HD Bijlage 2 TPvE MFA Willemstad
Tekst van het document
43/ 57
8. Elektrotechnische installaties In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de in te schakelen adviseur voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt. Norm(en) Alle installaties uitvoeren conform de laatst uitgegeven, van toepassing zijnde normen. Alle gebruikte materialen moeten voorzien zijn van een CE-markering en een KEMA-keurmerk. Indien materialen niet zijn voorzien zijn van KEMA-keur mogen materialen toegepast worden welke zijn voorzien van een ENEC-keur. Bekabeling en buisleiding dienen conform de CPR / NEN 8012 halogeenvrij te worden uitgevoerd. Er mag alleen CPR-geclassificeerde bekabeling worden toegepast. Kabelkeuzeberekening conform NEN 8012. De installateur dient in het bezit te zijn van een KOMO-INSTAL certificaat BRL6000-2.
Uitgangspunten ▪
Rekening houden met bereikbaarheid/ toegankelijkheid en vervangingsmogelijkheden.
8.1 Centrale elektrotechnische voorzieningen Het aantal aansluitpunten voor energievoeding in het gebouw dient van zodanige omvang te zijn dat alle vast geïnstalleerde elektronische installaties en machines van stroom met de juiste spanning voorzien worden. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. Daarnaast dient geïnventariseerd te worden wat de vraag is www.icsadviseurs.nl
van de apparatuur in de onderwijs specifieke ruimten. Ook deze energiebehoefte dient meegenomen te worden in het ontwerp. Uitgangspunt is dat veelvuldig gebruik gemaakt gaat worden van laptops, hiervoor zijn voldoende oplaadpunten benodigd in nader te bepalen ruimten. Houd hierbij rekening met voorzieningen in eventuele vaste inrichting. Gelijktijdigheid en reservecapaciteit in overleg met gebruikers nader te bepalen. Uitgaan van één nutsaansluiting voor het hele gebouw. Opgewekte zonnestroom mag terug geleverd worden. Een PV-aansluiting dient op de hoofdverdeler geplaatst te worden. Bij het bepalen van de nutsaansluiting rekening houden met: ▪ ▪ ▪
Een minimale reservecapaciteit van 25%. Een maximaal dakvullend veld PV-panelen. Gelijktijdigheid (n.t.b.)
8.1.1 Regelbaarheid installaties De regeltechnische installaties dienen een eenvoudig en gebruiksvriendelijk gebruik van de installaties mogelijk te maken. De sturing is grotendeels centraal (GBS), waarbij een optimum wordt gevonden in individuele regelbaarheid per (hoofd-)gebruiker en/of zone en/of ruimte. Afwijkingen in bedrijfstijden (overwerk, ouderavonden) moeten mogelijk zijn, waarbij de regeltechniek eenvoudig aangepast kan worden. Alle regelapparatuur dient geschikt te zijn voor aansluiting op een GBS, die middels ‘open platforms’ software vanaf een desktopcomputer kan worden bediend. Signalering én bediening vanaf een nader te bepalen plaats middels een bedieningstableau. Het GBS dient te kunnen worden beheerd en bediend op afstand. Overleg met opdrachtgever bepaalt de feitelijke schakelinrichting, de definitieve omvang van de regelinstallaties en de functionaliteit van het GBS. De GBS dient de meeste systemen en installaties aan te sturen en bepaalt de kwaliteit van het binnenklimaat grotendeels.
44/ 57
Uitgangspunten Middels het GBS tenminste mogelijk: ▪ Veegschakelaar voor alle geschakelde verlichting. ▪ Bediening zonwering. ▪ In- en uitschakelen van schemerschakeling ten behoeve van terrein- en gevelverlichting. ▪ Schakelen van waak- en veiligheidsverlichting. ▪ Schakelen van de krachtstroom (indien van toepassing). ▪ Schakelen van de liftinstallatie en pieklastbewaking lift. ▪ Opnemen van energieregistrerende apparatuur. ▪ Toegangscontrole/ beveiliging. ▪ Energieopwekking (noodstroomvoorziening, indien van toepassing). ▪ Signaleren van de nooddeuren bij de buitengevel. ▪ Melding mindervalidentoilet. ▪ Bedienen inbraaksignalering/ brandsignalering/ ontruimingsalarm. ▪ Voorbereiding voor het gescheiden telefonisch kunnen doormelden van storingen, inbraak- en brandmeldingen. ▪ Koppeling met boilers daar waar van toepassing om het energieverbruik te verlagen.
Aandachtspunten ▪
▪
▪
Het Gebouwbeheersysteem is zodanig ontworpen, dat updates mogelijk zijn door aanpassing van de software en niet door vervanging van de hardware. Het concept voor het GBS dient vroegtijdig bij de gebruikers voorgelegd en inhoudelijk door de adviseur met de gebruikers besproken te worden op functionaliteit en bedienbaarheid. De elektrische installatie dient zodanig te zijn ingesteld dat deze uitleesbaar en bruikbaar is voor het tonen in een energiespiegel waarmee opgewekte en verbruikte energie inzichtelijk gemaakt kan worden.
ventilatie, overbrugging buitenverlichting, (verzamel)storingsmeldingen, signalering mindervaliden, ontgrendeling toegangsdeur(en) et cetera. Alle meldingen voorzien van een akoestisch signaal, dat met een afsteldrukker kan worden uitgeschakeld. Naast een centraal paneel ook decentrale bedieningspanelen opnemen met nader te bepalen functies. Op het centrale paneel worden alle algemene ruimten geschakeld en gesignaleerd en tevens worden alle storingen van de andere panelen op dit paneel zichtbaar gemaakt. Aandachtspunten ▪
Stem in het ontwerp een aantal reserveposities af met de opdrachtgever.
