HD Bijlage 2 TPvE MFA Willemstad
Tekst van het document
Technisch Programma van Eisen ‘MFA Willemstad’ Nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang, gym- en evenementenzaal en gemeenschapshuis
Opdrachtgever Gemeente Moerdijk Referentienummer 2210109/20230419/OD
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever DatumICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze waarmee uitgave. De2023 inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene 19 april voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is Auteur(s)inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in uitgesloten, een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, Öznur Bozmaz, Lieneke de Taeye, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, Sabine de Richemont zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1
Doel en scope
4
1.2
Aanpak en proces: van grof naar fijn
4
1.3
Leeswijzer
5
6.
5.4
Logistiek
22
5.5
Sociale Veiligheid
23
Bouwfysische uitgangspunten
24
6.1
Energieprestatie
24
6.2
Binnenklimaat en binnenmilieu
24
6.3
Luchtvochtigheid
27
Deel I Algemene uitgangspunten
6
6.4
Akoestiek en geluidshinder
28
2.
7
6.5
Daglicht
31
3.
Kaders en uitgangspunten 2.1
Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen
7
6.6
Zon- en helderheidswering
32
2.2
Kaders vanuit MFA Willemstad
10
6.7
Buitenmilieu
32
6.8
Brandveiligheid
33
Bouwkundige eisen
34
Algemene technische uitgangspunten
12
3.1
Duurzaamheid
12
3.2
Logistieke kwaliteit
14
7.1
Algemeen
34
3.3
Menselijke maat
14
7.2
Vloeren
34
3.4
Veiligheid
15
7.3
Buitenwanden
35
3.5
Beheer en exploitatie
15
7.4
Binnenwanden
37
Deel II
Technische eisen
16
7.5
Trappen en hellingen
39
7.6
Installatieruimten, schachten en kabelgoten
40
7.7
Hang- en sluitwerk
40
7.8
Sanitair
41
7.9
Spoel- en wasvoorziening
41
4.
5.
Terrein
7.
17
4.1
Algemeen
17
4.2
E- en W-installaties
18
4.3
Parkeren
18
4.4
Terreinafscheiding en omheining
18
4.5
Terrein- en gevelverlichting
19
Facilitaire uitgangspunten
7.10 Schoonmaakruimten
42
7.11 Doucheruimten
42
7.12 Glasbewassingsvoorziening
42
20
7.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties
43
5.1
Exploitatie
20
7.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting
43
5.2
Onderhoud
20
5.3
Schoonmaak
21
8.
Elektrotechnische installaties 8.1
Centrale elektrotechnische voorzieningen
44 44
9.
8.2
Verlichting
46
8.3
Terrein- en gevelverlichting
48
8.4
Communicatie
48
8.5
Beveiliging
49
Werktuigbouwkundige installaties
52
9.1
Warmteopwekking
52
9.2
Koudeopwekking
52
9.3
Ventilatie
53
9.4
Luchtbehandelingsinstallatie
53
9.5
Regeltechnische installaties
54
9.6
Warm- en koudwatervoorziening
54
9.7
Brandbestrijdingsinstallaties
55
9.8
Vloeistofafvoersystemen
56
10. Transport technische installaties
57
1. Inleiding 1.1 Doel en scope Voor u ligt het T PvE (Technisch Programma van Eisen) dat de technische uitgangspunten voor de nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang, gym- en evenementenzaal en dorpsvoorziening en horeca (MFA) in Moerdijk. Hierin zijn de technische eisen uitgewerkt met betrekking tot het gebouw en gebouwgebonden installaties. Tezamen met het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen (RF PvE), dat in samenwerking met de toekomstige hoofdgebruikers separaat wordt opgesteld zijn deze documenten input voor de nog te selecteren adviseurs (o.a. architect, adviseur installaties, constructeur, adviseur bouwfysica, etc.). Het T PvE zal samen met het RF PvE ingebracht worden als onderdeel binnen de grotere ontwikkeling van de ‘MFA Willemstad’ waarvan het onderwijs, kinderopvang, gym- en evenementenzaal, dorpsvoorziening en horeca een onderdeel van uitmaakt. De eisen & wensen dienen in samenhang met elkaar te worden bezien en kennen een overlap. Techniek en ruimtelijke functionaliteit gaan hand in hand en kunnen niet afzonderlijk van elkaar gerealiseerd worden. Functionele uitgangspunten zijn vertaald naar technische uitgangspunten en (waar nodig) vice versa. Deze documenten vormen tezamen de uitgangspunten voor de complete ontwerpopgave en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De eisen zijn zo veel mogelijk geformuleerd als verwijzingen naar bestaande normen en praktijkrichtlijnen. Een deel van de NEN-normen is wettelijk voorgeschreven door verwijzingen in het Bouwbesluit. Daar waar in deze normen en praktijkrichtlijnen keuzen moeten worden gemaakt, of waar voor dit project eisen worden gesteld die boven de eisen van de richtlijnen uitgaan, worden deze eisen vermeld, eventueel voorzien van een toelichting. Het T PvE schrijft aanbevelingen en aanvullingen voor op de eisen en richtlijnen die wettelijk gesteld worden. Het T PvE heeft tot doel de technische uitgangspunten op hoofdlijnen te formuleren waarmee in de ontwerpfase, bestekfase en uitvoeringsfase van het gebouw rekening moet worden gehouden. Het betreft hier eisen die een minimaal prestatieniveau aangeven en voor het gehele gebouw gelden.
Het in dit document omschreven prestatieniveau geldt als minimaal vereist kwaliteitsniveau voor huisvesting, welke op onderdelen uitstijgt boven het niveau van het bouwbesluit.
1.2 Aanpak en proces: van grof naar fijn Het T PvE maakt onderscheid tussen de algemene uitgangspunten (deel I) en de technische uitwerking (deel II). De technische uitwerking geeft de minimaal gewenste kwaliteit weer van het te realiseren gebouw. De door de ontwerpende partijen op te stellen plannen zullen aan de hand van de gestelde voorwaarden worden getoetst. De technische uitgangspunten geven de prestatie-eisen weer. In principe worden geen oplossingen voorgeschreven. In het ontwerpproces zullen de door de ontwerpers gekozen oplossingen goedgekeurd moeten worden door (een vertegenwoordiging van) de opdrachtgever en gebruikers. Ontwerpende partijen, van wie een kritische houding wordt verwacht, hebben een adviserende functie ten aanzien van de realisatie van aandachtspunten in het gebouw. Zij dienen de opdrachtgever te wijzen op mogelijke alternatieve invullingen waarbij zij opdrachtgever informeren over de voor- en nadelen van de alternatieven teneinde een optimale afstemming te krijgen tussen ontwerp, wensen en mogelijkheden. Streven hierbij is het maximaal (technisch en financieel) haalbare te realiseren waarbij altijd teruggevallen kan worden op de eisen in dit document. Ook de opdrachtgever kan wijzigingen en alternatieven aandragen. Ook in dat geval adviseren de ontwerpende partijen opdrachtgever bij het maken van een keuze.
1.3 Leeswijzer Deel I en Deel II Na het inleidende eerste hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 met vermelding van de algemeen geldende wet- en regelgeving die van toepassing is en die bij de ontwerpende partijen als bekend mag worden verondersteld.
Deel III Dit deel geeft een korte schets van essentiële technische uitgangspunten, zoals omgeving, flexibiliteit, beheer & exploitatie en het binnenklimaat. De uitgangspunten worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 tot en met 10 in specifieke ontwerpuitgangspunten en technische richtlijnen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Bouwkundige werken Bouwfysische uitgangspunten Elektrotechnische installaties Werktuigbouwkundige installaties Transportinstallaties
Markeringen Om het onderscheid aan te geven tussen prestatie-eis, criteria en uitgangspunten enerzijds en anderzijds aandachtspunten aan te duiden worden de volgende markeringen in kaders gehanteerd. <betreffende eis> Dit betreft de minimale prestatie. Uitgangspunten ▪
Uitgangspunten, als toelichting en/ of aanvulling op de prestatie-eis.
