CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologische beoordeling stikstof ZW380 kV Oost [DEEL B] incl bijlage - D10016847

Commissievergadering 6 april 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vooroverlegreactie voorontwerp inpassingsplan Zuid-West 380kV Oost36.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Specifieke habitattypen beoordeling Hoewel de algemene beoordeling leidt tot de conclusie dat een tijdelijke, lage stikstofedepositie met zekerheid niet kan leiden tot zichtbare veranderingen in habitattypen en daarmee significant negatieve effecten op de habitattypen in de betrokken Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, is voor de Natura 2000gebieden die de hoogste stikstofdepositie ontvangen een gebiedspecifieke effectbeoordeling uitgevoerd. Deze specifieke beoordeling is bedoeld om ook vanuit een inhoudelijke toetsing (een concreet Natura 2000gebied en habitattype) het effect van de stikstofdepositie te beoordelen. Het geeft daarmee aanvullend een concreet inzicht in wat de betekenis is van een tijdelijke, lage stikstofdepositie in het ecosysteem van habitattypen (al dan niet in een overbelaste situatie). De effectbeoordeling gaat in op de effecten op de habitattypen van de Natura 2000-gebied met de hoogste stikstofdepositie als gevolge van het project, in dit geval het Brabantse Wal en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Voor een analyse van twee Natura 2000-gebieden is gekozen om zowel de hoogste deposities te beoordelen en tevens een breder spectrum van geraakte habitattypen te beschrijven dan van alleen van één Natura 2000-gebied. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

22 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Uitgangspunt is, mede op basis van de algemene beoordeling, dat de wijze van effect van een tijdelijke en lage stikstofdepositie op een habitattype in een specifiek Natura 2000-gebied ook geldig is voor habitattypen in andere Natura 2000-gebieden waar de depositie altijd substantieel lager is. Tevens is de Aeriusberekening uitgegaan van het totale projecteffect. Wanneer gekeken zou worden naar de depositie per jaar, is het op basis van de zeer lage projectdepositie die op de meeste Natura 2000-gebieden neerkomt (namelijk 0,01 mol N/ha) aannemelijk dat voor deze Natura 2000-gebieden en habitattypen de jaarlijkse stikstofdepositie gelijk of lager is dan 0,00 mol N per hectare (en niet in de Aerius-resultaten zouden worden weergegeven).

4.3.3

Leefgebieden versus habitattypen

In Aerius wordt naast de habitattypen ook onderscheid gemaakt in zoekgebieden van habitattypen en leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten. Zoekgebieden zijn die gebiedsdelen waar men verwacht of beoogd habitattypen te kunnen ontwikkelen. Deze worden niet apart beoordeeld, maar worden als gelijk aan het daadwerkelijke habitattype beschouwd, mede ook omdat de depositie op de zoekgebieden lager is dan die van het habitattype zelf. Leefgebieden zijn opgesteld en vastgesteld door Sovon in 2016 (Sovon, 2016) en fungeren als hulpmiddel voor het uit te voeren beheer en vergunningverlening. Daarnaast zijn de leefgebieden opgesteld voor de PAS om leefgebied van stikstofgevoelige soorten in kaart te brengen. Voor de leefgebieden zelf zijn geen instandhoudingsdoelen opgesteld per Natura 2000-gebied. Een verslechtering van het leefgebied is in deze ecologische beoordeling gelijkgeschakeld met de beoordeling van de habitattypen waar deze leefgebieden door gevormd worden. De drempel van een merkbaar negatief effect ten gevolge van stikstof is voor vogelsoorten echter een stuk hoger dan voor een habitattype. De verandering in samenstelling van vegetatie door een verhoogde voedselrijkdom hoeft voor een vogel niet te betekenen dat de kwaliteit van het leefgebied is afgenomen. Voor de kwaliteit van de habitat is echter de samenstelling van de vegetatie wel een belangrijke maatstaf.

Het effect van stikstofdepositie op leefgebieden is hierdoor minder impactvol dan het effect op habitattypen. Een maximale depositie van 4,27 mol N/ha op het leefgebied heeft daardoor in de praktijk minder effect op het gestelde doel (omvang populatie). De hoogste depositie op een habitattype ten gevolge van de werkzaamheden vindt plaats op het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei op de Brabantse Wal met 0,06 mol/ha.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

23 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

5

EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE

5.1

Inleiding

De aanlegwerkzaamheden voor het project leiden tot een tijdelijke depositie. De hoogste depositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 4,27 mol N/ha gedurende de aanlegfase, hetgeen overeenkomt met ongeveer 60 gram stikstof per hectare. Per vierkante meter betreft het 0,0060 gram stikstof. De ecologische effecten van deze depositie worden beoordeeld aan de hand van een aantal aspecten. Afhankelijk van het habitattype en de aard en omvang van de depositie zijn één of meerdere aspecten relevant voor de beoordeling van een eventueel effect. In deze paragraaf wordt per aspect de achtergrond en mogelijke onderbouwing van de beoordeling beschreven. De volgende aspecten worden gehanteerd voor de ecologische beoordeling: 1. Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten; 2. Hoeveelheid stikstof uit depositie die ter beschikking komt aan de vegetatie; 3. Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 4. Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie; 5. Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen; 6. Invloed van kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen; 7. Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie; 8.

Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang.

De beoordeling gaat uit van de meest recente wetenschappelijke inzichten en biedt daarmee wetenschappelijk zekerheid inzake de eventuele schadelijke gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en daarmee natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Op een aantal punten wordt de tijdelijke depositie ten gevolge van het project vergeleken met achtergronddeposities en kritische depositiewaardes (KDW). In Bijlage C is om die reden een overzicht opgenomen van verschillende tijdelijke depositiebijdragen ten opzichte van deze achtergrondwaardes en KDW’s in Nederland.

5.2

Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten

Beschrijving Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH 4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, wat aan de orde is bij stikstofdeposities via de atmosfeer zoals als gevolg van de aanleg van het kabeltracé, treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. Het gaat dan niet om een directe toediening op een plant. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Een negatief effect in de vorm van directe schade is derhalve in Nederland niet aan de orde als het gaat om atmosferische depositie van stikstof. Dit volgt ook uit het gegeven van de continue hoge achtergronddepositie. De kritische depositiewaarde voor een habitattype moet ook gezien worden als waarde waarboven een negatief effect niet is uit te sluiten.

