CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologische beoordeling stikstof ZW380 kV Oost [DEEL B] incl bijlage - D10016847

Commissievergadering 6 april 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vooroverlegreactie voorontwerp inpassingsplan Zuid-West 380kV Oost36.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

70 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 28 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H4010A in de Brabantse Wal.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Het habitattype komt vooral voor op drie locaties: de randzone van De Groote Meer (vooral zuidoostzijde van het Voormeer), in Kortenhoeff (rondom het Wasven) en de uitlopers van het Kriekelaarsven. Totaal gaat het hier om een oppervlakte van circa 18 ha. De randzone van het Groote Meer, met name rondom het Voormeer, en in Kortenhoef rondom het Wasven zijn twee belangrijke locaties voor het habitattype. Bij het Kriekelaereven komt vochtige heide in een slenk met goede kwaliteit voor. Uitlopers van het Kriekelaarsven hebben goed ontwikkelde dopheide van 0,5 ha met bijzondere soorten zoals heideblauwtje en blauwzadelsprinkhaan. De gemeenschap van dit habitattype rond een aantal vennen in Kortenhoeff is goed ontwikkeld. Hier komen soorten zoals beenbreek, veenbies, ronde zonnedauw en veenmossen voor. Het habitattype komt ook met kleine oppervlakten voor in De Kleine Meer, maar zijn hier ernstig vergrast. Bij De Groote Meer heeft zich een dopheidegemeenschap met klokjesgentiaan gevestigd. Het Groote Meer is verdroogd, en deze verdroging wordt tegengegaan. Hierbij wordt verdrinking van vochtige heide echter als een risico gezien. Om uitbreiding van het habitattype mogelijk te maken is terugdringen van bosopslag nodig (Provincie Noord Brabant, 2018).

In het algemeen is de kwaliteit van dit habitattype goed tot vergrast (Provincie Noord-Brabant, 2017). Overige knelpunten • Verbossing; • Onvoldoende intensief beheer om successie tegen te gaan; • Vergrassing als gevolg van stikstofdepositie; • Verdroging als gevolg van drainage, peilbeheer en grondwateronttrekking. Regulier beheer • Maaien en afvoeren Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

71 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

• •

Begrazing Maatregelen gericht op verdrogingsbestrijding

Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel In de herstelstrategie worden een aantal maatregelen tegen het effect van stikstofdepositie genoemd: • (Druk)begrazen • Plaggen of chopperen • Branden of maaien • Bekalken • Opslag verwijderen • Kappen van bos, nodig voor uitbreiding van het habitattype • Extra maaien Resultaat uitgevoerde maatregelen De afgelopen decennia hebben vooral de heide veel aandacht gekregen, met als gevolg een goede kwaliteit. Oppervlakte en kwaliteit zullen behouden blijven of toenemen door de voorgestelde maatregelen. Door het verwijderen van bos kan er een uitbreiding van het habitattype gerealiseerd worden. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 29 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H4010A voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,06 mol/ha. In het meest zuidelijk gelegen deel van het habitattype is sprake van een relatief lage toename in stikstofdepositie als gevolg van het project (minder dan 0,03 mol/ha).

Figuur 29 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H4010A in de Brabantse Wal.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

72 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

De kwaliteit is goed, maar er is sprake van vergrassing. De trend van de oppervlakte is stabiel, terwijl de trend van de kwaliteit op sommige locaties een vooruitgang heeft en op andere locaties een achteruitgang. Regulieren beheermaatregelen hebben zichtbaar effect door de afvoer van biomassa en een goede kwaliteit als resultaat. Daar waar geen of te weinig beheerd wordt, is de afname van kwaliteit zichtbaar. De tijdelijke depositie wordt met zekerheid afgevoerd bij een regulier beheer van begrazing of maaien. Tevens is de hoogste stikstofdepositie als gevolg van het project dusdanig klein ten opzichte van de jaarlijkse achtergronddepositie, dat significant negatieve effecten door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

6.2.3.10

H4030 Droge heiden

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2008) Habitattype droge heide omvat struikheibegroeiingen van alle bodemtypen in het laagland en gebergte van Europa. Het habitattype wordt gedomineerd door struikhei al dan niet gecombineerd met andere dwergstruiken, grassen en mossen. In Nederland komt het habitattype voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems, meestal met een podzolprofiel. Meestal is het habitattype te vinden op al dan niet lemige dekzanden en op stuwwallen, maar ook op rivierterrassen en tertiarire (mariene) zandafzettingen. Struikhei is doorgaans dominant in stuifzandheiden, maar ook bijvoorbeeld blauwe of rode bosbes kunnen een belangrijke rol spelen. Ook plekken waar gewone dophei dominant is ten opzichte van struikhei kunnen onder het habitattype vallen. Soorten zoals fijn schapengras, heidekauwtjesmos, gewoon gaffeltandmos en bronsmos komen algemeen voor binnen het habitattype. Struwelen met brem, solitaire jeneverbes of gaspeldoorn maken ook vaak deel uit van het heidelandschap en worden ook tot het habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen met bijvoorbeeld ruwe smele, bochtige smele en pijpenstrootje voor.

Zolang de verarmde, door grassen gedomineerde vegetaties niet domineren, vallen ze onder het habitattype. De subassociatie met tandjesgras komt voor op iets voedsel- en basenrijkere standplaatsen, bijvoorbeeld op plekken waar de bodem is omgewoeld of waar de bodem iets lemiger is. De mosrijke subassociatie komt voor op noordhellingen van stuwwallen, met een iets vochtiger microklimaat. Vormen met veel dophei komen vooral voor op de meer lemige zandgronden. Het habitattype komt niet voor in de duinen, waar struikheibegroeiiingen vallen onder H2150; op duinvaaggronden of vlakvaaggronden, waar ze vallen onder H2310 en op verdroogd hoogveen waar ze behoren tot H7120. Droge heide waar kraaihei dominant is behoord tot H2320. Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.071 mol N/ha/jaar. In Figuur 30 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H4030 in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H4030 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H4030 een overschrijding van de KDW is.

Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding van groter dan 426 mol N/ha/j. Het overige deel heeft een overschrijding tussen de 70 en 426 mol N/ha/j.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

73 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 30 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H4030 in de Brabantse Wal.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Het habitattype komt met een oppervlakte van circa 16 hectare voor in de Brabantse Wal. De kwaliteit is goed. De oppervlakte heeft een stabiele trend en de trend in kwaliteit is op sommige plekken positief en op andere plekken negatief. Het habitattype is toegekend aan een aantal stukken van Kortenhoeff. Hier is het eerder geplagde deel dichtgegroeid met heidesoorten. Overige knelpunten • Stikstofdepositie: optreden van ammoniumtoxiciteit in minerale ondergrond, verschuiving in nutriëntbeschikbaarheid, leidend tot vergrassing en grotere gevoeligheid voor droogte- en vorstschade. • Verzuring • Vermesting • Onbalans in nutriëntvoorziening • Vergrassing Regulier beheer Voor een duurzame instandhouding en ontwikkeling van een completer ecosysteem wordt ingezet op verdere versterking van windwerking door vergroting van kleine stukken tot een meer aaneengesloten, robuustere hoeveelheid open heide. Om heideverjonging te verkrijgen worden extra lokale maatregelen ingezet: • Plaggen • Begrazen • Maaien Het beheer is gericht op het openhouden en uitbreiden van heide en open zand via: • Kappen • Plaggen • Extensief maaien Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

74 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

•

Begrazen met schapen

Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Hieronder zijn een aantal maatregelen tegen het effect van stikstofdepositie genoemd: • (Druk)begrazen • Plaggen of chopperen • Branden of maaien • Bekalken • Opslag verwijderen • Kappen van bos, ten behoeve van uitbreiding van habitattype Resultaat uitgevoerde maatregelen Het beheer in Kortenhoeff geeft veel aandacht aan heide, waardoor een goede kwaliteit is verkregen. Oppervlakte en kwaliteit zullen behouden blijven of toenemen als gevolg van de maatregelen. Door verwijderen van bos kan het habitattype zich uitbreiden. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 31 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H4030 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,06 mol/ha. Deze depositie vindt plaats op een klein deel in het noordelijk deel van het habitattype. Delen van het habitattype die gelegen zijn in het midden en het zuiden hebben een relatief lage toename van stikstofdepositie als gevolg van het project. Het gaat hier om een depositie van minder dan 0,04 mol/ha.

Figuur 31 Toename van de stikstofdepositie op habitattype H4030 in de Brabantse Wal.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

75 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

De kwaliteit van dit habitattype is goed. De trend voor oppervlakte is stabiel en de trend voor kwaliteit is op sommige locaties een vooruitgang en op andere locaties een achteruitgang. Het habitattype komt met een gering oppervlak voor, aanzienlijk minder dan de natuurlijke systeemvereisten. De matige kwaliteit hangt samen met factoren die een nauw verband hebben met de beperkte omvang. De kwaliteit van het habitattype is, door de ruimtelijke fixatie van de ligging, grotendeels afhankelijk van menselijke ingrepen zoals verwijderen van boomopslag, plaggen en/of begrazing om vergrassing en boomopslag en versnelde fixatie van zandduinen tegen te gaan. De geringe hoogste stikstofdepositie als gevolg van het project valt in het niet ten opzichte van de achtergronddepositie. Verwacht wordt dat effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

6.2.3.11

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

Dit habitattype is nog niet definitief opgenomen als doel voor Natura 2000-gebied Brabantse Wal en daardoor nog niet opgenomen in het Natura 2000-beheerplan van dit gebied. Omdat het wel herkend wordt in Aerius, is het wel opgenomen in de analyse. De beschrijving is hierdoor wel beperkter dan bij de andere habitattypen. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2009): Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag. Het habitattype komt voor op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden op de hogere zandgronden en in het heuvelland waar geen invloed van grondwater is. Dit habitattype ligt tussen de oude eikenbossen (H9190) en eiken-haagbeukenbossen (H9160). Het habitattype komt voor op plekken met een moder, in plaats van humuspodzolbodem, of leemhoudende in plaats van leemarme bodem voor. De beuk is concurrentiekrachtig op deze gronden en zal in de loop van de successie gaan domineren over de zomereik. Alleen bossen op bosgroeiplaatsen van voor 1850 en bosopstanden van minstens 100 jaar oud die daaraan grenzen vallen onder het habitattype. Een belangrijk deel van de biodiversiteit van dit habitattype komt voor in de zomen en mantels van het bos. Daarom zijn de (gewenste) mozaïekvegetaties opgenomen in de definitie.

De invloed van beheer van het bos op het voorkomen van beuken en eiken is van belang. In Nederland zijn veel bossen op de eerder genoemde bodems verdwenen door intensief bosbeheer van beuk, hulst en taxus. Deze soorten komen echter weer vanzelf terug bij extensief beheer. Het actuele voorkomen van beuk, taxus of hulst is dus geen goed onderscheidingscriterium van het habitattype. Landelijke staat van instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Onbekend Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.429 mol N/ha/jaar. In Figuur 32 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H9120 in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H9120 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H9120 een overschrijding van de KDW van groter dan 426 mol/ha is.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

76 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 32 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H9120 in de Brabantse Wal.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype De kwaliteit van het habitattype is niet bekend. Het habitattype komt met circa 8 ha voor in de Brabantse Wal. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 33 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H9120 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,04 mol/ha.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

77 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 33 Toename van de stikstofdepositie op habitattype H9120 in de Brabantse Wal.

