Ecologische beoordeling stikstof ZW380 kV Oost [DEEL B] incl bijlage - D10016847
Tekst van het document
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
40 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 11 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project ZW380kV Oost op leefgebied Lg04 in de Brabantse Wal
In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is het grootste knelpunt voor de kwaliteit van het leefgebied voor dodaars verdroging. Vermesting en verzuring hebben mogelijk een verstorend effect wanneer het leefgebied droog komt te liggen en er vervolgens verruiging optreedt van de vegetatie. Het grootste knelpunt ligt bij het Groote Meer, wat het belangrijkste broedgebied is van de soort. De toename van de stikstofdepositie op het Groote Meer is minder dan 0,05 mol/ha. De hoogste toename van de stikstofdepositie (1,59 mol/ha) vindt elders in de Brabantse Wal plaats. Door het project neemt op 64% van het leefgebied de stikstofdepositie toe op plaatsen waar sprake is van overschrijding van de KDW. De eenmalige toename van de stikstofdepositie is 0,015 – 0,060% van de achtergronddepositie binnen het leefgebied. Hoewel atmosferische stikstofdepositie een negatief effect kan hebben op het leefgebied is het meest knellende probleem verdroging. Door verdroging neemt het leefgebied niet alleen in kwaliteit, maar ook in oppervlakte af. De geringe en eenmalige depositie is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur, met name niet in relatie tot het effect van verdroging. De eenmalige depositie door het project zal niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van dodaars.
Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
41 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
6.2.3.2
A224 – Nachtzwaluw
Het leefgebied van de nachtzwaluw op de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande onderdelen (Provincie Noord-Brabant, 2017). Slechts op een deel van de leefgebieden L4030, LG09 en LG13 vindt een toename van de stikstofdepositie plaats van maximaal 4,27 mol N/ha. Tabel 8 Oppervlakte leefgebied nachtzwaluw binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden binnen de Brabantse Wal
Habitattype/leefgebied
Oppervlakte leefgebied nachtzwaluw [ha]
H2310
Stuifzandheiden met struikhei
81,9
ZGH2310
Zoekgebied stuifzandheiden met struikhei
1,99
H2330
Zandverstuivingen
7,5
H4010A
Vochtige heiden (hogere zandgronden)
18,2
ZGH4010A Zoekgebied vochtige heiden (hogere zandgronden)
1,99
H4030
Droge heiden
16,2
ZGH4030
Zoekgebied droge heiden
1,03
L4030
Weinig vergraste heide en stuifzand
250,1
LG09
Droog struisgrasland
76,8
LG13
Bos van arme zandgronden
3131,1
Algemene beschrijving soort Uit het profieldocument (LNV, 2008): De hoogste dichtheid van nachtzwaluwen (20 paar/100 ha) vinden we in deels dichtgegroeide maar nietvergraste zandverstuivingen. Ook leeft de nachtzwaluw in andere halfopen landschappen op schrale, zandige bodems: boomheiden, heidevelden met boomgroepen of vliegdennen, en op kap- of brandvlakten die meer dan 1,5 ha groot zijn en 2-6 jaar oud (Provincie Noord Brabant, 2018). In dennenbossen op voormalige stuifzanden nestelt de nachtzwaluw langs brandgangen en brede zandpaden. De twee eieren worden op kale bodem gelegd, vaak op dennennaalden of schorsschilfers en onder of bij een dode tak voor de camouflage. Op de hei wordt ook wel genesteld op kale plekken onder vliegdennen. De minimale territoriumgrootte van een paar is 2-4 ha. Het is een trekvogel die in Afrika overwintert. Landelijke staat van Instandhouding Gunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, populatie 80 broedparen.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
42 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 12 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op L4030 in de Brabantse Wal.
Figuur 13 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg09 in de Brabantse Wal
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
43 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 14 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg13 in de Brabantse Wal.
Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden L4030, LG09 en LG13 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.07111, 1.000 en 1.071 mol N/ha/jr. In Figuur 12, Figuur 13 en Figuur 14 is de overschrijding van de KDW voor de leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin de leefgebieden voorkomen. Te zien is dat op een groot gedeelte van de leefgebied L4030 en Lg09 overschrijding van de KDW plaatsvindt. Vooral in het zuiden van deze twee habitattypen is de overschrijding van de KDW relatief laag, of vindt er geen overschrijding plaats. Op het gehele gebied van Lg13 vindt overschrijding van de KDW plaats. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied: De nachtzwaluw komt door heel de Brabantse Wal voor. De soort is vooral te vinden op relatief grote open stuifzandheide en stuifzand met veel bosranden en kapvlakten. De belangrijkste gebieden zijn de Borgvlietsche Duinen, het Woeste Gedeelte van de Wouwse Plantage, de Kraaiberg en Kriekelareduinen en de Hazenduinen. Buiten deze terreinen komt de nachtzwaluw vooral voor op kapvlakten met jonge aanplant (2-21 jaar). Sterk vergraste veldjes of kapvlaktes worden gemeden.
De soort is gebaat bij leefgebied met een voedselarme bodem en oppervlaktewater (Provincie Noord Brabant, 2018). De laatste tellingen in 2007 geven voor de Brabantse Wal ruim 80 territoria en vormt daarmee de kern van een kleine grensoverschrijdende duurzame populatie. Door de jonge aanplant op kapvelden is het aantal broedparen sinds de jaren 80 toegenomen. In 2007 was de populatie stabiel gebleven t.o.v. 2000. Het huidige areaal open heideterrein, bos met vlaksgewijze verjonging en open bos is voldoende voor het
11 Voor leefgebied LG4030 is geen KDW opgenomen in van Dobben (2012), in de Aerius calculator wordt de KDW gehanteerd voor
habitattype H4030 droge heide. H4030 is vrijwel gelijk aan structuur en vegetatiesamenstelling als L4030. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
44 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
behoud van het aantal broedparen (Provincie Noord Brabant, 2018). Het aantal broedparen van de nachtzwaluw gaat geleidelijk omhoog (Provincie Noord-Brabant, 2017). Voor de drie leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 is de kwaliteit van het leefgebied positief en de trend voor het oppervlakte neutraal (Provincie Noord-Brabant, 2017). Op basis van de mogelijk positieve trend en het actuele aantal kan niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in de periode 2000-heden heeft bijgedragen aan een significante verslechtering van het leefgebied van de soort. Het is mogelijk dat in het verleden sprake was van een lokale causale relatie tussen stikstofdepositie en de populatieontwikkeling van de soort, maar via beheer lijken de eventuele negatieve gevolgen gemitigeerd (Provincie Noord-Brabant, 2017). De leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 komen voor in de Brabantse Wal met een oppervlakte van respectievelijk circa 250 ha, 77 ha en 3.131 ha. Overige knelpunten • Verbossing • Omschakelen van kapvlakten naar geïntegreerd bosbeheer L4030: Successie (dichtgroeien bos en heide) LG09: Successie (dichtgroeien bos en heide) LG13: Vergrassing (mogelijk onder invloed van stikstofdepositie), leidt tot afname mieren populaties. Mieren zijn een belangrijke voedselbron voor de zwarte specht. Successie (dichtgroeien bos en heide) Regulier beheer Maatregelen t.b.v.
