HD Bijlage 2 TPvE MFA Willemstad
Tekst van het document
tussen de 19 °C en 24 °C
Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C
Berekend conform NEN-EN ISO 7730
www.icsadviseurs.nl
24/ 57
Voor de gymzaal, speellokaal en kinderopvang gelden afwijkende eisen: Operatieve temperatuur gymzaal Operatieve temperatuur zomer
tussen de 20 °C en 25,5 °C
Operatieve temperatuur winter
tussen de 17 °C en 21 °C
Hierdoor zijn bij zeer hoge buitentemperaturen en hittegolven hogere binnentemperaturen geaccepteerd, mits de duur van de overschrijding beperkt blijft. Ook hiervoor geldt dat van de installatie-adviseur wordt verwacht hierin te adviseren.
Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C
Individuele regeling
Temperatuur toestellenberging minimaal 15°C, kleed- en doucheruimten minimaal 20°C
De operatieve temperatuur in het stookseizoen voor ruimten waar niet gewerkt wordt of langdurig verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 18 °C.
Operatieve temperatuur speellokaal Operatieve temperatuur zomer
tussen de 20 °C en 25 °C
Operatieve temperatuur winter
tussen de 18 °C en 20 °C
Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C
De bepaling van het verwarmingsvermogen dient te geschieden op basis van een buitentemperatuur van minimaal -10°C, een absolute luchtvochtigheid van 1 gr/ kg en een windsnelheid van 5 m/ s. Te bepalen op basis van NEN 5066 middels het Vabi-VA101 computerprogramma.
Operatieve temperatuur kinderopvang Voor groepsruimten in het stookseizoen
tussen de 20°C en 22 °C
Voor slaapruimten in het stookseizoen
tussen de 15 °C en 18 °C (beheersbaar)
Voor groepsruimten in de zomer*
tussen de 22 °C en 27 °C
Voor slaapruimten in de zomer
Alg: maximaal 25 °C 0 – 18 maanden: max 18 °C
Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C * Voor Frisse scholen klasse B geldt een glijdende temperatuurschaal in de zomer en het tussenseizoen, waarbij de grenswaarden van de maximum binnen temperatuur enigszins oplopen met de gemiddelde buitentemperatuur van de afgelopen 7 dagen volgens de volgende formule: Operatieve temperatuur binnen = 0,33 lopende gemiddelde buitentemperatuur + 16,4 ± 3°C www.icsadviseurs.nl
Benodigd verwarmingsvermogen
Reeds in een vroeg ontwerpstadium dient te worden nagegaan of ten gevolge van zoninstraling, de aanwezigheid van personen, de interne warmteontwikkeling (waaronder verlichting, apparatuur en dergelijke) en de systeemkeuze de behaaglijkheidsgrens niet ontoelaatbaar wordt overschreden en/ of onderschreden. Voor de meest kritische ruimten en vertrekken dient door middel van berekeningen van de temperatuuroverschrijdingen aangetoond te worden dat het aantal genoemde uren in de richtlijnen niet overschreden wordt. Met name ruimten met apparaten zoals computers of laptops en keukenapparatuur en ruimten met veel mensen vragen om aandacht.
Enkel gymzaal: ▪ De verwarmingsinstallatie dient de zaalruimte te verwarmen tot minimaal 20°C en toestellenberging tot minimaal 15°C bepaald door een warmteverliesberekening conform NEN-normen en ISSO-publicaties, laatste versie. 25/ 57
▪ ▪
De verwarmingsinstallatie dient bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen ten gevolge van ballen en sporters. Scholen kunnen beleid maken op temperaturen waarbij (buiten) gesport wordt/niet gesport wordt.
Enkel speellokaal: ▪ Er dient een temperatuur van 22°C gehaald te kunnen worden voor onderwijsgebruik bepaald door een warmteverliesberekening conform NENnormen en ISSO-publicaties, laatste versie. Aandachtspunten ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪
Individuele bediening dient intuïtief te bedienen/ gebruiksvriendelijk te zijn zonder dat dit de energetische prestatie negatief beïnvloedt. Positionering van individuele regeling is zodanig dat deze duidelijk zichtbaar is, niet in de weg zit voor regulier gebruik van de ruimte en er geen schade optreedt bijvoorbeeld bij het openen van de deur. Voor het gebruik van klaslokalen en groepsruimten dient uitgegaan te worden van 30 leerlingen + 1 docent. De klimaatinstallatie moet in staat zijn om in korte tijd te reageren op pieken en dalen in de bezetting (bvb lege klas versus volle klas) Zowel voor de afgiftecapaciteit als voor de capaciteit t.b.v. opwekking dient het systeem ruim gedimensioneerd te zijn. Er is een buitenthermometer aanwezig t.b.v. het buiten slapen.
6.2.1 Ventilatie en luchtbeweging Alle ruimten in het gebouw dienen in voldoende mate geventileerd te worden. De ventilatie in het gebouw dient minimaal te voldoen aan de ventilatie-eisen die zijn omschreven in het Bouwbesluit en in de Arboregelgeving. Verkeersgebieden waar zit-/ werkplekken worden gerealiseerd dienen geventileerd te worden. CO2-concentratie
Voor de kinderopvang gelden andere eisen, maximaal 1000 ppm in groepsruimten en maximaal 800 ppm in slaapruimten. De luchtkwaliteit wordt continue gecontroleerd, groeps- en slaapruimten zijn uitgerust met een CO² meter (met signaalfunctie) en is goed afleesbaar en slaat gegevens bij voorkeur minstens 12 maanden op. Let op positionering sensor. Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal ▪
▪ ▪ ▪
Er geldt aanvullend een ventilatiedebiet van 40 m3/uur per persoon, met een minimum ventilatievoud van eenmaal de totale ruimte-inhoud per uur of 7 m3/m2/uur. De ventilatie dient regelbaar te zijn voor zowel gymzaal als speellokaal De ventilatie dient op mechanische wijze te geschieden. Ook de toestellenberging dient te worden voorzien van ventilatievoorzieningen.
Enkel gymzaal: ▪ De ventilatie-installatie dient bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen ten gevolge van ballen en sporters. ▪ De toevoer van de verse lucht dient rechtstreeks van buiten te komen. ▪ De ruimte-inhoud van de gymzaal dient minimaal in een uur te kunnen worden geventileerd. ▪ Het geluidsniveau dient, tezamen met andere niet met de sport verwante bronnen, minder dan 40 dB(A) te zijn. ▪ De kleedruimten zijn uitgerust met mechanische ventilatie met een ventilatievoud van tenminste 6. ▪ De doucheruimten zijn uitgerust met mechanische ventilatie met een ventilatievoud van tenminste 10. Zorgvuldig aandacht dient te worden besteed aan het samenspel tussen luchtinblaasrichting, reactiesnelheid, inblaassnelheid, inblaastemperatuur en de (te verwachten) comfortbeleving1 hiervan. De klimaatinstallatie dient op deze punten via het GBS instelbaar en meetbaar te zijn.
De grenswaarde van de CO2-concentratie in de onderwijs- en kantoorruimten in het Bouwbesluit en Frisse Scholen klasse B is bij nieuwbouw gesteld op 950 ppm CO2. Ventilatiedebiet van minimaal 8,5 dm3/s (30,6 m3/uur) per persoon.
Luchtsnelheden
1 Bijvoorbeeld voor het voorkomen van ‘tocht’ en tochtgerelateerde klachten.
2 Conform het PvE Frisse scholen v. sep 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
Aan de luchtsnelheden in verblijfszones worden maxima2 gesteld:
26/ 57
Maximale luchtsnelheden zomer (0,5 clo)
≤ 0,20 m/ s
Spuiventilatiecapaciteit3
Maximale luchtsnelheden winter (1,0 clo)
≤ 0,16 m/ s
Capaciteit van de spuiventilatievoorzieningen
6 dm³/ s / m²
Verticale temperatuurgradiënt eerste meter boven vloer
≤3K
Verblijfsruimten
ten minste 4 te openen geveldelen
Oppervlak te openen delen boven 1,80 m
≥ 30%
Oppervlak te openen delen onder 1,80 m
≥ 30%
Luchtsnelheden ten gevolge van verwarming en ventilatie mogen in de sportruimte niet hoger zijn dan 0,5 m/s tot een hoogte van 3 meter.