Mouissie (2019) concludeert op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer 70 mol N/ha/jr. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen. Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt (verder) soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011). Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

24 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Beoordeling De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het totale project maximaal 4,27 mol/ha en op veel Natura 2000-gebieden niet meer dan 0,01 mol N/ha (totale projecteffect, uitgespreid over circa zes jaar) is tijdelijk en minimaal. Op zichzelf leidt de maximale depositie met zekerheid niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade. Ten opzichte van de laagste kritische depositiewaarde van stikstofgevoelige habitattypen in Nederland (H3110 Zeer zwak gebufferde vennen met een KDW van 429 mol/ha/jaar) is de hoogste projectdepositie een toename van 1,0%. Dit is ook het meest stikstofgevoelige habitattype dat een tijdelijke depositie ondervindt van het project, in het Natura 2000-gebeid Kampina & Oisterwijkse vennen. Van de hexagonen van dit habitattype die een tijdelijke depositie ondervinden (met maximaal 0,03 mol N/ha), is de jaarlijkse achtergronddepositie minimaal al 2.070 mol N/ha/jaar. De eenmalige toevoeging is nog geen 0,015% van de jaarlijkse (!) last die op het type neerkomt. Deze waarden van zowel de achtergronddepositie als de projectbijdrage, zijn van een dusdanige orde, dat directe aantasting van planten niet aan de orde is. Het verdwijnen van de vegetaties met een lage stikstoftolerantie wordt veroorzaakt door concurrentie en niet door directe schade aan de planten.

Geconcludeerd wordt dat de tijdelijke toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het project maximaal 4,27 mol/ha gedurende een periode van twee tot drie jaar, met zekerheid niet tot waarneembare effecten en daarom ook niet tot directe schade aan planten of vegetaties leidt.

5.3

Hoeveelheid stikstof die ter beschikking komt aan de vegetatie

Beschrijving Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd door bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. Het gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar voor planten (Mengel, 1991). Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is en deze niet door planten wordt opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn (Kros et al, 2008). De uitspoeling van nitraat naar het grondwater is in de loof- en naaldbossen van Europa sterk gerelateerd aan de totale stikstofdepositie die op en in het bos terechtkomt (Dise & Wright, 1995, De Vries et al, 2007 en Dise et al, 2009). Bij stikstofdeposities onder de 8-10 kg N/ha/jaar (571-714 mol/ha/jaar) spoelt in bossen vrijwel geen nitraat uit naar het grondwater.

Daarboven neemt de uitspoeling met een toenemende stikstofdepositie significant toe. Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt en in veengrond de minste. In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden ook de grondwatertrap een belangrijke rol speelt (RIVM, 2007). Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is (Schoumans, Groenendijk, Renaud, & van der Bolt, 2008). De hoeveelheden stikstof die uitspoelen na het groeiseizoen op landbouwgrond is ter indicatie opgenomen in Tabel 2.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

25 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Tabel 2 Fractie van het stikstofoverschot op de bodembalans dat uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater (uitspoelingsfractie) per bodemgebruik en grondsoort. De romeinse cijfers geven de grondwatertrappen: I = zeer nat en VIII = zeer droog). (Naar tabel 3.1 en 3.2 uit RIVM, 2007. De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven). Bodemgebruik

Zand

Klei

Veen

I/II/II*

III

III*

IV

V

V*

VI

VII

VIII

Bouwland

0,04

0,07

0,28

0,38

0,45

0,43

0,58

0,74

0,89

0,36

-

Grasland

0,02

0,04

0,14

0,20

0,23

0,22

0,30

0,38

0,46

0,12

0,04

Deze tabel geeft de situatie weer in bemeste landbouwgebieden. In natuurgebieden is de uitspoeling naar het grond- of oppervlaktewater niet het gevolg van bemesting, maar het gevolg van atmosferische depositie en mineralisatie van organische stof. De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij een gemiddelde depositie van 33 kg N/ha/jaar (Schoumans et al, 2008). Bij het bepalen van de KDW’s is in beginsel rekening gehouden met het feit dat een deel van de atmosferische depositie in habitattypen weer uit het systeem verdwijnt. Bij het beoordelen van het effect van een tijdelijke toename van deposities geldt echter dat een deel van de stikstof uit de wortelzone zal verdwijnen voordat deze vastgelegd wordt (en later weer ter beschikking kan komen voor de plant) of direct opgenomen wordt door de planten. De hoogte van de depositie en daarmee de beschikbaarheid van de atmosferisch toegevoegde stikstof heeft geen relatie met de KDW. Wanneer een groot deel uitspoelt, zal de daadwerkelijk beschikbare hoeveelheid lager zijn. Buiten het groeiseizoen nemen planten relatief weinig voedingsstoffen op uit de bodem. In het najaar en de winter zal daarom een groter deel van de depositie uit de wortelzone verdwijnen dan in het voorjaar en de zomer.

Hoewel het moeilijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof die als gevolg van atmosferische depositie in een natuurgebied terecht komt weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, kan een aantal algemene conclusies getrokken worden: • Een deel van de stikstof die via droge of natte depositie in een habitattype terecht komt zal niet direct worden opgenomen door de plant, maar worden gebonden in de bodem of uitspoelen naar het grond- of oppervlaktewater; • Nitraat wordt slecht gebonden in de bodem en blijft of gaat daardoor in oplossing in het bodemwater. Uitspoeling van stikstof zal daarom vooral in de vorm van nitraat plaatsvinden. • Deze uitspoeling is vooral relevant in habitattypen van zandgronden en is groter naarmate deze habitattypen verbonden zijn aan drogere omstandigheden. In klei- en vooral veenbodem is uitspoeling van stikstof aanzienlijk geringer. • Bij de activiteiten waarbij sprake is van emissies door verbrandingsmotoren (vaak overheersend bij bouwen realisatiewerkzaamheden) is vooral sprake van uitstoot van NOx, wat in de vorm van opgelost nitraat in het bodemmilieu terecht komt. • In specifieke gevallen (drogere omstandigheden in zandgronden) verdwijnt een deel van de depositie (tot meer dan 50%) weer uit het systeem voordat het opgenomen wordt door planten.

Beoordeling De stikstofdeposities als gevolg van het project zijn het hoogste in het Natura 2000-gebied dat door het tracé doorsneden wordt, het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (4,27 mol N/ha) en andere Natura 2000-gebieden op met name de zandgronden van Zuid-Nederland. Deze zandbodems zullen een hogere mate van uitspoeling kennen, waardoor voor bijvoorbeeld de habitattypen van de Brabantse Wal 6 gesteld wordt dat een belangrijk deel van de depositie niet beschikbaar komt. Het daadwerkelijk potentieel is daarmee aanzienlijk kleiner dan de hoeveelheid stikstof die neerkomt op het habitattype.

6 Heide en grasland: H2310, H2330, H4010, H4030, Lg09, L4030. Vennen: H3130, H3160, H7150, Lg04. Bossen: H9120, Lg13, Lg14

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

26 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

5.4

Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling

Beschrijving De toename van stikstof als gevolg van depositie kan leiden tot effecten op planten als gevolg van vermesting en verzuring. Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snel groeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een éénmalige en kleine depositietoename van 1 mol/ha is de volgende berekening illustratief. • Een depositie van 4,27 mol N/ha/jaar komt overeen met een jaarlijkse toevoeging van bijna 60 gram stikstof per hectare; • De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al, 2006). • Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (bron: Nutrinorm.nl).

• Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 - 90 kg N/ha/jaar nodig (1,5% van 2.000 tot 6.000 kg). Dit komt overeen met circa 2.150 - 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). • Een depositie van 60 gram N/ha/jaar komt overeen met 0,07 en 0,20 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof van planten in natuurlijke habitats. Deze 60 gram stikstof draagt bij aan de vorming van circa 0,6 gram biomassa (versgewicht) per m2. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.

Dermate geringe percentages leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking zou komen aan de vegetatie. Daardoor ontstaan ook geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten ten opzichte van elkaar in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een eenmalige kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Beoordeling Een eenmalige, kleine toename van de depositie van maximaal 4,27 mol N/hectare leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten, daar is de hoeveelheid beschikbare stikstof te klein voor. Er ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de depositietoename door het project de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.

5.5

Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie

Beschrijving Om een beeld te geven wat de omvang is van de kleine en tijdelijke deposities als gevolg van het project Zuid-West 380kV Oost, wordt weergegeven wat deze toename is, gerelateerd aan de totale depositie in een gebied, de gevoeligheid van de habitattypen en leefgebieden en de nauwkeurigheid waarmee effecten kunnen worden vastgesteld. Dit geeft inzicht in de mate van relevantie van de tijdelijke depositie.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

27 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Hoeveel is 1 mol stikstof per hectare per jaar? Een mol stikstof komt overeen met 14 gram N (of in de vorm van stikstofverbindingen met 62 gram NO 3- of 18 gram NH4+). 14 gram N komt overeen met het gewicht van circa vier suikerklontjes (of één eetlepel suiker). Als gevolg van deze depositie, wordt deze hoeveelheid gedurende een jaar gelijkmatig in tijd en ruimte verdeeld over een oppervlakte die gelijk is aan ongeveer twee voetbalvelden. Per vierkante meter is dit 0,0014 gr of 1,4 mg. Hoe verhoudt toename zich tot achtergrondbelasting in een bepaald gebied? Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken depositie van stikstof plaats. Deze achtergronddepositie (ADW) varieert tussen ca. 700 en 4.000 mol/ha/jaar, afhankelijk van de locatie7. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. De achtergrondwaarden worden vastgesteld met behulp van modelberekeningen, die gebaseerd zijn op metingen van stikstofconcentraties in de lucht en van deposities. Een aantal factoren is van invloed op de nauwkeurigheid van deze informatie. Naast de nauwkeurigheid van het gebruikte model zijn nog enkele andere bronnen van onzekerheid te noemen.

Het detailniveau van de gebruikte informatie over emissiebronnen in binnen- en buitenland kent om praktische redenen zijn beperkingen. Hetzelfde geldt voor meteorologische en omgevingsfactoren die van invloed zijn op de verspreiding van luchtverontreiniging. Binnen een gridcel is bovendien de werkelijke concentratie niet overal gelijk. Een onzekerheidsmarge rond de weergegeven waarden is het gevolg. De onzekerheid bedraagt, afhankelijk van stof en jaar, van 15% tot 30% voor concentraties en van 50% tot 100% voor deposities (RIVM, 2017). Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10% (CLO, 2019). Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol/ha/jaar.

Een eenmalige beperkte dosis stikstof, hier maximaal 4,27 mol N/ha en op de meeste locaties aanmerkelijk minder, namelijk 0,01 mol/ha, als gevolg van tijdelijke activiteiten is daarom op zichzelf zeer gering ten aanzien van de jaarlijkse depositie van de afgelopen decennia (4,0e-6 - 0,6% van de jaarlijkse depositie), maar ook vanuit de natuurlijke fluctuatie in stikstofdepositie en de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld. Een bepaalde eenmalige en lage toename van de depositie is derhalve zeer gering ten opzichte van de al lang bestaande en permanente deposities op specifieke habitattypen. Ter vergelijking: de natuurlijke achtergronddepositie (zonder menselijk ingrijpen) ligt naar verwachting tussen de 71 en 357 mol N/hectare/jaar (of 1 tot 5 kg N) (Arcadis, 2011). De eenmalige maximale toename als gevolg van het project (4,27 mol N/hectare op het Natura 2000-gebied Brabantse Wal) komt overeen met 1% van de gemiddelde natuurlijke jaarlijkse achtergronddepositie. Hoe verhoudt de toename zich tot de kritische depositie van habitattypen en leefgebieden? De kritische depositiewaarden geven aan beneden welke totale depositie (in mol/ha/jaar) significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op een habitattype of leefgebied met zekerheid kunnen worden uitgesloten (zie ook paragraaf 3.5).

Bij deze KDW’s gaat het om de gevoeligheid van blootstelling van habitattypen en leefgebieden aan stikstofverbindingen gedurende langere perioden. De kritische depositiewaarden zijn afgerond op hele kilo’s stikstof. Deze zijn daarna teruggerekend naar mol. Een meer precieze bepaling van de KDW’s is op grond van beschikbare kennis en modeluitkomsten niet mogelijk. Een verschil van 100 gram (één decimaal) geeft reeds een verschil en daarmee onbetrouwbaarheidsmarge van 7,14 mol/ha/jr. Dit betreft de permanente en dus langdurige jaarlijkse depositieniveaus. De kleine en tijdelijke depositietoename als gevolg van het project (maximaal eenmalig

7 Enkele uitschieters niet meegerekend.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

28 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

4,27 mol N), maar meestal minder dan 0,02 mol/hectare bevindt zich dus zeer ruim binnen de betrouwbaarheidsmarges waarmee de KDW’s toegepast kunnen worden. De kleine dosis aan stikstof als gevolg van de tijdelijke activiteiten is daarom zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de KDW’s zijn vastgesteld en ten aanzien van de hoogte van deze KDW’s als lange termijn grenswaarde. Beoordeling Voor de kleine en tijdelijke deposities ten gevolge van de aanleg van het project geldt dat de maximale bijdrage van 4,27 mol/ha in totaal: • Wegvalt tegen de jaarlijkse fluctuatie in stikstofdepositie ten gevolge van meteorologische condities door het jaar en over de jaren heen; • Verwaarloosbaar klein is ten opzichte van de jaarlijkse achtergronddepositie; • Binnen de betrouwbaarheidsmarges cq. nauwkeurigheid van de KDW’s en de bepaling van de achtergronddeposities valt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename van maximaal 4,27 mol N/hectare de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet aantast.