nachtzwaluw • Plaggen, begrazen en maaien ten behoeve van heide verjonging • Verbinden van leefgebied • Onttrekken van doorgaande wegen • Recreatiezonering • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten L4030 & Lg09 • Kappen • Plaggen • Schapen begrazing • Extensief maaien • Loswoelen zand ter bevordering van verstuiving LG13 • Niets doen Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Maatregelen t.b.v. nachtzwaluw • Houtopslag verwijderen stuifzandheiden • Stuifzanden plaggen • Stuifzanden zeven, frezen, eggen • Houtopslag verwijderen stuifzanden • Kappen bos stuifzanden LG09 • (extra) maaien • (extra) begrazen • Plaggen of chopperen • Branden • Bekalken LG13 • Recreatiezonering en toegangspoorten (Provincie Noord Brabant, 2018). • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten (Provincie Noord Brabant, 2018). Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
45 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
• • •
Chopperen/ plaggen met eventueel bekalken. Bosbodem vrijmaken Exoten verwijderen. Voedselbeschikbaarheid vergroten Bomen ringen en verwijderen. Voor meer dood hout en open plekken
Figuur 15 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project ZW380kV Oost op leefgebied L4030
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
46 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 16 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project ZW380kV Oost op leefgebied Lg09
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
47 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 17 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project ZW380kV Oost op leefgebied Lg13 in de Brabantse Wal
Resultaat uitgevoerde maatregelen De maatregelen die momenteel al getroffen zijn t.b.v. de nachtzwaluw hebben een positief effect op de trend en kwaliteit van het leefgebied. Door het verjongen van de kapvlaktes zijn voldoende broedbiotopen gecreëerd voor de soort (Provincie Noord Brabant, 2018). Daarnaast zijn geen effecten te zien van stikstofdepositie op het leefgebied van de nachtzwaluw, wat indiceert dat de huidige getroffen maatregelen voldoende zijn om de mogelijke effecten van stikstofdepositie te mitigeren (Provincie Noord-Brabant, 2017). Beoordeling stikstofdepositie De hoogste depositietoename (4,27 mol/ha) op het leefgebied van nachtzwaluw vindt plaats op leefgebied Lg13 bos van arme zandgronden. De relatief hoge depositiestoenames van 4,27 mol/ha vinden zeer lokaal plaats op korte afstand van het tracé van de Zuid-West 380kV Oost. In verreweg het grootste deel van het leefgebied zijn de toenames aanmerkelijk lager. In het zuidelijk deel van het leefgebied zijn de toename in stikstofdeposities als gevolg van het project relatief laag (minder dan 0,10 mol N/ha). Voor L4030 en Lg 09 is de hoogste depositietoenames respectievelijk 3,19 mol/ha/jr en 3,13 mol/ha/jr. De hoogste deposities voor deze leefgebieden vinden plaats in het noorden.
Ondanks een overschrijding van de KDW op vrijwel het hele leefgebied van de nachtzwaluw is de staat van instandhouding gunstig en de trend positief. Het aantal broedparen neemt geleidelijk toe en er zijn voldoende geschikte biotopen beschikbaar om de instandhoudingsdoelen te halen. Stikstofdepositie kan daarmee geen knelpunt zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor de nachtzwaluw, anders was een positieve trend van de soort en het leefgebied niet mogelijk geweest. Daarnaast kan er ook niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in het verleden een knelpunt heeft gevormd voor de soort in de Brabantse Wal. Het uitvoeren van het regulier beheer is in dit leefgebied voldoende om eventuele effecten van stikstofdepositie tegen te gaan. De eenmalige hoogste depositie van maximaal 4,27 mol N/ha op tevens maar een deel van het leefgebied van nachtzwaluw, is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur van dit leefgebied. De eenmalige depositie door het project zal niet Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
48 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van nachtzwaluw. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
6.2.3.3
A236 - Zwarte specht
Het leefgebied van zwarte specht in de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande onderdelen (Provincie Noord-Brabant, 2017). Op de leefgebieden LG13 en LG14 vindt een tijdelijke stikstofdepositie plaats van maximaal 4,27 mol N/ha als gevolg van het project ZW380kV Oost.
Tabel 9 Oppervlakte leefgebied zwarte specht binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden binnen de Brabantse Wal
Habitattype/leefgebied
Oppervlakte leefgebied zwarte specht [ha]
LG13 Bos van arme zandgronden
3131,1
LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
393,3
Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008): De zwarte specht leeft in oude bossen van minimaal 25-100 hectare, ook middeloude bossen mits oude lanen van beuk, Amerikaanse eik en eik aanwezig zijn. De open plekken in het bos mogen 2-25 hectare zijn. De soort is vrijwel exclusief aan zandgronden gebonden. De zwarte spechten hakken hun nestplaatsen doorgaans uit in oude beuken en Amerikaanse eiken, in mindere mate ook in grove dennen, dikke populieren en abelen. Zijn voedsel zoekt de zwarte specht meestal in oud bos, vooral in bos van oude grove dennen waarin boomstammen met een ruwe schors overheersen. Het voedsel bestaat uit larven van hout bewonende kevers die hij zoekt in dood op de grond liggend hout en bos- en houtmieren die te vinden zijn op kleine open plekken in het bos. Jongere naaldhoutopstanden zijn als voedselbronnen eveneens van belang, daar bevinden zich kolonies van houtmieren. Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot enkele kilometers rond de nestplaats. Landelijke staat van Instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, 40 broedparen Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden LG13 en LG14 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.071 en 1.429 mol N/ha/jr.