Aandachtspunten ▪ ▪
▪ ▪
Beperk luchtsnelheden in toevoerkanalen ter voorkoming van geluidsoverlast. De ventilatie van opbergruimtes voor schoonmaakmaterialen en opstelruimten van kopieermachines en de ventilatie van ICT-ruimten (computerruimten) inclusief de ruimte gereserveerd voor de server. Waar nodig aparte afzuiging toepassen bij dergelijke emissiebronnen. Geadviseerd wordt de verkeersruimten als verblijfsgebied te beschouwen zodat ook daar geventileerd wordt. toe- en afvoer van ventilatiesysteem bevindt zich niet boven slaapplaats (i.v.m. tocht)
6.2.2 Spuiventilatie In ieder geval is in verblijfsruimten voorzien in mogelijkheden voor spuiventilatie. Spuiventilatievoorzieningen (te openen ramen) zijn licht bedienbaar staand vanaf de vloer en hebben meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of zijn traploos instelbaar. De spuiventilatievoorzieningen zijn tegelijkertijd met de buitenzonwering te gebruiken. De luchtstroom wordt niet door bijvoorbeeld buitenzonwering belemmerd. Te openen delen worden dermate gesitueerd dat deze niet door kinderen te bedienen zijn en draaien waar mogelijk naar buiten open. Draairichting van de te openen delen dient afgestemd te worden met opdrachtgever en toekomstige gebruikers.
Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Voorkom warmteophoping in ruimten zoals atria. Draag zorg voor een heldere communicatie over hoe om te gaan met spuiventilatie. Gevelopeningen bieden bij voorkeur geen doorgang voor personen in verband met veiligheid. Maak gebruik van ‘natuurlijke trek’ (indien atria worden toegepast) om de energievraag voor ventilatie te reduceren. De samenhang van te openen delen en zonwering.
6.3 Luchtvochtigheid Een zeer lage (<30%) of zeer hoge (>70%) luchtvochtigheid dient gedurende het jaar zo min mogelijk voor te komen. Ten aanzien van de relatieve vochtigheid gelden voor alle verblijfsruimten, voorzien van mechanische ventilatie, de volgende eisen om een behaaglijke omgeving te handhaven. Luchtvochtigheid Minimale luchtvochtigheid
30%
Maximale luchtvochtigheid
70%
NEN norm(en) De spuiventilatiecapaciteit dient te worden bepaald conform de bepalingen uit NEN 1087.
3 Conform het PvE Frisse scholen v. sep 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
27/ 57
Voorkeur Minimale luchtvochtigheid
40%
Maximale luchtvochtigheid
60%
In serverruimten dient statische elektriciteit door bouwkundige of installatietechnische ingrepen te worden voorkomen.
Verblijfsruimte – verblijfsruimten met deur in de wand (DnT, A)
≥ 34 dB
Verblijfsruimte – leerplein (DnT, A)
≥ 31 dB
Verblijfsruimte – overige ruimte (DnT, A)
≥ 39 dB
Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal ▪
In de winter mag de relatieve luchtvochtigheid niet langdurig hoger zijn dan 60% ▪
6.4 Akoestiek en geluidshinder De eisen die in de volgende paragrafen omschreven worden, zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat.
Materiaal van de wanden dient een geluidsabsorptiecapaciteit te hebben van minimaal 0,25 absorptiecoëfficiënt. Hierbij rekening houdend met de Arbo-geluidsbelasting, de nagalmtijd en de flutterecho. Het plafond kan in belangrijke mate bijdragen aan de akoestische kwaliteit en dient een hoge geluidsabsorptie (Klasse 1) te hebben.
Enkel gymzaal: ▪
6.4.1 Luchtgeluidsisolatie
Het gymnastieklokaal beschikt over een mechanisch dempende vloer. Het achtergrondgeluidsniveau bedraagt niet meer dan 40 dB(A). Het achtergrondgeluidniveau is het geluidniveau dat in de gymzaal wordt gemeten zonder dat er activiteiten plaatsvinden. Voor de akoestiek in de gymzaal dient te worden uitgegaan van de norm NOCNSF-US1-BF1 ‘Nagalmtijd en achtergrondgeluidsniveau’. De gemiddelde absorptie coëfficiënt (α) van de sportruimte dient ten minste 0,25 te zijn. De nagalmtijd per frequentieband (Tmax/fb) is het rekenkundig gemiddelde van alle meetresultaten bij alle bron- en microfoonposities per frequentieband, het betreft de frequentiebanden 125, 250, 500, 1000, 2000 en 4000 Hz. De norm voor de nagalmtijd per frequentieband is: Tgem. : Tmax/fb ≥ 0,7. Deze norm geldt voor alle categorieën.
De geluidsisolatie tussen ruimten in het gebouw dient zodanig te zijn, dat in een ruimte tijdens de activiteiten waarvoor de ruimte bestemd is, geen last wordt ervaren. Hiertoe dienen de bouwkundige voorzieningen zodanig te worden ontworpen en samengesteld, dat constructies voldoende geluidswerend en geluidsisolerend zijn. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties mogen de luchtgeluidsisolatie van de scheidingsconstructies niet verzwakken. Onderstaand staat voor de meest voorkomende schakelingen van wanden de gevraagde prestatie omschreven die in gebruik cruciaal is bij een nagalmtijd To zoals gedefinieerd in NEN 5077. De aannemer dient deze prestatie door middel van controlemetingen na oplevering aan te tonen.
▪
Luchtgeluidisolatie4
Aandachtspunten
Verblijfsruimte – verblijfsruimten, sanitair en technische ruimten (DnT, A)
≥ 39 dB
Verblijfsruimte – verkeersruimte en bergingen (DnT, A)
≥ 25 dB
▪ ▪
▪
▪
Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot- en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.
4 Conform het PvE Frisse Scholen v. sep 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
28/ 57
▪
▪
▪
De mate van overlast naar bestaande of in de gebiedsontwikkeling opgenomen woningen en/ of overige bouwwerken dient te worden afgestemd met opdrachtgever. Bij toepassing van systeemwanden dient de ruimte boven de wanden, tussen plafond en constructievloer, te worden voorzien van geluidswerende voorziening met gelijke waarden als de scheidingswand. Denk bij verplaatsing van de wanden hier ook aan, neem het op in een handleiding. De laboratoriumwaarden zullen bij vouw-/schuifwanden meestal 15-25% hoger moeten zijn in verband met verliezen door aansluitingsdetails.
Aandachtspunten ▪
▪
▪
6.4.2 Contactgeluidsisolatie Contactgeluidisolatie5 Verblijfsruimte – verblijfsruimte (LnT, A)
≤ 59 dB
Verblijfsruimte – verkeersruimte (LnT, A)
≤ 69 dB
Contactgeluidisolatie Tussen technische ruimten en stilte vragende verblijfsruimten ≤ 49dB (met name kantoor- en vergaderruimten): + LnT,A Hinderlijke trillingen van de vloer door lopen/bewegen worden voorkomen. Zie DIN 4150.
Kb ≤ 0,1
De isolatie-index voor contactgeluid tussen gymzaal en andere verblijfs-/lesruimtes voor leerlingen is ten minste:
10 dB(A), bij voorkeur 15 dB(A).
▪
Om contactgeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trilling producerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingskasten) trillingvrij op de vloer opgesteld te worden. Leidingen waar van toepassing en eventuele andere geluid producerende apparatuur en/ of bouwonderdelen dienen zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht, ter voorkoming van schade aan gebouw en installaties en zodat gebruikers er zo min mogelijk hinder van ondervinden. Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (technische ruimten, evenementenzaal (incl. podium) en gymzaal) gelegen zijn naast, boven of onder andere ruimten, dient veel aandacht besteed te worden aan (contact) geluidsisolatie en het beperken van overlast naar andere ruimtes. Een zwevende vloer is een mogelijke oplossing, beter is een volledig gescheiden constructie. Geen geluidsoverdracht via lekken
▪
Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot, en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.