Ondanks de matige kwaliteit en overbelasting, is de trend wel stabiel. De matige kwaliteit hangt samen met factoren die een nauw verband hebben met de beperkte omvang. Het habitattype komt namelijk niet voor in functionele omvang (functionele omvang is vanaf enkele honderden ha (LNV, 2008)). De toename als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost is zeer beperkt en leidt, gezien de stabiele trend in een overbelaste situatie, op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

6.2.4

Samenvatting effectenbeoordeling Natura 2000-gebied Brabantse Wal

Tabel 11 vat de in de voorgaande paragrafen beschreven effecten nog eens samen. Per habitattype is aangegeven wat de maximale toename van de stikstofdepositie is als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding Uit de effectbeoordeling volgt dat de geringe en tijdelijke toename van de stikstofdepositie, als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding, voor geen van de stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waar op dit moment een (gedeeltelijke) overschrijding van de KDW plaatsvindt, leidt tot een significant effect (geen aantasting natuurlijke kenmerken) op habitattypen en leefgebieden en dus niet op de instandhoudingsdoelstelling voor deze doelen. Voor de betrokken habitattypen zijn het reguliere beheer en de reeds uitgevoerde instandhoudingsmaatregelen voldoende om de geringe eenmalige toename van de stikstofdepositie te neutraliseren. De aanleg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost leidt daarom niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

78 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Tabel 11 Samenvatting effectbeoordeling Natura 2000-gebied Brabantse Wal

Maximale bijdrage depositie [mol/ha]

Habitattype

Effectbeoordeling

LG13 Bos van arme zandgronden

4,27

Geen significant negatief effect

LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

4,27

Geen significant negatief effect

LG09 Droog struisgrasland

3,19

Geen significant negatief effect

L4030 Droge heide

3,13

Geen significant negatief effect

LG04 Zuur ven

1,59

Geen significant negatief effect

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,06

Geen significant negatief effect

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,06

Geen significant negatief effect

H4030 Droge heiden

0,06

Geen significant negatief effect

H3130 Zwakgebufferde vennen

0,06

Geen significant negatief effect

H3160 Zure vennen

0,06

Geen significant negatief effect

H2330 Zandverstuivingen

0,04

Geen significant negatief effect

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,04

Geen significant negatief effect

6.3

Gebiedspecifieke effectbeoordeling Natura 2000-gebied Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

6.3.1

Korte karakteristiek

Uit het beheerplan (Provincie Noord-Brabant, 2017): Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen is bijna 4.000 hectare groot en ligt in de provincie Noord-Brabant in de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand, Tilburg en Waalwijk. Het gebied ligt in het beheergebied van waterschap De Dommel en waterschap Brabantse Delta en grenst aan het beheergebied van waterschap Aa en Maas. Verder kent het twee grote eigenaren, Natuurmonumenten en Brabants Landschap, en veel particuliere eigenaren. Het deelgebied Loonse en Drunense Duinen is tevens nationaal park en vooral bekend als een groot stuifzandgebied dat is omringd door loof- en naaldbossen. In het zuiden sluiten deze bossen aan op deelgebied De Brand, een beekdal met alluviale bossen, graslanden, moerassen en vennen en poelen. De Leemkuilen liggen hiervan geïsoleerd en bestaan uit gegraven plassen omgeven door moerasbos. De Loonse en Drunense Duinen zijn recreatief zeer in trek. De Brand en Leemkuilen kennen een veel extensiever recreatief gebruik.

De instandhoudingsdoelstellingen voor de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen hebben betrekking op negen habitattypen en twee Habitatrichtlijnsoorten: • H2310 Stuifzandheiden met struikhei • H2330 Zandverstuivingen • H3130 Zwakgebufferde vennen • H4030 Droge heiden • H6410 Blauwgraslanden • H9120 Beuken-eikenbossen met hulst • H9190 Oude eikenbossen • H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) • H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

79 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de volgende habitatrichtlijnsoorten: • H1166 – Kamsalamander • H1831 – Drijvende waterweegbree Figuur 34 geeft de ligging en begrenzing van het Natura 2000-gebied Loonse & Drunense duinen en Leemkuilen weer.

Figuur 34. Begrenzing Natura 2000-gebied Loonse & Drunense duinen en Leemkuilen.

6.3.2

Stikstofdepositie in Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

De toenames van stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen zijn weergegeven in Tabel 12 en Bijlage B. Tabel 12 Eenmalige depositietoename per habitattype of leefgebied als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost in Natura 2000-gebied Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen (in mol/ha).

Toename depositie [mol/ha]

Nr

Habitattype/Leefgebied

H9190

Oude eikenbossen

0,16

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

0,13

H2330

Zandverstuivingen

0,11

H3130

Zwakgebufferde vennen

0,08

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

0,07

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

80 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

H91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,07

Lg02

Geïsoleerde meander en petgat

0,06

H6410

Blauwgraslanden

0,04

In Tabel 13 is aangegeven voor welke habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het projecteffect is meegenomen) worden overschreden en wat het aandeel in oppervlakte is waarop deze overschrijding plaatsvindt. Op de habitattypen en leefgebieden waarop geen overschrijding van de KDW plaatsvindt kan een effect van een kleine toename van de depositie op de kwaliteit van het habitattype uitgesloten worden. Deze habitattypen en leefgebieden worden daarom niet beschreven. Tabel 13 Oppervlaktes (in ha) met aandeel waarbij de KDW in de huidige situatie wordt overschreden

Habitattype

Oppervlakte [ha]

Oppervlakte >KDW [ha] [%]

Oppervlakte <KDW [ha] [%]

H2310

114,30

61,62

54

52,67

46

H2330

147,70

147,70

100

0

0

H3130

7,07

7,07

100

0

0

H6410

0,10

0,10

100

0

0

H9160A

13,66

13,66

100

0

0

H9190

162,51

157,67

97

4,84

3

H91E0C

118,93

71,10

59

47,83

41

2,63

0,06

2,5

2,56

97,5

Lg02

De achtergronddepositie in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, op een habitattype, varieert globaal tussen 907 en 2.619 mol N/ha/jaar. De eenmalige depositie van stikstofdepositie met maximaal 0,16 mol N/ha bedraagt dus 0,006% tot 0,018% van de hoeveelheid stikstof die jaarlijks(!) in het gebied terecht komt. Ook ten opzichte van de kritische depositiewaarde van de betrokken habitattypen is de toename van de stikstofdepositie zeer klein. Deze varieert van 0,003-0,01% van de KDW’s. De effecten op deze habitattypen worden in de volgende paragrafen besproken.