In Figuur 14 en Figuur 18 zijn de overschrijdingen van de KDW voor het leefgebied Lg13 en Lg14 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin de leefgebieden Lg13 en Lg14 voorkomen. Hieruit blijkt dat op leefgebieden Lg13 en Lg14 vrijwel overal sprake is van overschrijding van de KDW. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied De zwarte specht komt verspreid door de Brabantse Wal voor. Het voorkomen van de soort valt vrijwel volledig samen met de aanwezigheid van oud gemengd bos van enige omvang. Op landgoed Mattemburg is het aantal broedparen vrij hoog door de aanwezigheid van dood hout. De soort komt minder voor in het bosgebied nabij de volksabdij ter Duinen, dit komt waarschijnlijk door verstoring (Provincie Noord Brabant, 2018).
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
49 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 18 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg14 in de Brabantse Wal.
In de jaren 70 en 80 zijn een flink aantal stormen en brand geweest wat een toename van dood hout in de bossen veroorzaakte. Hierdoor is ook het aantal van de zwarte specht flink toegenomen in het gebied. Op lange termijn is er een afname te zien in broedparen binnen de Brabantse Wal. Momenteel is het aantal broedparen geschat op 29-57 en voldoet daarmee net aan de instandhoudingsdoelstelling (Provincie Noord Brabant, 2018). De bossen hebben nu voldoende formaat en variatie om het aantal broedende zwarte spechten te behouden. Om voldoende leefgebied te blijven behouden is het van belang dat de oude boskernen in het Natura 2000-gebied intact blijven, met daarin voldoende dood hout en dode bomen (Provincie Noord Brabant, 2018). Een causale relatie tussen stikstofdepositie en de trend van de soort kan in dit gebied niet worden uitgesloten. Door stikstofdepositie kunnen open plekken vergrassen wat kan leiden tot een afname van het aantal mierenkolonies, wat een belangrijke voedingsbron van zwarte specht is. Er zijn echter geen directe bewijzen dat de afname van de populatie in de Brabantse Wal komt door een afname van mierenkolonies. Effecten op de populatie kunnen ook komen door afname bos langs de randen van het gebied, afname oppervlakte naaldbos, recente toename van predatoren of een verkeerde inschatting van vroeger aantal (Provincie Noord-Brabant, 2017).
De relatie met dood hout is wel min of meer zeker. Voor het leefgebied geldt dat de huidige trend voor oppervlakte en kwaliteit neutraal tot negatief is. De huidige situatie is ongunstig. Lg13 en Lg14 komen voor in de Brabantse Wal met een oppervlakte van respectievelijk circa 3131 ha en 393 ha. Overige knelpunten • Vergrassing (mogelijk onder invloed van stikstofdepositie), leidt tot afname mieren populaties. • Successie (dichtgroeien bos en heide) Regulier beheer Beheer t.b.v. zwarte specht: Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
50 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
• Recreatiezonering en toegangspoorten • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten • Openhouden open plekken Lg13 en Lg14 • Niets doen Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Beheer t.b.v. zwarte specht: • Bomen ringen en door kap van bomen kleine open plekken te maken (hiermee wordt aantal mieren vergroot) • Monitoring • Begrazen • Strooisel verwijdering/plaggen • Hakhout- of middenbos-beheer • Bestrijden invasieve exoten Lg13 en Lg14 • Recreatiezonering en toegangspoorten (Provincie Noord Brabant, 2018). • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten (Provincie Noord Brabant, 2018). • Chopperen/ plaggen met eventueel bekalken. Bosbodem vrijmaken • Exoten verwijderen. Voedselbeschikbaarheid vergroten • Bomen ringen en verwijderen voor meer dood hout en open plekken Resultaat uitgevoerde maatregelen: Onbekend Beoordeling stikstofdepositie De hoogste toename van de stikstofdepositie (4,27 mol/ha) komt neer op zowel Lg13 als Lg14 op zeer korte afstand van het tracé van de Zuid-West 380kV Oost. De populatiegrootte van zwarte specht is voornamelijk gebonden aan de aanwezigheid van dood hout in het gebied en in mindere mate aan de mate van vergrassing. Vergrassing als gevolg van stikstofdepositie kan leiden tot veranderingen in het voedselaanbod voor de zwarte specht. Zo zal de populatie bosmieren afnemen.
In combinatie met een geringe aanwezigheid van dood hout, zal het voedselaanbod van de zwarte specht afnemen (Sovon, 2016). Momenteel is het aantal broedparen geschat op 29-57 en voldoet daarmee net aan de instandhoudingsdoelstelling voor de soort. De bossen hebben nu voldoende formaat en variatie om het aantal broedende zwarte spechten te behouden. Recreatie en voldoende aanwezigheid van dood hout lijken de sturende factoren te zijn voor het aantal broedparen van de zwarte specht.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
51 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 19 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project ZW380kV Oost op leefgebied Lg14 in de Brabantse Wal
De eenmalige depositie van maximaal 4,27 mol N/ha op het leefgebied van zwarte specht is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur van het leefgebied van deze soort. De eenmalige depositie door het project zal niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van zwarte specht. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
6.2.3.4
A246 – Boomleeuwerik
Het leefgebied van de boomleeuwerik in de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande onderdelen (Provincie Noord-Brabant, 2017). Alleen op een deel van de leefgebieden L4030 en LG09 vindt een stikstofdepositie plaats van maximaal 3,19 mol N/ha. Tabel 10 Oppervlakte leefgebied boomleeuwerik binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden binnen de Brabantse Wal
Habitattype/leefgebied H2310
Oppervlakte leefgebied boomleeuwerik [ha]
Stuifzandheiden met struikhei
81,9
ZGH2310 Zoekgebied stuifzandheiden met struikhei
1,99
H4030
Droge heiden
16,2
ZGH4030 Zoekgebied droge heiden
1,03
L4030
Weinig vergraste heide en stuifzand
250,1
LG09
Droog struisgrasland
76,8
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
52 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008) De broedbiotoop van de boomleeuwerik bestaat uit halfopen heidelandschappen, randen van zandverstuivingen, kapvlakten, naaldbosaanplant tot 4-5 jaar oud en zandige duinheiden. Soms nestelt hij ook op bouwland zoals kale maïsakkers of aspergevelden met wat bosjes en zandpaden met schrale bermen. Er moet een vaste, stabiele verhouding tussen de verschillende vegetatietypen waarbij 40-50% uit kaal zand of vegetatie lager dan 5 cm bestaat. Daarnaast moet de habitat gedurende enkele jaren stabiel zijn en moet er voldoende open plekken zijn van ca 25-100 ha (Provincie Noord Brabant, 2018). De nestplaats bevindt zich in 10-30 cm hoge pollen van begroeiingen of in kruidenrijke vegetatie. Enige boomgroei in de buurt heeft de boomleeuwerik nodig voor gebruik als zang- en uitkijkpost. De voedselbiotoop kan tot 200 m van de nestplaats verwijderd zijn. Het is altijd een terreindeel met een poreuze, schraal begroeide bodem die snel opdroogt en opwarmt. In landbouwgebieden en heideterreinen kunnen brede zandpaden dienen als voedselbiotoop. De minimaal benodigde oppervlakte leefgebied bedraagt circa drie hectare. Landelijke staat van Instandhouding Gunstig
Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, 100 broedparen. Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden L4030 en LG09 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.07112 en 1.000 mol N/ha/jr. In Figuur 12 en Figuur 13 zijn de overschrijding van de KDW voor het leefgebied L4030 en Lg09 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie is hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin leefgebieden L4030 en Lg09 voorkomen. Hieruit blijkt dat op een groot gedeelte van de leefgebied L4030 en Lg09 overschrijding van de KDW optreedt. Op L4030 en Lg09 vindt op enkele locaties ook geen overschrijding van de KDW aanwezig. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied: Boomleeuwerik komt verspreid over de Brabantse Wal voor. De hoogste concentratie van broedparen komt voor op het militair oefenterrein Ossendrecht, de handgranaatbaan van de Koningin Wilhelminakazerne, de Staartsche Heide en de oevers van De Groote en De Kleine Meer (Provincie Noord Brabant, 2018). Er zijn te weinig lokale gegevens bekend om een trend te geven. Het aantal van de soort is sinds 2000 significant afgenomen. Het huidige areaal is wel voldoende voor het behoud van het aantal broedparen binnen de Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018).