▪
Onderdelen van een eventuele geluidsinstallatie (de boxen) bij voorkeur niet direct op de vloer of aan de wanden bevestigen. Indien scheidingwanden toegepast in gymzaal: aparte zaaldelen moeten gescheiden zijn door geluidswerende (dubbele) wanden, die volledig aansluiten op de omliggende constructie. Alleen visuele scheiding is onvoldoende. Een volledig afsluitende akoestische scheiding is in verband met instructie noodzakelijk.
▪
Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (bijvoorbeeld technische ruimten) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht besteed te worden aan (contact)geluidsisolatie en waarmee last naar ondergelegen ruimtes en eventuele overige in de gebiedsontwikkeling te realiseren woningen en overige bouwwerken tot een minimum beperkt wordt.
5 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
29/ 57
6.4.3 Nagalmtijd De volgende gemiddelde eisen worden gesteld aan de gemiddelde nagalmtijd (T30) in seconden, geldend voor ruimten in de frequentieband 250 t/ m 2000 Hz.
Aandachtspunten ▪
Norm(en)
Open atria (indien verwerkt in ontwerp) en de evenementenzaal behoeven specifieke aandacht qua nagalm en ervaring van een prettige ruimtebeleving.
Conform NEN 5077 Streefwaarden voor geluid met betrekking tot verstoring van communicatie en concentratie (geluidsniveau en nagalmtijd) conform NVN 3438 De volgende waarden zijn prestatie-eisen die aan de aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat. Nagalmtijd In ingerichte en niet-ingerichte verblijfsruimte6
≤ 0,6 s
In kantoor- en spreekruimten
≤ 0,6 s
In techniekruimte en verkeersruimten
≤ 1,0 s
In EHBO-, kleed- en doucheruimten
≤ 1,4 s
Open leerpleinen
≤ 1,0 s
Gym- en evenementenzaal
≤ 1,1 s
De nagalmtijden berekenen in de ontwerpfase en vaststellen in elk van de octaaf- en tertzbanden met middenfrequentie van 250, 315 (hum noise), 500, 1000, 2000 en 4000 Hz (topfrequentie spraak). De in de 125 Hz octaafband gemeten nagalmtijd mag maximaal 30% afwijken van de gemiddelde nagalmtijd. De ontwerpende partijen dienen door middel van berekeningen aan te tonen dat de nagalmtijden gehaald worden.
6.4.4 Geluid van installaties In verblijfsruimten mogen geen geluiden, veroorzaakt door gebouwinstallaties, worden waargenomen zodanig dat zij activiteiten waarvoor de ruimten bestemd zijn belemmeren. De ventilatie dient geruisloos te zijn. Buiten gebruiksuren mag, om aan de comforteisen te voldoen, het ventilatievoud verhoogd worden (meer installatiegeluid toegestaan) ten behoeve van nachtventilatie. Bij het verhogen van het ventilatievoud dient rekening gehouden te worden met de geldende voorschriften vanuit de wet geluidhinder richting nabijgelegen functies. Installatiegeluid7 In verblijfsruimte In verblijfsruimte en/of slaapruimte kinderopvang
≤ 33 dB ≤ 30 dB
Het geluidniveau ten gevolge van installaties in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied.
≤ 30 dB
Uitgangspunten ▪
▪ ▪
6 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
De geluidsafstraling van de sanitaire installaties, zoals het doorspoelen van toiletten, moet in de geluidsgevoelige ruimten zodanig worden beperkt dat het vrijwel ‘onhoorbaar’ is. In andere ruimten mag het achtergrondgeluidsniveau van de sanitaire installaties (LI;A) niet meer dan 35 dB(A) bedragen. Het geluidniveau in ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurige verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) t.g.v. installaties (LI, A) is maximaal 45 dB(A).
7 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B
30/ 57
▪ ▪
Het geluidsniveau voor de evenementenzaal en gymzaal t.g.v. (LI;A) is maximaal 33 dB(A). De slaapruimte grens (bij voorkeur) niet aan geluid intensieve ruimten.
Aandachtspunten ▪ ▪
▪ ▪
Let op de invloed van flankerende geluidsoverdracht en kieren onder deuren op de berekende geluidsisolatie. Positioneer onderwijsruimten met grote capaciteit op ruime afstand van de luchtbehandelingsinstallatie om geluidoverlast eenvoudiger te kunnen voorkomen. Verkeersruimten kunnen ook leer- en werkplekken zijn. Let op luchtsnelheid in hoofdtracés van kanalen ter voorkoming van geluidsoverlast. De laboratoriumwaarden zullen bij vouw-/schuifwanden meestal 15-25% hoger moeten zijn in verband met verliezen door aansluitingsdetails.
6.4.5 Geluidsuitbreiding naar de omgeving Voor de geluidsoverlast, veroorzaakt door de technische installatie in of aan het gebouw naar de gevels van de eventueel omliggende bebouwing, worden de maximaal toelaatbare waarden aangehouden zoals deze worden vereist in de Wet Milieubeheer en de plaatselijke voorschriften, gemeten op één meter voor de dichtstbijzijnde gevel. Aandachtspunt is de evenementenzaal. In de evenementenzaal dient te worden gerekend met een geluidsniveau van 100 dB.
Norm(en) Conform NEN 5077 De geluidwering van de gevel GA dient te worden bepaald conform NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, maar met de beoogde hoeveelheid luchtverversing.
6.4.7 Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie Eventueel aanwezige uitwendige scheidingsconstructies, de hieraan bevestigde voorzieningen (zonwering, vlaggenmasten, etc.) en de daarop gemonteerde installaties (schoorstenen, luchtbehandelingskasten, etc.) moeten zodanig geconstrueerd zijn, dat deze geen bijzondere of hinderlijke geluiden maken of in resonantie raken bij wind, neerslag, thermische uitzetting, krimp of andere bewegingen. Ook windgeluid bij kieren en naden in daken en gevels dient te worden voorkomen.
6.5 Daglicht In verblijfsruimten dient een daglichtfactor te worden gerealiseerd die zo hoog mogelijk is, zonder hinder te veroorzaken. Gemiddelde daglichtfactor In verblijfsruimte
2,1% in meer dan 50% van ruimte
6.4.6 Geluidwering gevels In het volgende overzicht zijn de relevante eisen opgenomen die worden gesteld aan de geluidwering van de gevels van geluidsgevoelige ruimten. De gecumuleerde geluidsbelasting dient te worden bepaald volgens de wettelijke bepalingen Wet Geluidhinder (Reken- en Meetvoorschrift verkeerslawaai). Geluidwering gevels8 Geluidwering geluidsbelasting in verblijfruimten en verblijfsgebieden door omgevingsgeluid in GA;k [dB(A)]
Gecumuleerde geluidsbelasting minus ≥ 33 dB met een minimum van 20 dB
Lichttoetredingsfactor beglazing
LTA-waarde
In verblijfsruimten, op een horizontaal vlak op 800mm hoogte. ≥ 0,6 Getint of gecoat glas mag alleen worden toegepast indien voldaan wordt aan de minimale LTA-waarde en indien het geen negatieve invloed heeft op het uitzicht en/ of spiegelingen van lichtbronnen. Heldere beglazing met een kleurindex van 95% dient toegepast te worden. Het glas moet een kleurechte weergave bewerkstelligen.
8 Conform Bouwbesluit en het PvE Frissen scholen v. 2021, klasse B
www.icsadviseurs.nl
31/ 57
6.5.1 Zontoetreding
Aandachtspunten
De ZTA (zontoetredingsfactor) dient, afhankelijk van de resultaten van de temperatuuroverschrijdingsberekening, onder de 40% te liggen.
▪ ▪
6.6 Zon- en helderheidswering Uitgangspunten Zon- of heldersheidswering (lichtwering) dient: ▪ bestand te zijn tegen weersinvloeden zoals wind; ▪ vanuit elke verblijfsruimte regelbaar te zijn; ▪ centraal te bedienen te zijn via het GBS (overrulen).