5.6

Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen

Beschrijving Atmosferische depositie is niet de enige bron van stikstof in het leefmilieu van planten. Ook via andere mechanismen en routes komt stikstof beschikbaar. De belangrijkste hiervan zijn: • Toestroming via grond- en oppervlaktewater. Van nature zijn oppervlaktewateren en (met name) grondwater relatief arm aan stikstofverbindingen. Door menselijke invloeden (bemesting, afvalwaterlozing) bevatten grond- en oppervlaktewater in Nederland momenteel echter aanzienlijk meer stikstofverbindingen, zowel nitraat als ammonium. In habitattypen die onder invloed staan van toestromend grondwater (kwel) of overstroming met oppervlaktewater (beek- en rivierbegeleidende habitattypen) kunnen op deze wijze een verhoogde aanvoer van stikstof ondergaan. Bij overstroming kan daarbij ook voedselrijk slib nog een rol spelen. • Mineralisatie (verdroging). In organisch materiaal in de bodem is stikstof geaccumuleerd die niet direct ter beschikking is voor levende planten. Door mineralisatie, waarbij bodemmicroben de immobiele stikstof omzetten naar vrij beschikbare stikstofverbindingen, komt deze geaccumuleerde stikstof weer vrij, in eerste instantie in de vorm van ammoniak. Via nitrificatie moet ammoniak eerst omgezet worden in nitraat, alvorens de stikstof beschikbaar is voor planten.

Mineralisatie en nitrificatie is een natuurlijk proces, maar kan versneld worden in situaties waar veel zuurstof beschikbaar is. Dit gebeurt o.a. in habitattypen waar veel organische stof aanwezig is in de bodem, en waar de beluchting van de bodem toeneemt als gevolg van verdroging (verlaging van de grondwaterstand). Beide vormen van stikstofaanvoer zijn niet of nauwelijks van natuurlijke oorsprong, maar kunnen in bepaalde situaties wel aanleiding geven tot een aanzienlijk aanvoer van voedingsstoffen: • In het Natura 2000-gebied Bunder- en Elsloërbos bijvoorbeeld, is de gemiddelde belasting van het grondwater ca. 75 mg/l nitraat, wat overeenkomt met ca. 17 mg N/l. In het gebied komt dit water via talloze bronnetjes (ca. 150) aan de oppervlakte. De afvoer van een gemiddelde bron in het Bunderbos is ca. 1 m3/uur. Per jaar komt daardoor per bron een vracht van ruim 9.000 mol N in het gebied. Het gebied heeft ruim 150 van deze bronnen. Via de bronnen komt daardoor ruim 8.000 mol N/ha/jaar het gebied binnen. Daarnaast komt er ook grondwater buiten de bronnen aan de oppervlakte. Een aanzienlijk deel van deze stikstof zal ook weer het gebied verlaten via de afvoer van het water door de beken, maar een deel van de stikstof zal opgenomen worden in de bodem en in de vegetatie. • In riviersystemen is met name in de uiterwaarden van de rivier de dynamiek uit de rivier leidend.

Naast dat de overspoeling door erosie voor een deel aanwezige stoffen wegspoelt, voert de rivier ook stoffen aan. Als de Rijn als voorbeeld wordt genomen, dan is het gehalte aan stikstof ongeveer 2,5 mg/l. Deze hoeveelheid is ook ongeveer de streefwaarde voor alle rivieren. Het gemiddelde debiet van de Rijn is

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

29 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

ongeveer 2.200 m3/s (variatie tussen 600 en 16.000 m3/s)8. Dit betekent dat de Rijn per seconde gemiddeld 5,5 kg stikstof aan- en afvoert, wat neerkomt op ca. 400 mol N per seconde. Daarnaast zal in het slib dat wordt achtergelaten ook een grote hoeveelheid stikstof achterblijven. Naast aanvoer van stikstof, vindt in natuurlijke en half-natuurlijke systemen ook afvoer van stikstofverbindingen plaats. De belangrijkste daarvan zijn: • Uitspoeling van stikstof. Een deel van de stikstof die in het systeem terecht komt wordt direct (na depositie) of indirect (na vrijkomen als gevolg van mineralisatie en nitrificatie) opgelost in het bodemwater, en via infiltratie of uitspoeling naar het oppervlaktewater uit het systeem verwijderd. Met name in drogere habitattypen van zandgronden kan het aandeel van stikstof dat op deze wijze verdwijnt aanzienlijk zijn. • Natuurlijke denitrificatie. Hierbij zetten bacteriën nitraat om in gasvormig stikstof, dat ontsnapt naar de atmosfeer. Dit is een natuurlijk proces, waarmee in de bepaling van de KDW’s van habitattypen en leefgebieden reeds rekening is gehouden. Van de stikstof die als gevolg van een eenmalige kleine depositietoename in het milieu terecht komt, zal een zeer geringe fractie op deze wijze verdwijnen. • Immobilisatie van stikstof in organisch materiaal.

Deze stikstof is eerst door planten opgenomen en daarna in de planten omgezet tot organische stikstofverbindingen. Plantenresten worden als organisch materiaal in de bodem opgeslagen. Afhankelijk van het bodemtype blijven ze daar langere of kortere tijd immobiel. Als gevolg van mineralisatie kunnen ze weer omgezet worden in ammonium en (via nitrificatie in) nitraat. Met name in habitattypen in veengebieden kan aanzienlijke accumulatie van stikstof in organisch materiaal optreden. • Cyclisch beheer. Cyclisch beheer is voor veel habitattypen een basisvoorwaarde voor instandhouding van habitattypen. Dit beheer is gericht op het verwijderen en (meestal ook) afvoeren van organisch materiaal. Voortzetting van dit beheer is een vanzelfsprekendheid en vastgelegd in beheerplannen en is al decennia een pijler onder natuurbeheer en heeft zijn resultaten (wetenschappelijk) ruim bewezen. De meest toegepaste beheermethoden zijn maaien, beweiden/begrazen, plaggen en chopperen (verwijderen zode met organisch materiaal) en snoeien. De stikstof wordt meestal uit het systeem verwijderd doordat het materiaal geoogst en/of afgevoerd wordt. Als gevolg van toegenomen aanvoer van nutriënten en daardoor veroorzaakte verhoogde biomassaproductie is de intensiteit van dit beheer in veel gevallen, noodgedwongen, toegenomen.

Dit beheer is echter ook resultaatgericht: de biomassa of bovengrond wordt tot een bepaald niveau verwijderd. Een eventuele tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie wordt daarmee eveneens weggenomen. Onderstaande tabel geeft enkele voorbeelden van de mate van afvoer weer per type beheer. Tabel 3 Effect beheermaatregel ten aanzien van afvoer stikstoffen uit de vegetatie. Sommige maatregelen worden jaarlijks genomen zoals maaien en begrazen, andere worden meer incidenteel uitgevoerd zoals plaggen en baggeren (bron: (Berg, 2014). Beheermaatregel Plaggen

81.000 – 381.000

Chopperen

14.000 – 169.000

Baggeren

40.000 – 860.000

Maaien

1.000 – 10.000

Begrazen

140 – 1.200

Branden

1.000 – 10.000

Hakhoutbeheer en dunnen

11.000 – 15.000

Houtopslag verwijderen

500 – 15.000

Ingrijpen in soortensamenstelling boomlaag

8

Range van stikstofafvoer (mol/ha)