De instandhoudingsdoelen lijken momenteel gehaald te worden. In de afgelopen jaren gaat het aantal namelijk door autonome ontwikkelingen en beheermaatregelen omhoog (mondelinge mededeling beheerders) (Provincie Noord-Brabant, 2017). Er is mogelijk sprake van een causale relatie tussen een verslechtering van het leefgebied van de boomleeuwerik, door het versneld dichtgroeien, met de stikstofdepositie in de periode 2000-heden. Maar de negatieve effecten van stikstof lijken vooralsnog door het beheer gemitigeerd te worden (Provincie NoordBrabant, 2017). De omvang van de leefgebieden voor de boomleeuwerik zijn als volgt: H2310 circa 82 ha, H4030 circa 16 ha, L4030 circa 250 ha en Lg09 circa 77 ha.
12 Voor leefgebied LG4030 is geen KDW opgenomen in van Dobben (2012), in de Aerius calculator wordt de KDW gehanteerd voor
habitattype H4030 droge heide. H4030 is vrijwel gelijk aan structuur en vegetatiesamenstelling als LG4030. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
53 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Overige knelpunten: L4030: Successie (dichtgroeien bos en heide) LG09: Successie (dichtgroeien bos en heide) Regulier beheer: Maatregelen t.b.v. boomleeuwerik: • Recreatiezonering en toegangspoorten • Invullen hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten L4030 en Lg09: • Kappen • Plaggen • Schapen begrazing • Extensief maaien • Loswoelen zand ter bevordering van verstuiving Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel: Maatregelen t.b.v. boomleeuwerik: • Houtopslag verwijderen stuifzandheiden • Stuifzanden plaggen • Stuifzanden zeven, frezen, eggen • Houtopslag verwijderen stuifzanden • Kappen bos stuifzanden LG09: • (extra) maaien • (extra) begrazen • Plaggen of chopperen • Branden • Bekalken Resultaat uitgevoerde maatregelen: Door herstelmaatregelen in de Zoom-Kalmthoutse nemen de aantallen weer toe. Ook terreingebruik waarbij het zand wordt losgewoeld en weer gaat stuiven zoals bij militaire oefeningen helpt bij het behouden van de broedhabitat (Provincie Noord-Brabant, 2017). Beoordeling stikstofdepositie De hoogste toename van de stikstofdepositie vindt plaats op de leefgebieden L4030 (3,19 mol/ha) en Lg09 (3,13 mol/ha) op korte afstand van het tracé van de Zuid-West 380kV Oost (zie Figuur 12 en Figuur 13). Het merendeel van het oppervlak, vooral zuidelijk gelegen, heeft slechts een lage belasting (maximaal 0,05 mol N/ha).
De eenmalige depositie op het leefgebied L4030 van de boomleeuwerik is 0,11 tot 0,33% van de huidige achtergronddepositie. Voor leefgebied Lg09 van de boomleeuwerik is dit respectievelijk 0,10 tot 0,20% van de huidige achtergrond depositie op deze leefgebieden. De stikstofdepositie door project valt daarmee in het niet bij de huidige achtergrond depositie. Ondanks een overschrijding van de KDW is de trend van de populatie licht positief. Het aantal broedparen neemt geleidelijk toe en er zijn voldoende geschikte biotopen beschikbaar om de instandhoudingsdoelen te halen. Stikstofdepositie kan daarmee geen knelpunt zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor de boomleeuwerik, anders was een positieve trend van de soort en het leefgebied niet mogelijk geweest. Daarnaast kan er ook niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in het verleden een knelpunt heeft gevormd voor de soort in de Brabantse Wal. Het uitvoeren van het regulier beheer is in dit leefgebied voldoende om mogelijke effecten van stikstofdepositie tegen te gaan. De eenmalige en zeer geringe depositie van maximaal 3,19 mol N/ha op L4030 en 3,13 mol N/ha op Lg09 is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur. De eenmalige depositie door het project zal dus niet leiden tot significante en structurele
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
54 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
wijzigingen van de biotoopcondities van boomleeuwerik. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
6.2.3.5
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van de Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit profieldocument (LNV, 2008) Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden1. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes of, op noordhellingen, rode bosbes. Zelfs plekken waar gewone dophei domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo’n plek H4010A te noemen). Door grassen (bochtige smele) of struwelen (brem, gaspeldoorn) gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen.