6.6.1 Buitenzonwering Op alle gevels is een vorm van buitenzonwering noodzakelijk. Uitzondering hierop is de noordgevel, mits er ook in de ochtend in de zomer geen sprake is van zoninstraling op deze gevel. In verband met bewassing en weersomstandigheden dient de buitenzonwering centraal aan te sturen te zijn via het GBS, waarbij op elke geveloriëntatie zon- en windmetingen worden verricht. Mechanisch bedienbare zonwering dient vanuit verblijfsruimten individueel bedienbaar te kunnen zijn (overrulen van automatische zonwering). In het kader van onderhoud dient te worden aangetoond dat de levensduur van buitenzonwering minimaal 20 jaar bedraagt.
6.6.2 Lichtwering De daglichttoetreding en de zoninstraling mogen voor de gebruiker geen hinder veroorzaken door bijvoorbeeld te grote helderheidsverschillen, verblinding, reflectie of directe zoninstraling. Elke werkplek aan de raamzijde dient te worden voorzien van afdoende middelen om het zonlicht/ daglicht te kunnen temperen. Norm(en)
Bij het gebruik van de helderheidswering blijft een bepaalde mate van uitzicht naar buiten mogelijk. In onderwijsruimten (ook aan de noordzijde) kan helderheidswering toegepast worden, waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden voorkomen waarbij de maximale luminantieverhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak, directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) 1:3:10 (taak: directe omgeving: periferie) bedragen.
6.7 Buitenmilieu 6.7.1 Luchtdichtheid Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en tevens koudeverlies) van het gebouw wordt beperkt. Zodoende wordt de energievraag ten behoeve van verwarmen en/ of koelen verminderd. Luchtdichtheid ENG: Qv; 10
≤ 0,15 dm³/ s/ m²
Om aan de ENG-eisen te voldoen dient de hierboven benoemde waarde minimaal behaald te worden. Hiervoor geldt dat extra aandacht nodig is voor detaillering, hang- en sluitwerk, keuze van het afdichtingsmateriaal en de uitvoering. NEN-norm(en) NEN 3661:1998
conform NEN-EN 12464-1:2011 nl Arbo-regelgeving
Controlemetingen De opdrachtnemer zal in de uitvoeringsfase door een onafhankelijke derde steekproefsgewijs de luchtdichtheid van de gevel laten controleren door middel van één of meer beproevingen conform de geldende NEN-normen.
www.icsadviseurs.nl
32/ 57
De opdrachtgever kan aanvullend een thermografisch/ infraroodonderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/ of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen.
In de ontwerpfase van het ontwerp dient het brandveiligheidsplan te worden opgesteld. Hierin moeten tenminste de volgende onderwerpen worden behandeld:
NEN-norm(en)
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
NEN 2686
6.7.2 Waterdichtheid Voor de waterdichtheid zullen geen aanvullende eisen boven het wettelijk bepaald niveau gesteld worden.
Om te voorkomen dat in de DO-fase het ontwerp ingrijpend moet worden aangepast door verplaatsing van brandcompartimenten, aanpassen trappenhuizen e.d., dient de verdeling in compartimentering en ontvluchting in de VO-fase reeds te worden getoetst aan de uitgangspunten van het vigerende Bouwbesluit.
NEN-norm(en) NEN 2778
6.7.3 Zonlichtreflectie Het gebouw dient geen hinderlijke zonlichtreflecties naar zijn omgeving of naar andere delen van het gebouw te veroorzaken. Het gebouw moet zo zijn gesitueerd en ontworpen, dat geen hinderlijke zonreflecties zullen optreden door andere gebouwen, installaties of bijvoorbeeld wateroppervlakken indien relevant. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om dit uit te sluiten.
Het sluitsysteem binnen het gebouw moet zo zijn uitgevoerd dat de brandweer vanaf één toegang alle bouwdelen kan bereiken. Systeemkeuze in overleg met de brandweer.
Uitgangspunten ▪
Lichtreflectie Lichtreflectiefactor glasoppervlak
Compartimentering Vluchtroutes en vluchtplaatsen Brandmeldinstallatie/ ontruimingsalarminstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduidingen Blusmiddelen en/ of -systemen Brandklassen materiaalgebruik Aanvalsroute brandweer
≤ 0,15 LrBu
▪ ▪
6.8 Brandveiligheid
Deuren in brand scheidende constructies moeten zelfsluitend zijn, deuren waar kinderen gebruik van maken dienen bedienbaar te zijn door kinderen. Deuren van een slaapruimte te voorzien van een brandwerende deurdranger en veiligheidsglas. Slaapruimtes dienen in een beschermd subcompartiment te liggen. Wanden, deuren en plafonds van een slaapruimte zijn minimaal 30 minuten brandwerend.
Het gebouw moet voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende Bouwbesluit (nieuwbouw) en aan eisen van bevoegd gezag (brandweer) en verzekeraar.
www.icsadviseurs.nl
33/ 57
7. Bouwkundige eisen
gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten.
7.1 Algemeen
Uitgangspunten
In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden. Deze punten worden geacht in overleg met de in te schakelen adviseur(s) voor de technische installaties te worden uitgewerkt.
▪
7.2 Vloeren 7.2.1 Constructieve vloeren In techniekruimten, gymzaal of evenementenzaal kan indien gewenst/ noodzakelijk een hogere veranderlijke vloerbelasting worden aangehouden (bijvoorbeeld voor een hoogwerker). Dit dient te worden afgestemd met opdrachtgever. Door middel van een berekening dient aangetoond te worden of de nuttige vloerbelasting niet overschreden wordt. Aandachtspunten ▪
Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan bevestigd moeten worden, zoals plafonds, geluids- en verlichtingsapparatuur, borden en overige installatievoorzieningen.
7.2.2 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen. De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het
www.icsadviseurs.nl
▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪
Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot verrijdbare bureaustoelen en rolstoelgebruikers). Onderhoudsvriendelijk/ -arm, makkelijk vochtig te reinigen, splintervrij, zonder scherpe randen/hoeken, vochtbestendig, stootvast, slijtvast. Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera. Bij tegelvloer schrobput aanbrengen. Milieuvriendelijk reinigen moet voldoende zijn voor het regulier en jaarlijks onderhoud. Sterkte en weerstand tegen indrukken. Stroefheid/ antislip, ook in combinatie met de gewenste verplaatsbaarheid van meubilair. Antistatische en antiallergische eigenschappen; stofbeperkend (de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor CARA- en astmapatiënten). Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Houd hier ook rekening met eventueel verschuiven van meubilair. Voldoen aan eisen zoals HACCP. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Bouwbesluit. Evenementenzaal heeft een schokabsorberende vloer.
Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal ▪ ▪ ▪
Het is wenselijk het belijningsplan af te stemmen op het daadwerkelijk gebruik. Voorzieningen moeten in werkvloer aanwezig zijn ten behoeve van voor onderwijs noodzakelijke toestellen. Sparingen ten behoeve van grondbussen dienen vroegtijdig in het plan te worden opgenomen.
34/ 57
▪
De vloer van de toestellenberging dient zonder niveauverschil aan te sluiten op de vloer in de zaalruimte.
