevolg van verstoring zijn uitgesloten.
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Krammer-Volkerak
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Hollands Diep
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren, is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt.
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een aanzienlijke afstand (zie Tabel 4). Voor dit Natura 2000-gebied kwalificeren naast habitattypen kleine modderkruiper en noordse woelmuis. Op een dergelijk afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van voorgenoemde soorten in het Natura 2000-gebied. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren, is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt.
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een aanzienlijke afstand (zie Tabel 4). Het Natura 2000-gebied en de hoogspanningsverbinding zijn van elkaar gescheiden door het havengebied van Moerdijk. Voor dit Natura 2000-gebied kwalificeren naast habitattypen vogels, vissen, bever en noordse woelmuis. Op een dergelijk afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van voorgenoemde soorten in het Natura 2000-gebied. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.
Gebruiksfase
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
19 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Natura 2000-gebied
Biesbosch
Mogelijk effect
Relevant voor het Natura 2000-gebied?
Verandering aantal draadslachtoffers
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren, is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt.
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging
Toename verlichting
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Langstraat
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Aanlegfase Toename geluid, trilling en beweging Toename verlichting
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 1,2 km. Het Natura 2000-gebied en de hoogspanningsverbinding zijn van elkaar gescheiden door de Drimmelen. Voor dit Natura 2000-gebied kwalificeren verschillende vogelsoorten, vissen, meervleermuis, bever, noordse woelmuis en platte schijfhoren. Op een dergelijk afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van voorgenoemde soorten in het Natura 2000-gebied. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten. Ja, hoewel de afstand tot het Natura 2000-gebied groot is, maakt de meervleermuis gebruik van een netwerk in de omgeving. Het is noodzakelijk om de effecten van verlichting op de populatie meervleermuizen in de Biesbosch in ogenschouw te nemen.
Ja, het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is mogelijk dat de omgeving een functie heeft voor de populatie vogels in het Natura 2000-gebied. Op het moment dat vogels met dagelijkse vliegbewegingen de nieuwe hoogspanningsverbinding passeren, is het mogelijk dat er een verandering van de populatie in het Natura 2000-gebied optreedt. Daarnaast is het gebied aangewezen voor de meervleermuis, ook de effecten op deze soort zijn relevant.
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 1,7 km. Het Natura 2000-gebied en de hoogspanningsverbinding zijn van elkaar gescheiden door de bebouwde kom van WaspikZuid en Nieuwe Vaart. Voor dit Natura 2000gebied kwalificeren naast habitattypen alleen de grote en kleine modderkruiper. Op een dergelijk afstand hebben werkzaamheden geen effecten op de populaties van voorgenoemde soorten in het Natura 2000-gebied. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.
Nee, dit Natura 2000-gebied is alleen aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Dit effect is uitgesloten.
Nee, het Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 1,5 km. Het Natura 2000-gebied en de hoogspanningsverbinding zijn van elkaar 20 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Natura 2000-gebied
Mogelijk effect
Relevant voor het Natura 2000-gebied? gescheiden door de N261. Voor dit Natura 2000gebied kwalificeren naast habitattypen kamsalamander en drijvende waterweegbree. Op een dergelijke afstand hebben werkzaamheden o de populaties van voorgenoemde soorten in het Natura 2000-gebied. Directe effecten als gevolg van verstoring op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.
Gebruiksfase Verandering aantal draadslachtoffers
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
Nee, dit Natura 2000-gebied is alleen aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Dit effect is uitgesloten.
21 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
5
AANWEZIGHEID KWALIFICERENDE NATUURWAARDEN
In dit hoofdstuk is de aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden beschreven. Hierbij gaat het alleen om de Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte, waarbij alleen de kwalificerende natuurwaarden zijn opgenomen (zie voor instandhoudingsdoelstellingen Bijlage B) waarvan in het vorige hoofdstuk effecten niet bij voorbaat zijn uitgesloten (met uitzondering van stikstofdepositie, dit is opgenomen in Deel B, de Ecologische beoordeling stikstofdepositie).
In het vorige hoofdstuk is tijdens uitvoering van stap III bepaald wat de reikwijdte van de effecten is. In dit hoofdstuk wordt de volgende stap (IV) uitgevoerd: welke relevante (gevoelig voor de voorziene verandering) natuurwaarden komen voor binnen de reikwijdte? Aan het einde van dit hoofdstuk is duidelijk voor welke gebieden en welke soorten een nadere uitwerking in een Passende Beoordeling is vereist. Dit vormt de conclusie van de Voortoets.