Norm(en) De te hanteren normen, voor zover die niet zijn vervangen voor een meer recente versie die gehanteerd dient te worden.
Aandachtspunten ▪
Aandachtspunten zijn niet leidend of bindend maar onderdeel van het onderzoek van de ontwerpopgave. Deze dragen bij aan een verdere optimalisatie van gestelde uitgangspunten en bieden daarmee handvatten voor ontwerp- en/ of bouwteam bij de verdere uitwerking.
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.
Deel I Algemene uitgangspunten De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.
2. Kaders en uitgangspunten 2.1 Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen Onverkort hetgeen in dit Functioneel Technisch Programma van Eisen is gesteld, dient een gebouw te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Hieronder valt het vigerend Bouwbesluit incl. de hierop volgende wijzigingen en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening en het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt ook voldaan aan de criteria die gesteld zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit, eisen samenhangend met veiligheid en de hygiënerichtlijnen (HACCP). Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/ of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/ of richtlijnen en/of normen. Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar NEN-normen of andere richtlijnen, dient te allen tijde de meest actuele versie van de betreffende norm of richtlijn gehanteerd te worden, inclusief alle op deze norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/ of correctiebladen.
Het voorschrijven van deze regels ontneemt adviseurs nimmer de plicht om opdrachtgever te wijzen op andere, nieuwe en/ of verbeterde wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen welke betrekking hebben op onderhavige opgave voor zover zij daar kennis van hebben of verondersteld mag worden dat zij daar kennis van hebben.
2.1.1 Wet- en regelgeving 2.1.1.1 Bouwbesluit Toetsing ten behoeve van de bouwvergunning zal plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende versie van het bouwbesluit. De eisen van het Bouwbesluit voor nieuw te bouwen bouwwerken bevatten de minimum bouwtechnische voorschriften omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu.
www.icsadviseurs.nl
In het Bouwbesluit staat welke NEN-normen van toepassing zijn en welke kwaliteitsverklaringen kunnen worden toegepast. De NEN-normen geven bepalingsmethoden aan waarmee aan de prestatie-eisen wordt voldaan. De normen worden uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). 2.1.1.2 Gemeentelijke bouwverordening en bestemmingsplan De huisvesting dient te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de gemeentelijke bouwverordening en binnen het geldende bestemmingsplan. Er mag geen wettelijke belemmering bestaan om het gebouw en terrein in gebruik te nemen of te houden voor de beoogde functie. Tevens dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning en bij ingebruikname rekening te worden gehouden met de bepalingen en voorschriften van de plaatselijke brandweer die opereert binnen de veiligheidsregio. 2.1.1.3 Drank en horeca wet De ruimten die van toepassing zijn op de horeca dienen te voldoen aan de drank en horeca wet.
2.1.2 Richtlijnen 2.1.2.1 Arbeidsomstandigheden besluit (Arbowetgeving) Het bouwbesluit is afgestemd met het Arbobesluit met betrekking tot de bouwtechnische Arbo-voorschriften. Tevens dient ervoor gezorgd te worden dat het gebouw bij ingebruikname in overeenstemming is met onder meer de dan geldende eisen die ingevolge de Arbowet gesteld worden aan de arbeidsomstandigheden van gebruikers en bezoekers van het gebouw. De nodige aandacht dient derhalve te worden besteed aan de arbeidsomstandigheden, waarbij de van overheidswege vastgestelde voorschriften, wetten, normen en Arbo-informatiebladen (AI-bladen) in acht dienen te worden genomen. 2.1.2.2 GGD richtlijnen t.b.v. kinderopvang (RIVM) De richtlijnen vanuit de GGD t.b.v. kinderopvang zijn van toepassing. 2.1.2.3 Kwaliteitskader huisvesting Kinderopvang Aanvullend op dit PvE is het Kwaliteitskader kinderopvang van toepassing. Dit is een document met een aantal kwaliteitscriteria ten aanzien van de beleving, gebruik en techniek van een kinderdagverblijf. Dit voor zowel de kinderopvang
7/ 57
(0-4 jaar) als de Buitenschoolse opvang (4-12 jaar). Bij tegenstrijdigheden geldt dit PvE als uitgangspunt.
gedwongen alle hygiënerichtlijnen uit te werken en na te streven. De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het schrijven van dit onderliggende HACCP-plan.
2.1.2.4 Warenwet Kinderdagverblijven Speeltoestellen voldoen aan veiligheidseisen (Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen: WAS). Het meubilair en de inrichting van de kinderopvang voldoen aan de veiligheidseisen (Warenwet Kinderbedden en -boxen). Ruimte en inrichting voldoen aan eisen voedselveiligheid (Warenwet en Hygiënerichtlijn kinderdagverblijven).
2.1.2.8 Overig m.b.t. veiligheid De huisvesting moet voldoen aan alle wettelijke vastgelegde veiligheidseisen. Zowel het eindresultaat alsmede de tijdelijke situatie gedurende de realisatiefase. Daarnaast gelden aanvullende eisen, gericht op het bevorderen van de veiligheid en het waarborgen van de continuïteit van primaire en secundaire bedrijfsprocessen. De sociale veiligheid, gezondheid en het welbevinden moeten (door of vanwege de ligging van het gebouw) gewaarborgd zijn.
2.1.2.5 Stedenbouwkundige kaders Voor de ontwikkeling van ‘MFA Willemstad’ wordt een omgevingsplan met bijbehorend beeldkwaliteitsplan opgesteld. 2.1.2.6 Toegankelijkheid Toegankelijkheid is de eigenschap van gemaakte voorzieningen (o.a. buitenruimten, producten en gebouwen), die maakt dat mensen alle ruimten in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen bereiken en betreden en alle functies in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen gebruiken. Het uitgangspunt hierbij is dat (standaard)voorzieningen die in het gebouw zijn opgenomen ook integraal toegankelijk zijn of dat er ook gelijke integraal toegankelijke voorzieningen zijn opgenomen. Het gebouw dient zoveel mogelijk integraal bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te zijn voor iedereen, ook voor personen met een lichamelijke en/ of functionele beperking. Hiermee worden niet uitsluitend rolstoelgebruikers bedoeld, maar ook bijvoorbeeld leerlingen met een functiebeperking van andere aard en mensen met een visuele, auditieve of andere beperking. Wat betreft de toegankelijkheid van het gebouw wordt gestreefd te voldoen aan de meest recente versie van het Handboek Toegankelijkheid. Met betrekking tot toegankelijkheid en logistiek wordt onderscheid gemaakt tussen toegankelijkheid voor personen (medewerkers, leerlingen en bezoekers) en de logistieke stroom van goederen.
Deze dienen zoveel mogelijk gescheiden plaats te vinden zodat er geen overlast ontstaat.