Enkel gymzaal: ▪ Minimale sporttechnische norm voor onderwijs: klasse 2, norm NOC*NSF-US115. ▪ De sportvloer dient volledig dragend op de onderbouw te worden aangebracht. ▪ De overgang naar de wanden en bij de vloerpotten dient waterkerend te zijn. ▪ De opening van de naden bij de potdeksels mag maximaal 1 millimeter bedragen. ▪ Vloer kleedruimten te voorzien van stroefheidsfactor BR/10 ▪ Vloer in de doucheruimten dienen tevens te worden voorzien van een antislip afwerking (BR/11) en dienen watervast te zijn. ▪ De vloer in de doucheruimte ligt op afschot van de doucheput. ▪ Eventuele wandbanken vrij van de vloer plaatsen in kleedruimten. Enkel speellokaal: ▪ Minimale sporttechnische norm voor onderwijs: klasse 3, norm NOC*NSF-US115. ▪ De vloer moet geschikt zijn voor het bewegen op blote voeten. ▪ De vloer is geschikt voor multifunctioneel gebruik. Ook geschikt voor tribunes, podium, tafels en stoelen en reguliere schoeisel. In een later stadium kan worden bepaald of de vloer wel of niet afgedekt moet worden. Aandachtspunten ▪ ▪ ▪
▪
Esthetische aspecten: representativiteit, kleur en structuur. Beperk het aantal naden en voegen zoveel als mogelijk. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker). Meer dan voldoende dilateren van vloervelden.
www.icsadviseurs.nl
7.3 Buitenwanden Het ontwerp, de materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn, dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden gedurende een periode van 40 jaar. Het noodzakelijke onderhoud alsook het schoonmaken kan op een eenvoudige wijze worden uitgevoerd. Voorzie het gebouw bij de aansluiting op het maaiveld zoveel mogelijk van vandaalbestendig en onderhoudsvrij materiaal. De gevel is bestand tegen vandalisme. Ook wordt er rekening gehouden met preventie van inbraak. Aandachtspunten ▪
In verband met inbraakpreventie dienen de ramen op de begane grond van binnenuit te worden voorzien van glas. De beweegbare delen in de kozijnen worden van binnenuit aangebracht. Let bij de plaatsing van te openen ramen en ventilatieroosters op de positie boven verkeerswegen.
7.3.1 Gevelopeningen 7.3.1.1 Entree Bij het vormgeven van de entree wordt een oplossing voorzien die rekening houdt met het voorkomen van inloop van vuil en nattigheid. De hoofdentree ’s dienen zodanig te zijn geconstrueerd dat er géén tochtverschijnselen via de entreehal kunnen ontstaan. Derhalve dienen de entrees van een tochtsluis of soortgelijke voorziening te worden voorzien, wat tevens ook inwaaien van vuil, zand en ander vuil voorkomt. De (hoofd-)toegangsdeuren dienen van een zware kwaliteit te zijn en goed bestand tegen beschadiging. 7.3.1.2 Te openen delen Bij de vormgeving van de te openen delen, met name bij de ruimten op de begane grond en ruimten gelegen aan een plat dak of galerij, dienen maatregelen in het kader van inbraakpreventie genomen te worden. Eventueel draaiende kozijndelen dienen zodanig geplaatst te worden dat zij in normale gebruikssituaties geen gevaar of hinder op kunnen leveren voor de gebruiker. Vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen.
35/ 57
Uitgangspunten ▪ ▪
▪
▪
▪
▪ ▪
Sluitplan op te stellen in overleg met opdrachtgever en gebruikers op basis van de gebruikstijden van de diverse functies. Er zijn vingersafes (of een gelijkwaardig alternatief) aangebracht op binnenen buitendeuren. Enkel toe te passen in ruimten die door Kibeo worden gebruikt voor kinderopvang. Ramen in leefruimten moeten tot een hoogte van 140 cm boven de vloer voorzien zijn van veiligheidsglas of op veilige wijze zijn afgeschermd; dit geldt ook voor ramen bij speelvlonders of speelhuizen. Ramen op verdiepingen die naar buiten open kunnen, moeten in ruimten waar kinderen tussen 0 en 12 jaar verblijven een borstwering hebben met een hoogte van minimaal 85 cm In ruimten op de begane grond waar kinderen jonger dan 4 jaar verblijven, moeten draairamen die geopend kunnen worden en die zich bevinden op een hoogte van minder dan 85 cm boven de vloer of boven een opstapje, zijn voorzien van een uitvalbeveiliging. Klepramen moeten voorzien zijn van een kierstandhouder die kinderen niet kunnen bedienen. Geen opendraaiende ramen op de speelplaats op kind hoogte (stootgevaar) Ramen zijn vrij van beschilderingen of andere versieringen.
Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal ▪ ▪
▪
Het daglichtoppervlak van de gymzaal is minimaal 5% van het vloeroppervlak. Daglichttoetreding welke hinderlijke reflecties, lichtstrepen of verblinding kan veroorzaken is niet toegestaan. Daar waar daglichtopeningen worden toegepast, waarbij niet aan bovenstaande kan worden voldaan, dient het daglicht volledig te kunnen worden geweerd. Ontspiegeld glas en plaatsing onder een kleine hoek (3-5°) kan hinderlijke reflectie voorkomen.
Enkel speellokaal: ▪ Ramen voor daglichttoetreding moeten open kunnen voor natuurlijke ventilatie. ▪ Vlakke afwerking van kozijnen en ook als raam openstaat mag het geen obstakel vormen aan de schoolpleinkant.
www.icsadviseurs.nl
7.3.2 Daken Het dak is veilig betreedbaar. Indien het ontwerp een meerlaags- gebouw realiseert, wordt het toepassen van een interne vaste trap besproken met opdrachtgever. Het gehele dak, en met name de goten en installaties, dienen veilig bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. In het ontwerp dienen de veiligheids- en bereikbaarheidsvoorzieningen (bvb verhoogde dakrand, looppaden, valbeveiliging) integraal opgenomen te worden. Opbouw van de daken (constructie, dak pakket en dakbedekking) moet aantoonbaar geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Aansluitingen dakbedekking met gevelelementen en dergelijke detaillering conform richtlijnen. NEN-norm(en) conform NEN-EN 795
Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪ ▪
▪
Rekening houden met aan te brengen installaties. Accumulatie van water dient te worden voorkomen. Bij toepassing van dakopeningen/ lichtkappen adequate doorvalbeveiliging opnemen/ integreren in het ontwerp. Daken die in het zicht vallen dienen ordentelijk te worden ingedeeld en uitgevoerd. Indien zonnepanelen worden toegepast dienen deze esthetisch in het dakvlak en buitengevel te worden ingepast. Combinatie van grind met zonnepanelen dient vermeden te worden (vogels laten het grind op de panelen vallen met defecte panelen als gevolg). Bij het plaatsen van zonnepanelen rekening te houden met onderhoudsfunctionaliteit. Een ontwerp met overstekken heeft de voorkeur om zodoende opwarming ten gevolge van zoninstraling, vuilafzetting en weersbelasting op de gevel te beperken. Toepassen van groene daken heeft de voorkeur i.v.m. waterberging en biodiversiteit.
36/ 57
7.4 Binnenwanden
Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal
Uitgangspunten
▪
▪
▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
De gekozen niet-constructiedragende binnenwanden dienen betrekkelijk eenvoudig, en tegen een lage investering te verwijderen, of verplaatsbaar te zijn waarbij overlast van stof en afvalmaterialen wordt beperkt. Scheidingswanden dienen voldoende sterk te zijn om krachten op te nemen die vanuit het specifieke gebruik van ruimten te verwachten zijn. Rekening houden met eventuele bevestiging van inrichting zoals digiborden, whiteboards, e.d. Wanden in keukens of bergruimtes/werkkasten kunnen worden voorzien van een ophangsysteem voor bezems, trekkers en andere materialen. Bij scherpe hoeken dienen maatregelen getroffen te worden ter voorkoming van letsel en beschadiging (afronden of afschuinen). Onderhoudsvriendelijk/ -arm, makkelijk te reinigen (c.q. voorkomen van vervuiling door gebruik), vochtbestendig, kras- en splinterbestendig, stootvast, slijtvast en niet ruw. Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. Natte en sanitaire ruimten (toiletten, douche- en kleedruimten) zijn voorzien van afwasbaar materiaal tot aan het bouwkundig plafond en watervast. Waterbestendig materiaal en afwerking toepassen achter wastafels, gootstenen en pantry’s en in werkkasten achter de uitstortgootsteen. Bestand tegen beschadigingen. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen en specifieke bouwwijze ten behoeve van het voorkomen van de verschillende vormen van geluidsoverlast.