5.1
Brabantse Wal
Het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is aangewezen in het kader van zowel de Vogel- als Habitatrichtlijn. Het noordelijk deel, waar de verbinding doorheen loopt, is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (Ministerie van EZ, 2014a). Omdat werkzaamheden plaatsvinden aan de grens van het gebied, er onderdoor wordt geboord en de huidige verbinding wordt geamoveerd, is verstoring aan de orde. Habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijnsoorten liggen in het zuidwestelijk deel van het gebied, buiten de reikwijdte van effecten als gevolg van verstoring. Habitatrichtlijnsoorten hebben geen last van verstoring omdat onder het gebied door wordt geboord en leefgebieden van de populatie in het gebied zich niet tot buiten het gebied strekken. Daarnaast zijn effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers relevant voor de broedvogels waarvoor het gebied in het kader van de Vogelrichtlijn is aangewezen.
5.1.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
Figuur 4 en Figuur 5 laten zien op welke locaties nabij het tracé van de hoogspanningsverbinding kwalificerende Vogelrichtlijnsoorten voorkomen. • Dodaars: de belangrijkste broedplaats van de dodaars betreft het Groote Meer. Als deze droogvalt moeten de broedvogels uitwijken naar andere vennen. Bij Zoomland zijn ook territoria vastgesteld (Provincie Noord-Brabant, 2018). • Geoorde fuut: de geoorde fuut komt in de Brabantse Wal alleen voor in De Kleine en De Groote Meer en soms in het Zwaluwmoer. Zowel in De Kleine als De Groote Meer kunnen tientallen paren in los kolonieverband nestelen wanneer er voldoende water is (Provincie Noord-Brabant, 2018). Dodaars en geoorde fuut zijn gebonden aan de (heide)vennen en komen niet voor in de buurt van de bestaande hoogspanningsverbinding (Tauw, 2017c). Broedgebieden bevinden zich voornamelijk in het zuidelijk deel van de Brabantse Wal, ten zuiden van Hoogerheide en Huijbergen. Voor dodaars ook in het noordelijk deel, bij Zoomland. Deze laatste bevindt zich op minder dan 300 m afstand van het projectgebied, waar werkzaamheden plaatsvinden. Voor de familie waar de dodaars en fuut toe behoren wordt bij verstoring door gemotoriseerde voertuigen een verstoringsafstand van 50 m aangehouden. De broedgebieden liggen daarmee niet binnen de reikwijdte van effecten door verstoring (Livezey et al., 2016).
En ook een verandering in draadslachtoffers is niet aan de orde.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
22 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
Figuur 4. Kaart met aanwezigheid van Vogelrichtlijnsoorten in het noordelijk deel van Brabantse Wal (Provincie NoordBrabant, 2018) en bij benadering de huidige verbinding (doorgetrokken lijn) en nieuwe verbinding ondergronds (onderbroken lijn) weergegeven ter hoogte van het gebied.
Figuur 5. Kaart met aanwezigheid van Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten in het noordelijk deel van Brabantse Wal (Provincie Noord-Brabant, 2018) en bij benadering de huidige verbinding (doorgetrokken lijn) en nieuwe verbinding ondergronds (onderbroken lijn) weergegeven ter hoogte van het gebied.
Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
23 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
Wespendief: In het beheerplan is genoemd dat de Brabantse Wal momenteel tenminste acht territoria van de wespendief telt. Hiervan bevindt het merendeel zich in het noordelijk gebied, namelijk in bosreservaat Mattemburgh, landgoed Zoomland en de Wouwse Plantage. Daarnaast liggen enkele territoria verspreid over het Nederlands deel van het Grenspark (Provincie Noord-Brabant, 2018). Door Tauw is onderzoek gedaan in 2010 en in 2016. Toen zijn geen waarnemingen van wespendieven in de nabijheid van de hoogspanningsverbinding gedaan. Het is echter wel aannemelijk dat de soort de verbinding kruist, op basis van de ligging van de territoria. Veel vluchten vinden plaats boven de boomkronen, maar ze kunnen ook laag door het bos en over open plekken in het bos vliegen (Tauw, 2018). Territoria liggen binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. Nachtzwaluw: de nachtzwaluw komt verspreid voor in de Brabantse Wal, met uitzondering van enkele delen, waaronder de zone bij Bergen op Zoom (landgoed Mattemburgh, Zoomland en Lievensberg) en dus nabij de hoogspanningsverbinding. De belangrijkste gebieden wat betreft aantallen en dichtheden zijn onder andere de Borgvlietsche Duinen en het Woeste Gedeelte van de Wouwse Plantage in het noordelijk deel van de Brabantse Wal. Deze terreinen zijn relatief groot en open met stuifzandheide en stuifzand met veel bosranden en kapvlakten.