8.1.2 Verdeelinrichting De centrale elektrotechnische voorzieningen moeten zodanig worden opgeleverd dat zij geschikt zijn voor het storingsvrij, veilig en doelmatig voeden, schakelen en bedienen van alle in het gebouw aanwezige elektrische apparatuur, inclusief de bedrijfsinstallaties en de gebruikersapparatuur. Uitgangspunten ▪ ▪
De licht- en krachtinstallatie dient te worden gescheiden op de daarvoor bestemde groepen van de hoofdverdeelinrichting. In overleg met opdrachtgever en toekomstige gebruikers wordt afgestemd of een onderverdeelinrichting met tussenmeters per gebruiker wenselijk is afhankelijk van nader te bepalen afspraken omtrent beheer en exploitatie.
Voor het bepalen van de capaciteit van de nominale stroom van de hoofdverdeelinrichting dient rekening te worden gehouden met de maximaal gelijktijdig optredende belasting. De gelijktijdig optredende belastingen dienen gecontroleerd te worden op basis van ervaringen. Gelijktijdigheid en reservecapaciteit in overleg met gebruikers nader te bepalen.
Op een nader te bepalen locatie is een centraal bedienings- en signaleringspaneel voorzien voor de centrale signalering en bediening van onder andere verlichting, centrale verwarming, luchtbehandeling, mechanische www.icsadviseurs.nl
45/ 57
8.1.3 Kanalisatie Uitgangspunten compartimentering De leidinggoten te voorzien van 2 scheidingsschotten voor realisatie van 3 compartimenten: 1. ten behoeve van licht- en krachtinstallaties 2. ten behoeve van inbraak- en brandmeldinstallatie (min. 70 mm breed) 3. bekabeling ten behoeve van telematica en data
Aandachtspunten ▪ ▪ ▪
De data-/ telefoonbekabeling en 230V bekabeling mogen niet in naastliggende compartimenten worden gemonteerd. De positionering van de leidinggoten mag niet belemmerend zijn bij de inrichting van de ruimten. Doorvoeringen overeenkomstig de akoestische en/ of brandvertragende eisen van de betreffende vloer of wand afwerken.
8.1.4 Krachtstroom Krachtstroomvoorziening 400 V dient in voldoende mate aanwezig te zijn voor de permanent aan te sluiten elektrotechnische apparaten, gebouwinstallaties, 3fase contactdozen en dergelijke. De krachtinstallatie te voeden vanaf afzonderlijke verdeelkasten, welke rechtstreeks op de verdeelinrichting zijn aangesloten.
In overleg met de gebruiker de ruimten waar krachtstroom nodig is bepalen, bijvoorbeeld in de centrale hal ten behoeve van evenementen op het terrein, in de keuken, gymzaal en in de evenementenzaal.
8.1.5 Aansluitpunten en schakelmateriaal Het gebouw moet worden voorzien van voldoende, veilig, uniform, gebruiksvriendelijk schakelmateriaal en aansluitpunten. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik.
www.icsadviseurs.nl
De exacte bepaling van locatie, aantal, capaciteit en type wandcontactdozen en aansluitpunten dat per ruimte benodigd is, moet in samenspraak met de gebruikers, opdrachtgever en ontwerpende adviseurs (dit geldt ook voor maatwerkmeubilair) worden bepaald en vastgelegd in een ruimteboek. Voor een aantal ruimten (niet uitputtend) is onderstaand het aantal wandcontactdozen t.b.v. een 230V aansluiting weergegeven.
Uitgangspunten ▪ ▪
▪
Rekening houden met eenvoudige uitbreidbaarheid van het aantal wandcontactdozen/ aansluitpunten. Bij voorkeur aansluitpunten 230V, schakelaars voor sterkstroominstallatie en vaste aansluitingen van machines/ apparatuur voorzien van groepenaanduiding. Deze aanduidingen onuitwisbaar aanbrengen op slagvast materiaal. Alle wandcontactdozen kindveilig uit te voeren in het binnenwerk, voor de kinderopvang geldt op 1,50 m bovenkant afgewerkte vloer.
8.2 Verlichting De kunstlichtinstallatie, uitgangspunt is LED, in het gebouw dient zodanig te zijn dat in elke ruimte bij elk daglichtniveau een verlichtingssituatie te realiseren is, die een optimum vormt uit oogpunt van gebruik en energiezuinigheid en voldoet aan de Arbo-normen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een goede gelijkmatigheid en beperkte luminantieverschillen ter vermindering van de oogbelasting. Er moet sprake zijn van zo min mogelijk helderheidsverschillen, verblinding, spiegeling en reflectie. De keuze van richting en soort licht en type armatuur dient gemotiveerd te worden en afgestemd met opdrachtgever en gebruikers. Om een goede algemene verlichting te bereiken, dient het werkvlak gelijkmatig te worden verlicht. Kunstverlichting in onderwijsruimten is regelbaar: de verlichting is bijvoorbeeld in delen in of uit te schakelen (de zone bij het bord apart) of dimbaar. In onderwijsruimten (ook aan de noordzijde) is helderheidswering aanwezig waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden voorkomen. In kantoorruimten is de verlichting per vertrek of per zone (in het geval van een open kantoorruimte) handmatig aan- en uit te zetten.
46/ 57
In overleg met de toekomstige gebruikers wordt bepaald welke ruimten dimbaar dienen te zijn.
▪
Toestellenberging: De gebruikswaarde van de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte (EH, gem) is op vloerniveau minimaal 15 lux.
Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
▪
De gegeven luxwaarden dienen gerealiseerd te worden op 0,75 m boven de vloer en 0,4 m vanaf de wanden. De verlichtingssterkte op vloerniveau is niet minder dan 10 lux. Oriëntatieverlichting is 10 – 200 lux. Indien, ten behoeve van werkzaamheden voor een bepaald deel van de ruimte, een hogere verlichtingssterkte wordt vereist, de algemene verlichting aanvullen met een plaatselijk aan te brengen verlichting. Een lager lichtniveau kan gewenst zijn in bijvoorbeeld rustruimten en in zachte speelhoeken. Bedienings-, instel- en onderhoudspunten zijn voldoende verlicht. Het gebouw beschikt over waakverlichting die bestaat uit een beperkt aantal armaturen in de verkeersruimten. Deze gelijktijdig te laten schakelen met de buitenverlichting of blokkering schakeling van de standaard verlichting in de verkeersruimten. De kinderopvang beschikt over een aparte schakeling en aansluitingen (boven plafond) voor sfeerverlichting.