Voldoen aan eisen zoals HACCP. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Bouwbesluit. In het kader van vier ogen principe: o Er zijn doorkijkjes (glas) tussen de groepsruimten van de kinderopvang. o Er wordt glas en spiegels gebruikt zodat er geen ‘dode’ hoeken zijn. o De slaapruimte heeft een raam voor toezicht.
www.icsadviseurs.nl
▪ ▪
▪
▪
▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
De onderste 2 meter van de wanden glad afwerken zodat men zich niet kan verwonden bij het vallen tegen de wand. Obstakelvrije, vlakke en gesloten wanden tot 2 meter boven de vloer. Bij toepassing van wandafwerkingselementen zoals plaatmateriaal, mag tot 2 meter hoogte de ruimte tussen de elementen niet groter zijn dan 8 millimeter en de diepte van de voeg mag niet groter zijn dan 12 millimeter. Perforatie in plaatmateriaal heeft een maximum doorsnede van 8 millimeter (finger entrapment). Bedieningsmechanismen vlak wegwerken en afschermen met balvaste deuren of op minimaal twee meter hoogte aanbrengen. Deuren uitrusten met verzonken beslag. Materiaal wanden dient lichamelijk letsel te voorkomen; wanden over gehele hoogte in een balvast, vlak en niet korrelend materiaal uitvoeren (geen bezande steensoorten). Eventueel uitwendige hoeken in metselwerk e.d. rond afwerken tot minimaal 2 meter boven de vloer. De balvastheid van het wandmateriaal dient te voldoen aan de norm: DIN 18032 (deel 3) (Kleur-)Reflectiefactor wand moet tussen 0.35 en 0.60 (35-60%) liggen. Indien de toegepaste kleur binnen de norm valt, maar de werkelijke lichtreflectie als gevolg van de structuur van de wand afwijkt, is dit een toelaatbare afwijking. Voorzieningen moeten in wanden aanwezig zijn ten behoeve van voor onderwijs noodzakelijke toestellen. Geen kolommen in de gymzaal.
Beglazing dient balvast, gehard en gelaagd veiligheidsglas te zijn. De ingang van een zaaldeel dient zoveel mogelijk in de hoeken van de speelwanden opgenomen te worden. Vlakke wandafwerking: houd in de zaal rekening met een vlakke wandafwerking voor de mogelijkheden van het gebruiken van een muur voor kaats-spelen binnen het bewegingsonderwijs (denk aan tennis, volleybal, etc.). Een tot 2 meter geheel vlakke wandafwerking in een deel van de zaal is daarvoor wenselijk.
Enkel gymzaal: ▪ Kolommen, wandrekken, touwinstallaties etc. vlak wegwerken, bij voorkeur door koven en nissen in de muur aan te brengen (afgesloten door middel van een vlak in de wand geplaatste deur). Dit om het risico zich eraan te blesseren zoveel mogelijk te beperken. Een mogelijkheid in sporthallen is het ophijsbaar ophangen vanaf twee meter boven de grond.
37/ 57
Enkel speellokaal: ▪ Minimaal twee vrij bespeelbare wanden in de zaal met tot een hoogte van 2 meter een vlakke wandafwerking.
▪
▪
Openingen voorzien van goede afscherming, zoals een net of transparant vinyl of segmentdeuren (duurder maar wel wenselijker). In geen geval ondoorzichtig doek gebruiken in verband met gevaar bij doorlopen! Indien de toestellenberging aan een korte zijde van de zaalruimte is gelegen, dient de opening tussen de toestellenberging en de zaalruimte minimaal te worden afgesloten met obstakelvrije deuren.
Aandachtspunten ▪
▪
Rekening houden met de geluidswerende functie van bepaalde binnenwanden bij de positionering van bijvoorbeeld voorzieningen voor elektra. De inrichting met vaste wand-/plafond-/ grondtoestellen moet reeds bij het bestek bekend zijn i.v.m. de te treffen bouwkundige en installatietechnische voorzieningen. Er dient voldoende wandruimte te zijn voor de inrichting met vaste toestellen (wandrekken, klimwand, bediening van de ringen, touwen, rekstok, basketbalborden, schuifprofielen volleybalnet). Er dient tevens voldoende vrije wandruimte (hard en balvast) zonder obstakels/toestellen te zijn voor diverse lesactiviteiten (als kaatsen).
7.4.1 Binnendeuren Voor de meeste ruimten is het van belang dat vanuit de verkeersruimte kan worden waargenomen wat er binnen gebeurt (sociale veiligheid). De toegangsdeuren tot deze ruimten hebben bijvoorbeeld een zijlicht aan de slotzijde van de deur. Deuren met glasopening en/ of zijlichten zijn voorzien van gelaagd veiligheidsglas. Daarnaast dient hierbij rekening gehouden te worden met de privacy van de gebruiker(s) van de ruimte. Bij het naderen van branddeuren in gangen dient in verband met de veiligheid zichtbaar te zijn of er ook iemand van de andere zijde nadert. Dit geldt ook voor deuren die toegang verschaffen van en naar trappenhuizen. Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal Enkel gymzaal: ▪ Er dient in de zaal een dubbele deur van 2 x 2,5 m (b x h) voor transport van de toestellen naar/van buiten te zijn. Van deze deur tot aan de toestelberging dient een vrije doorgang van 2 x 2,5 m te bestaan.
www.icsadviseurs.nl
Enkel speellokaal: ▪ Bij speellokaal wordt aanbevolen voor afsluiting van berging gebruik te maken van (balvaste) deuren of rolluiken.
Aandachtspunten ▪ ▪
Rekening houden met glasbewassing. Voorkomen van schade bij openen van deuren.
7.4.2 Plafonds De hoogtes van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de betreffende ruimte en technische eisen zoals akoestiek. Bij de plafonds wordt een gangbaar systeem toegepast. Netto vrije hoogte Verblijfsruimten
≥ 2,8 m (bij voorkeur 3 m)
Sanitaire ruimten
≥ 2,7 m
Verkeersruimten
≥ 2,7 m
Ruimten met een grotere gebruikerscapaciteit zoals ≥ 7,0 m de gym- en evenementenzaal. Toestellenberging gymzaal
≥ 2,8 m (doorrijhoogte ≥ 2,5 m)
38/ 57
Aanvullende uitgangspunten gymzaal en speellokaal ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
Voorzieningen moeten in plafond aanwezig zijn ten behoeve van voor onderwijs noodzakelijke toestellen. Is gekoppeld aan de eerste inrichting vanuit de KVLO norm ten behoeve van het bewegingsonderwijs en de Moerdijkse basis inventarisatielijst voor gymzalen Het plafond dient te worden uitgerust in een balvast materiaal, zodanig dat wordt voldaan aan de norm DIN 18032 (deel 3). De (kleur)reflectiefactor van het plafond moet tussen de 0,60 en 0,80 (6080%) liggen. De onderzijde van het plafond mag geen scherpe uitsteeksels bevatten. Verlichtingsarmaturen en overige voorzieningen zoals geluidsboxen zijn balvast. Het plafond dient uitgerust te worden met materiaal waarbij ‘inklemming’ moeilijk plaatsvindt. Denk aan ballen/shuttles die in randen en spleten vast kunnen komen zitten. Het plafond dient te beschikken over werkbalken. Het aantal werkbalken dient in overleg met de gebruiker te zijn bepaald. Bij een zaalhoogte van x meter dient de minimale afstand van de werkbalk x meter ten opzichte van beide kopse muren te zijn (aanbeveling: afstand werkbalk tot de wand is zwaaihoogte plus 1 meter).
Enkel gymzaal: ▪ Onderzijde plafond dient tot 7 meter obstakelvrij uitgevoerd te worden. ▪ De toestellenberging van de gymzaal heeft een diepte van minimaal 5 en maximaal 5.5 m i.v.m. in- en uitrijden toestellen. Een minimale breedte van 10 m i.v.m. toegankelijkheid en het naast elkaar kunnen plaatsen van toestellen. En een minimale vrije doorgangsbreedte van 4 – 5 meter. ▪ Plafond van kleedruimten zijn stootvast en vochtbestendig. Plafond doucheruimten zijn tevens watervast. ▪ Het plafond dient bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen. Enkel speellokaal: ▪ Onderzijde plafond dient tot minimaal 3,5 meter obstakelvrij uitgevoerd te worden. ▪ Zorg voor een brede berging i.p.v. een diepe berging
www.icsadviseurs.nl
▪
Het plafond dient qua constructie stevig genoeg te zijn voor de mogelijkheid van het installeren van een zwaai-installatie. Dit dient men mee te nemen in de draag/plafondconstructie. Bij plafondhoogte rekening houden met de (eventueel) te plaatsen zwaai-installatie (minstens 3,5 meter, bij gebruik van het lokaal door groep 3 en 4, minstens 4 meter hoog).