Op steile noordhellingen met een vochtiger microklimaat kan een mosrijke heidevorm voorkomen, terwijl op geëxponeerde hellingen juist een korstmosrijke variant kan voorkomen. Nauw verwante habitattypen zijn: Duinheiden met struikhei (H2150; in de FGR Duinen), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320; met dominantie van kraaihei), Droge Europese heiden (H4030; op wat rijkere bodems) en Zandverstuivingen (H2330; waarin struikhei hooguit spaarzaam voorkomt). Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.071 mol N/ha/jr. In Figuur 20 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H2310 in de huidige situatie in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H2310 voorkomt. Uit Figuur 20 blijkt dat voor het grootste deel van het habitattype H2310 in Brabantse Wal sprake is van overschrijding van de KDW. In het midden van het gebied bevindt zich een klein deel waar geen sprake is van overschrijding van de KDW. De overschrijding in het grootste deel van het midden van het gebied is hoger dan 140 mol N/ha/jr.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
55 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 20 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H2310 in Brabantse Wal
Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Habitattype stuifzandheiden met struikhei komt vooral voor in de Kriekelareduinen. Dit deel vormt hét gebied voor stuifzandontwikkeling. Tussen Kleine Meer en Groote Meer en ten noorden van het Kleine Meer komen kleinere locaties met dit habitattype voor. Het habitattype komt in de Brabantse Wal voor met een oppervlakte van circa 82 ha. Het habitattype in de Kriekelareduinen en Kraaienberg (grenspark) heeft een goede kwaliteit. De droge heide is redelijk soortenrijk, met vooral een goed ontwikkelde korstmos- en mossenlaag. Grote delen van die droge heide zijn oud, hoog uitgegroeid en structuurrijk. De natuurlijke variatie in structuur is mogelijk een gevolg van natuurlijke verstoringen zoals sterfte door zomerdroogte, heidekeverplaag en konijnenvraat. Het stuifzand is voor een deel open en actief gehouden door militair gebruik en ongecontroleerde recreatie. Door verdroging, verzuring en eutrofiering van de droge heide zijn oorspronkelijke karakteristieke planten- en diersoorten de afgelopen decennia echter wel in aantal achteruitgegaan of verdwenen (Provincie Noord Brabant, 2018).
De verspreiding en kwaliteit van dit habitattype hangt samen met verschillende abiotische factoren (Provincie Noord-Brabant, 2017): • Bodemopbouw (verstuifbaar zand); • Windwerking en verstuiving; • Historisch landgebruik en beheer; • Wijze van beïnvloeding door vermesting en verzuring. De kwaliteit van het habitattype is, door de ruimtelijke fixatie van de ligging, grotendeels afhankelijk van menselijke ingrepen zoals verwijderen van boomopslag, plaggen en/of begrazing en mogelijk betreding door mensen om vergrassing en boomopslag en versnelde fixatie van zandduinen tegen te gaan. Overige knelpunten • Vermesting door stikstofdepositie;
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
56 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
• • • •
Versterking van het verzuringsproces door stikstofdepositie waardoor bijv. vergrassing in bos, heide en stuifzand wordt bevorderd; Verdroging Verzuring Eutrofiëring
Regulier beheer Voor een duurzame instandhouding en ontwikkeling van een completer ecosysteem wordt ingezet op verdere versterking van windwerking door vergroting van kleine stukken tot een meer aaneengesloten, robuustere hoeveelheid open heide. Om heideverjonging te verkrijgen worden extra lokale maatregelen ingezet: • Plaggen • Begrazen • Maaien Het beheer is gericht op het openhouden en uitbreiden van heide en open zand via: • Kappen • Plaggen • Extensief maaien • Begrazen met schapen Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Om het effect van stikstofdepositie tegen te gaan worden de volgende herstelmaatregelen uitgevoerd: • Extra begrazen • Extra plaggen of chopperen • Extra maaien / begrazen (fallback-optie) • Open verbinding creëren Steertse Heide met De Groote Meer • Verwijderen opslag H2310 (niet zinvol, want plaggen zorgt al voor verwijderen van opslag). • Plaggen, zeven, frezen, eggen • Kappen bos • Branden • Recreatiezonering Resultaat uitgevoerde maatregelen In het kader van het grensoverschrijdend LIFE-project HeLa (Heideherstel op Landduinen) wordt bos in het oostelijk deel van Kraaienberg en zuidelijk deel van Kriekelareduinen gekapt waardoor ruimte ontstaat voor droge (en natte) heide. Lokaal worden boomgroepen gespaard ten behoeve van de nachtzwaluw. De areaaluitbreiding omvat ca. 18 ha open zand.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
57 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 21 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H2310 in de Brabantse Wal.
Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 21 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H2310 voorkomt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,06 mol/ha. De hoogste deposities liggen het dichtst bij het tracé voor de ZuidWest 380kV Oost. De kwaliteit van het habitattype is goed. De trend van de oppervlakte is positief en de trend van de kwaliteit is op sommige locaties een vooruitgang en op sommige locaties een achteruitgang. Ondanks de hoge achtergronddepositie komt het habitattype met goede kwaliteit voor. Stikstofdepositie is een belangrijk knelpunt voor dit habitattype, dat wordt versterkt door systeemfixatie. Gerichte beheermaatregelen in het verleden hebben een duidelijk succes gehad, wat ook leidt tot lokaal goede kwaliteit. De toename als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding is zeer beperkt en leidt op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie of de benodigde jaarlijkse beheerinspanning . Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten.
6.2.3.6
H2330 Zandverstuivingen
Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2008) Het habitattype betreft pionierbegroeiingen in afwisseling met onbegroeid zand op droge, zeer voedselarme zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Het habitattype kan op kleine schaal voorkomen in heidelandschappen, maar ook zo grootschalig zijn ontwikkeld dat van een zandverstuivingslandschap
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
58 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
sprake is. In het eerste geval komt het meestal voor op plekken die zijn omgeven door het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Zonder periodiek actief herstel van de pionieromstandigheden zullen deze kleine plekken dichtgroeien. In het tweede geval gaat het om een afwisseling van veelal geheel of gedeeltelijk begroeide duinen, waar vegetatie het zand invangt en vasthoudt, en vlakkere, onbegroeide of spaarzaam begroeide laagten waar het zand wegstuift. Van een uitgestoven laagte spreekt men als verdere uitstuiving niet mogelijk is omdat de verstuiving tot op het natte zand is gekomen (tot aan het grondwater) of een niet verstuifbare grindlaag of (kei)leemlaag bereikt heeft. In tot het grondwater uitgestoven laagten kunnen zich lokaal ook vochtige pioniervegetaties ontwikkelen die een waardevolle bijdrage leveren aan de diversiteit in het gebied. Bij verdere uitstuiving en/of bij grondwaterstandstijging kunnen zich hier ook vennen ontwikkelen. De vastlegging van het zand vindt gedurende de vegetatiesuccessie plaats door respectievelijk Buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen (die met name op de overgang naar omringende heiden en bossen domineren). Duurzame instandhouding van het habitattype kan vooral plaatsvinden in grootschalige gebieden waar de wind vrij spel heeft en een voortdurend wisselend mozaïek van successiestadia kan voortbestaan.