Aanvullende uitgangspunten gymzaal ▪
▪ ▪ ▪
▪
NOCNSF-US1-BF2. Deze norm is opgesteld door de technische commissie CEN/TC 169 ‘light and lightening’ ressorterend onder de CEN en dateert van 1-6-2008. Als Nederlandse norm is aanvaard NEN-EN 12193 ‘Licht en verlichting – Sportverlichting’door de Nederlandse Normcommissie 351005 Verlichting. De armaturen dienen spatwaterdicht te zijn. De verlichtingsinstallatie dient zorg te dragen voor een minimaal gemiddeld horizontaal verlichtingsniveau van minimaal 300 lux op vloerniveau met een gelijkmatigheid ≥ 0,5. In sporthallen/-zalen dient bij wedstrijdgebruik een minimaal gemiddelde horizontale verlichtingssterkte van 500 lux bereikt te kunnen worden op vloerniveau met een gelijkmatigheid ≥ 0,7. Aanbevolen wordt voor sporthallen / zalen schakelbare verlichtingsniveaus te hanteren op vier niveaus: uit, 1/3 voor schoonmaak, 2/3 voor schoolgebruik en training en 3/3 voor wedstrijden. Men dient rekening te houden met de verouderings- en vervuilingsfactor van gemiddeld 1,25 tot 1,3 (afhankelijk van het type verlichtingsarmaturen) van de verlichtingsinstallatie tijdens de levensduur.
www.icsadviseurs.nl
Uitgangspunten Gelijkmatigheidsindex van het taakgebied
Uo ≥ 0,6
Gelijkmatigheidsindex van omgeving
Uo ≥ 0,6
Behoudfactor
≥ 0,8
Verlichtingssterkte door kunstlicht op werkvlak in onderwijsruimten
≥ 500 lux
Verlichtingssterkte door kunstlicht op werkvlak in overige verblijfsruimten
≥ 400 lux
Verlichtingssterkte door kunstlicht in ruimten niet bestemd voor langdurig verblijf (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.)
≥ 300 lux
Verlichtingssterkte slaap- en verkeersruimten
≥ 150 lux
Verlichtingssterkte groeps- en kantoorruimten
≥ 300 lux
Verlichtingssterkte verschoonruimte en keuken
≥ 350 lux
Verlichtingssterkte evenementenzaal (met podium)
≥ 500 lux
Verlichtingssterkte gymzaal
≥ 300 lux
Verlichtingssterkte kleed-/wasruimten, docentenruimte gymzaal en toestellenberging
≥ 150 lux
Verlichtingssterkte speellokaal
≥ 375 lux
Kleurtemperatuur
≥3.000K, <4.000K
Kleurweergave index
Ra ≥ 80
Waarde voor de beperking van de ‘verblindingshinder’
UGRL ≤ 19
47/ 57
Norm(en) Verlichting dient te voldoen aan NEN-EN 12464-1.
Aandachtspunten ▪
▪
▪
Besteed specifiek aandacht aan het voorkomen van problemen door lichtflikkering en stroboscopische effecten (lichtoutput). Een en ander in lijn met de laatste LED-lichtadviezen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Indien bij kantoorwerkplekken sprake is van aanvullende verlichting (bureaulampen) dan kan ervoor gekozen worden om de algemene verlichting in te stellen op 300 lux in plaats van op 500 lux (gemeten bij nietingeschakelde lokale verlichting). Verlichting is niet verblindend in ruimten waar kinderen op de rug liggen.
Onderwijsruimten zijn individueel regelbaar en door middel van een veegschakelaar (GBS) centraal in- en uit te schakelen. Verlichting in verkeersruimten dienen door middel van een veegschakelaar (GBS) centraal inen uit te schakelen zijn, op het terrein ook. Toiletten, berg- en kantoorruimten voorzien van een bewegingsmelder. In ruimten groter dan 30 m² dient de mogelijkheid te bestaan om slechts een deel van de verlichting te schakelen.
8.3 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden. Armaturen spatwaterdicht, slagvast en molestbestendig. Hiertoe aan de gevel van het gebouw, nabij alle toegangen en op plaatsen waar 'hangplekken' kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen plaatsen in een eenvoudige uitvoering. Daar waar sociale controle mogelijk is beveiligingsverlichting aanbrengen. Als er geen sociale controle is, schrikverlichting aanbrengen. Ook bij de parkeerplaatsen en de fietsenstallingen is verlichting aangebracht.
wintertijd-omschakeling. De buitenverlichting dient te worden vrijgegeven op het GBS. Op een centraal punt dient een overbruggingsschakelaar voorzien te worden. Aandachtspunten ▪
Verlichte gevelreclameborden dienen geschakeld te worden aan de terreinverlichting.
8.4 Communicatie Ten behoeve van een data- (en telefonie) installatie dient een bekabelingssysteem (horizontale bekabeling) worden aanbracht bestaande uit een gecertificeerd passief datanetwerk (connectoren, bekabeling, patchkasten). De bekabeling en kabelgoten dienen een netwerk mogelijk maken dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt. Bekabeling en actieve componenten conform geldende standaarden waarbij uitgangspunt is onverstoord gebruik (functioneel en technisch) gedurende een minimale periode van 25 jaar. Er dient voorzien te worden in een gecombineerd telefonie-/ datacommunicatie netwerk op basis van gecertificeerde Categorie 6A F/UTP bekabeling. Er dient te worden voldaan aan de navolgende normen en richtlijnen. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
Het gebouw dient te worden voorzien van draadloos internet. Er dient een ontruimings- en brandmeldinstallatie te worden voorzien. Datanetwerk: ten behoeve van een data (en telefooninstallatie) moet (per gebruiker) een bekabelingssysteem (horizontale bekabeling) worden aanbracht bestaande uit een gecertificeerd passief datanetwerk (connectoren, bekabeling, patchkasten). Elke gebruiker wordt voorzien in een zelfstandige internetaansluiting met verschillende adressen. Bekabeling aanbrengen in kabelgoten, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. De bekabeling vormt een netwerk dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt.