Aandachtspunten ▪
Hoogte en omvang van gym- en evenementenzaal dient afgestemd te worden met de opdrachtgever gedurende het ontwerptraject.
7.5 Trappen en hellingen De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Hoogteverschillen groter dan 0,21 m worden overbrugd door een trap en waar nodig een hellingbaan. Trappen en hellingen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪
▪
Hekken of balustrades op een verdieping hebben een hoogte van minimaal 100 cm, hekken langs trappen van minimaal 80 cm. De afstand tussen de spijlen of andere openingen in de afscherming mag bij een kindercentrum voor 0-4 jaar niet groter zijn dan 10 cm. De afstand tussen de spijlen of andere openingen in de afscherming mag bij een bso tot een hoogte van 70 cm boven de vloer of trede niet groter zijn dan 10 cm, daarboven niet groter dan 20 cm. Eventuele openingen tussen vloer en onderzijde hek/balustrade zijn maximaal 5 cm. Er zijn, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 20 cm en 70 cm boven de vloer. Als kinderen de verdieping gebruiken is aan te raden om de hoogte van hek of balustrade minimaal 120 cm te maken. Als kinderen jonger dan 2 jaar
39/ 57
▪
▪
▪
de betreffende ruimte gebruiken is de afstand tussen de spijlen bij voorkeur tussen de 4,5 cm en de 6,5 cm. In een voorziening waar kinderen van 0 tot 4 jaar verblijven, dienen trappen voor normaal gebruik, die ook toegankelijk zijn voor kinderen, aan de onderkant te zijn voorzien van een traphekje of deur. Wanneer deze kinderen ook gebruikmaken van de verdieping waarop de trap uitkomt, dient ook aan de bovenzijde een traphekje te zijn aangebracht. Hoogte van het traphekje: minimaal 75 cm. Als de helling groter is dan 2:3 heeft de trap aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van niet minder dan 80 cm en niet meer dan 100 cm. Aan twee zijden dient een extra trapleuning op kindhoogte, 60 cm, te zijn aangebracht.
7.6 Installatieruimten, schachten en kabelgoten In het gebouw dienen de nodige technische ruimten te worden geprogrammeerd voor de opstelling van installaties. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp. De schachten dienen zo centraal mogelijk te worden geplaatst ten opzichte van de technische ruimte en het bedieningsgebied van de installaties. Uitgangspunten Ruimten voor technische installaties en schachten: ▪ zijn goed bereikbaar en toegankelijk zodat de te controleren onderdelen bereikbaar en te onderhouden zijn. ▪ zijn stofvrij en voldoende akoestisch gedetailleerd en afgewerkt. ▪ bieden voldoende ruimte voor service en onderhoud. ▪ zijn voorzien van werkverlichting. ▪ voldoen aan de eisen van nutsbedrijven, eisen voor brandveiligheid en het vigerende Bouwbesluit.
De kabel- en wandgoteninfrastructuur dienen zodanig gedimensioneerd te worden dat hierin de bekabeling voor voedingen, signalen (inclusief regeltechnisch), data- en telecommunicatie kan worden ondergebracht, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Kabelgoten zijn voorzien van scheidingsschotten. De horizontale en verticale kabelwegen zijn zodanig gedimensioneerd dat bekabelingen voor zwakstroom en sterkstroom in afzonderlijke compartimenten kunnen worden gelegd. Ook een apart compartiment van data- en telecommunicatie voorzien.
7.7 Hang- en sluitwerk De architect dient met de opdrachtgever/ gebruikers een sluitplan op te stellen, waarbij meerdere niveaus gehanteerd dienen te worden. Het aantal niveaus dient beperkt te worden. Ten behoeve van inzet van brandweer dient één type gehanteerd te worden waarbij gebruik gemaakt kan worden van een loper. Norm(en) Hang- en sluitwerk dient te voldoen aan NEN 3664 en NEN 5089. Het gehele gebouw moet voldoen aan de RIO (Richtlijn Inbraakbeveiliging Onderwijsinstellingen), het politiekeurmerk en CCV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid). Hang- en sluitwerk in de buitenschil is van inbraakwerende kwaliteit.
Uitgangspunten ▪
Nooduitgangen zijn voorzien van een noodhendel/ panieksluiting9 aan de binnenzijde van de deur en deurstandsignalering.
9 Zonder sleutel van binnenuit te openen.
www.icsadviseurs.nl
40/ 57
▪
▪ ▪
Nooduitgangen van de gymzaal en speellokaal dienen niet in de toestelberging gesitueerd te worden. Het is een slecht toegankelijke en donkere vluchtroute. De kans op blokkade met toestellen is groot. Het advies is de nooduitgang te combineren met de transportdeuren die eveneens niet in de berging gesitueerd moeten worden. Aanduiding: elke doorgang naar de nooduitgang aanduiden met pictogrammen. Openen: nooduitgang moet tijdens lessen makkelijk te openen zijn. Deuren van toiletten dienen door medewerkers van de facilitaire dienst van buitenaf geopend te kunnen worden in geval van incidenten. De kleedruimtes dienen in verband met diefstal afsluitbaar te zijn. Indien de vluchtroute door de kleedruimte loopt, moet deze van binnenuit makkelijk te openen te zijn. Optie: lockers in de gang en/of afsluitbaar opbergsysteem in berging.
7.8 Sanitair Verspreid door het hele gebouw dienen voldoende sanitaire voorzieningen en ruimten te worden aangebracht met een nette en degelijke uitvoering en uitstraling. Daarnaast moeten de materialen gemakkelijk te reinigen zijn. Alle toiletten (met uitzondering van mindervalidetoilet) zijn voorzien van een voorportaal, al dan niet voorzien van een wastafel. De wastafelcombinaties bestaan uit een wastafel en koudwaterkraan met een vaste hoge bovenuitloop en automatische spoelstop (sensor). Per toiletgroep komt er minimaal één wastafel met kraan of één kraan per twee toiletten. De spiegels worden boven de wasbakken en bij voorkeur in de wand aangebracht ter voorkoming van randvergoring. In toiletgroepen voor dames wcd (wandcontactdoos) plaatsen bij spiegel. Zeepautomaten worden boven de wastafelcombinatie aangebracht ter voorkoming van het lekken van zeep op de grond. Afvoeren van wastafels en fonteintjes worden in de wand opgenomen. Afsluiters zijn duidelijk gemarkeerd op tekening en goed bereikbaar voor het oplossen van eventuele problemen. De toiletten voor mensen met een
www.icsadviseurs.nl
functiebeperking (mindervalidentoiletten) dienen centraal te zijn gelegen en goed bereikbaar te zijn. Uitgangspunten ▪
▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
De opstelling van de toiletten in de sanitaire ruimte (toiletgroep) is zodanig dat de toegang tot de verschillende toiletten zich buiten de zichtlijn vanaf de toegang tot de sanitaire ruimte bevindt. Toegangsdeuren van sanitaire ruimten in het MFA voorzien van automatische sluiting. In elke toiletruimte (niet geldend voor onderwijs en kinderopvang) bevindt zich een garderobehaak. De toiletruimten bij voorkeur zo diep maken dat men zittend de deuren niet kan beschrijven en er voldoende ruimte is voor enige bewegingsvrijheid. Het sanitair wordt op de waterleiding (afsluitbaar middels een stopkraan en in geluidsarme uitvoering) en op de afvoeren aangesloten (water-, lucht- en stankdicht). Toiletpotten en wastafels zijn vervaardigd van vuilafstotend materiaal. De toiletbril met doorlopende stang (zonder deksel) is aan de boven- en onderzijde glad. Het sanitair wordt meegenomen in het ventilatiesysteem en wordt behandeld als retourlucht dus afzuigen en uitblazen, niet recirculeren. Indien relevant worden in de toiletruimten (niet geldend voor onderwijs en kinderopvang) schrobputten inclusief stankafsluiter gerealiseerd op een positie uit de looproute. Afstemmen met opdrachtgever. Voor kinderopvang heeft iedere toilet minimaal aan één kant van het toilet een vrije ruimte van 100 cm.