2.200 – 15.000

https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/crisismanagement/begrippen/toelichting/afvoer/

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

30 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Beoordeling Ten aanzien van de verwijdering van stikstof uit het systeem blijkt uit het voorgaande dat de tijdelijke kleine depositietoename wegvalt tegen de hoeveelheden stikstof die weer uit het systeem verdwijnen. Met name bij (cyclisch) beheer zal de in de planten opgenomen stikstof, die afkomstig is uit de depositietoename, weer grotendeels uit het systeem verwijderd worden door het gevoerde vegetatiebeheer. De tijdelijke beperkte toevoeging heeft geen invloed op het terugbrengen van de depositie tot de KDW of het behouden van de depositie beneden de KDW. Bij beheer van de heiden en schrale graslanden met schapenbegrazing betekent een eenmalige depositie van 1,0 mol/ha stikstof het volgende. Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig (Ter Steege, 1996). De depositie van 14 gram stikstof zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van 70 gram vegetatie van het habitattype per hectare. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag (Wageningen UR, 2001). Uitgaande van een drogestofgehalte van de graslandvegetatie van maximaal 50% eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag.

Om de jaarlijkse extra aanwas van 70 gram vegetatie uit het systeem te halen, is dus (70/3.400 =) 0,021 schaapdag nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), komt 4,27 mol overeen met 50 seconden begrazing door kudde van 50 schapen. Een tijdelijke depositie van bijvoorbeeld 4,27 mol/ha valt daarmee ruim binnen de beheerinspanning in geval van schapenbegrazing. Ter illustratie kan ook worden gekeken naar maaibeheer. Bij beheer van graslanden door maaien wordt tussen de 24 en 63 kg stikstof per ha verwijderd 9. Op basis van het gegeven (Ter Steege, 1996) dat een plant voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig heeft, geldt een extra aanwas per 10.000 m2 van 70 gram ten gevolge van 1 mol N(/ha). De hoeveelheid stikstofdepositie ten gevolge van het project valt weg tegen de hoeveelheid stikstof die wordt verwijderd met maaien. De eventuele (hypothetische) extra groei wordt eveneens ook mee afgemaaid, waardoor na de eenmalige depositie de extra toevoeging na eenmaal maaien ook weer afgevoerd is. Op grond hiervan volgt dat een tijdelijke zeer beperkte stikstofdepositie geen invloed heeft op habitattypen in geval van een situatie met cyclisch beheer die stikstof uit het systeem verwijderd, aangezien de eventuele bijdrage wegvalt tegen de hoeveelheden stikstof die periodiek door beheer worden verwijderd.

5.7

Invloed kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen

Beschrijving In sommige situaties is in Natura 2000-gebieden bij specifieke habitattypen sprake van een hoge mate van overbelasting. De achtergronddepositie (AGD) is dan aanzienlijk hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW). In de PAS-gebiedsanalyses wordt gesproken van een sterke overbelasting wanneer de AGD twee keer zo hoog is als de KDW. Bij grote overschrijdingen kunnen zich twee situaties voordoen: • De kwaliteit van het habitattype is goed, ondanks de hoge overschrijding van de KDW. In dergelijke gevallen zijn andere factoren dan stikstof sturend en/of beperkend voor de ontwikkeling van het habitattype, bijvoorbeeld omdat fosfaat beperkend is, of omdat er sprake is van een goede buffercapaciteit door toestroming van kwelwater. • De kwaliteit van het habitattype is slecht, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof. In dergelijke situaties zijn maatregelen opgenomen in het beheerplan om de kwaliteit van de habitattypen te herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de

9 Dit betrof graslanden in Californië (VS) in een mediterraan klimaat met voornamelijk Lolium multiflorum en Bromus diandrus met

Lupine albifrons, waar verspreid nog kleine oppervlaktes liggen met de originele vegetatie zonder lupine: Maron, John L. and Jefferies, Robert L., "Restoring Enriched Grasslands: Effects of Mowing on Species Richness, Productivity, and Nitrogen Retention" (2001). Biological Sciences Faculty Publications. Paper 344.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

31 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen. Door de tijdelijke en kleine depositietoename zal de situatie in dergelijke gebieden niet wijzigen. De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de maatregelen die genomen moeten worden.

Beoordeling In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat tijdelijke kleine deposities op grond van voorgaande beschrijving nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald.

5.8

Bijdragen van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie

Beschrijving Zoals in het begin van dit hoofdstuk aangegeven is de achtergronddepositie in een groot aantal gebieden sinds een groot aantal jaren ruim hoger dan de kritische depositiewaardes die optreden. Dit is één van de oorzaken voor het niet bereiken van instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen. Sinds 1980 zijn emissies hoog, zij het dat ze langzaam aan het afnemen zijn onder invloed van bijvoorbeeld strenge emissie-eisen. De tijdelijke deposities van het project vinden plaats tussen de emissies van voornamelijk industrie en landbouw. Deze activiteiten bevinden zich verspreid over het hele tracé, naast projectmatige activiteiten als andere realisatieprojecten en wegverkeer en luchtvaartbewegingen. Uit de gegevens van TNO ten aanzien van de uitstoot in 2017 blijkt dat de totale emissie een uitstoot betreft van circa 550 miljoen kg stikstof 10. Gezien de omvang van deze emissies, is het aannemelijk dat een tijdelijke kleine bijdrage wegvalt in het heersende beeld van emissies en als toevoeging verwaarloosbaar is. Beoordeling De emissies voor de aanleg van het Zuid-West 380kV Oost veroorzaakt een uitstoot van 11,2 ton stikstof in de aanlegperiode van naar verwachting zes jaar. Per jaar is dit gemiddeld ruim 1,9 ton stikstof. Ten opzichte van de jaarlijkse emissies, betekent dit een bijdrage van minder dan 0,00000002% op jaarbasis.

Dit is verwaarloosbaar en niet te onderscheiden, naast het gegeven dat een groot deel van de activiteiten wordt uitgevoerd door materieel die in voorgaande jaren andere activiteiten hebben uitgevoerd en dus op zichzelf geen toevoeging op de achtergronddepositie vormen. De emissie van het project kan daarom, ook als het als toevoeging wordt beschouwd, niet tot een negatief effect leiden op habitattypen.

5.9

Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang

Beschrijving Stikstofdepositie leidt tot verzuring of vermesting zoals bij de algemene beschrijving van effecten opgenomen. Niet alle habitattypen zijn gevoelig voor stikstof. Daarnaast zijn er habitattypen, eventueel in specifieke omstandigheden /locaties waarvoor geldt dat andere drukfactoren bepalend zijn voor het kunnen behalen en/of behouden van de gewenste kwaliteit en omvang van het habitattype.

10 TNO, factsheet emissies en deposities van stikstof in Nederland.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

32 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Beoordeling In het geval dat stikstofdepositie niet de voornaamste drukfactor is voor het behalen en/of behouden van een instandhoudingsdoelstelling voor een habitattype, geldt dat projectdepositie niet de oorzaak zal zijn die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald.