De terreinverlichting dient te worden in- en uitgeschakeld middels een schemerschakeling en een klok voorzien van een automatische zomer-/ www.icsadviseurs.nl
48/ 57
▪
▪ ▪
▪
▪
Centrale patchkasten en servers worden geplaatst in een aparte ruimte die eventueel gekoeld moet worden. Deze ruimtes moeten voorzien zijn van diverse spanningsgroepen om belasting en uitval te voorkomen. Reserveaansluitingen t.b.v. data n.t.b. Gebruikersinstallaties als beamers en digiborden dienen op een aparte groep aangesloten te worden waarmee het mogelijk is om deze centraal (via GBS) uit te kunnen schakelen. Elk data-aansluitpunt dient te worden uitgevoerd met 2 RJ45-connectoren. Rekening houden met eenvoudige uitbreidbaarheid van het aantal wandcontactdozen/ aansluitpunten. Alle punten ten behoeve van spraak en data voorzien van een patchnummer. Deze aanduidingen onuitwisbaar aanbrengen op slagvast materiaal.
8.4.1 Geluidsinstallatie De gym- en evenementenzaal en het gemeenschapshuis dienen te worden voorbereid zodat na oplevering een geluidsinstallatie aangebracht kan worden. Dit dient te worden gedaan middels het opnemen van loze leidingen in een aantal ruimten. De ruimtes nader overeen te komen met opdrachtgever.
8.4.2 Lestijdensignalering en omroepinstallatie In het gebouw dient een lestijdensignalering te worden aangebracht. Splitsing naar de diverse gebruikers, inclusief uitschakelen in de KDV-ruimten, dient softwarematig plaats te vinden. De navolgende ruimten dienen voorzien te worden van lestijdensignalering: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Alle onderwijsruimten; ontmoetingsruimte; Centrale gebieden; Personeelsruimten/kantoren; Gangen en hallen; Buitenruimte/schoolplein.
De centrale voorzieningen dienen in de MER te worden ondergebracht. De bedienings-componenten dienen in overleg met de gebruikers geplaatst te worden. Het ontwerp dient te voorzien in de benodigde buizenstelsels, bekabeling, luidsprekers en signaalgevers.
www.icsadviseurs.nl
8.4.3 Intercom Er dient voorzien te worden in een stand-alone intercominstallatie. Afhankelijk van het ontwerp dient vanaf de binnenpost(en) de betreffende deur opengestuurd te kunnen worden. Bij de volgende buitendeuren dient er voorzien te worden in een buitenpost: ▪ Hoofdingang (entree gemeenschapshuis/MFA) ▪ Ingangen De Singel, De Zwijger, Kibeo en de gymzaal. (Let op: Willem de Zwijger heeft ook een aparte ingang voor voetgangers en fietsers.) In de volgende ruimten dient voorzien te worden in een binnenpost: ▪ Teamkamer ▪ Twee groepsruimtes kinderopvang ▪ Kantoor kinderopvang (n.t.b.) Er dient rekening te worden gehouden met meerdere aanmeldfuncties zoals school, kinderopvang en MFA. In de ontwerpfase dient onderzocht te worden of doorschakeling naar een smartphone o.i.d. wenselijk is.
8.5 Beveiliging Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door nietgewenste bezoekers. Beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1. Planologische aspecten; 2. Organisatorische maatregelen; 3. Bouwkundige maatregelen; 4. Compartimentering (per bouwlaag meerdere compartimenten); 5. Elektronische maatregelen. Aan alle aspecten dient bij het ontwerp aandacht te worden besteed en te worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het ontwerp van de inbraakbeveiliging dient te worden afgestemd op de resultaten van een beveiligingsonderzoek en eisen van de verzekeringsmaatschappij. 49/ 57
8.5.5 Toegangscontrole 8.5.1 Overspanningsbeveiliging Om de apparatuur zo goed mogelijk tegen inductiestromen te beveiligen dient een overspanningsbeveiliging in de hoofd- en onderverdeelinrichting toegepast te worden.
8.5.2 UPS Uitgangspunten ▪
▪ ▪
Inbraakinstallaties communiceren via IP naar de centrale meldkamer. In het kader van bedrijfszekerheid dienen ICT-verbindingen en inbraakbeveiligingscentrale op UPS-spanning aan te sluiten. Brandmeldinstallaties, GTV’s, nevenpanelen, pieperracks, ESPA-koppelingen e.d. worden voorzien van UPS-spanning. Indien de ontruimingsinstallatie apart is van de brandmeldinstallatie dan dient deze ook een eigen UPS-voeding te verkrijgen. Nevenpanelen en overige randapparatuur mag op de zelfde groep als de brandmeldcentrale.
8.5.3 Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding In het gebouw dient een decentrale noodverlichtingsinstallatie en vluchtrouteaanduiding met centrale uitlezing te worden geplaatst.
Het gebouw dient te worden voorzien van een toegangsbeheersysteem. De toegang/afsluitbaarheid is per cluster te regelen. Zodat gezamenlijk/gedeelde ruimtes ook na bedrijfstijd van de verschillende clusters toegankelijk blijven voor medegebruikers. En zodat per cluster op basis van behoefte bepaalde gebieden toegankelijk gemaakt kunnen worden na bedrijfstijd of juist niet. Vanuit de gemeente geldt dat nieuwbouw uitgevoerd dient te worden met een digitaal sleutelsysteem. Specificaties hiervoor volgen in het ontwerpproces.
8.5.6 CCTV-installatie Ten behoeve van mogelijk vandalisme en inbraak in en rond de locatie dient een gesloten camerabewakingssysteem op basis van IP-technologie te worden toegepast. De positionering van camera’s dient in afstemming met gebruikers met de relevante expertise te worden ontworpen: ▪ ▪ ▪
Aan de buitenzijde bij entrees. Aan de binnenzijde bij entrees. In specifieke, n.t.b. beveiligde zones in het gebouw.