6.3.3

Beoordeling habitattypen en leefgebieden

6.3.3.1

H2310 – Stuifzandheiden met struikhei

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan (Provincie Noord-Brabant, 2017), tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype: Uit profieldocument (LNV, 2008) Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden1. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes of, op noordhellingen, rode bosbes. Zelfs plekken waar gewone dophei domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo’n plek H4010A te noemen). Door grassen (bochtige smele) of Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

81 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

struwelen (brem, gaspeldoorn) gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen. Op steile noordhellingen met een vochtiger microklimaat kan een mosrijke heidevorm voorkomen, terwijl op geëxponeerde hellingen juist een korstmosrijke variant kan voorkomen. Nauw verwante habitattypen zijn: Duinheiden met struikhei (H2150; in de FGR Duinen), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320; met dominantie van kraaihei), Droge Europese heiden (H4030; op wat rijkere bodems) en Zandverstuivingen (H2330; waarin struikhei hooguit spaarzaam voorkomt). Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.071 mol N/ha/jaar. In Figuur 35 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H2310 in het gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H2310 voorkomt. Uit Figuur 35 blijkt dat voor het grootste deel van het habitattype H2310 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen geen sprake is van overschrijding van de KDW.

De overschrijding van de KDW ligt vooral aan de randen van het gebied. Hier is vooral een overschrijding van meer dan 70 mol N/ha/jaar te zien.

Figuur 35 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H2310 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

82 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Dit habitattype komt met name voor in het centrale deel van de Loonse en Drunense Duinen en plaatselijk aan de oostzijde van het gebied en heeft een oppervlakte van circa 114 ha. Dit habitattype staat onder druk door de recreatie. Ook is sprake van verbossing. Doordat verbossing en betreding vaak tegelijk optreden ontstaat er een scherpe overgang waardoor juist de bijzondere overgangszones en de daarbij horende typische soorten onder druk staan. Vaak is in de ondergroei nog wel relictvegetatie en de zaadbank aanwezig. Na verwijderen van de bosopslag herstellen deze gebieden dus wel redelijk snel (Provincie Noord-Brabant, 2017). Door verzuring en stikstofdepositie is de kwaliteit van de bodem voor dit habitattype sterk verslechterd. Hierdoor is op alle locaties vergrassing met het pijpenstrootje en de bochtige smele plaats. De kwaliteit van dit habitattype staat daarom feitelijk overal onder druk. Door beheermaatregelen worden de effecten van stikstof grotendeels tegengegaan en is de oppervlakte van het habitattype de laatste jaren zelfs uitgebreid. Ook neemt de atmosferische depositie van ammoniak en zwaveldepositie af. Door zonering en afrastering wordt de recreatieve druk gestuurd. Het perspectief voor zowel oppervlakte als kwaliteit van dit habitattype is daardoor positief.

De resultaten van de inventarisatie van korstmossen door André Aptroot in de zomer van 2010 geven in ieder geval aan dat lokaal bijzondere korstmossoorten nog steeds of weer voorkomen. Door de in de maatregelen voorgestelde verwijdering van bos zal de oppervlakte van dit habitattype verder toenemen. Daarnaast zal de kwaliteit, bij voortzetting van gericht beheer inclusief de aanvullende maatregelen, zeker verbeteren. Hierdoor is het netto perspectief voor zowel oppervlakte als kwaliteit positief. Als het gehele Natura 2000-gebied in ogenschouw wordt genomen zijn redelijk wat typische soorten aanwezig. Als naar deelgebieden gekeken wordt zijn daar vaak maar weinig typische soorten aanwezig (Provincie NoordBrabant, 2017). Overige knelpunten • Recreatiedruk: afname broedsels typerende soorten. • Lage pH en extreme schraalheid bodem leiden tot afname typerende soorten. • Voedselarme omstandigheden, waardoor weinig mineralen en verdwijnen van soorten. • Inkrimping stuifzandareaal ten gunste van bosbouw. • Successie door beperkt beheer. • Vergrassing door stikstofdepositie. • Beperkte hoeveelheid verstuifbaar zand. • Onvoldoende monitoring. Regulier beheer Voor het habitattype geldt dat behoud van verstoring door wind of begrazing nodig zijn om het in stand te houden. Als natuurlijke dynamiek niet mogelijk is, moet gedacht worden aan: • Cyclisch kapbeheer, aangevuld met plaggen.

• Recreatie zonering, hierdoor worden overgangszones tussen zand, heide en bos ontzien. • Bestrijden van exoten • Begrazen met schapenkuddes In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd: • Uitvoeren herstelplan • Aanvullend onderhoud • Bestrijding van exoten • Plaggen/chopperen • Begrazing met schaapkuddes stuifzanden • Bekalken c.q. Mineralen toevoegen • Extra maaien • Houtopslag verwijderen • Kappen bos • Aanvoer typische soorten via maaisel Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

83 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Aanvullend beheer is voornamelijk gericht op het verwijderen van stikstof uit het gebied en het omvormen van bos. Samenvattend betreffen de maatregelen: • Extra begrazing/drukbegrazing • Extra chopperen • Extra plaggen • Opslag verwijderen • Herintroductie van typische soorten via maaisel • Bos kappen t.b.v uitbreiding • Bekalken • Extra maaien (fall-back) Resultaat uitgevoerde maatregelen Het verwijderen van bosopslag is de oppervlakte van het habitattype toegenomen in de afgelopen jaren.