5.10

Conclusie

Samenvattend wordt op basis van de hierboven beschreven acht aspecten gesteld dat een tijdelijke en lage stikstofdepositie in de praktijk niet leidt tot een significant negatieve aantasting van een vegetatie of ecosysteem. De primaire, veel terugkomende reden is dat de hoeveelheid stikstof die neerkomt in het systeem als gevolg van de realisatie van het project Zuid-West 380kV-Oost te gering is om een (meetbare) verandering teweeg te brengen. In veel gevallen is tevens sprake van dat meer dan één aspect aan de orde is waarom de kwaliteit wel of niet gehaald wordt, waardoor de zekerheid dat geen effecten optreden als gevolg van de projectdepositie in de vegetaties of het systeem vergroot wordt.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

33 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

6

EFFECTBEOORDELING HABITATTYPEN

6.1

Wijze van beoordelen

Aanvullend op de algemene effectbeoordeling van tijdelijke lage stikstofdeposities, is een nadere uitwerking gemaakt van de effecten van de depositietoename op de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen waar de depositietoename het hoogst is. In deze beoordeling is per habitattype of leefgebied een analyse gemaakt van het voorkomen en de kwaliteit van het habitattype zoals beoordeeld in beheerplannen en gebiedsanalyses. Dit is de situatie in het gebied zoals die was voordat eventuele aanvullende instandhoudingsmaatregelen waren genomen. Ook is beschreven wat de huidige situatie is ten aanzien van stikstofdepositie, of en zo ja in welke mate, nog sprake is van overschrijding van de KDW. Tot slot zijn andere knelpunten voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen beschreven. In de beoordeling van het effect van de toename van de stikstofdepositie door de aanleg van Zuid-West 380kV Oost is uitgegaan van het reguliere beheer dat in de gebieden plaatsvindt. Dit beheer wordt al vele jaren tot decennia in natuurgebieden uitgevoerd door professionele instanties in opdracht van de overheid. De resultaten van het reguliere terreinbeheer, ten aanzien van de aard en kwaliteit van de aanwezige natuurwaarden is evident en staat wetenschappelijk niet ter discussie.

De maatregelen die in het kader van het PAS zijn geformuleerd in de gebiedsanalyses en zijn opgenomen in de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden worden onverkort doorgezet, ondanks het wegvallen van het PAS als instrument voor vergunningverlening. Rijk en provincies, als verantwoordelijke overheden voor Natura 2000, zien de realisatie van deze maatregelen als een belangrijke pijler voor het oplossen van de stikstofcrisis. In aanvulling op de al eerder gereserveerde middelen voor de uitvoering van de PASmaatregelen (€ 500 miljoen), zijn aanzienlijke extra budgetten gereserveerd voor verdere versterking van de Natura 2000-gebieden (€ 300 miljoen per jaar gedurende 10 jaar). In deze ecologische beoordeling zijn alleen de aanvullende instandhoudingsmaatregelen in beschouwing genomen die zijn uitgevoerd tot en met 2019. Maatregelen die momenteel nog niet zijn uitgevoerd, zijn niet in de effectbeoordeling betrokken, omdat de uitvoering daarvan nog niet vaststaat, ondanks het zeer aannemelijk is dat deze maatregelen uitgevoerd worden gezien het omvangrijke beschikbaar gestelde budget en het belang van de maatregelen als bijdrage aan de oplossing van de stikstofcrisis. Veel van de aanvullende maatregelen zijn recent getroffen, het resultaat daarvan is nog niet gemonitord of gedocumenteerd.

Bovendien zal een deel van de maatregelen pas op enige termijn tot meetbaar resultaat leiden, vanwege de ontwikkelingstijd van de betrokken ecosystemen. Maatregelen die zich richten op systeemherstel, zoals herstel van grondwater of verstuivingsdynamiek, leiden tot een directe verbetering in de robuustheid van de betrokken systemen, ook ten aanzien van de effecten van nog optredende te hoge stikstofdeposities. Vormen van regulier beheer als begrazing, maaien, periodiek plaggen en chopperen en opslag van struweel en bomen verwijderen, leiden tot een permanente verwijdering van stikstof uit het systeem en hebben daarmee ook onmiddellijk resultaat ten aanzien van effecten van te hoge stikstofdeposities doordat ook veel stikstof direct wordt afgevoerd. Daar waar resultaten van maatregelen niet bekend zijn, is aangesloten op de wetenschappelijke beoordeling van de effectiviteit van beheermaatregelen ten aanzien van het voorkomen of beperken van effecten van stikstof.

Bij de ecologische beoordeling van de effecten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Beheerplannen van de betrokken Natura 2000-gebieden; • PAS-gebiedsanalyses van de betrokken Natura 2000-gebieden; • Profielendocumenten van de betrokken habitattypen en soorten; • Herstelstrategieën PAS voor de betrokken habitattypen; • Actuele gegevens over uitvoering van generiek beheer en aanvullende instandhoudingsmaatregelen, verzameld in opdracht van TenneT • Natuurkennis.nl.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

34 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

6.2

Gebiedspecifieke effectbeoordeling Natura 2000-gebied Brabantse Wal

6.2.1

Korte karakteristiek

Onderstaande informatie is afkomstig uit het beheerplan van de Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018). De Brabantse Wal ligt in de gemeenten Woensdrecht, Bergen op Zoom en Roosendaal. Het gebied beslaat een oppervlakte van ruim 4.790 ha. Er komen gevarieerde landschappen voor waarvan kenmerkend de landgoederen op de flank van de Brabantse Wal, de uitgestrekte naaldbossen, heidevelden, vennen, graslanden en zandverstuivingen. Door bebossing en het stichten van landgoederen bestaat het gebied overwegend uit gesloten boslandschap. De Brabantse Wal is aangewezen voor verschillende instandhoudingsdoelstellingen, waarvan zes habitattypen, twee habitatsoorten en zes vogelrichtlijnsoorten. Niet het gehele gebied is overal aangewezen voor deze doelen. Het Noordelijke deel van het gebied ligt het dichtst bij het tracé en bestaat alleen uit vogelrichtlijngebied. Regionaal gezien is de Brabantse Wal een inzijggebied. Aan de voet van de Brabantse Wal kwelt het grondwater naar boven en wordt via greppels en sloten afgevoerd. In zowel het noorden als het zuiden komen diverse vennen voor. Door bemesting en bekalking van omliggende landbouwgronden zijn het lokale grondwater en het water in de sloten nutriënten- en basenrijker geworden. Door de grote variatie in het landschap komt een diversiteit van flora en fauna soorten voor binnen het gebied.

Figuur 9 geeft de ligging en begrenzing van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal weer.

Figuur 9. Begrenzing Natura 2000-gebied Brabantse Wal.