De beeldschermen, opslagmogelijkheid en bediening te positioneren nabij de balie. Aandachtspunten
Norm(en)
▪
Conform NEN-EN 183810
8.5.4 Bliksembeveiliging
▪
Een risico-inventarisatie en -analyse naar de kans op blikseminslag en de eventuele gevolgschade dient te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de bovengenoemde risicoanalyse dient besloten te worden tot de installatie van een bliksembeveiligingsinstallatie.
▪ ▪
De camera’s dienen van het type dag/ nacht te zijn en bij verminderde lichtomstandigheden automatisch over te schakelen naar zwart-wit beelden, zodanig dat een duidelijk beeld wordt verkregen. Camera’s dienen te worden geplaatst in een vandaal bestendige fixeddome-behuizing. Camera's dienen door de zichtbaarheid preventief te werken. In het ontwerp wordt rekening gehouden met zichtlijnen en voorzieningen voor cameratoezicht.
10 Geldt ook voor onderdelen die niet in het Bouwbesluit worden aangewezen.
www.icsadviseurs.nl
50/ 57
8.5.7 Brandmeld- en ontruimingsinstallatie
8.5.8 Inbraakdetectie
Brandmeldinstallatie, ontruimingsalarminstallatie en doormelding alarm is afgestemd op het gebruik en voldoet minimaal aan de wetgeving en de eisen van de verzekeraar. Voor het kinderdagverblijf is het uitgangspunt deze te voorzien in een gecertificeerd systeem. In overleg met de opdrachtgever worden eventueel aanvullende wensen nader bepaald voor de rest van het gebouw. Het PvE voor de brandmeldinstallatie voor het gehele gebouw moet worden opgesteld door een deskundige (NCP erkend PvE opsteller) en worden goedgekeurd door de verzekering en de brandweer.
Het gebouw wordt voorzien van een inbraakinstallatie met voldoende mogelijkheid om gebruikersafhankelijk, per bouwdeel en/ of per verdieping te kunnen zonneren. Bij het ontwerp van het beveiligingssysteem dient er rekening mee te worden gehouden dat delen van het gebouw ’s avonds en/ of in het weekeinde in gebruik zijn met beperkte personele bezetting.
Van de ontwerpende partij wordt verwacht dat zij een actieve adviesrol op zich neemt in het ontwerp van de brandcompartimentering, de BMI en O&I in relatie tot de verschillende gebruikers, functies en zones. Norm(en)
De beveiliging van het gebouw wordt niet alleen elektronisch gerealiseerd, maar ook door inzet van mankracht (organisatorische maatregelen) en door een veilige opzet/ plattegrond van het gebouw (bouwkundige maatregelen). Norm(en) Richtlijnen Inbraak Onderwijsinstellingen Door middel van activering van de inbraakinstallatie:
NEN 2535 (Brandmeldinstallatie)
▪
NEN 2575 (ontruimingsinstallatie)
▪
Onderhoudsnorm 2654-2
dient de verlichting in de verkeersruimten te worden geschakeld, zie ook de omschrijving bij de waakverlichting. dienen de aanwezige digiborden en presentatieschermen te worden uitgeschakeld.
Aandachtspunten Uitgangspunten ▪ ▪
▪ ▪
▪ ▪
Gescheiden BMI voor gebruikers op basis van verplichte volledige bewaking of niet. Doormelding dient uitgevoerd te worden conform Protocol versie 3.1 automatisch branddoormelding via PAC naar RAC van de Federatie Veilig Nederland. Het brandcompartiment waarin de BSO en de kinderopvang zich bevindt, is maximaal 1000 m2 groot. Sturingen realiseren bij ventilatie (aan/afschakelen bij brand) en deurdrangers/kleefmagneten bij compartimenteringsdeuren en de lift. Deurdrangers afstellen met vertraging bij sluiten (bij kinderopvang en bso). De volledige brandmeldinstallatie worden vooraf doorgenomen met de brandweer. Bij oplevering dient een rapport van oplevering (conform norm) en een volledig logboek opgeleverd te worden met o.a. blokschema, stuurfunctiematrix, Programma va Eisen.
www.icsadviseurs.nl
▪
De buitendeuren voorzien van slotstandsignalering.
8.5.9 MIVA-alarmsignalering Aandachtspunten ▪
Verblijfsruimten, bergingen en sanitaire ruimten voorzien van aan- of afwezigheidsdetectie.
51/ 57
9. Werktuigbouwkundige installaties In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de adviseurs voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt. Installaties die vanuit de buitenzijde van het gebouw zichtbaar zijn, moeten afgestemd worden met de architect/ opdrachtgever, dit om de beeldkwaliteit van het gebouw niet te verstoren. Het gebouw wordt voorzien van de benodigde nutsaansluitingen. In een vroeg stadium moeten er bindende afspraken worden gemaakt met de nutsbedrijven over de aanvraag, capaciteit, plaats van de aansluitingen en kosten, alsmede extra voorwaarden en eisen met betrekking tot hemelwaterafvoer, de riolering, en de waterhuishouding. Met de energiedistributiebedrijven dienen afspraken gemaakt te worden over de plaats en grootte van de ruimten voor het inrichten van voedings- en meetinstallaties. De adviseur installaties is verantwoordelijk voor de afstemming met de nutsbedrijven.
9.1 Warmteopwekking De warmteopwekking middels een installatie welke op een gasloze wijze voorziet in de verwarming van het gebouw. De installatie dient geschikt gemaakt te worden voor een aansluiting op een WKO. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪
▪
Het gebouw dient gasloos te zijn. Opwekkingseenheden toepassen met een zo hoog mogelijk rendement en een zo laag mogelijke uitstoot van schadelijke gassen. Indien luchtwarmtepompen (geen voorkeur) wordt toegepast dient deze minimaal te voldoen aan COP ≥ 4,0 en bedrijfszekerheid te bieden bij lage buitentemperaturen. Wat betreft dimensionering van de verwarmingsinstallatie dient een overcapaciteit van 10% gerealiseerd te worden Dit geldt zowel voor de afgiftecapaciteit als de opwekkingscapaciteit.Er wordt waar mogelijk vloerverwarming toegepast.
www.icsadviseurs.nl
▪
De regelbaarheid en capaciteit van de installatie is flexibel: er kan snel gereageerd worden op verschillende temperatuurbehoeften, ook bij verschillende buitentemperaturen.