2.1.2.7
Hygiënerichtlijnen (HACCP)
Alle bedrijven, scholen en instellingen die levensmiddelen produceren, bewerken, transporteren en/ of opslaan, zijn verplicht een HACCP-systeem in te voeren en te onderhouden. In het daaronder liggende HACCP-plan wordt de gebruiker
www.icsadviseurs.nl
2.1.2.9
Overige nota’s
Bodem ▪ Bodemkwaliteitskaart ▪ Nota bodembeheer gemeente Moerdijk 2018 ▪ Bodemkwaliteitskaart PFAS ▪ Nota bodembeheer PFAS Bouwen en gebruik ▪ Welstandsnota 2004 Erfgoed ▪ Erfgoedvisie Zuiderwaterlinie ▪ Visie vestingwerken ▪ Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart en advies archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk Milieu, klimaat en duurzaamheid ▪ Paraplunota Leefomgeving 2012-2030, Meerjarenbegroting programma 1 en beleidskader hogere waarde wet geluidshinder Gemeente Moerdijk 2008 ▪ Energieprogramma Moerdijk ▪ Convenant Duurzaam Bouwen 2014 ▪ Regionale Energiestrategie West-Brabant ▪ Transitievisie Warmte ▪ Klimaatstrategie gemeente Moerdijk
8/ 57
Natuur ▪ Paraplunota leefomgeving ▪ Groenstructuurplan Openbare ruimte (beheer, verkeer/parkeren, spelen) ▪ Handboek Inrichting Openbare Ruimte ▪ Paraplunota Maatschappij 2014-2030, woonomgeving/ Meerjarenbegroting programma 2 ▪ Speelruimtebeleid ▪ Parkeerbeleidsvisie 2021 ▪ Nota parkeernormen 2021 ▪ Paraplunota maatschappij 2014-2030, woonomgeving ▪ Beleidsbegroting Programma 2 (onderdeel bereikbaarheid en verkeersveiligheid) Onderwijs ▪ Paraplunota Maatschappij 2014-2030/ Beleidsbegroting programma. 2 ▪ Verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Moerdijk en Onderwijs Huisvesting Programma (OHP) ▪ Techniekpact 2020 (voor technieklokaal) Rijke ondergrond, behoud grondstoffen ▪ Paraplunota leefomgeving Water ▪ Paraplunota Leefomgeving (onderdeel: Waterplan gemeente Moerdijk 2009-2015) ▪ Paraplunota Leefomgeving 2012-2030 ▪ vGRP De opgenomen nota’s/beleidskader gaan, wanneer zij stringentere eisen voorschrijven dan in dit PvE, boven de eisen zoals verwoord in dit document.
www.icsadviseurs.nl
9/ 57
2.2 Kaders vanuit MFA Willemstad Het totale pakket van eisen dient zorgvuldig in acht te worden genomen. Daarbij dient voor samenhang tussen de volgende onderdelen te worden gezorgd: ▪ De functionaliteit van het gebouw zoals omschreven in het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen met kenmerk 2210109. ▪ De onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties. ▪ Onderhoudsbewust gebouw. ▪ De duurzaamheid en milieuvriendelijkheid van constructies en materialen. ▪ Een energieneutraal gebouw (ENG). ▪ De veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de gebruikers. ▪ Frisse scholen klasse B dient minimaal behaald te worden. In ontwerpproces wordt met het ontwerpteam besproken waar hogere ambities nuttig en haalbaar zijn. ▪ GPR score van minimaal 7.5 op thema’s milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. GPR van minimaal 8 voor thema energie. ▪ Een milieubewust energiebeheer Het is aan de ontwerpende partij om de score van het ontwerp t.o.v. de eis of de ambitie aantoonbaar te maken. Aandachtspunten
gedurende de ontwerpfase geverifieerd te worden met opdrachtgever en de toekomstige gebruikers.
2.2.1.1
Onderwijs
Bedrijfstijden Van
tot
Maandag
7.30
18.00
Dinsdag
7.30
18.00
Woensdag
7.30
18.00
Donderdag
7.30
18.00
Vrijdag
7.30
18.00
Zaterdag
Gesloten
Zondag
Gesloten
2.2.1.2
Kinderopvang
Bedrijfstijden Van
tot
Maandag
7.00
19.00
Dinsdag
7.00
19.00
Woensdag
7.00
19.00
Donderdag
7.00
19.00
2.2.1 Bedrijfstijden
Vrijdag
7.00
19.00
Onderscheid maken in onderwijs, kinderopvang, sport en MFA. Bij het ontwerp en de installaties moeten uitzonderingen op de bedrijfstijden mogelijk zijn. Denk hierbij aan ouderavonden, overwerk, werk in het weekend, etc. Hier ook rekening houden met de afwijkende openingsweken van de kinderopvang (52 weken) en scholen (40 weken). De bedrijfstijden inclusief afwijkingen hierop dienen
Zaterdag
Gesloten
Zondag
Gesloten
MFA Willemstad betreft een gebiedsontwikkeling die meer omvat dan de realisatie van de MFA, basisscholen, kinderopvang en gymzaal en evenementenzaal. Raakvlakken met de overige delen van de gebiedsontwikkeling (verplaatsen voetbalvereniging, woningbouwontwikkeling Willemstad Oost) dienen met de opdrachtgever afgestemd te worden.
www.icsadviseurs.nl
10/ 57
2.2.1.5 2.2.1.3
Gymzaal
Bedrijfstijden
Bedrijfstijden Van
tot
Maandag
8.30
23.00
Dinsdag
8.30
23.00
Woensdag
8.30
23.00
Donderdag
8.30
23.00
Vrijdag
8.30
23.00
Zaterdag
8.30
21.00
Zondag
8.30
21.00
Van
tot
Maandag
9.00
19.00
Dinsdag
9.00
19.00
Woensdag
9.00
19.00
Donderdag
9.00
19.00
Vrijdag
9.00
19.00
Zaterdag
9.00
19.00
Zondag
9.00
19.00
2.2.1.4
Gemeenschapshuis incl. evenementenzaal (let op: in RFPvE zaal genoemd)
Van
tot
Maandag
9.00
01.00
Dinsdag
9.00
01.00
Woensdag
9.00
01.00
Donderdag
9.00
01.00
Vrijdag
9.00
01.00
Zaterdag
9.00
02.00
Zondag
9.00
02.00
Speellokaal
Bedrijfstijden
www.icsadviseurs.nl
11/ 57
3. Algemene technische uitgangspunten
Er wordt onderscheid gemaakt tussen: ▪
Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van uitgangspunten die worden gehanteerd betreffende de algemene technische uitgangspunten die van belang zijn voor een goede basiskwaliteit van het nieuwe gebouw. De uitgangspunten zijn geclusterd naar aspecten die te maken hebben met het fysieke gebouw en de aspecten die te maken hebben met het gebruik.
▪
Indelingsflexibiliteit ─ Lange termijn ─ Korte termijn Onderhoudsflexibiliteit
Indelingsflexibiliteit
De eis is om de nieuwbouw minimaal conform Programma van Eisen Frisse Scholen niveau B, versie 2021 te realiseren.
De stramienmaat van het gebouw dient op het gebruik te zijn afgestemd. De toepassing van een bepaalde keuze voor stramienmaat of meerdere stramienmaten dient consequent opgezet te worden.
3.1 Duurzaamheid
De draagconstructie dient zodanig gekozen te worden dat deze de functionaliteit en/ of herindeling niet belemmert, zodat de mogelijkheden om ruimten multifunctioneel in te zetten toenemen.
Bij duurzaamheidsinvesteringen is Total Cost of Ownership (TCO) het uitgangspunt voor besluitvorming.
3.1.1 Flexibiliteit De tijdshorizon voor ontwikkelingen en vernieuwingen in het onderwijs is vrij kort in vergelijking tot de levensduur van het gebouw. Met het oog op toekomstige veranderingen in de omvang en de aard van de te huisvesten functies, dient in het ontwerp op verschillende manieren flexibiliteit te worden ingebouwd. Flexibiliteit mag niet leiden tot een matige uitstraling. Bij zowel het ruimtelijk/ constructief concept als het installatietechnisch concept zijn aanpassingen na ingebruikname zeer kostbaar en lastig. Daarom dient bij het ontwerp te worden gestreefd naar aanpasbaarheid op de lange termijn om een dynamisch en toekomstbestendig gebouw te creëren, hetgeen op de lange termijn leidt tot lagere vervangingskosten. Bij het ontwerpen van het indelingsconcept en het inrichtingsconcept dient juist te worden gestreefd naar flexibiliteit op de korte(re) termijn. In deze twee concepten moeten aanpassingen na ingebruikname eenvoudig, met minimale kosten en minimale overlast te realiseren zijn. Voor het indelingsconcept is een systematische maatvoering een belangrijk aandachtspunt, zowel bouwkundig als installatietechnisch.