Algemene beheermaatregelen zoals plaggen, maaien of begrazen en het verwijderen van boomopslag zijn noodzakelijk voor het instandhouden van de open habitattypen. De vennen worden incidenteel gebaggerd. Op de Brabantse Wal betreffen de deposities ook leefgebieden. Leefgebieden zijn opgesteld door Sovon in 2016 (Sovon, 2016) en fungeren als hulpmiddel voor het uit te voeren beheer en vergunningverlening. Daarnaast zijn de leefgebieden opgesteld voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om leefgebied van stikstofgevoelige soorten in kaart te brengen. Voor de leefgebieden zelf zijn geen instandhoudingsdoelen opgesteld per Natura 2000-gebied. Er zijn wel instandhoudingsdoelen opgesteld voor een aantal soorten die voorkomen binnen de leefgebieden. Omdat de leefgebieden van enkele van deze soorten stikstof gevoelig Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

35 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

zijn wordt in deze rapportage getoetst of deze een significant effect ondervinden door stikstofdepositie en daarmee het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de soorten die er voorkomen beïnvloeden. Geschikt leefgebied van instandhoudingsdoelsoorten bestaat vaak uit een samenstelling van habitattypen en leefgebieden. Voor de Brabantse Wal gaat het om de volgende instandhoudingsdoelsoorten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waarvoor een leefgebied is aangewezen: Tabel 4 Stikstofgevoelige soorten binnen de Brabantse Wal

Soort

Leefgebied

Kamsalamander

H3130

Drijvende waterweegbree H3130 Dodaars

H3130, H3160, LG04

Geoorde fuut

H3130

Wespendief

H2130, H4030, H9190

Nachtzwaluw

H2310, H2330, H4010A, H4030, L4030, LG09, LG13

Zwarte specht

H9190, LG13, LG14

Boomleeuwerik

H2310, H4030, L4030, LG09

In de volgende paragrafen wordt specifiek per habitattype ingegaan op de effecten van de stikstofdepositie van de realisatie van de verbinding Zuid-West 380kV Oost. Per relevant instandhoudingsdoel is uitgewerkt wat de doelen zijn, of deze doelen gehaald worden en zo niet, waarom de doelen niet gehaald worden (welke knelpunten er zijn). Hieruit kan opgemaakt worden of de stikstofdepositie op dit moment een sturende factor is en zo ja, of aanvullende maatregelen nodig zijn. Op basis hiervan kan vervolgens ook bepaald worden wat de effecten zijn van de tijdelijke kleine toename van stikstof als gevolg van het project.

6.2.2

Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Brabantse Wal

De toenames van stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost in het Natura 2000gebied Brabantse Wal zijn weergegeven in Tabel 5 en in Bijlage B . Tabel 5 Eenmalige depositietoename per habitattype of leefgebied als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost in Natura 2000-gebied Brabantse Wal (in mol/ha). Het habitattype H7150 is nog in ontwerp en is in Aerius nog niet meegenomen.

Toename depositie [mol/ha]

Nr

Habitattype/Leefgebied

Lg13

Leefgebied Bos van arme zandgronden

4,27

Lg14

Leefgebied Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

4,27

L4030

Leefgebied Droge heiden

3,19

Lg09

Leefgebied Droog struisgrasland

3,13

Lg04

Leefgebied zuur ven

1,59

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

0,06

H4030

Droge heiden

0,06

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,06

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

36 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

H3130

Zwakgebufferde vennen

0,06

H3160

Zure vennen

0,06

H2330

Zandverstuivingen

0,04

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

0,04

In Tabel 6 is aangegeven voor welke habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het projecteffect is meegenomen) worden overschreden en wat het aandeel in oppervlakte is waarop deze overschrijding plaatsvindt. Op de habitattypen en leefgebieden waarop geen overschrijding van de KDW plaatsvindt kan een effect van een kleine toename van de depositie op de kwaliteit van het habitattype uitgesloten worden. Deze habitattypen en leefgebieden worden daarom niet beschreven. De achtergronddepositie in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal varieert tussen 964 en 3.930 mol N/ha/jr. De maximale eenmalige toename van 4,27 mol N/ha bedraagt dus 0,04% - 0,42% van de hoeveelheden stikstof die jaarlijks(!) in het gebied terecht komt. Ook ten opzichte van de kritische depositiewaarde van de betrokken habitattypen is de toename van de stikstofdepositie zeer klein. Deze varieert van 0,0021% en 0,70 % van de KDW’s.

Tabel 6 Oppervlaktes habitattypen (in ha) met aandeel waarbij de KDW in de huidige situatie wordt overschreden. De habitattypen H7150 en H9120 zijn nog in ontwerp en nog niet definitief aangewezen. H9120 is als habitattype wel onderscheiden op de kaart, H7150 echter niet. Van dit habitattype is geen oppervlak bekend en niet opgenomen in onderstaande tabel.

Habitattype

Oppervlakte [ha]

Oppervlakte >KDW [ha] [%]

Oppervlakte <KDW [ha] [%]

H2310

81,9

75,4

92

6,5

8

H2330

7,5

7,5

100

0

0

H3130

13,4

13,4

100

0

0

H3160

8,0

8,0

100

0

0

H4010A

18,2

16,6

91

1,6

9

H4030

16,2

16,2

100

0

0

H9120

7,6

7,6

100

0

0

L4030

250,1

247,6

99

2,5

1

LG04

36,6

23,5

64

13,1

36

LG09

76,8

76,1

99

0,7

0,9

LG13

3.131,1

3.131,1

100

0

0

LG14*

393,3

393,3

100

0

0

* Op een hexagoon is geen sprake van overschrijding van de KDW, wat zou resulteren in een oppervlak van 0,06 hectare of 0,02%. Dit is dusdanig weinig dat het niet zichtbaar is in de afronding en inhoudelijk ook niet relevant.

Als gevolg van de aanleg van Zuid-West 380kV Oost vinden in dit Natura 2000-gebied de hoogste deposities plaats op de volgende leefgebieden waarvoor de KDW deels wordt overschreden: LG04, LG09, LG13, LG14 en L4030. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

37 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

De effecten op deze leefgebieden worden in de volgende paragrafen besproken. Omdat er voor leefgebieden geen instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor de Natura 2000-gebieden, worden de effecten van stikstof besproken op de stikstofgevoelige soorten die voorkomen binnen de leefgebieden.

6.2.3

Beoordeling habitattypen en leefgebieden

6.2.3.1

A004 - Dodaars

Dodaars komt binnen de Brabantse Wal voor in verschillende habitattypen en leefgebieden (Provincie Noord-Brabant, 2017). Alleen op een gedeelte van LG04 is er sprake overbelasting en van een eenmalige toename van maximaal 1,59 mol N/ha.