De warmteopwekking, -distributie en –afgifte dient bestuurd te worden door een regeling die zorg draagt voor een efficiënte benutting van energie en een comfortabel binnenklimaat. Er dient een groepsindeling van het warmtedistributiestelsel (in regelblokken) te worden toegepast die aansluit bij de indeling van het gebouw in gebouwdelen en de gebruikstijden. Deze regelblokken en besturing verlopen volautomatisch en dienen centraal, eenduidig en logisch bedienbaar te zijn (en buiten het bereik van het publiek). Per ruimte heeft de gebruiker een mogelijkheid tot beperkte handbediening en na-regeling en dient de gebruiker indien nodig een overwerktimer/ -periode in kunnen schakelen. De bediening dient zich te beperken tot ingrepen op de normale bedrijfstoestanden en is geregeld vanuit een nader te bepalen (centrale) plaats. De regeling dient te voorzien in een dag- en nachtregeling, weersafhankelijke voor- en na-regeling, schooltijdenregeling, weekendregeling en jaarklokprogramma's.
9.2 Koudeopwekking Koudeopwekking dient te geschieden met een opwekkingsinstallatie met een zo hoog mogelijk rendement tegen een acceptabele investering. De wijze waarop koeling wordt gerealiseerd is afhankelijk van het verkozen scenario voor een duurzame installatie. Het koelvermogen van de installatie dient circa 110% van het maximaal benodigd vermogen te bedragen. Dit geldt zowel voor de afgifte als de opwekking. De regelbaarheid en capaciteit van de installatie is flexibel: er kan snel gereageerd worden op verschillende temperatuurbehoeften, ook bij verschillende buitentemperaturen of verschillende bezettingen. Aandachtspunten
52/ 57
▪
Koeling van ruimten waar veel ICT-apparatuur geactiveerd is, zoals in een MER/ SER.
Ter verlaging van de hoeveelheid koeling gelden onder andere de volgende aanbevelingen: ▪ Geen toepassing van losse airco’s. ▪ Beperk zo mogelijk de interne warmte. ▪ Benut het accumulerend vermogen van het gebouw. ▪ Pas mechanische ventilatie toe. ▪ Pas nachtventilatie toe. ▪ Pas effectieve zonwering toe. ▪ Koeling regelbaar per verblijfsruimte. Specifiek dient aandacht gegeven te worden aan de koeling van ruimten waar veel ICT-apparatuur staat opgesteld zoals de serverruimte (eventuele toepassing van topkoeling) en ruimtes waar baby’s slapen.
9.3 Ventilatie De benodigde hoeveelheid (verse) lucht wordt bepaald aan de hand van de maximale toegestane CO2-concentratie in verblijfsruimten gedurende gebruikstijden zoals vermeld in paragraaf 2.2.1. Adviseur(s) dienen advies te geven over de te hanteren ventilatiecapaciteit op basis van gelijktijdigheid en vraag gestuurde ventilatie. Uitgangspunten ▪ ▪
Schoonmaak-/ werkkast
≥ 100 m³/ u
Grootkeuken/ spoelkeuken
n.t.b. – afhankelijk van de te plaatsen apparatuur
9.4 Luchtbehandelingsinstallatie De luchtbehandelingsinstallatie dient te voorzien in het realiseren van de in dit document benoemde eisen en richtlijnen. In de luchtbehandelingskast/ ventilatie-units dient de lucht te worden gefilterd, energie uit de beide luchtstromen te worden uitgewisseld, verwarmd of gekoeld en via een EC ventilator in een kanalensysteem te worden geperst. De luchttoevoer naar de te ventileren ruimten moet plaatsvinden door een kanalenstelsel en via roosters in de vertrekken te worden geblazen. De afzuiging dient plaats te vinden via roosters in de ruimten of centraal via plafondplenum en plafond-overstroomroosters. Bij toepassen van een centraal afzuigsysteem dient de luchtoverstroom middels akoestisch flexibele slangen plaats te vinden waarbij de geluideisen van de binnenwand niet overschreden mogen worden. Tevens dient bij centrale afzuiging ten minste 1 afzuigpunt gerealiseerd te worden per brandcompartiment (overstroom naar een ander brandcompartiment is niet toegestaan). De afzuigkanalen moeten zijn aangesloten op de afzuigventilator in de luchtbehandelingskast. Aandachtspunten
De ventilatie is CO2-gestuurd. Gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning ≥ 75% (alleen bij een ventilatiesysteem met mechanische toevoer).
▪ ▪ ▪ ▪
Afzuighoeveelheden Verkeersruimte
≥ 1,8 m³/ u/ m²
Toiletten
≥ 50 m³/ u/ toilet
Urinoirs
≥ 50 m³/ u/ urinoir
Pantry
≥ 100 m³/ u
www.icsadviseurs.nl
▪ ▪
Indien nodig kan luchtbevochtiging worden toegepast. Voldoende wandcontactdozen ten behoeve van regel-units en andere installatieonderdelen. Onderhoudsarme uitvoering. De LBK moet zodanig worden geplaatst dat alle secties uit te nemen zijn en dat bij storingen veilig (voldoende licht en valbeveiliging) aan de installatie kan worden gewerkt. Zichtbaarheid van de LBK inclusief leidingwerk dient tot een minimum beperkt te worden. Indien schachten nabij een leer- of werkplek zijn, kan dit van invloed zijn op de maximaal toelaatbare luchtsnelheid ter voorkoming van geluidsoverlast.