Naast winderosie kan watererosie op de begroeide hellingen een grote invloed hebben op zowel bodem- als vegetatieontwikkeling en voor steilwandjes zorgen. Het stuifzandmilieu is extreem arm aan soorten vaatplanten, maar vooral rijk aan korstmossen. Er zijn maar weinig vaatplanten die de extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen kunnen overleven. Ook de fauna is soortenarm, maar omvat wel enkele soorten die juist aan deze extreme omstandigheden zijn aangepast. Indien het habitattype op landschapsschaal voorkomt, bij voorkeur in aansluiting op habitattypen van het heidelandschap, kan het aanmerkelijk soortenrijker worden dan wanneer het op kleine plekjes voorkomt. Stuifzanden komen in de op de hogere zandgronden voor op met name de jonge dekzanden, maar op een aantal plaatsen ook op oude rivierduinen die weer opnieuw in verstuiving zijn geraakt. De pionierbegroeiingen bestaan in hoofdzaak uit buntgras, zandstruisgras, fijn schapengras, heidespurrie, zand- en ruig haarmos en diverse korstmossen (bekermossen, heidestartjes en rendiermossen). Kenmerkend zijn de zeer sterke temperatuurschommelingen. Het Buntgrasverbond komt voor in dynamische milieus met stuifzand. Het dwerghaververbond komt voor op zandgronden die minder stuiven en iets vochtiger en humusrijker zijn. Er is steeds een aandeel open zand aanwezig.
Landelijke staat van instandhouding Zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 714 mol N/ha/jaar. In Figuur 22 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H2330 in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H2330 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H2330 een overschrijding van de KDW is. Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding van groter dan 426 mol N/ha/j.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
59 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 22 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H2330 in de Brabantse Wal.
Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Zandverstuivingen is in de Kriekelareduinen aanwezig in een landduinencomplex, met kleine stukken actief stuifzand. Hier zijn recent stukken bos gekapt en is de heide geplagd om meer stuifzand te creëren. Dit stuifzand heeft nog geen tijd gehad om begroeid te raken. De huidige kwaliteit van het habitattype is niet optimaal. Flora en fauna is onvolledig ontwikkeld en activiteiten zoals militair gebruik en ongecontroleerde recreatie hebben de stuifzanden open en actief gehouden (Provincie Noord Brabant, 2018). Dit habitattype komt met circa 7,5 ha voor in de Brabantse Wal. Sturende processen in het droge landschap zijn windwerking, uitloging en verzuring (podzolering).
De verspreiding en kwaliteit van het habitattype hangt samen met verschillende abiotische factoren (Provincie Noord-Brabant, 2017): • Bodemopbouw (verstuifbaar zand); • Windwerking en verstuiving; • Historisch landgebruik en beheer; • Wijze van beïnvloeding: • Vermesting • Verzuring Overige knelpunten • Vermesting en verzuring door stikstofdepositie waardoor vergrassing in bos, heide en stuifzand wordt bevorderd • Lage kwaliteit • Gering areaal Regulier beheer Voor een duurzame instandhouding en ontwikkeling van een completer ecosysteem wordt ingezet op verdere versterking van windwerking door vergroting van kleine stukken tot een meer aaneengesloten, robuustere hoeveelheid open heide. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
60 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Om heideverjonging te verkrijgen worden extra lokale maatregelen ingezet: • Plaggen • Begrazen • Maaien Het beheer is gericht op het openhouden en uitbreiden van heide en open zand via: • Kappen • Plaggen • Extensief maaien • Begrazen met schapen Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Om de effecten van stikstofdepositie tegen te gaan worden de volgende maatregelen genomen: • • • • • • •
Plaggen Zeven, frezen, eggen Opslag verwijderen (Druk)begrazen Kappen bos Branden (fallback optie) Verstuiving op gang houden
Resultaat uitgevoerde maatregelen Het LIFE-project HeLa heeft 18 ha open zandbiotoop gecreëerd. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 23 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H2330 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,04 mol/ha. De hoogste stikstofdepositie vindt op echter op een heel klein deel van het habitattype plaats. Het overgrote deel van het habitattype heeft een stikstofdepositietoename van minder van 0,03 mol/ha.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
61 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 23 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H2330 in de Brabantse Wal.
Ondanks dat de kwaliteit nog niet optimaal is, is de trend voor oppervlakte positief en de trend voor de kwaliteit op sommige locaties een vooruitgang en op andere locaties een achteruitgang. De nog niet optimale kwaliteit komt door menselijke activiteiten. De kwaliteit hangt samen met factoren die een nauw verband hebben met de beperkte omvang en de ruimtelijke fixatie van het habitattype (geen natuurlijke systeemdynamiek). Het habitattype komt namelijk niet voor in functionele omvang (functionele omvang is vanaf enkele honderden ha (LNV, 2008)). De toename als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost is zeer beperkt en leidt, gezien de stabiele trend in een overbelaste situatie, op zichzelf niet tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.
6.2.3.7
H3130 Zwakgebufferde vennen
Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2009): Zwakgebufferde vennen kunnen zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn doordat ze niet koolstof gelimiteerd zijn. Binnen zwakgebufferde vennen komen veel soorten voor, vooral pioniersoorten van kale oevers en open water. De meeste zwakgebufferde vennen zijn maar enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen die in zwakgebufferde vennen voorkomen hebben een grote variatie, ondanks het kleine oppervlak van de vennen. Dit komt doordat er veel verschillen in milieus in het vensysteem aanwezig zijn, samen met overgangssituaties in zones en fijnschalige mozaieken. De standplaatscondities komen in veel verschillende variaties voor, zoals zeer voedselarm tot voedselarm, aquatisch tot vochtig en langdurig tot zeer korstondig overstroomd. Gedeeltelijk betreft het vensystemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
62 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Begroeiing in dit habitattype vormen zaak patronen van smalle zones/mozaieken of zijn met elkaar verwezen. Daarom zijn er geen subtypen van dit habitattypen binnen Nederland. De begroeiing van het habitattype behoren tot vier verbonden van plantengemeenschappen: Potamion graminei, Hydrocotylo Baldellion, Eleocharition acicularis en Nanocyperion flavescentis. In sommige zwakgebufferde vennen kan drijvende waterweegbree grote populaties vormen. Als gevolg van degradatie door o.a. verzuring en atmosferische vermesting gaan soorten zoals pijpenstrootje en/of veenmossen overheersen. Ook pitrus kan toenemen als gevolg van vermesting met fosfaat. Vennen die zulke begroeiingen hebben, maar geen aanwezigheid van de typische soorten voor zwakgebufferde vennen, worden niet tot het habitattype H3130 gerekend omdat het hele venlichaam bekeken moet worden. Indien in een ven kenmerkende plantengemeenschappen van H3130 samen met een voor H3110 kenmerkende gemeenschap aanwezig is, wordt dit ven als mozaïek voor zowel habitattype H3130 als voor H3110 gezien. Het beheer richt zich dan meer op H3110. Begroeiingen van H3130 en H3110 kunnen ook een mozaiek vormen met aquatische kranswierbegroeiingen van H3140. Dit wordt dan ook als onderdeel van H3110 of H3130 gezien. Landelijke staat van instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 571 mol N/ha/jaar. In Figuur 24 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H3130 in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H3130 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H2330 een overschrijding van de KDW is. De overschrijding is overal groter dan 426 mol N/ha/j.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
63 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 24 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H3130 in de Brabantse Wal.
Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype Zwakgebufferde vennen komt vooral voor in de Groote Meer. Op de lange termijn heeft De Groote Meer de potentie om zich door te ontwikkelen tot het habitattype Zeer zwak gebufferde vennen (H3110), in mozaïek met de zwakgebufferde vennen. Het habitattype zwakgebufferde vennen komt niet alleen voor in het Groote Meer (Voormeer), maar ook in Leemputten, Bronven en Ranonkelven. Dit habitattype komt met circa 13 ha voor in de Brabantse Wal. Uitbreiding van het habitattype zwakgebufferde vennen is in potentie mogelijk in De Kleine Meer en het Akkerenven. In De Kleine Meer is het type nog gefragmenteerd en pleksgewijs aanwezig. Dit is van onvoldoende formaat en is in de inventarisatie niet naar voren gekomen als kwalificerend voor het habitatttype. De langdurige trend is negatief (Provincie Noord Brabant, 2018) Overige knelpunten • Verdroging en vermesting als gevolg van stikstofdepositie • Verdroging waaronder onttrekkingen aan het grondwater voor drinkwaterwinning, industrie en landbouw hebben vooral invloed op het Groote en Kleine Meer. • Instroom van voedselrijkwater van de Steertse Heide naar het Groote Meer • Waterkwaliteit • Atmosferische depositie Regulier beheer • Hydrologische maatregelen • Verwijderen van organische sedimenten in vennen • Verwijderen van vegetatie in en rond vennen
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
64 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel De maatregelen die getroffen worden ten behoeve van zwakgebufferde vennen dragen ook bij aan de ontwikkelingskansen van zeer zwakgebufferde vennen. In de herstelstrategie voor H3130 worden een aantal maatregelen tegen het effect van stikstofdepositie genoemd: • Hydrologisch herstel • Verwijderen organische sedimenten • Maaien en plaggen • Herstel van buffercapaciteit • Vrijstellen inzijggebied bos In het kader van de PAS wordt het herstel van zwakgebufferde vennen dat is ingezet verder versterkt met onderstaande maatregelen: • Aanpassen of dempen van waterlopen voor Akkerenven, optimalisatie d.m.v. regelwerk • Verwijderen van organische sedimenten • Maaien, plaggen en verwijderen bos langs venrand • Extra maaien van water- en oevervegetatie • Omvormen naar open bos • Bekalken van inzijggebied voor herstel van de buffercapaciteit • Aanvoer oppervlaktewater (zwakgebufferd) Resultaat uitgevoerde maatregelen Een deel van de maatregelen uit het convenant, waaronder reductie van waterwinningen, is ondertussen uitgevoerd. Dit heeft geleid tot vernatting van De Groote Meer en omgeving. De waterkwaliteit is nog onvoldoende verbeterd.
Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 25 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H3130 voorkomt en waar een overschrijding van de KDW optreedt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,057 mol/ha. Deze hoogste depositie vindt op een relatief klein deel van het habitattype plaats. Het overgrote deel van het habitattype heeft een projectdepositie lager dan 0,03 mol/ha.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
65 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 25 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H3130 in de Brabantse Wal.
De kwaliteit van het habitattype is nog niet optimaal. Ook is de huidige trend voor oppervlakte en kwaliteit afnemend. Dit heeft in eerste instantie te maken met verdroging en instroom van voedselrijk water op sommige locaties, pas daarna heeft ook stikstofdepositie een effect. De beperkte toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project valt in het niet ten opzichte van de toename van voedingsstoffen via oppervlaktewater en de bestaande achtergronddepositie op dit habitattype. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380 kV Oost zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden op dit moment vooral belemmerd door andere factoren.
6.2.3.8
H3160 Zure vennen
Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2009): Tot de zure vennen behoren natuurlijke poelen en meren met een bodem van veenmodder en zuur water. In Nederland gaat het hier bijna uitsluitend over heidevennen gevoed door regenwater en vennen in de randzone van hoogveengebieden. Invloed van grondwater kan lokaal doordingen van kan voor de gevarieerde levensgemeenschappen van essentieel belang zijn. Men spreek echter van ‘uitsluitend gevoed door regenwater’ omdat de invloed van regenwater zo groot is. Het gaat hier om open waterbegroeiingen en jonge verlandingsstadia die drijvend of op de oever voorkomen. Water in zure vennen is zeer voedselarm en kan bruin gekleurd zijn door het voorkomen van humuszuren. Dit is een dystroof milieu. IJle begroeiingen van hogere schijngrassen zoals snavel- en draadzegge of veenpluis kunnen het aanzien bepalen in de randzones van de poelen. De begroeiingen zijn deel van H3160. CO2 vormt soms een beperkende factor, waardoor vegetatie ontbreekt of alleen in de vorm van aan de oppervlakte zwevende of drijvende waterplanten voorkomen. Daar waar de vegetatie ontbreekt is het habitattype matig ontwikkeld.
Waar wel voldoende CO 2 aanwezig is, in heldere vennen, kunnen zwevende planten de waterlaag vullen, vooral in ondiepe zones. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
66 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Als de laag van veenmos zich sluit ontstaat een dichte vegetatiemat en uiteindelijk een hoogveenachtig patroon van bulten en slenken. Venbegroeiingen waarin deze latere successiestadia domineren, worden gerekend tot habitattype Actieve hoogvenen (H7110). Wanneer degradatie voorkomt worden begroeiingen zeer soortenarm en gaan soorten zoals waterveenmos, geoord veenmos en pijpenstrootje overheersen in de vennen. Pitrus gaat overheersen bij fosfaataanrijking. Wanneer deze begroeiingen dominant zijn, en geen andere veensoorten behalve waterveenmos en voor zure vennen kenmerkende gemeenschappen aanwezig zijn valt dit niet binnen het habitattype. Landelijke staat van instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 714 mol N/ha/jaar. In Figuur 26 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H3160 in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H3160 voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor het gehele habitattype H2330 een overschrijding van de KDW is. Veruit het grootste deel van het habitattype heeft een overschrijding van groter dan 426 mol N/ha/j.