Constructief vaste elementen in de opbouw van het gebouw zijn de constructieve trappen, de lift, de schachten en sanitaire groepen. Deze elementen dienen zoveel mogelijk geconcentreerd te worden teneinde de herindeling en flexibiliteit te vergroten. Installaties en installatieruimten dienen zodanig ontworpen te worden dat incidentele wijzigingen van de ruimten zonder ingrijpende wijzigingen van de basisinstallatie kunnen plaatsvinden. Hierdoor wordt de indeelbaarheid van het gebouw bevorderd. De basisinstallatie en hoofdinfrastructuur dient hierin geen belemmerende factor te zijn. Daarnaast is het van belang dat ruimtes flexibel in gebruik zijn. De flexibel te gebruiken (en/of samen te gebruiken) ruimten nader af te stemmen in het ontwerpproces met de gebruiker.
Onderhoudsflexibiliteit Gebruikte materialen dienen goed uitwisselbaar te zijn, bij vervanging goed bereikbaar te zijn en dienen eenvoudig gedemonteerd te kunnen worden. In het kader van circulariteit dienen alle materialen en de constructie bij voorkeur losmaakbaar te worden ontworpen. Bij voorkeur worden geen voor het project ontwikkelde of aangepaste materialen toegepast.
Voor het inrichtingsconcept is de mate waarin ruimten eenvoudig aan te passen zijn aan de wensen van het gebruik van dat moment van belang. www.icsadviseurs.nl
12/ 57
Uitgangspunten ▪
▪ ▪
▪
▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
Gebouw kent een compartimentering die multifunctioneel gebruik/ medegebruik/ verhuur mogelijk maakt. Gebouw is zo ontworpen dat gebouw te ‘verkavelen’ is (verhuur afzonderlijke gebouwdelen) Compartimentering installaties (o.a. alarmsysteem, verwarming en verlichting) is afgestemd op (mede)gebruik van ruimten. Materiaal gebruik en de bediening van installaties is afgestemd op (toekomstig) multifunctioneel gebruik. Installaties zijn eenvoudig bedienbaar en te begrijpen, vloerbelasting en -afwerking staat multifunctioneel gebruik toe, het sluitplan wordt toegerust op multifunctioneel gebruik. Ruimten die voor medegebruik open staan, liggen dicht bij een entree en zijn afzonderlijk afsluitbaar. Bespreek of in die ruimte afsluitbare bergingen moeten komen. Compartimentering brandveiligheid valt (zo veel als mogelijk) samen met gebruikscompartimentering. Bouwkundig, constructief, werktuigbouwkundig en elektrotechnisch dient rekening te worden gehouden met flexibiliteit ten aanzien van het gebruik en herindeelbaarheid van het gebouw. Ruimtes zijn zowel bouwkundig als ook installatietechnisch gemakkelijk samen te voegen of op te splitsen, met behoud van functionaliteit.
Installatietechnische voorzieningen zijn tegen redelijke investeringen aan te passen (groei leerlingaantal) Gebouw is zo ontworpen (op het terrein) dat uitbreiding met 10- 25% in de toekomst mogelijk is Gebouw is ontworpen op vast stramien. Gebouw heeft vrije overspanning van >=7,5 m (i.v.m. vrije indeelbaarheid) De bouwkundige en installatietechnische voorzieningen (denk aan dimensionering capaciteit/ diameters kanalen en leidingen), inclusief datainfrastructuur in het gebouw zijn zodanig ontworpen, dat in de toekomst vrijheid blijft bestaan om het gebouw tegen een redelijke investering en op een overzichtelijke wijze aan te passen (aanvullen/wijzigen). Uitbreiding van gebouw en installaties en de daarvoor gevraagde overcapaciteit worden overwogen. Dit stelt onder andere eisen aan de fundering en draagconstructie (uitgangspunt dragende kolommen en balken), de positie van stabiliteitskernen/-wanden, de mogelijkheid om installaties aan te passen of op aan te sluiten, de toepassing van eenvoudig te verplaatsen wanden, gelijke niveaus van plafond en vloer van naast elkaar gelegen ruimten, moduulmaten, scheiding tussen drager- en inbouw, reservecapaciteit in kabelgoten, kanalen en schachten. Bereid de installatie voor op een verdere uitbreiding van de hoeveelheid PV-panelen en reserveer ook ruimte voor aansluiting pv-panelen per
www.icsadviseurs.nl
▪ ▪ ▪ ▪
compartiment. Een nieuwe gebruiker moet zijn eigen panelen op het dak kunnen leggen (of huren) en aansluiten op de eigen installatie. Houdt bij ruimte voor installatie (al dan niet op het dak) rekening met eventuele toepassing van warmtebuffervaten. Drager en inbouw zijn gescheiden Ruimten zijn zowel bouwkundig als ook installatietechnisch gemakkelijk samen te voegen of op te splitsen Situering trap is niet belemmerend voor toekomstige indeling van ruimten
3.1.2 Energie Als minimale eis wordt een Energie Neutraal Gebouw (ENG) gerealiseerd. Er wordt gestreefd naar maximale zelfvoorzienendheid met minimale afhankelijkheid van het net.
3.1.3 Circulariteit Nederland heeft zich ten doel gesteld om in 2050 100% circulair te zijn. Dat wil zeggen dat er niet meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe grondstoffen (mineralen, metalen en fossiel). De ambitie is om een (gedeeltelijk) circulair gebouw te realiseren daar waar dit kostenneutraal uitgevoerd kan worden. Van de nog te selecteren adviseurs wordt verwacht hier een proactieve houding om hier in het ontwerp invulling aan te geven. In overleg met opdrachtgever worden nadere afspraken gemaakt over toepassingen of maatregelen m.b.t. circulariteit. Uitgangspunten ▪
▪ ▪
▪ ▪
Kies voor materialen die milieuvriendelijk kunnen worden geproduceerd of juist weer kunnen worden afgebroken. Het gebruik van materialen met een hoge belasting voor het milieu wordt beperkt en waar mogelijk vermeden. Indien dit niet leidt tot een verhoging van de investering en kwalitatief verantwoord is, worden zoveel mogelijk vernieuwbare en duurzame primaire grondstoffen en industriële reststoffen als bouwstoffen gekozen. Materiaalgebruik is beperkt door compacte bouw Toegepaste materialen bevatten geen schadelijke weekmakers en hebben aantoonbaar lage emissies van formaldehyde en vluchtige organische stoffen. Het streven is materialen en grondstoffen uit Europa te betrekken. Daadwerkelijke CO2 emissie nieuwbouw is (zoveel mogelijk) klimaatakkoord bestendig (Paris proof).
13/ 57
▪
▪
▪
Gebouw is ontworpen op optimaal (her)gebruik grondstoffen: ─ De gekozen materialen dienen na einde levensduur in een biologische of technische kringloop hoogwaardig te kunnen worden hergebruikt. De materialen of elementen dienen zodanig te worden gedetailleerd dat deze zoveel mogelijk losmaakbaar (demontabel en remontabel) zijn, waarmee hoogwaardig hergebruik in de toekomst mogelijk is. Waar meerdere materialen elkaar ontmoeten en niet droog demonteerbaar zijn, is sprake van een gelijkwaardigheid te bestaan in levensduur van de diverse materialen. De ambitie is om tevens circulaire materialen (tweedehands) toe te passen in de MFA.
3.1.4 Gezondheid In de nieuwbouw dient duurzaam en op een plezierige wijze verbleven te kunnen worden vanuit het oogpunt van gezondheid, welzijn, veiligheid en bruikbaarheid. Gebruik en beleving dragen hieraan bij doordat de omgeving als comfortabel, veilig en plezierig dient te worden beschouwd. Bijvoorbeeld door een comfortabel binnenklimaat, goede akoestiek en voldoende (dag)licht, e.e.a. conform Programma van Eisen Frisse Scholen. Ook levend groen kan een bijdrage aan het welbevinden leveren. Dit maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.
3.2 Logistieke kwaliteit Logistieke kwaliteit heeft te maken met de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van het gebouw. Om het gebouw goed werkbaar te maken, dient het gebouw te beschikken over een duidelijke structuur die overzicht biedt. De verkeersruimten en verticale transportmiddelen dienen een bepaalde capaciteit te hebben om de piekmomenten in de verkeersstromen op te kunnen vangen. Sommige delen van het gebouw moeten zelfstandig kunnen functioneren zonder dat dit invloed heeft op de overige delen. Hiertoe dient het gebouw opgedeeld te worden in een (beperkt) aantal clusters/ compartimenten, zowel ruimtelijk als installatietechnisch. Delen van het gebouw moeten afgesloten en beveiligd kunnen worden, terwijl andere delen in gebruik zijn.