53/ 57
De ventilatielucht wordt, via een kanalensysteem dat op de luchtbehandelingskast(en) is aangesloten, aan de betreffende ruimten toe- en afgevoerd. Dit kanalensysteem is ondergebracht in de schachten en de verlaagde plafonds. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
Luchttoevoerkanalen uitwendig isoleren met isolatiematerialen welke voldoen aan de brandveiligheids- en milieueisen. Inwendige isolatie van de luchtkanalen is niet toegestaan. De luchtbehandelingskasten dienen koudebrugvrij te worden uitgevoerd. Alle inblaas- en afzuigvoorzieningen dienen separaat inregelbaar te zijn door middel van deugdelijke volumeregelaars. De toe- en afvoer van lucht dient zodanig te worden ontworpen dat geen kans bestaat op door luchttransport veroorzaakte hinderlijke geluidsproductie. In de luchtkanalen dienen zowel aan de aanzuigzijde als aan de uitblaaszijde geluidsdempers te worden aangebracht. De regelbaarheid en capaciteit van de installatie is flexibel: er kan snel gereageerd worden op verschillende bezettingen,
9.5 Regeltechnische installaties Uitgangspunten Middels het GBS tenminste mogelijk: ▪ Regelen van warmte technische installatie: warmteopwekking, distributie, afgifte. ▪ Regelen van koude technische installatie. ▪ Dag- en nachtregeling, weekendregeling, gebouwtijdenregeling, vakantieregeling en weersafhankelijke regeling door middel van binnen- en buitenthermostaten. ▪ Sturen van boilervoeding, tapwaterpompen. ▪ Sturen/ regelen van mechanische ventilatie/ luchtbehandelingsinstallatie. ▪ Storingssignalering van de diverse werktuigbouwkundige installaties, zoals drukverhogingsinstallatie. ▪ Sturen/ regelen inblaastemperatuur in ruimte/ per ruimte
www.icsadviseurs.nl
De inregeling en naregeling van installaties moet toegankelijk zijn en makkelijk in gebruik. GBS moet via de cloud te benaderen zijn en door de huismeester op afstand bediend te kunnen worden. De verwarming van alle ruimten, m.u.v. inpandige toiletten, werkkasten en bergingen, dienen te worden voorzien van ruimte temperatuurregelaars en motorbediende afsluiters. De regeling dient bedraad te zijn, onbedrade regeling is niet toegestaan. De opnemer dient afhankelijk van de gemeten ruimtetemperatuur en de gewenste ruimtetemperatuur de motorbediende afsluiters van de na-regeling meer open of dicht te sturen.
9.6 Warm- en koudwatervoorziening Vanaf de door het water leverende bedrijf op te stellen watermeter dient er een leidingnet aangebracht worden tot op de verbruikerspunten. Direct na de watermeter een terugstroom beveiligingseenheid plaatsen. Het waterleidingnet dient zoveel mogelijk uit het zicht worden aangelegd en daar waar nodig geïsoleerd worden om condensvorming te voorkomen. Op het drinkwaterleidingnet tevens aan te sluiten de brandslanghaspels middels een separate leiding/ groep aangesloten op het hoofdleidingnet meteen na de watermeter met tussenplaatsing van een controleerbare keerklep. Het is niet toegestaan dat er op deze groep andere tappunten worden aangesloten (bijvoorbeeld vulpunt cv of buitenkranen). Ter voorkoming van legionellagroei dient er aandacht te worden besteed aan de ruimtetemperatuur om het opwarmen van het drinkwater te voorkomen. Daar waar koudwaterleidingen worden aangebracht mag de ruimtetemperatuur maximaal 23º Celsius bedragen. De waterinstallatie zodanig te ontwerpen dat opwarmen door de verwarmingsleidingen wordt voorkomen, waardoor een temperatuur van >25º C bij koudwaterleidingen niet mogelijk is. Om zo veel mogelijk stilstand van water te voorkomen dient een met regelmaat gebruikt toestel (bijvoorbeeld een toilet) als laatste toestel op de leiding worden gemonteerd.
Om stilstaand water te voorkomen dienen sporadisch gebruikte tappunten (bijvoorbeeld een vulkraan cv of gevelkommen) tot op het toestel 54/ 57
stromend worden aangesloten door middel van stromende muurplaten of Tstukken.
De volgende toestellen dienen voorzien te worden van een warmwateraansluiting:
Norm(en)
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
model aansluitwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven In Nederland (VEWIN-werkbladen laatste editie) NEN 1006 ISSO publicatie 55.10: Handleiding legionella-preventie in leidingwater
Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪ ▪ ▪ ▪
Beperk het drinkwaterverbruik. Pas waterbesparende appendages toe en pas (in overleg met gebruiker) en waar mogelijk hemelwater toe. Breng waterleidingen zoveel mogelijk buiten het zicht, maar wel goed bereikbaar aan. Koud- en warmwaterleidingen ver genoeg uit elkaar (min. 150 mm); Geen koudwaterleidingen in vloeren waarin vloerverwarming is opgenomen. Voorkomen van dode leidingdelen. De warmwatertappunten moeten een constante waterstroom geven passend bij de functie van de aangesloten sanitaire apparaten. Het hele waterleidingssysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat met behulp van leidingafsluiters gebouwsecties afgesloten kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de brandslanghaspels. Voor het onderhoud, vervangen van kranen/ sanitaire toestellen, worden stopkranen voorzien. Ter voorkoming van verbranding aan heet water dient de temperatuur van het uitstromende water in alle ruimten geblokkeerd te zijn middels een thermostaatkraan op maximaal 38°C. Appendages die waterslag in de installatie kunnen veroorzaken, dienen niet te worden toegepast. Beperk het energieverbruik van boilers door deze eventueel te koppelen aan het GBS-systeem. Verzegelde brandslanghaspels opnemen. Bij het passeren van een brandscheiding dient de sparing door een gecertificeerd bedrijf brandwerend te worden afgewerkt.
www.icsadviseurs.nl
Douchecombinaties MIVA-wastafelcombinaties Aanrechtcombinaties/ pantry’s Uitstortgootsteen combinaties Keuken Wastroggen
Wachttijden in het warmwatersysteem dienen minimaal te zijn. Bij het toepassen van een warmwater-recirculatiesysteem moet er tot vlak bij het tappunt warmwater gecirculeerd worden. Warmwater-recirculatieleidingen dienen thermisch geïsoleerd te zijn. Aandachtspunten ▪
Toiletten kinderopvang moeten ruimte van 100 cm hebben aan één zijde van het toilet om kinderen te kunnen helpen.