Figuur 36 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H2310 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 36 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H2310 voorkomt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,13 mol/ha. De hoogste deposities liggen het dichtst bij het tracé voor de Zuid-West 380kV Oost. De oostkant van het habitattype heeft relatief lage projectdeposities van minder dan 0,05 mol/ha/jr. Hoewel de kwaliteit matig tot slecht is, is de trend ondanks de overbelasting positief voor oppervlak en stabiel voor kwaliteit. Recreatiedruk lijkt het grootste knelpunt te zijn, maar ook beheer en de beperkte aanwezigheid van verstuifbaar zand is deel van de problematiek. De toename als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding is zeer beperkt en leidt op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie. De toename leidt niet tot een wezenlijke verandering of gezien de knelpunten Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

84 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

rond dynamiek en recreatie tot een grotere inspanning die nodig is voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380 kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

6.3.3.2

H2330 – Zandverstuivingen

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan (Provincie Noord-Brabant, 2017), tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype: Uit het profieldocument (LNV, 2008): Het habitattype betreft pionierbegroeiingen in afwisseling met onbegroeid zand op droge, zeer voedselarme zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Het habitattype kan op kleine schaal voorkomen in heidelandschappen, maar ook zo grootschalig zijn ontwikkeld dat van een zandverstuivingslandschap sprake is. In het eerste geval komt het meestal voor op plekken die zijn omgeven door het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Zonder periodiek actief herstel van de pionieromstandigheden zullen deze kleine plekken dichtgroeien. In het tweede geval gaat het om een afwisseling van veelal geheel of gedeeltelijk begroeide duinen, waar vegetatie het zand invangt en vasthoudt, en vlakkere, onbegroeide of spaarzaam begroeide laagten waar het zand wegstuift. Van een uitgestoven laagte spreekt men als verdere uitstuiving niet mogelijk is omdat de verstuiving tot op het natte zand is gekomen (tot aan het grondwater) of een niet verstuifbare grindlaag of (kei)leemlaag bereikt heeft. In tot het grondwater uitgestoven laagten kunnen zich lokaal ook vochtige pioniervegetaties ontwikkelen die een waardevolle bijdrage leveren aan de diversiteit in het gebied.

Bij verdere uitstuiving en/of bij grondwaterstandstijging kunnen zich hier ook vennen ontwikkelen. De vastlegging van het zand vindt gedurende de vegetatiesuccessie plaats door respectievelijk Buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen (die met name op de overgang naar omringende heiden en bossen domineren). Duurzame instandhouding van het habitattype kan vooral plaatsvinden in grootschalige gebieden waar de wind vrij spel heeft en een voortdurend wisselend mozaïek van successiestadia kan voortbestaan. Naast winderosie kan watererosie op de begroeide hellingen een grote invloed hebben op zowel bodem- als vegetatieontwikkeling en voor steilwandjes zorgen. Het stuifzandmilieu is extreem arm aan soorten vaatplanten, maar vooral rijk aan korstmossen. Er zijn maar weinig vaatplanten die de extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen kunnen overleven. Ook de fauna is soortenarm, maar omvat wel enkele soorten die juist aan deze extreme omstandigheden zijn aangepast. Indien het habitattype op landschapsschaal voorkomt, bij voorkeur in aansluiting op habitattypen van het heidelandschap, kan het aanmerkelijk soortenrijker worden dan wanneer het op kleine plekjes voorkomt.

Stuifzanden komen in de op de hogere zandgronden voor op met name de jonge dekzanden, maar op een aantal plaatsen ook op oude rivierduinen die weer opnieuw in verstuiving zijn geraakt. De pionierbegroeiingen bestaan in hoofdzaak uit buntgras, zandstruisgras, fijn schapengras, heidespurrie, zand- en ruig haarmos en diverse korstmossen (bekermossen, heidestartjes en rendiermossen). Kenmerkend zijn de zeer sterke temperatuurschommelingen. Het Buntgrasverbond komt voor in dynamische milieus met stuifzand. Het Dwerghaververbond komt voor op zandgronden die minder stuiven en iets vochtiger en humusrijker zijn. Er is steeds een aandeel open zand aanwezig. Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 714 mol N/ha/jaar. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

85 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

In Figuur 37 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H2330 in het gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H2330 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H2330 een overschrijding van de KDW is. Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding tussen 140 en 426 mol N/ha/j.

Figuur 37 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H2330 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Het habitattype komt vrijwel uitsluitend voor in het centrale deel van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Het habitattype besloeg ooit een oppervlakte van 800 tot 1000 ha, maar is door bosaanplant en -opslag afgenomen tot circa 148 ha. Het oppervlak van dit habitattype neemt af door vergrassing, een natuurlijk proces dat versneld wordt door hoge deposities. Mede dankzij recreatief medegebruik blijft de vergrassing beperkt tot enkele hectares per jaar. Ook is er lokaal achteruitgang van de kwaliteit door overmatig betreden, verstoring, vergrassing en verbossing. De kwaliteit van het habitattype is matig. De weinige voorkomende korstmosvegetaties zijn wel kwetsbaar voor betreding. Op plaatsen met matige tot hoge recreatieve druk zijn deze vegetaties veelal verdwenen. Hoewel relatief veel typische soorten voorkomen in het gebied als geheel, is per deelgebied het aantal soorten meestal zeer laag. Hierdoor is de kwaliteit matig. De trend is per gebied verschillend; bij weinig betreding is de ontwikkeling van de typische soorten vaak goed, maar treedt vergrassing op; bij veel betreding is geen vergrassing maar zijn geen of nauwelijks typische soorten (Provincie Noord-Brabant, 2017). Net als voor het habitattype ‘stuifzandheide met struikheide’ is het perspectief voor zowel de oppervlakte als de kwaliteit positief.

Dit komt door het beheer, het sturen van de recreatieve druk en de afname van de atmosferische depositie van stikstof. Overige knelpunten • Vermesting en verzuring door stikstofdepositie waardoor vergrassing wordt bevorderd • Kleine omvang van gebied (0,16 ha) Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

86 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

• • •

Bosaanplant Vergrassing Recreatie

Regulier beheer In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd: • • • • • • •

Uitvoeren herstelplan Aanvullend onderhoud Bestrijding van exoten Houtopslag verwijderen Branden (fall-back optie) Verstuiving op gang houden Zeven, frezen, eggen

Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Aanvullend beheer is voornamelijk gericht op het verwijderen van stikstof uit het gebied en het omvormen van bos. Samenvattend betreffen de maatregelen: • Plaggen • Houtopslag verwijderen • Begrazing • Kappen bos • Branden (fall-back) • Verstuiving op gang houden door sturen recreatie en kappen bomen • Zeven, frezen en eggen • Extra begrazen/drukbegrazing • Nieuwe heide verbindingen, verbetering uitwisseling omliggend gebied (uitgevoerd) Resultaat uitgevoerde maatregelen Door beheer worden de negatieve effecten van vergrassing en verbossing grotendeels tegengegaan en door herinrichting vanaf 2009 is de oppervlakte uitgebreid. Door zonering, afspraken met paardenhouders en afrastering wordt de recreatieve druk gestuurd en krijgen ook verstoringsgevoelige korstmosvegetaties lokaal kansen. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 38 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H2330 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,11 mol/ha. De hoogste deposities vinden plaats aan de westkant van het habitattype.