Vanwege de verschillende gebruikstijden wordt met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers een sluitplan opgesteld.
3.3 Menselijke maat Primair biedt het gebouw aan gebruikers onderdak en bescherming tegen weersinvloeden. Daarnaast is het belangrijk dat het gebouw aansluit bij de activiteiten en behoeften van de gebruikers. De menselijke maat is een belangrijke factor in het ontwerp van het gebouw; de wijze waarop de mens als gebruiker zich door het gebouw beweegt en hoe hij dit bij gebruik van het gebouw ervaart worden beïnvloed door de maat van het gebouw. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beleving van de ruimte voor iedereen anders is. De omvang van ruimten (zowel de vorm als de hoogte) dient afgestemd te worden op de menselijke maat. Een ruimte kan een verloren of benauwd gevoel oproepen; door rekening te houden met de verhouding tussen gebruiker en gebouw dient dit te worden voorkomen. Ooghoogte en uitzicht (zittend en staand) is een interessante maat voor de positionering van wanddoorbrekingen en de indeling van de open gevel. Een mens neemt afhankelijk van de activiteit een bepaalde beweegruimte in. Luisteren naar een presentatie vraagt om een andere ruimtebehoefte per persoon dan het spelen in een speelzaal. Samen met een inschatting van het aantal mensen in een ruimte bepaalt de beweegruimte de ruimtebehoefte van een activiteit of een functie.
Indien in een ruimte meerdere activiteiten (soms ook) tegelijkertijd zullen plaatsvinden, moet hiermee rekening worden gehouden. Naast de ruimte die de activiteit zelf vraagt, is ook de ruimte van belang die deze activiteit ondersteunt, zoals lopen, opruimen en ontmoeten. Het maken van inrichtingstekeningen (plattegrond met losse en vaste inrichting) maakt de ruimtelijke consequenties van de diverse activiteiten in een vertrek inzichtelijk. Van het ontwerpteam wordt het maken van deze inrichtingstekeningen gevraagd.
In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met deze afsluitbaarheid met het oog op veiligheid in brede zin en functionaliteit zoals gebruik kunnen maken van toiletten. www.icsadviseurs.nl
14/ 57
3.4 Veiligheid Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door nietgewenste bezoekers.
Het ontwerp voorziet in inzicht in de kosten voor energie, water en data met een eenvoudige afrekening per gebruiker. Van het ontwerpteam wordt verwacht de gebruikers hierover van advies te voorzien.
De beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1. Planologische aspecten; 2. Organisatorische maatregelen; 3. Bouwkundige maatregelen; 4. Compartimentering; 5. Elektronische maatregelen. Aan alle aspecten dient bij het ontwerp aandacht te worden besteed en dient te worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het gebouw moet beschermd worden tegen de risico’s van inbraak en diefstal, vandalisme, brand, e.d. Adviseurs binnen het ontwerpteam dienen adequate op elkaar afgestemde veiligheidsvoorzieningen in het ontwerp op te nemen. Hulpdiensten moeten het terrein, het gebouw en de ruimten in het gebouw eenvoudig kunnen bereiken. Ook dient er aandacht te zijn om ongewenst binnendringen tijdens openingstijden te minimaliseren.
3.5 Beheer en exploitatie Het beheer en de exploitatie vormen na de initiële investering een behoorlijke kostenpost. Exploitatiekosten zijn onder meer de kosten voor energie, gebouwonderhoud, schoonmaak- en terreinonderhoud en de loonkosten van een conciërge of beheerder. Een optimaal exploitabel gebouw houdt in dat de som van de investeringen en exploitatiekosten over de levensduur van de gebouw- en installatieonderdelen zo laag mogelijk is. Slimme ontwerpkeuzes en/ of een meerinvestering met als doel de exploitatiekosten te verlagen, verdienen zich in een aantal jaren terug. Hierbij ook aandacht voor de te gebruiken materialen.
www.icsadviseurs.nl
15/ 57
Deel II Technische eisen
www.icsadviseurs.nl
16/ 57
4. Terrein In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven die door de gebruikers gesteld worden aan het terrein en de inrichting van het terrein. Het volledig afwerken en inrichten van het terrein valt binnen het ontwerp. Het betreft hier zaken zoals verhardingen, buitenverlichting, terreinafscheidingen, fietsenstallingen (niet overdekt), parkeerplaatsen (auto), buitenbergingen, opstelplaats containers, elektrotechnische & werktuigbouwkundige voorzieningen (zoals riolering, drainage, verlichting, oplaadpunten elektrische fietsen en auto’s), groenvoorziening, waterberging & onverhard (school)plein, verhard (school)plein, ontsluitingen, banken, hekwerk, et cetera. Voor het terrein-, gebouw- en installatieontwerp dient vroegtijdig met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers te worden overlegd om zodoende hun eisen en procedure af te stemmen. Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Erfdienstbaarheden. Onderzoek in het kader van de Flora- en Faunawet. Onderzoek naar de waterhuishouding tijdens en na de bouw. Bodemonderzoek. Geluid als gevolg van omliggende wegen en toegangsroutes. Geluid als gevolg van eventuele installaties op het dak. Grondonderzoek. Archeologie
Grondonderzoek Ten behoeve van het funderingsontwerp worden door de constructeur voldoende sonderingen alsmede een verkennend en eventueel aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd en een funderingsadvies uitgebracht door ter zake gespecialiseerde onderzoeksbureaus. Onderzocht wordt: ▪ Het draagvermogen van de bodem. ▪ De samenstelling van de bodem. ▪ De verontreiniging van de grond. ▪ De grondwaterstand ten opzichte van NAP.
Bestaande grondonderzoeken kunnen worden toegepast mits zij voldoen aan de huidige eisen. Aan de hand van de resultaten van het funderingstechnisch bodemonderzoek worden de funderingsconstructies bepaald.
4.1 Algemeen Indeling van het terrein en vaste terreininrichting dienen aan te sluiten bij de wensen ten aanzien van gebruiksindeling van het gebouw. Hierbij valt te denken aan onder andere zitmeubilair, afvalbakken, fietsenstalling voor leerlingen (niet overdekt) en medewerkers (niet overdekt) en autoparkeren. Op het terrein dient in het ontwerp te worden ingericht met: ▪ Verhardingen (het plein is minstens 40-50% onverhard) ▪ Vaste terreininventaris ▪ Groenvoorziening (aandacht voor biodiversiteit en schaduw) ▪ Riolering, straatkolken en waterberging ▪ Contactdozen ▪ Waterpunten Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
▪
www.icsadviseurs.nl
Buitenruimte inspireert kinderen tot spel en avontuur. Er zijn schaduwplekken gecreëerd boven de zandbak en buitenbox bij voorkeur middels bomen/beplanting. De zandbak heeft een vaste bodem en is voorzien van een vocht doorlatend afdekzeil. Buitenruimte is veilig en passend ingericht voor de diverse leeftijdsgroepen. Zo veel mogelijk scheiden van de verschillende verkeersstromen in verband met veiligheid. Het terrein dient een zodanige afwerking te hebben, dat een duurzaam adequate berging en (vertraagde) afvoer van hemelwater gegarandeerd is. Bergingsopgave is 60mm per m2 verhard oppervlak. Op plaatsen waar vrachtverkeer komt in verband met bevoorrading dient de ondergrond en verharding hierop berekend te zijn. Houd rekening met de noodzakelijke vrije toegangs- en doorgangsroutes en opstelplaatsen voor brandweerauto’s, ambulances, taxi’s en vrachtauto’s ten behoeve van het lossen en laden van materiaal en materieel. Indien de glasbewassing geschiedt door middel van een hoogwerker, dient rondom het pand, minimaal één meter vanaf de gevel een deel van
17/ 57
▪
minimaal 1,5 meter bestraat te zijn. Let hierbij op de ondergrond en de verharding ervan. Toepassen van een waterberging, zie meegestuurde nota’s.