Door de uitvoerende partij op te stellen: ▪ ▪
Risicoanalyse, bij ingebruikname. Legionellabeheerplan, binnen drie maanden na ingebruikname.
9.7 Brandbestrijdingsinstallaties Het gebouw moet voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende bouwbesluit en plaatselijke regelgeving en richtlijnen. Er dient naar aanleiding van de nieuwbouw een integraal plan inclusief vluchtrouteaanduiding voor de hele locatie te worden opgesteld. De benodigde brandslanghaspels conform bouwbesluit plaatsen, verdeeld over het gebouw. De brandslanghaspels monteren in een brandslanghaspelkast en aansluiten op het drinkwaterleidingnet. De definitieve plaats en lengtes van de diverse brandslanghaspels vaststellen. Uitgangspunt is een minimale voordruk van 150 kPa op de brandslanghaspels met een minimale capaciteit van 1,4 m3/ h en een maximale slanglengte van 30 meter (afstand uiterste hoek tot bsh 30/ 1,5 + 5 = 25 meter). Hierbij wordt
55/ 57
uitgegaan van het gelijktijdig gebruik van 2 brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde drinkwatervoorziening.
▪
Aanvullend: ▪ ▪
In technische ruimten dient een schuimblusser te worden geplaatst. Handbrandblusser (vetbrandblusser) en branddeken in de keuken(s).
9.8 Vloeistofafvoersystemen
▪
Indien noodzakelijk uit oogpunt van gezondheid of veiligheid dient het gebouw voorzien te worden van lozingstoestellen waar specifieke stoffen geloosd worden. Het stelsel dient bestand te zijn tegen de lozing van zuren en basen op plaatsen waar, vanuit het gebruik, dergelijke lozingen verwacht kunnen worden. In keukens dient in de afvoerleidingen een olieafscheider/ vetvangput te worden opgenomen. Voor het reinigen van keuken(s) en toiletgroepen kunnen vloerputjes handig zijn. Het is raadzaam de schoonmaakdienst bij deze keuze te betrekken.
Vloeistofafvoersystemen dienen geïntegreerd te worden met de bestaande situatie waarbij de volgende uitgangspunten in acht worden gehouden. De hemelwaterafvoer- en rioleringsleidingen moeten zoveel mogelijk buiten het gebouw, in schachten en boven akoestisch minder kritische ruimten worden gesitueerd. De inpandige leidingen in de verlaagde plafonds en schachten thermisch, dampdicht en akoestisch uitwendig isoleren. Situering boven bijvoorbeeld kantoorruimten en leslokalen, vereist de toepassing van akoestische voorzieningen. De hemelwaterafvoerinstallatie behorende tot het gebouw eindigt op een aangesloten (gescheiden) gemeentelijk rioleringsstelsel dan wel op infiltratievoorziening (grindkoffer of wadi). Waar mogelijk en in overleg met de opdrachtgever wordt hemelwater opgevangen en gebruikt. De capaciteit van de systemen dient te worden afgestemd op de te verwachten behoefte. Daar bovenop dient een reservecapaciteit te worden aangehouden. Dit dient te worden afgestemd met de opdrachtgever.
9.8.1 Vuilwaterafvoer Het gebouw dient voorzien te worden van een leidingenstelsel dat geschikt is voor de afvoer van, middels lozingstoestellen afgevoerd, vuil drinkwater en overige stoffen op het openbaar riool. Uitgangspunten ▪
Het stelsel dient binnen voorzien te worden van de benodigde ontspanningsleidingen, ontstoppings- en expansiestukken en buiten voorzien te worden van controleputten en ontstoppingsstukken.
www.icsadviseurs.nl
56/ 57
10. Transport technische installaties In de ontwerpfase dient een capaciteitsberekening te worden opgesteld en aangeleverd te worden waarbij de capaciteit van de liften in de bestaande bouwdelen meegenomen wordt.
Bijlage I – Frisse scholen PvE 202 Bijlage II – Scorekaart en eisen Frisse Scholen MFA Willemstad Bijlage III – Kwaliteitskader huisvesting kinderopvang Bijlage IV – Handboek huisvesting bewegingsonderwijs Bijlage V – Handboek huisvesting bewegingsonderwijs – Speellokaal Bijlage VI – Kwaliteitskader huisvesting kinderopvang Kibeo
Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
Liften dienen bij voorkeur in de nabijheid van trappen gesitueerd te worden, centraal gelegen in het gebouw of gebouwdeel. Liftinstallaties dienen conform het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ gerealiseerd te worden. De liftinstallatie dient met behulp van een sleutel of ‘tag’ bedienbaar te zijn. De materialisatie betreffende bediening, deuren en cabineafwerking dient vandaalbestendig te zijn uitgevoerd. De liftinstallatie dient op het GBS te worden aangesloten ten behoeve van signalering en afhandeling van storingen. Alarm- en storingsmeldingen vinden plaats naar een eigen PAC via een GSM-verbinding. De liftinstallatie dient bij een brandmelding naar beneden te worden gestuurd en daar met geopende deuren in de brandweerstand te worden geschakeld. Voorzie liften aan binnen- en buitenzijde van etageaanduiding. De lift heeft minimaal een energielabel B en wordt, indien mogelijk, voorzien van regeneratieve aandrijving indien dit leidt tot energiebesparing.
De liftinstallatie dient gekeurd te worden door het Nederlands Instituut voor Lifttechniek. Na goedkeuring dient het certificaat van veiligheid bij de opleveringsstukken gevoegd te worden.
www.icsadviseurs.nl
57/ 57