Met uitzondering van de westrand en enkele noordelijk gelegen delen heeft het habitattype een depositie minder dan 0,05 mol/ha/jr.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

87 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 38 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H2330 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

Ondanks de matige kwaliteit en overbelasting, is de trend voor kwaliteit wel stabiel. Voor oppervlakte is de kwaliteit negatief. De kwaliteit heeft te maken met de effecten van verbossing en vergrassing en met het lage tot matige aantal typische soorten dat aanwezig is. De matige kwaliteit hangt samen met factoren die een nauw verband hebben met de ruimtelijke fixatie van de ligging en is grotendeels afhankelijk van menselijke ingrepen zoals verwijderen van boomopslag en plaggen dichtgroeien en boomopslag en versnelde fixatie van open zandduinen tegen te gaan. De geringe hoogste stikstofdepositie als gevolg van het project leidt op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van ZuidWest 380 kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

6.3.3.3

H3130 Zwakgebufferde vennen

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Provincie Noord-Brabant, 2017) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2009): Zwakgebufferde vennen kunnen zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn doordat ze niet-koolstof gelimiteerd zijn. Binnen zwakgebufferde vennen komen veel soorten voor, vooral pioniersoorten van kale oevers en open water. De meeste zwakgebufferde vennen zijn echter maar enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen die in zwakgebufferde vennen voorkomen hebben een grote variatie, ondanks het kleine oppervlak van de vennen. Dit komt doordat er veel verschillen in milieus in het vensysteem aanwezig zijn, samen met overgangssituaties in zones en fijnschalige mozaieken. De Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

88 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

standplaatscondities komen in veel verschillende variaties voor, zoals zeer voedselarm tot voedselarm, aquatisch tot vochtig en langdurig tot zeer korstondig overstroomd. Gedeeltelijk betreft het vensystemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Begroeiing in dit habitattype vormen zaak patronen van smalle zones/mozaïeken of zijn met elkaar verwezen. Daarom zijn er geen subtypen van dit habitattypen binnen Nederland. De begroeiing van het habitattype behoren tot vier verbonden van plantengemeenschappen: Potamion graminei, Hydrocotylo Baldellion, Eleocharition acicularis en Nanocyperion flavescentis. In sommige zwakgebufferde vennen kan drijvende waterweegbree grote populaties vormen. Als gevolg van degradatie door o.a. verzuring en atmosferische vermesting gaan soorten zoals pijpenstrootje en/of veenmossen overheersen. Ook pitrus kan toenemen als gevolg van vermesting met fosfaat. Vennen die zulke begroeiingen hebben, maar geen aanwezigheid van de typische soorten voor zwakgebufferde vennen, worden niet tot het habitattype H3130 gerekend omdat het hele venlichaam bekeken moet worden. Indien in een ven kenmerkende plantengemeenschappen van H3130 samen met een voor H3110 kenmerkende gemeenschap aanwezig is, wordt dit ven als mozaïek voor zowel habitattype H3130 als voor H3110 gezien. Het beheer richt zich dan meer op H3110.

Begroeiingen van H3130 en H3110 kunnen ook een mozaïek vormen met aquatische kranswierbegroeiingen van H3140. Dit wordt dan ook als onderdeel van H3110 of H3130 gezien. Landelijke staat van instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Behoud oppervlakte en kwaliteit. Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 571 mol N/ha/jaar. In Figuur 39 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H3130 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H3130 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H3130 een overschrijding van de KDW is. Het gaat in het hele gebied om een depositie van meer dan 426 mol/ha/jr.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

89 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 39 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H3130 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Zwakgebufferde vennen (totaal 7,07 hectare) komen voor in het noorden van de Loonse en Drunense Duinen (Galgenwiel en Kikkerwiel) en in de Leemkuilen. Ook in het noordoosten van De Brand komt een klein zwakgebufferd ven voor in een aangelegde poel. Deze poel is aangelegd voor amfibieën en het beheer wordt hierop aangepast door sterk verlandende poelen tijdig op te schonen. Dit beheer komt ook zwakgebufferde vennen ten goede. Het Galgenwiel en Kikkerwiel zijn sterk geëutrofieerd. Door verbossing en verlanding staan oppervlakte en kwaliteit van het habitattype onder druk. Herstelmaatregelen zijn al voorgesteld in inrichtingsplannen in de vorm van opschonen van de waterbodem en terugzetten van bomen rond de oevers. Potenties zijn hier hoog, getuige het historische voorkomen van vele Rode Lijst soorten, maar de huidige kwaliteit is slecht. De oostelijke, diepe put in de Leemkuilen kent op beperkte schaal vegetaties die gerekend zou kunnen worden tot dit habitattype op ondiepe zand- en leemoeverzones. Omdat de kenmerkende vegetatie slechts lokaal en in smalle ondiepe oevers voorkomt en op een wat breder ondiep stuk aan de oostkant, zou het oppervlak in het ondiepe deel kunnen afnemen door bebossing en beschaduwing van de oevers.