Tabel 7 Oppervlakte leefgebied Dodaars binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden binnen de Brabantse Wal

Habitattype/leefgebied

Oppervlakte leefgebied Dodaars [ha]

H3130

Zwakgebufferde vennen

13,42

ZGH3130

Zoekgebied zwakgebufferde vennen

1,32

H3160

Zure vennen

8,00

ZGH3160

Zoekgebied zure vennen

1,45

LG04

Zuur ven

36,6

Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008): Dodaarsen zijn kleine fuutachtige vogels die broeden in ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie. Het zijn vaak vennen, duinplassen, wielen, oude kleiputten of kreken. De eerste verlandingsstadia zijn zeer geschikt om te nestelen. De dodaars bouwt zijn nest veelal te midden van riet- of zeggenvegetaties of op losse pollen van bijv. pitrus, in hooguit 1 m diep water. Vaak ligt het nest op 1-5 m afstand van de oever. Het leefgebied is daarbij doorgaans 2-5 ha groot, soms aanzienlijk kleiner. Voedsel zoekt de dodaars in 1-2 m diep water. Buiten de broedtijd verblijft dodaars in uiteenlopende waterrijke biotopen, zoals brakke binnenwateren, (snelstromende) beken, rivieren, brede sloten, kanalen, plassen, havenbekkens en ook in intergetijdengebieden. Vaak halfopen landschap met open plekken van 5-100 ha (Provincie Noord Brabant, 2018). Hij overwintert doorgaans in groepen tot ca. 50 exemplaren. Streng winterweer leidt soms tot concentraties van de soort op ijsvrije wateren in stedelijk gebied, zoals in stadsgrachten en bij uitwateringen. Ook zoekt de dodaars dan vaak zoute wateren op, en wel vooral beschutte locaties zoals havens. De voedselbiotoop bestaat bij voorkeur uit ondiep (<2 m) water met weinig golfslag, een modderbodem en een rijke begroeiing van waterplanten.

Dodaarzen verzamelen hun voedsel duikend of pikken het van het wateroppervlak. De rustbiotoop is gelegen in of nabij de voedselbiotoop in beschut gelegen water zonder stroming, zoals te vinden nabij oevervegetaties, maar ook bij steigers en steenglooiingen van oevers en in beschutting van boten (havens). Vermesting van zoete wateren resulteert vaak in een versnelling van het verlandingsproces en in een verschuiving van het visaanbod, van kleinere naar grotere vissoorten. De dodaars kan die grotere vissen niet eten en zo kan vermesting van binnenwateren van negatieve invloed zijn op aantallen en verspreiding van deze soort. Enige mate van eutrofiëring wordt verdragen, maar te voedselrijk water is ongeschikt (planten, vissoorten en vertroebeling) (Provincie Noord Brabant, 2018). Verdroging vormt eveneens bedreiging omdat daardoor het leefgebied kleiner wordt. Een strenge winter gevolgd door een droog voorjaar kan de populatie van de dodaars halveren (Provincie Noord Brabant, 2018). Mogelijk beperkt ook verstoring door scheepvaart en mensen de broedpopulatie. Landelijke staat van Instandhouding Broedvogel en niet-broedvogel: gunstig Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

38 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit leefgebied, 40 broedparen. Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie Het leefgebied LG04 is gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.214 mol N/ha/jr. In Figuur 10 is de overschrijding van de KDW voor het leefgebied LG04 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie is hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het leefgebied LG04 voorkomt. Uit Tabel 6 blijkt dat er op 64% van het leefgebied sprake is van overschrijding van de KDW. De projectdepositie is hierin niet meegenomen.

Figuur 10 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op LG04 in de Brabantse Wal.

Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied Er is geen aantal bekend van de hoeveelheid broedparen. De trend van de afgelopen tien jaar voor dodaars op de Brabantse Wal is negatief. Dit komt voornamelijk doordat de belangrijkste broedplaats, De Groote Meer, soms droogvalt en de vogels moeten uitwijken naar andere vennen. In 2013 vielen veel vennen bijvoorbeeld pas na het broedseizoen droog. In dergelijke gevallen kan dodaars succesvol broeden en zit de soort op een niveau wat de instandhoudingsdoelstelling voor de Brabantse Wal benadert. Het huidige aantal broedende paren blijft in stand door ontwikkeling van de vennen (Provincie Noord Brabant, 2018). Een aantal vennen binnen de Brabantse Wal zijn permanent watervoerend waar veenvorming optrad of nog optreedt. Deze vennen zijn belangrijk voor dodaars. Door infiltratie treedt uitloging en podzolering op, dit treedt voornamelijk op in het heidelandschap en in bossen waarvan het strooisel een verzurende invloed uitoefent (Provincie Noord Brabant, 2018). Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

39 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

In het deel van het Natura 2000-gebied wat alleen onderdeel is van het vogelrichtlijngebied zijn een aantal vennen dichtgegroeid met bos, dichtgeschoven of in gebruik genomen als landbouwgrond. Er kan niet worden uitgesloten dat stikstofdepositie hieraan heeft bijgedragen (Provincie Noord Brabant, 2018). Er is waarschijnlijk sprake van een causale reactie door gevoeligheid van vermesting van het water. Door stikstofdepositie kan verruiging optreden van de oevers van de vennen waardoor nestgelegenheid kan afnemen. Echter door het ontbreken van gegevens over het aantal broedparen buiten het Groote Meer en omgeving is het onduidelijk of stikstofdepositie in het verleden het aantal van de soort heeft beïnvloed (Provincie Noord-Brabant, 2017). De huidige kwaliteit van het leefgebied wordt beoordeeld als matig. Enige achteruitgang van het leefgebied ten gunste van het habitattype zwakgebufferde vennen H3130 is toegestaan. Lg04 komt binnen de Brabantse Wal voor met een oppervlakte van circa 37 ha.

Overige knelpunten (Provincie Noord Brabant, 2018) • Verdroging • Verruiging oevervegetatie • Slechte hydrologie Regulier beheer (Provincie Noord Brabant, 2018) • Inrichting aanpassen/ herstel watersysteem • Onderzoek bodemsamenstelling • Behoud en rust in en rond vennen • Recreatiezonering • Monitoring Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel (Provincie Noord-Brabant, 2017) • Vrijmaken oevers van boomopslag • Herstel Moseven (uitgevoerd) • Uitgraven dichtgeschoven vennen Resultaat uitgevoerde maatregelen (Provincie Noord-Brabant, 2017) Door het herstel van het Moseven zijn er voldoende geschikte locaties om het leefgebied van de dodaars te behouden en uit te breiden. Beoordeling stikstofdepositie Er is sprake van projectdepositie op 99% van het leefgebied en op 64% is sprake van een overschrijding. De hoogste toename van de stikstofdepositie vindt plaats op leefgebied Lg04, maximaal 1,59 mol N/ha/jr. De laagste projectdepositie die plaatsvindt op het leefgebied Lg04 is 0,027 mol N/ha/jr (zie Figuur 11).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=d24b4fde-7a0d-43e0-88f9-ac982f6d3a7b