De nachtzwaluw heeft in West-Brabant een voorkeur voor territoria in bos. Sterk vergraste heideveldjes of kapvlakten worden gemeden (Provincie Noord-Brabant, 2018). De bestaande verbinding doorsnijdt het territorium van een nachtzwaluw. Er zijn tijdens onderzoek twee territoria vastgesteld nabij de huidige verbinding. Deze liggen daarmee binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. Tijdens onderzoek bleek dat de vogel de huidige verbinding geregeld kruist (Tauw 2017a). Zwarte specht: De zwarte specht komt verspreid voor in de gehele Brabantse Wal. De soort is hier gebonden aan oud gemengd bos van enige omvang. Op landgoed Mattemburgh is de dichtheid van broedparen vrij hoog met 3 tot 4 paren/100 ha (Provincie Noord-Brabant, 2018). Naar schatting kruisen 2 à 3 paren tijdens voedselvluchten elke dag de huidige verbinding (Tauw, 2010a). Territoria liggen ook binnen de reikwijdte van effecten door verstoring. Boomleeuwerik: De boomleeuwerik komt verspreid voor in de Brabantse Wal op open zandige heideterreinen met verspreide bomen, jonge opstanden van grove den of berk en open oud dennenbos met ijle bodembedekking. Tot de belangrijke gebieden behoren de Wouwse Plantage (Borgvlietsche Duinen) en Woensdrechtse Heide met territoria langs bosranden.
De hoogste dichtheden worden echter aangetroffen op het militair oefenterrein Ossendrecht, de handgranaatbaan van de Koningin Wilhelminakazerne, de Staartsche Heide en de drooggevallen oevers van De Groote en De Kleine Meer (Provincie Noord-Brabant, 2018). In 2010 zijn geen territoria nabij de verbinding aangetroffen. In jaren daarvoor (2004 – 2008) zijn wel minimaal 2 broedparen vastgesteld. De vogels kruisen de verbinding tijdens zang- en/of voedselvluchten (Tauw, 2010a). De aanwezigheid van territoria binnen de reikwijdte van effecten is niet uitgesloten.
5.2
Zoommeer
Het Natura 2000-gebied Zoommeer is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (Ministerie van EZ, 2017a). Effecten als gevolg van een verandering van het aantal draadslachtoffers zijn relevant voor de broedvogels en niet-broedvogels waarvoor het gebied is aangewezen. Effecten door verstoring zijn niet relevant, omdat het gebied op een afstand van ongeveer 3,5 km ligt en de A58 de hoogspanningsverbinding en het gebied scheidt.
5.2.1
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels
De broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Kluut: het Zoommeer was oorspronkelijk als broedgebied voor de kluut aaneengesloten met de Oosterschelde, maar is nu afgesloten door de Oesterdam. De kluut nestelt op kale of schaars begroeide terreinen (Ministerie van EZ, 2017a). Uit NDFF-gegevens blijkt dat in de laatste vijf jaar geen broedende kluten zijn waargenomen in het Zoommeer. Broedende vogels zijn waargenomen ten noordwesten van het Natura 2000-gebied, in de Oosterschelde (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Binnen het Natura 2000gebied werd eerder gebroed op de Prinsesseplaat en langs de Oesterdam (Tauw, 2018). Voor vliegbewegingen is geen onderscheid gemaakt in broed- en niet-broedvogels, zie hiervoor onder § 5.2.2. • Strandplevier: de strandplevier verblijft vrijwel uitsluitend in kustgebieden (estuaria). Deze soort volgt bij voorkeur het getijdenritme en verplaatst zich tijdens hoogwater naar gemeenschappelijke rustplaatsen. Ook voor deze soort geldt dat de afgesloten zeearm (en daarmee afwezigheid van getij) zorgt dat relatief weinig vogels in het gebied voorkomen (Ministerie van EZ, 2017a). Er zijn geen broedende Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
24 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
strandplevieren waargenomen binnen het Natura 2000-gebied (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). De soort broedde op de Prinsesseplaat (Tauw, 2018). Omdat de soort verblijft in kustgebieden en geen dagelijkse vliegbewegingen tussen functies binnen en buiten het Natura 2000-gebied vereist zijn, zijn structurele vliegbewegingen langs de hoogspanningslijn niet voorzien. Zwartkopmeeuw: de nestplaats van deze soort wordt gekenmerkt door een korte vegetatie bij aanvang van het broedseizoen. Ze hebben een voorkeur voor recent aangelegde eilandjes of kunstmatige zandvlaktes van industrieterreinen en vloeivelden. De vogels broeden in kolonies, ook met andere soorten. Leefgebied bestaat uit zoet- en zoutwatergebieden (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). Uit NDFF-gegevens blijkt dat in de laatste vijf jaar geen broedende zwartkopmeeuwen zijn waargenomen in het Zoommeer. Broedende vogels zijn gezien ten noordwesten van het Natura 2000gebied, in de Oosterschelde (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Zwartkopmeeuwen vliegen vrijwel niet door het projectgebied (Tauw, 2017b). Visdief: de visdief broedt vooral in kustgebieden op kale of schaars begroeide terreinen, bij voorkeur op eilanden of kwelders (Ministerie van EZ, 2017a). Uit NDFF-gegevens blijkt dat in de laatste vijf jaar geen broedende visdieven zijn waargenomen in het Zoommeer.