Hoewel de feitelijke hydrologie van de Leemkuilen onbekend is, wordt verwacht dat, de leemlagen, de isolatie van de verschillende ondiepe plassen en de diepte/volume van de oostelijke put, de kwaliteit van het systeem kan borgen. Het westelijk gelegen water in de Leemkuilen was/is van goede kwaliteit. De verbossing van de oevers, bladval, de ophoping van organisch materiaal en het (clandestien) uitzetten van bodemwoelende vis en vijverplanten (watercrassula) bedreigen de waterkwaliteit in de oudere, ondiepe leemputten. De kwaliteit van de zwakgebufferde wateren is slecht of matig en de trend voor oppervlakte en kwaliteit is over het algemeen licht negatief. Atmosferische stikstof is één van de oorzaken en daarom zijn op korte termijn maatregelen nodig om zoveel als mogelijk de negatieve trend te stoppen. Er wordt van uitgegaan dat dergelijke maatregelen in met name het Kikkerwiel en Galgenwiel in de eerste beheerplanperiode aan de orde zijn. Daarnaast is in het gehele gebied voortzetting van het huidige beheer nodig. Een deel van dat beheer is al gericht op het tegengaan of stoppen van de effecten van stikstofdepositie.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

90 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Overige knelpunten Sterke eutrofiëring vormt het knelpunt voor de ontwikkeling van het habitattype in Galgenwiel en Kikkerwiel. Daarom is ook voorzien in herstelmaatregelen: de potentie is namelijk hoog. In de Leemkuilen is de kwaliteit goed en kan deze kwaliteit ook in stand worden gehouden. De knelpunten uit de gebiedsanalyse zijn: • Achterwege blijven heidebeheer wat leidt tot verbossing (wat weer leidt tot de volgende knelpunten). • Vermesting, niet alleen door stikstofdepositie, maar directe uitspoeling en via lokaal grondwater. • Inwaaien van blad. • Uitzet van vis en vijverplanten. • Mogelijk verdroging in de omgeving waardoor buffering voor een deel wegvalt. Knelpunten voor de oppervlakte en kwaliteit zijn: • Verlanding en eutrofiering • Toename van ganzen en bladval van bomen Regulier beheer In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd: • • • • • • • • • • •

Aanvullend onderhoud Aanpassen peilbeheer (GGOR) Herstelplan uitvoeren Beheer leefgebied kamsalamander Bestrijden van exoten Buffering vennen (Leemkuilen) Onderzoek naar hydrologie, kwel en stroombanen (Leemkuilen) Onderzoek voorkomen en bestrijding exoten (leemkuilen en brand) Herstel buffercapaciteit door gedoseerde inlaat van gebufferd water Maaien, plaggen en verwijderen bos Herstel buffercapaciteit door bekalken inzijggebied

Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel • Maaien, plaggen en verwijderen bos: oevers plaggen/bomen verwijderen. Nodig om systeem robuust te maken. • Verwijderen organische sedimenten: nodig om systeem robuust te maken. Groot deel als gevolg van stikstofbelasting.

In het kader van de PAS worden ook de volgende maatregelen voor dit habitattype uitgevoerd: • Hydrologisch herstel • Vrijstellen inzijggebied bos • Aanvullend onderhoudsbeheer • Aanpassen peilbeheer (GGOR) • Herstelplan uitvoeren (Galgenwiel en Kikkerwiel) • Beheer leefgebied kamsalamander • Bestrijding van exoten • Buffering vennen (Leemkuilen) • Onderzoek naar hydrologie, kwel en stroombanen (Leemkuilen) • Onderzoek voorkomen en bestrijding exoten (Leemkuilen en Brand) • Herstel buffercapaciteit door gedoseerde inlaat van gebufferd water (afhankelijk van resultaten Leemkuilen) • Maaien, plaggen en verwijderen bos • Herstel buffercapaciteit door bekalken inzijggebied • Extra maaien van water- en oevervegetatie In de 1e, 2e en 3e PAS-periode is voorzien in: • Vrijzetten venoevers • Vrijzeten venoevers (fallback) • Baggeren waterbodem • Baggeren waterbodem (fallback) Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

91 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Resultaat uitgevoerde maatregelen De buffering van De Leemkuilen verandert waarschijnlijk niet aanzienlijk binnen zes jaar; monitoring en onderzoek hiernaar vinden in de eerste beheerplanperiode plaats. Het huidige beheer is gericht op behoud van dit habitattype. De effecten van de herstelmaatregelen leiden tot een verbetering van de huidige situatie. De uitvoering van de maatregelen zal de trend een positieve impuls geven. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 40 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H3130 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,08 mol/ha. In het noordelijk deel van het habitattype vindt de hoogste depositie plaats. De laagste depositie, minder dan 0,04 mol/ha/jr, is te vinden in het zuidelijk deel van het habitattype.

Figuur 40 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H3130 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

De kwaliteit van het habitattype is slecht tot matig. Ook de trend van de oppervlakte en de kwaliteit is afnemende. Dit heeft verschillende oorzaken zoals eutrofiering en bosopslag. De matige kwaliteit hangt daarnaast samen met factoren die een nauw verband hebben met de beperkte omvang. Hierdoor is continu beheer noodzakelijk, wat bij afwezigheid heeft geleid tot dichtgroei en groei van invasieve soorten. De geringe projectdepositie valt weg tegen het negatieve effect van de natuurlijke successie en exoten. Significant negatieve effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380 kV Oost zijn uitgesloten. Behoud van oppervlakte en kwaliteit worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

92 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

6.3.3.4

H6410 Blauwgraslanden

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Provincie Noord-Brabant, 2017) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype: Uit het profieldocument (LNV, 2009): Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op bodems die voedselarm en basenhouden zijn, in de winter plasdras staat en in de zomer oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland komt van de zwak blauwgroene kleur van de veel voorkomende soorten, zoals Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. Het habitattype wordt plantensociologisch gerekend tot het Junco-Molinion verbond. De begroeiingen van het habitattype hebben een grote variatie in soortensamenstelling die afhankelijk is van de bodem, hydrologie en geografische ligging. Riet en melkeppe kunnen plaatselijk in het laagveengebied veel voorkomen. Op hogere zandgronden zijn de heischrale graslanden veel aanwezig. Grote pimpernel komt veel voor in noordelijk Noord-Brabant, veldrus in de beekdalen en karwijselie in Willinks Weust. Schrale hooilanden waar veel veldrus voorkomt vallen ook onder het habitattype als ze ook ten minste drie soorten van het Junco-Molinion verbond bevatten. Parnassia kan voorkomen op relatief basenrijke natte plekken.