4.2 E- en W-installaties Uitgangspunten ▪
▪
▪
▪
Bouwactiviteiten in en om de bouwdelen en eventuele zakkingen van omliggend terrein mogen geen gevolgen hebben voor het goed functioneren van leidingwerk in en om het gebouw (riolering, h.w.a., elektra, water, internet, etc.). Voedingen ten behoeve van alle in/ op het terrein te plaatsen elektrische toestellen dienen te worden opgenomen. Ten behoeve van de uitpandige opslag, afvalcontainers en dergelijke rekenen op verlichting, wandcontactdozen, aansluitingen vuilpersen, et cetera. Buitenkranen (exact aantal n.t.b.) opnemen, daadwerkelijke positie n.t.b.. Deze kranen en leidingen zo uitvoeren dat ze vorstvrij blijven en van binnenuit afsluitbaar zijn. Vandaalbestendige uitvoering. Indien veel groen wordt toegepast dienen oplossingen aangedragen te worden voor de eventuele beregeningsvoorzieningen.
4.3 Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voor auto’s te realiseren conform de parkeernota zoals beschreven in het ruimtelijk functioneel programma van eisen. Parkeren met auto’s en andere motorvoertuigen gebeurt op een plek waarbij aandacht is voor veiligheid van voetgangers en dient geïntegreerd te worden in het terreinontwerp.
Laadinfrastructuur elektrische voertuigen Het huidig vigerende bouwbesluit geeft aan ‘Een gebouw met een parkeergelegenheid met meer dan tien parkeervakken op hetzelfde perceel heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeervakken'. Deze eis dient als ondergrens, echter
www.icsadviseurs.nl
de wens is om voor alle parkeervakken voorbereidende voorzieningen te treffen zodat het aantal laadpunten eenvoudig opgeschaald kan worden. Gedurende het ontwerptraject dient dit nader afgestemd te worden met opdrachtgever.
Kiss-and- ride Ten behoeve van het halen en brengen van kinderen een kiss-and-ride zone op te nemen in het terreinontwerp met aandacht voor het scheiden van verkeersstromen.
4.4 Terreinafscheiding en omheining Het terrein dient duidelijk begrensd te zijn met een vandalismeproof hekwerk van voldoende hoogte (1,80m) en dient afsluitbaar te zijn. En te voldoen aan ‘Kindveilige omheiningen voor openbare ruimten’. Nabij het hekwerk groenvoorziening realiseren. Buitenruimte is voor kinderen gemakkelijk en veilig te bereiken, rechtstreeks vanuit de groepsruimte (zowel school als kinderopvang). Kinderen BSO spelen los van 0tot 4-jarigen (kinderopvang). Aandachtspunten ▪ ▪
Wateraansluiting(en) terrein te realiseren in overleg met toekomstige gebruikers. Kinderen 4-12 jaar: Kinderen kunnen niet direct vanaf plein het straat oprennen.
Uitgangspunten Kinderopvang/bso ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
Buitenspeelplein is van binnen te overzien Afsluitbaar (te maken) van de openbare weg Hek/afscheiding is minimaal 120 cm hoog. Indien direct gevaar voor kinderen 0-4 jaar buiten hekwerk, dan 130 cm aanhouden vanaf onderspijl hek. De spijl afstand is maximaal 8 cm, heeft geen opstapmogelijkheid Afstand onderzijde hekwerk tot maaiveld max. 5 cm. Indien gebruik wordt gemaakt van gaas: maaswijdte max. 4 x 4 cm.
18/ 57
▪
Kinderen 0-4 jaar: hek is niet te openen door kinderen. Hek is voorzien van een driepuntsgreep.
4.5 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden, door nabij alle toegangen en op plaatsen waar ‘hangplekken’ kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen te plaatsen. Daarnaast dient de positionering van de ingangen zodanig te zijn, zodat er geen donkere hoeken ontstaan (i.v.m. vandalisme en/of inbraak).
www.icsadviseurs.nl
19/ 57
5. Facilitaire uitgangspunten
▪
Alle materialen en afwerkingen worden op de door de fabrikant of leverancier voorgeschreven wijze toegepast, aangebracht en eventueel (na)behandeld.
5.1 Exploitatie
▪
Detaillering, bereikbaarheid, toegankelijkheid en positionering van de gebouwonderdelen en het interieur zijn zodanig dat onderhoud (en schoonmaak) niet of tegen weinig kosten is uit te voeren en gemakkelijk uitvoerbaar is. Vervanging van materialen en onderdelen kan eenvoudig worden uitgevoerd.
▪
Overbodige randen, richels, hellingen en bochten zijn (in verband met stofophoping) vermeden. Staalprofielen die niet afgetimmerd of anderszins omkleed zijn, zijn gesloten kokerprofielen.
▪
De gevel en de daaraan gemonteerde voorzieningen zijn bestand tegen vandalisme en niet opklimbaar. In dit kader wordt extra zorg besteed aan de constructies en detailleringen van zonweringen, hemelwaterafvoeren, aansluitingen van en op de gevelafwerking, et cetera. Materialen zijn bestendig tegen mechanische beschadigingen.
▪
Er moet veel aandacht zijn voor slagvastheid van diverse verlichtingsarmaturen, schakelmateriaal en voor wandcontactdozen die voor bezoekers onder handbereik aanwezig zijn.
▪
Graffiti-vandalisme wordt voorkomen door het waar mogelijk voorkomen van blinde (kop)gevels door op de begane grond zoveel mogelijk gebruiksfuncties te situeren. Gevelplint uitvoeren in een steensoort en voegmortel dat bestand is tegen hoge druk (stoom)reiniging. Daar waar gesloten geveldelen op de begane grond aanwezig zijn, worden deze voorzien van een antigraffiticoating (onderste 2,5 m1), met vijf jaar garantie.
▪
Zonneschermen/-screens moeten te (de)monteren zijn zonder demontage van geveldelen,
Naast investering die moet passen binnen een taakstellend budget zijn ook de langjarige exploitatiekosten van belang. De kosten voor onderhoud, schoonmaak van gebouw en terrein, verzekering, elektriciteit, water en verwarming dienen zo laag mogelijk te zijn. Naast de bouwkosten worden daarom de exploitatie- en onderhoudskosten gedurende de levenscyclus van het gebouw geraamd zodat zorggedragen wordt voor optimalisering van de totale levensduurkosten (investering en exploitatie). De toe te passen constructies, bouwmaterialen, installatiecomponenten, detaillering en materialisatie moeten geënt zijn op een lange, nagenoeg onbeperkte levensduur. De materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn, dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden. Bij ontwerpkeuzen wordt aandacht gegeven aan: slijtvastheid, corrosiebestendigheid, onderhoudsvriendelijkheid, eenvoud van reiniging en eenvoud van vervanging/herstel.
5.2 Onderhoud Uitgangspunten ▪
Alle materialen en afwerkingen worden op de door de fabrikant of leverancier voorgeschreven wijze toegepast, aangebracht en eventueel (na)behandeld.
▪
Detaillering, bereikbaarheid, toegankelijkheid en positionering van de gebouwonderdelen en het interieur zijn zodanig dat onderhoud (en schoonmaak) niet of tegen weinig kosten is uit te voeren en gemakkelijk uitvoerbaar is. Vervanging van materialen en onderdelen kan eenvoudig worden uitgevoerd.
▪
Alle buitenbevestigingsmaterialen in RVS 316
▪
Loodloketten- en loodslabben voorkomen. Alternatief Ubbink Ubiflex of gelijkwaardig
▪
Buitenschilderwerk vermijden
Overbodige randen, richels, hellingen en bochten zijn (in verband met stofophoping) vermeden. Staalprofielen die niet afgetimmerd of anderszins omkleed zijn, zijn gesloten kokerprofielen.