Broedende vogels zijn gezien ten noordwesten van het Natura 2000-gebied, in de Oosterschelde (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Door visdieven wordt naar open water gevlogen om te foerageren. Voor de aanwezige kolonie visdieven bij het Tholens Gat is dit naar de Oosterschelde en het Zoommeer. De vogels uit de kolonie vliegen dan ook niet door het projectgebied (Tauw, 2017b).
5.2.2
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels
De niet-broedvogels komen op de volgende locaties voor: • Fuut: buiten de broedtijd is het leefgebied van de fuut vooral geconcentreerd op grote, onbeschutte open wateren. De fuut foerageert overdag, in relatief groot, open water, zowel zoet als zout (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). De fuut is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Deze soort kent geen dagelijkse vliegbewegingen waardoor structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde zijn (Tauw, 2017c). • Grauwe gans: het gebied heeft voor de grauwe gans een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Na de afsluiting met de Oesterdam is de populatie sterk toegenomen (Ministerie van EZ, 2017a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). De landbouwgebieden in West-Brabant vormen belangrijke gebieden voor ganzen om te overwinteren. De vogels foerageren in speciaal daarvoor aangewezen gebieden, maar ook op gras- en akkerlanden die niet als foerageergebied zijn aangewezen. De ganzen vliegen elke dag tussen slaap- en foerageergebieden, zowel over dag als in het donker (Tauw, 2018).
Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied vinden zowel van en naar het noorden, als van en naar het zuiden vanuit het Zoommeer plaats, zie Figuur 6. • Rotgans: het gebied heeft voor de rotgans onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De rotgans is een kustgebonden vogel die na de afsluiting met de Oesterdam in aantallen in het gebied is afgenomen (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). Het is een kustgebonden vogel die minder ver het binnenland in komt dan andere ganzen, zoals grauwe gans of kolgans. Uit NDFF-gegevens blijkt dat de soort voornamelijk is waargenomen ter plaatse van en ten westen van de Oesterdam (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Direct ten westen van de Oesterdam is een slaapplaats van enkele honderden rotganzen is aanwezig (Tauw, 2010a). Structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied beperken zich tot de noordzijde van het Natura 2000-gebied, zie Figuur 6. • Bergeend: het Natura 2000-gebied heeft voor de bergeend een functie als foerageergebied. De bergeend foerageert bij voorkeur in zacht sediment of slikken met een dun laagje water. De vogel volgt min of meer het getijdenritme, maar foerageert ook bij vloed (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a).
Uit NDFF-gegevens blijkt dat de soort voornamelijk is waargenomen ter plaatse van en ten westen van de Oesterdam en ten noorden van de Prinsesseplaat (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Voor de populatie van deze soort binnen het Natura 2000-gebied bevinden leefgebieden zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000-gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn bergeenden ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. • Smient: het gebied heeft voor de smient een functie als slaapplaats en als foerageergebied (Ministerie van EZ, 2017a). Smienten slapen op groot open water zoals in estuaria en vliegen ‘s avonds naar Onze referentie: D10010204:53 - Datum: 10 februari 2021
25 van 77
PASSENDE BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING [DEEL A]
•
•
•
•
•
voedselgebieden in cultuurgrasland. Rustplaatsen en voedselgebieden kunnen daarbij ver uit elkaar liggen, tot 10 km afstand (Ministerie van LNV, 2008a). Smienten zijn vooral waargenomen ten noordwesten van het Natura 2000-gebied, in de Oosterschelde (NDFF, d.d. 29 augustus 2019). Vliegende smienten zijn niet waargenomen tijdens onderzoek (Gyimesi, 2010). Voor smienten is het niet noodzakelijk om de hoogspanningsverbinding (een deel van het jaar) dagelijks te kruisen omdat leefgebieden van de populatie van deze soort zich aan dezelfde kant van de hoogspanningsverbinding bevinden. Daarmee zijn structurele vliegbewegingen van individuen uit de populatie van het Natura 2000gebied langs de hoogspanningsverbinding niet aan de orde. In het onderzoek van Tauw (2018) zijn smienten ook niet genoemd als een soort die de verbinding structureel overvliegt. Krakeend: het gebied heeft voor de krakeend een functie als foerageergebied. De krakeend heeft een voorkeur voor ondiepe, voedselrijke (eutrofe) zoete wateren. De krakeend foerageert vaak bij of op harde oeversubstraten zoals strekdammen, vooroeververdedigingswerken en betonwanden (Ministerie van EZ, 2017a; Ministerie van LNV, 2008a). De soort is verspreid in het Natura 2000-gebied waargenomen (NDFF, d.d. 29 augustus 2019).