Basenrijke kwelmoerassen behoren niet tot het habitattype als typische soorten voor blauwgraslanden ontbreken en kleine zeggen domineren. Blauwgraslanden kunnen ook plaatselijk in duingebieden voorkomen. Hier gaat het om oudere, reeds langdurig in cultuur gebracht delen met een sterke bodemontwikkeling. Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Vestiging van het habitattype en vervolgens uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.071 mol N/ha/jaar. In Figuur 41 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H6410 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H6410 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H6410 een overschrijding van de KDW is. Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding tussen 140 en 426 mol N/ha/j. Het overige deel heeft een overschrijding van meer dan 426 mol N/ha/j.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

93 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 41 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H6410 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype In het noordoosten van De Brand is de ontwikkeling van blauwgraslanden gaande rondom een daar aanwezige poel (circa 0,10 ha). Er is geen oppervlakte berekend van dit habitattype omdat er nog geen stabiel of goed ontwikkeld habitattype binnen het Natura 2000-gebied aanwezig is. Een duurzame situatie van het habitattype is echter kansrijk door de aanwezigheid van lokaal kalkrijke bodem. Overige knelpunten • Inundatie met voedselrijk water • Verdroging • Verzuring • Vermesting • Beperkte zaadbank • Grote afstand tot andere blauwgraslanden of groeiplaatsen van typische soorten Regulier beheer In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd: • Uitvoeren herinrichtingsplan GGOR • Aanpassen peilbeheer (GGOR) • Bestrijding van exoten • Plaggen/chopperen • Bekalken cq mineralen toevoegen • Extra maaien • Opslag verwijderen • Herintroductie Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel In de herstelstrategie worden vijf maatregelen genoemd tegen de effecten van stiktstofdepositie: Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

94 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

• • • • •

Extra maaien Plaggen Opslag verwijderen Hydrologie verbeteren Bekalken

Herintroductie van soorten door aanvoer van maaisel is een fallback optie. Resultaat uitgevoerde maatregelen Ontwikkeling van het habitattype is mogelijk door uitvoering van het project NNP De Brand. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 42 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H6410 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,044 mol/ha.

Figuur 42 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H6410 in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

De kwaliteit van dit habitattype is slecht tot onvoldoende. De trend van de oppervlakte is stabiel terwijl de trend van de kwaliteit afnemend is. Deze slechte tot onvoldoende kwaliteit heeft o.a. te maken met inundatie met voedselrijk water en het geringe oppervlak waardoor invloeden van buitenaf groot zijn. De toename als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost is zeer beperkt en leidt op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

95 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

6.3.3.5

H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Provincie Noord-Brabant, 2017) en de gebiedsanalyse (Provincie Noord-Brabant, 2017)tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype: Uit het profieldocument (LNV, 2009): De eiken-haagbeukenbossen in dit habitattype vormen een loofbosgemeenschap met een gevarieerde vegetatiestructuur met een hoge (tot 30 meter) en lage boomlaag, een goed ontwikkelde struiklaag en een soortenrijke weelderige kruidlaag met typische soorten met een doorgaans mozaïekachtig karakter. Het mozaïekachtig karakter ontstaat door een sterkte wisseling van licht in ruimte en tijd. Onder andere diverse voorjaarsbloeiers kunnen zich sterk uitbreiden door wortelstokken of bovengrondse uitlopers. Hierdoor zijn ze in staat grote en dikwijks aaneengesloten groepen te vormen. De klimop is een opvallende soort in de bossen van dit habitattype welke ook als liaan tot in het kronendak kan doordringen. Als gevolg van eeuwenlange menselijke exploitatie is de structuur van eiken-haagbeukenbossen gevarieerd. Beheer van het middenbos is hierbij het belangrijkste aspect. Subtype A komt voor op kleiige of lemige bodems die rijk aan mineralen zijn. Deze bossen komen voor in beekdalen en maken deel uit van het landschap van de hogere zandgronden.

Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Behoud oppervlakte en kwaliteit. Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.429 mol N/ha/jaar. In Figuur 43 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H9160A in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H9160A voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H9160A een overschrijding van de KDW is. Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding van groter dan 426 mol N/ha/j.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

96 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 43 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H9160A in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Het habitattype komt met 13,7 ha en een matige kwaliteit verspreid voor aan de zuidkant van het gebied De Brand. Hier komen soorten zoals gele dovenetel, bosgierstgras, daslook, bosanemoon en speenkruid voor. Informatie over de kwaliteit van dit habitattype is beperkt omdat het pas later is toegevoegd als instandhoudingsdoel van het Natura 2000-gebied. Het habitattype komt als fragmenten voor in of naast H9120 Beuken-Eikenbossen met hulst en hebben een ruimtelijke verwantschap met H91E0C. Overige knelpunten • Verzurende en vermestende depositie • Afname van mineralentoevoer door verdroging • Afname van buffering door verdroging • Aanplant van naaldbomen in De Brand • Het ontbreken van bepaalde typische plantensoorten (o.a. eenbes en zwartblauwe rapunzel) • Zeer geringe kans op natuurlijke (her-)kolonisatie Regulier beheer • Kap gericht op structuurverbetering en verrijking van de boom-, struik- en kruidenlaag In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd: • Uitvoeren herinrichtingsplan GGOR • Aanvullend onderhoudsbeheer • Aanpassen peilbeheer (GGOR) • Bestrijding van exoten • Begrazing met schaapkuddes stuifzanden

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

97 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Er wordt ook gedacht aan: • Herintroductie van gewenste boomsoorten (es, esdoorn, linde) • Herintroductie van kruiden Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Voor dit habitattype zijn geen PAS-maatregelen opgesteld. Resultaat uitgevoerde maatregelen De maatregelen die zijn genomen in het kader van de GGOR leiden tot een verbetering van de hydrologie (kwel, waterpeil en waterkwaliteit). Als gevolg hiervan neemt ook de bufferende capaciteit van de bodem toe en wordt de verzuring verminderd. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 44 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H9160A voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,07 mol/ha.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=d24b4fde-7a0d-43e0-88f9-ac982f6d3a7b