▪
Voor binnen schilderwerk een verfadvies voor het beoogde gebruik opvragen bij de leverancier (Sikkens of Sigma)
▪
Er is sprake van standaardisatie en uniformiteit van materialen, onderdelen en detaillering. Gebruik wordt gemaakt van in de handel zijnde
▪
www.icsadviseurs.nl
20/ 57
standaardonderdelen, standaardmaten en materialen en waarvan de verwachting is dat deze materialen gedurende een periode van minimaal tien jaar tegen een normale marktprijs en met korte levertijd in de Nederlandse handel te verkrijgen zijn. ▪
Vervangingen van installaties is mogelijk zonder bouwkundige sloop- en demontage werkzaamheden
▪
LBK's, lucht toe- en afvoerkanalen bovendaks zijn weer- en stormbestendig gemonteerd, kunnen alle in Nederland extreme weersomstandigheden doorstaan, verankeringen, bevestiging van de mantels e.d. alles corrosievast te monteren op pootjes welke van dezelfde kwaliteiten zijn als de kanalen of luchtbehandelingskasten.
5.3 Schoonmaak Uitgangspunten ▪ ▪
▪
Geen doorlopende kozijnen en/of beglazing c.q. transparant plaatmateriaal langs vloeren, tussenvloeren en verhogingen, bordessen, trapbomen, hellingbanen, vloerranden, kolommen, schoren en windverbanden etc. toepassen.
▪
In het ontwerp is rekening gehouden van het reinigen op hoogte. Een hoogwerker of rolsteiger moet geplaatst kunnen worden. Dit geldt voor reiniging in en buiten het gebouw.
▪
Pas een inloopprincipe van schrapen (buiten) – vegen – drooglopen toe (minimale lengte 6,0 meter, waarvan minimaal 3 meter in de tochtsluis (vegen)). Deze schoonloopmat is verzonken.
▪
Vloer en wand (tot minimaal 70 cm hoogte) sanitaire ruimten hebben urinedichte afwerking (voorkeur gietvloer). Wanden mogen tot 1.5 m hoog geen vocht kunnen opnemen. Het materiaal op de rest van de wand moet goed bestand zijn tegen water(damp).
▪
(Personeels)toiletten zijn voorzien van hangtoilet met inbouwreservoir.
▪
Vloeren zijn van een materiaal dat goed (nat) te reinigen is.
▪ Schoonmaak en onderhoud kan door de afwerking, bereikbaarheid, positionering, detaillering van constructies en materiaalgebruik eenvoudig, tegen weinig kosten en grondig plaatsvinden.
▪
Gevels zijn vanaf maaiveld met eenvoudig materieel bereikbaar voor reiniging en onderhoud ▪ Overbodige randen, richels, hellingen en bochten worden vermeden.
▪ ▪
Materiaalgebruik en detaillering leiden niet tot vuilaftekening en dientengevolge ▪ tot extra schoonmaakkosten.
▪
De kleurstelling van afwerkingen is zodanig te zijn dat dit geen extra schoonmaakkosten met zich meebrengt.
▪
Pas forse deurgrepen of duwplaten in afwijkende kleuren toe.
▪ ▪
Let bij het ontwerp, inrichten en het gebruik van de ruimtes op dat dit een snelle en efficiënte werkwijze van de schoonmakers bevordert: uniform materiaalgebruik en gladde en vlakke afwerking van vloeren en wanden.
▪
De losse en eventueel vaste inrichting van een ruimte moet bestand zijn tegen eenzelfde wijze van reiniging als voor de afwerking van de desbetreffende ruimte is vereist.
▪
www.icsadviseurs.nl
▪
Wanden, vloeren, deuren en aanrecht/werkbladen moeten glad en goed te reinigen zijn. Deze mogen geen scherpe hoeken of randen hebben en dienen splintervrij te zijn. De wanden van de keuken moeten tot een op de werkzaamheden aangepaste hoogte glad en goed afwasbaar zijn. Daarboven moeten de wanden absorberend zijn. Kasten van brandslanghaspels worden verzonken/vlak in de wand aangebracht en geïntegreerd met handmelders. Ventilatiesysteem is gemakkelijk bereikbaar voor onderhoud. Schoonmaakonderhoud ventilatiesystemen is contractueel meegenomen in periodiek onderhoud
21/ 57
5.4 Logistiek
▪
Bestemmingen zijn door een goede lay out direct waarneembaar en goed herkenbaar. Bezoekers moeten zich makkelijk kunnen oriënteren op het terrein, in het gebouw en met name de centrale hal. Zorg ten behoeve van oriëntatie en (sociale) veiligheid voor zichtlijnen vanuit de entree (en mogelijke centrale ruimten) naar andere delen van het gebouw en naar buiten.
▪
Om het oriëntatiegevoel van gebruikers te verbeteren worden kleur en andere middelen effectief ingezet ten behoeve van goede wayfinding. Looplijnen en doelbestemming zijn als vanzelf duidelijk. Looproutes in het gebouw zijn kort, duidelijk en veilig.
Uitgangspunten ▪
Het gebouw heeft een logische, rationele opzet en een structuur die overzicht biedt.
▪
Het gebouw voldoet aan de uitgangspunten als omschreven in Handboek voor Toegankelijkheid”, laatste editie.
▪
Er is aandacht voor de menselijke maat in het ontwerp. Dit vertaalt zich ook in meer vrije hoogte en voldoende overzicht.
▪
De verkeersruimte heeft voldoende capaciteit om de piekmomenten in de verkeersstromen op te kunnen vangen.
▪
Gangen die (indien onderdeel PvE) gebruikt worden voor het geven van onderwijs (speel- werkpleinen) zijn minimaal drie meter breed.
▪
Dwarse en tegengestelde verkeersstromen worden vermeden, evenals conflicterende concentraties van toegangsdeuren naar de diverse verblijfsruimten. Dit geldt ook voor de draairichting van deuren. De draairichting van de ramen en deuren in de gymzaal en speellokaal dient nóóit zaal-inwaarts te zijn.
▪
Gangpad in slaapruimtes tussen bedden is minimaal 60 cm breed, tussen stapelbedden minimaal 80 cm breed. Elk bed moet minimaal aan 1 lange zijde bereikbaar zijn.
▪
Bezoekersentrees zijn allen duidelijk vindbaar en zichtbaar bij aankomst. Zoeken rondom het gebouw wordt voorkomen.
▪
Leerlingentrees zijn representatief en uitnodigend en liggen bij voorkeur aan zonzijde van gebouw.
▪
Goed te vinden brievenbus.
Aan- en afvoer van goederen, levensmiddelen en afval zoveel als mogelijk van de andere verkeersstromen. De ingang voor aan- en afvoer van goederen is niet direct naast de hoofdingang gesitueerd. De afmetingen van doorgangen (binnen- en buitenwandopeningen) naar voor opslag bestemde ruimten en technische ruimten zijn gerelateerd te zijn aan de afmetingen van de aan te voeren goederen.
▪
Multifunctioneel te gebruiken ruimten (geschikt voor medegebruik) liggen bij voorkeur dicht bij een entree en zijn afzonderlijk afsluitbaar.
▪
De voor opslag bestemde ruimten en technische ruimten zijn zodanig in het gebouw gepositioneerd dat efficiënte aan- en afvoer plaats kan vinden zonder overlast voor gebruikers. Voor wat betreft de afvalcontaineropslag gaat de voorkeur uit naar ondergrondse vuilcontainers voor gescheiden afval inzameling. In de terreintekening wordt rekening gehouden met de positie van deze containers waarbij zowel eenvoudige bereikbaarheid vanuit de school (schoonmaak) als vanaf de openbare weg (vuilniswagens) uitgangspunt zijn. De minst wenselijke is een opstal op het terrein. In dat laatste geval ligt vuilopslag ligt niet op de route naar hoofd/bezoekersentree.