Toiletten vrij hangend uit te voeren met onderscheid in hoogte voor het beoogd gebruik in overleg met opdrachtgever. Bijvoorbeeld kinderopvang lage toiletten uitvoeren op 34 cm en toiletten voorzien van lage deuren. Ook te voorzien van een lage wastafel.
7.9 Spoel- en wasvoorziening Waar vanuit het gebruik van het gebouw gewenst dienen sanitaire voorzieningen (wastafels, wastroggen of spoelbakken) aanwezig te zijn die wassen en spoelen mogelijk maken. Was- en spoelvoorzieningen worden toegepast in:
41/ 57
▪ ▪ ▪ ▪
In ruimten met toiletvoorzieningen In keukens en pantry’s In schoonmaakruimten In ruimten waar dit op aangeven van de gebruiker gewenst is
Uitgangspunten ▪
▪
Uitvoering van was- en spoelvoorziening in porselein en met een automatische spoelstop (sensor) voor de koudwatervoorziening in verband met verminderd waterverbruik. Toepassen van stankafsluiters bij de afvoer van water en de bezinkings- en ontstoppingspunten.
7.10 Schoonmaakruimten De schoonmaakruimten/ schoonmaakwerkkasten zijn voorzien van een uitstortgootsteen met stootrand en opklapbaar emmerrooster, warm- en koudwateraansluiting, zwenkkraan, haken voor stofzuigerslangen, een stevig schap voor schoonmaakmiddelen en materialen en een geaarde dubbele wandcontactdoos. Er bevindt zich een tegelplateau achter de uitstortgootsteen. De muren zijn voorzien van een gladde coating tot aan het plafond. De werkkast is bij voorkeur geplaatst naast het sanitair en heeft een naar buiten openslaande deur (met slot) aan de lange zijde. Goede ventilatie is noodzakelijk. Aandachtspunt ▪
inrichting schoonmaakruimte afstemmen met schoonmaakbedrijf.
7.11 Doucheruimten De doucheruimten zijn voorzien van een voorportaal. Geen kunststof of glazen wanden toepassen. De douche is voorzien van een douchecombinatie, bestaande uit een inbouwdouchekraan met drukknopregeling; looptijd 30 seconden en een vooraf ingesteld debiet van minimaal 6 liter en maximaal 8 liter
www.icsadviseurs.nl
per minuut, uitgevoerd in een vandaalbestendige uitvoering. De leidingen worden weggewerkt in de wand. Tevens is de douche voorzien van minimaal een bouwkundige wand die een afscheiding biedt van vloer tot plafond. Daarnaast is de ruimte voorzien van een zeephouder en een dubbele handdoekhaak. De afvoer van de doucheruimte moet worden uitgevoerd met een ABS-vloerput, 150x150mm, met een vastschroefbaar rooster. Bij het plaatsen van een douche dient er rekening gehouden te worden met voorkomen van stank en legionella. In verband met het voorkomen van legionella dient de installatie adviseur een beheersplan op te stellen en dient onderzocht te worden of de tappunten doorstromend aangesloten kunnen worden of dat een spoelinstallatie vereist is. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
De temperatuur voor het douchewater wordt vast ingesteld door de docent/beheerder. De maximale temperatuur die instelbaar is, dient een veilige te zijn waardoor letsel wordt voorkomen. Het aantal douches af te stemmen met opdrachtgever. Warm water op tappunten waar kinderen gebruik van kunnen maken is begrensd op 38 graden. Het toilet en de doucheruimte dienen via droog vloeroppervlak bereikbaar te zijn.
7.12 Glasbewassingsvoorziening Glasbewassing moet op een efficiënte en veilige manier kunnen plaatsvinden en moet voldoen aan de richtlijnen die de Arbo-regelgeving geeft. Rekening dient gehouden te worden met een strook verharding voor toegang van een hoogwerker rondom het gebouw. Indien gekozen wordt voor een glasbewassingsinstallatie (bijvoorbeeld door middel van een gondel) mogen zonwering, gevelreclame en objecten in de omgeving van het pand de installatie niet hinderen. Daarnaast moet er een vorstvrije watervoorziening op het dak worden gerealiseerd en minimaal één vorstvrije watervoorziening per gevel t.b.v. gevelbewassing. 42/ 57
7.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties Ten behoeve van de technische installaties worden onderstaande bouwkundige voorzieningen getroffen: ▪ Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. ▪ Benodigde opstortingen in technische ruimten. ▪ Benodigde sparingen in vloeren en wanden ten behoeve van leidingen en kanalen die bij wanden met een brandwerende functie akoestische en brandwerend worden afgedicht. ▪ Benodigde schachten, leidingschachten en ruimten voor verdeelkasten. ▪ Bouwkundige voorzieningen die een flexibele werkplekopstelling in alle ruimten mogelijk maken zonder dat de werkplekvoorzieningen, zoals elektra, spraak- en databekabelingen hinderlijk dan wel zichtbaar aanwezig zijn. ▪ Bouwkundige voorzieningen aan gevel, plafonds, vloeren of binnenwanden voor de bevestiging van vaste inrichtingsonderdelen, rails, vensterbanken, verduistering, binnenzonwering, schoolborden, projectieschermen, afbeeldingen of apparatuur, gordijnen, verduistering en dergelijke. ▪ Brandblussers en –haspels worden ingebouwd in verzonken wandnissen en voorzien van een deur. ▪ Akoestisch- en brandwerend dicht zetten van spleten en sparingen. ▪ Voorzieningen treffen ten behoeve van de liftinstallatie(s). ▪ Benodigde verharde stroken isolatie en bevestigingspunten ten behoeve van de gevelonderhoudsinstallatie.
Bewegwijzering Het gehele gebouw wordt voorzien van heldere, duidelijke en makkelijk aanpasbare bewegwijzering ten behoeve van vaste gebruikers, medewerkers en bezoekers. Daarnaast worden in het gehele gebouw genormaliseerde pictogrammen geplaatst. Ook is er sprake van bewegwijzering op het terrein. In ieder geval dient rekening gehouden te worden met bewegwijzering voor: ▪
▪ ▪ ▪ ▪
Verwijzing naar nooduitgangen, brandblusmiddelen, vluchtwegen en EHBOpost in alle verblijfsruimten en op duidelijk zichtbare plaatsen in de verkeersruimten; Verwijzing naar toiletten en MIVA-toiletten; Verwijzing naar trap(pen) en lift(en); Aanduiding van restauratieve voorzieningen en overige functies; Aanduiding van ruimten (namen en/ of ruimtenummer).
Ruimte afvalcontainers Ruimte t.b.v. afvalcontainers biedt ruimte voor gescheiden afvalstromen en is voorzien van dubbele deuren zowel aan de gangzijde als aan de straatzijde en voorzien van slagvaste en spatwaterdichte wandcontactdozen. Betonnen vloer voorzien van slijtvast ‘gladde’ coating en een schrobput. Dorpels afgeschuind. Wanden voorzien van deugdelijke stootranden ter bescherming van de wanden.
7.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting Het gebouw dient te worden opgeleverd met de noodzakelijke voorzieningen die tot de vaste inrichting behoren. In ieder geval de inrichtingselementen balies en pantry’s dienen opgenomen te worden. Dat geldt ook voor de barinrichting. Het ontwerp van balie(s) en pantry’s wordt voorgelegd aan opdrachtgever en gebruikers. Aandachtspunten zijn privacy, akoestiek, het helpen van mensen in een rolstoel en het creëren van een goede (tochtvrije) werkplek achter de balie. Balie dient te worden voorzien van adequate verwarming en ventilatie. De sporttechnische inrichting is een belangrijke uitgangspunt voor hetgeen dat is vastgelegd in dit PvE. De inrichting dient nader te worden bepaald in overleg met de gebruiker. www.icsadviseurs.nl