Het overige kleine deel heeft een overschrijding tussen de 140 en 426 mol N/ha/j.
Figuur 26 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op H3160 in de Brabantse Wal.
Huidige omvang en kwaliteit van het habitattype
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
67 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Het habitattype komt in een aantal vennen voor in het habitatrichtlijngebied, zoals Zwaluwmoer en Wasven op Kortenhoeff. Buiten het habitatrichtlijngebied komen meerdere ‘zure vennen’ voor. De huidige kwaliteit is deels goed ontwikkeld, maar merendeels matig. In de waterlaag komt lokaal een kleine hoeveelheid waterveenmos en knolrus voor. Voor het overige zijn de vennen vegetatieloos. Het habitattype komt met circa 8 ha voor in de Brabantse Wal. Afhankelijk van de ontwikkeling in het Akkerenven in het Habitatrichtlijngebied en herstel en inrichting van andere vennen is het mogelijk dat het areaal aan zure vennen zich uitbreidt (Provincie Noord Brabant, 2018). Overige knelpunten • Vermesting en verzuring als gevolg van atmosferische depositie • Verdroging • Peilschommelingen en te weinig opbolling in hogere delen van het landschap Regulier beheer In het habitatrichtlijngebied gaat het met name om behoud en herstel van Zwaluwmoer. Het terugdringen van bos vanaf de venoevers is voor het behoud van de zure vennen de belangrijkste maatregelen. Boskap en uitgraven zijn maatregelen speciaal gericht op het uitbreiden van het oppervlak.
Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel In de herstelstrategie worden een aantal maatregelen tegen het effect van stikstofdepositie genoemd: • Hydrologisch herstel • Afvoer voedingsstoffen • Bekalken • Vrijzetten oevers Resultaat uitgevoerde maatregelen Door de maatregelen zal het oppervlak en de kwaliteit van zure vennen worden vergroot. Beoordeling stikstofdepositie In Figuur 27 is de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding weergeven in de hexagonen waar het habitattype H3160 voorkomt. De maximale toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding op dit habitattype bedraagt 0,06 mol/ha. De zuidelijk geleden delen van het habitattype hebben een relatief lagere toename van stikstofdepositie als gevolg van het project dan de noordelijk gelegen delen van het habitattype. De hoogste deposities op het habitattype vinden plaats in het midden en noorden. Hier is de depositie hoger dan 0,03 mol/ha/jr.
Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
68 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
Figuur 27 Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project op habitattype H3160 in de Brabantse Wal.
Ondanks de matige kwaliteit en overbelasting, is de trend voor oppervlakte wel stabiel. De trend voor kwaliteit is afnemend. De matige kwaliteit hangt samen met verdroging en de langdurige hoge stikstofdepositie. De geringe tijdelijke depositie als gevolg van het project valt in het niet bij het effect van verdroging en de langjarige hoge achtergronddepositie en fluctuaties daarin. Significant negatieve effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost zijn uitgesloten. Behoud van oppervlakte en kwaliteit worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie.
6.2.3.9
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
Informatie in onderstaande paragrafen is afkomstig uit het beheerplan van Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018) tenzij anders aangegeven. Ecologische beschrijvingen habitattype Uit het profieldocument (LNV, 2009): Dit habitattype is te vinden op hogere zandgronden waar de standplaatsen voedselarm, zeer nat tot zeer vochtig en matig zuur tot zuur is. Ook in het heuvelland en het laagveengebied komt dit habitattype voor. De aanwezigheid van gewone dophei, in de vorm van hoge bedekking is kenmerkend voor het habitattype. Vochtige heiden met een goede kwaliteit kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met pijpenstrootje en veenmos, maar alleen in mozaïekvorm. De begroeiingen van het subtype A (vochtige heiden op hogere zandgronden) hebben variatie in waterhuishouding, ouderdom en leemgehalte van de bodem. Natte heiden op zandgrond zijn te vinden op oevers van vennen, beekdalflanken, in laagten met ondoorlaatbare ondergrond en in afgegraven voormalige hoogveengebieden die tot op het zand zijn afgegraven. Subtype H4010B vormt het eindstadium in verlanding voor laagveengebieden. Vochtige heide ontstaat uit eerdere stadia van successie (trilveen en veenmosrietland) als gevolg van het dikker worden van de kragge en het ontstaan van een geleidelijk dikkere regenwaterlens. De bereikbaarheid Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021
69 van 148
ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]
van de bovengrond voor basenrijker water onder de kragge neemt hierdoor af. Op vast veen kan ontwikkeling van moerasheide voorkomen door verzuring. De aanwezige vegetatie in vochtige heiden wordt gedomineerd door ondiep wortelende zuurminnende soorten. Ook basenmiddende soorten zoals riet en paddenrus komen voor in (nog) voldoende basenrijke diepere veenlagen. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland. Grassen zoals pijpenstrootje of struiken zoals gagel komen veel voor in vochtige heiden die gedegradeerd zijn. Begroeiingen met gagel behoren nog tot het habitattype als deze niet domineren, maar met de eerder genoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen. De subassociatie met gevlekte orchis is gebonden aan bodems met een wat hogere pH. Hier wordt de bodem gebufferd door basenrijk water uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit hogere zandruggen. De subassociatie met korstmos is te herkennen aan de open dwergstruiklaag met korstmossen. De open plekken ontstaan meestal door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten. De subassociatie met rode en blauwe bosbes komt voor in een relatief vochtig microklimaat zoals noordhellingen en beschaduwde heiden.
Landelijke staat van instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Referentiesituatie: Huidige situatie stikstofdepositie Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.214 mol N/ha/jaar. In Figuur 28 is de overschrijding van de KDW voor het habitattype H4010A in het Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het habitattype H4010A voorkomt. Hieruit blijkt dat er voor een deel van het habitattype H4010A een overschrijding van de KDW is. Een groot deel van het habitattype heeft een overschrijding van groter dan 70 mol N/ha/j. Een aantal delen van het habitattype, zowel in het noorden, als in het midden en het zuiden gelegen, hebben geen overschrijding van de KDW.