▪
Deurbel, deurkruk/drukknop en gebruikersvoorzieningen als de intercom en de brievenbus worden minimaal 500 mm uit inwendige hoek en tussen 900 en 1.200 mm boven vloerpeil geplaatst. Deurbel en bedieningsknoppen bij de hoofdentree zodanig plaatsen (hoogte: 900- 950 mm) zodat kinderen en rolstoelgebruikers deze zelfstandig kunnen bedienen
▪
Deurbeslag binnendeuren op een hoogte van 1.40 m aanbrengen.
▪
Niveauverschil bij entree en toiletruimtes bedraagt niet meer dan 2 cm.
▪
Ruimte(n) rondom entree, MIVA, groepsruimten hebben voldoende manoeuvreerruimte voor rolstoelgebruikers. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor doorgangsbreedte van deuren en gangen. Het gebouw en terrein is integraal toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
▪ ▪
▪
▪
Het gebouw en het terrein is goed toegankelijk voor een diversiteit aan gebruikers. Gebruikers met een beperking, jonge leerlingen en aan- en afvoerroutes van leveranciers alsmede hulpdiensten verdienen nadrukkelijke aandacht.
www.icsadviseurs.nl
22/ 57
▪
Toiletruimten zijn zelfstandig te bereiken en te gebruiken door rolstoelgebruikers (o.a. drempelvrij).
gebouw worden voorkomen. De in- en overklimbaarheid van het gebouw moet worden tegengegaan.
▪
Iedere bouwlaag is voorzien van een verhuisraam of dubbele deur, zodat vrije doorgang kan worden gecreëerd van min. 2,4 x 1,8 m.
▪
De buitenruimte is voorzien een afsluitbaar hekwerk rondom het terrein van voldoende hoogte i.v.m. voorkomen van vandalisme
▪
Eventuele niveauverschillen zijn visueel gemarkeerd door pictogrammen of verschil in kleur/ materiaal
▪
De fietsenstallingen zijn veilig toegankelijk (let op enerzijds gemak van in- en uitrijden maar tevens op de hoge snelheden) en veilig gebruik.
▪
Vluchtroutes zijn duidelijk en toegankelijk. Deuren in een vluchtroute mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien.
▪
▪
Vluchtwegen dienen ten allen tijde vrij doorgankelijk en zonder sleutel te openen zijn. Het vrijhouden van vluchtwegen moet praktisch mogelijk blijven.
▪
Een deur waarop bij vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen moet met een lichte druk te openen zijn of voorzien van een panieksluiting
In- en uitspringende hoeken, scherpe hoeken, vensterbanken en nissen dienen zoveel mogelijk te worden vermeden in gangen en nabij entrees, garderobes, trappenhuizen. Ook inrichtingselementen kluisjes, brandblusmiddel, vitrinekasten, afvalbakken en zitmeubels buiten de verkeerstromen plaatsen. Installatieonderdelen mogen eveneens geen uitstekende obstakels worden. Brandslanghaspelkasten zijn bijvoorbeeld allemaal inbouw. Er mogen geen scherpe randen/bouwdelen voorkomen in het gebouw die letsel kunnen veroorzaken.
▪
Ruimten die voor medegebruik open staan, liggen dicht bij de entree en zijn afzonderlijk afsluitbaar.
▪
▪
Indien gebruik wordt gemaakt van radiatoren, dan dienen deze zodanig te worden afgeschermd dat kinderen zich er niet aan kunnen bezeren
Overzichtelijkheid van en in het gebouw, gebouwtoegangen en buitenruimte zijn uitgangspunt. In het gebouw is sprake van een hoge mate van transparantie.
▪
De bouwkundige lay-out is zodanig dat het stelsel van wegen, vluchtwegen, trappen en noodtrappen een overzichtelijk, efficiënt en logisch beeld geeft, zodat zowel bij normaal gebruik als in geval van calamiteiten een maximale veiligheid is gewaarborgd.
▪
Vluchtmogelijkheden zijn zo veel mogelijk geïntegreerd in de normale verkeersruimten en zijn wat betreft omvang en afmeting afgestemd op de gebruikersdoelgroep.
▪
Verkeersstromen rondom het gebouw leveren geen onveilige situaties op. Verschillende verkeersstromen zijn van elkaar gescheiden.
▪
Werkruimtes personeel zijn zodanig gelegen dat deze ook een toezichtfunctie en sociale/ centrale aanspreekfunctie vervullen
▪
Bij slapen van kinderen > 1,5 jaar dient op de bovenste bedden een dakje aanwezig te zijn. Hekjes zijn niet overklimbaar.
5.5 Sociale Veiligheid Uitgangspunten ▪
▪
Gebruikers en bezoekers voelen zich welkom in het gebouw en het ontwerp draagt bij aan een veilig en geborgen gevoel. Dit is door of vanwege (de ligging van) het gebouw zowel binnen de muren van het gebouw als in de omgeving geborgd. Het gebouw moet zodanig worden gesitueerd dat de sociale controle vanuit de omgeving zo optimaal mogelijk wordt benut. Dit impliceert het creëren van goed overzichtelijke toegangen naar het terrein en het gebouw, het zoveel mogelijk vermijden van inspringende geveldelen en het aanbrengen van functionele buitenverlichting (bij voorkeur op bewegingsmelding of op schemerschakelaars).
▪
Entree zones en looproutes naar de fiets en auto zijn ‘s avonds goed verlicht.
▪
Voorkom nissen, inspringende geveldelen en onoverzichtelijke hoeken in en aan de buitenzijde van het gebouw. Hangplekken op het terrein en in het
www.icsadviseurs.nl
23/ 57
6. Bouwfysische uitgangspunten 6.1 Energieprestatie Als minimale eis wordt een Energie Neutraal Gebouw (ENG) gerealiseerd. In het ontwerpproces dient aangetoond te worden wat de meest doelmatige manier is op het gebied van investering én exploitatie om te komen tot het niveau van ENG. Om aansluiting te vinden bij de financiële kaders ten aanzien van het investeringsbudget voor nieuwbouw dient gestreefd te worden naar zoveel mogelijk bouwkundige oplossingen die beschouwd kunnen worden als eenmalige investeringen. NEN norm(en) Berekend conform NTA8800
Voor de operatieve temperaturen in de stooksituatie en in de zomersituatie gelden in principe de volgende uitgangspunten: -
Frisse Scholen klasse B versie 2021 voor onderwijsgerelateerde ruimten en zones Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang versie maart 2019 voor groepsruimten en slaapruimten in de kinderopvang Kwaliteitskader Huisvesting Kibeo versie juni 2022 KVLO advies uit het Handboek Huisvesting Bewegingsonderwijs versie 2019 voor beweging- en sport gerelateerde ruimten en zones KVLO Handboek Huisvesting Bewegingsonderwijs – Speellokaal versie maart 2021 Voor de verblijfsruimten in het MFA waar bovenop het bouwbesluit geen aanvullende strengere eisen zijn, wordt gestreefd om zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij bovenstaande richtlijnen.
6.2 Binnenklimaat en binnenmilieu
De temperatuur in een verblijfsruimte dient handmatig regelbaar te zijn binnen een bandbreedte va +/- 2 °C
Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen, dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) ervaren wordt die zodanig is, dat het functioneren van de gebruiker daardoor beperkt wordt.
Van de installatie-adviseur wordt een proactieve houding verwacht en bij eventuele hiaten of conflicten in de richtlijnen of in relatie tot de energie-ambitie deze te agenderen en hierin te adviseren.
Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering, ventilatie en koeling. Ook dient er rekening gehouden te worden met de compartimentering van vertrekken met dezelfde- en vergelijkbare thermische behoeften, comforteisen, tijdroosters en werkingsregimes. Per ruimte is het binnenklimaat te regelen. NEN norm(en)
Onderstaand overzicht geeft de volgende ontwerpbandbreedten weer ten aanzien van de vereiste binnentemperatuur (e.e.a. conform de hiervoor genoemde richtlijnen): Operatieve temperatuur onderwijs en gemeenschapshuis Operatieve temperatuur zomer*
tussen de 23 °C en 26 °C
Operatieve temperatuur winter