CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologische beoordeling stikstof ZW380 kV Oost [DEEL B] incl bijlage - D10016847

Commissievergadering 6 april 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vooroverlegreactie voorontwerp inpassingsplan Zuid-West 380kV Oost36.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B] EU-204 Planologie en omgeving Zuid-West 380kV Oost Projectnummer TenneT: 002.678.20 Meridiannummer: 002.678.00 0855153 (VKA 1.0.2) TenneT TSO

10 FEBRUARI 2021

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Contactpersoon ARJEN GOUTBEEK Projectleider Natuur & Biodiversiteit

M +31 6 5433 6237 E Arjen.Goutbeek@Arcadis.com

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

2 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

AANLEIDING, DOEL EN UITGANGSPUNTEN

5

1.1

Inleiding

5

1.2

Wet en regelgeving stikstofdepositie

5

1.3

Uitgangspunten

6

REIKWIJDTE EFFECTEN EN REKENRESULTAAT

9

2.1

Natura 2000-gebieden in Nederland

9

2.2

Buitenlandse Natura 2000-gebieden

10

DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF

13

3.1

Toelichting

13

3.2

Natuurlijk voorkomen van stikstof

13

3.3

Stikstofemissie en stikstofdepositie

14

3.4

Effecten van verhoogde beschikbaarheid van stikstof

15

3.5

Kritische depositiewaarden

17

3.6

Ontwikkeling van de stikstofdepositie in Nederland

18

METHODE ECOLOGISCH BEOORDELEN

19

4.1

Inleiding

19

4.2

Bijdrage project

20

4.3

Wijze van beoordelen

21

EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE

24

5.1

Inleiding

24

5.2

Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten

24

5.3

Hoeveelheid stikstof die ter beschikking komt aan de vegetatie

25

5.4

Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling

27

5.5

Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie

27

5.6

Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen

29

Invloed kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen

31

5.7

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

3 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

5.8

Bijdragen van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie

32

5.9

Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang

32

Conclusie

33

5.10

6

EFFECTBEOORDELING HABITATTYPEN

34

6.1

Wijze van beoordelen

34

6.2

Gebiedspecifieke effectbeoordeling Natura 2000-gebied Brabantse Wal

35

6.3

Gebiedspecifieke effectbeoordeling Natura 2000-gebied Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

79

Conclusie specifieke habitattypebeoordelingen

108

6.4

7

BEOORDELING CUMULATIE

109

8

CONCLUSIE

110

BRONNEN

111

BIJLAGEN BIJLAGE A UITGANGSPUNTEN AERIUS BEREKENING

115

Bijlage 1 Onderdelen kabeltracés

122

Bijlage 2 Emissies mobiele werktuigen

123

Bijlage 3 Emissie Tijdelijke voorzieningen

137

Bijlage 4 Bewegingen bouwverkeer

143

BIJLAGE B AERIUS BEREKENING

145

BIJLAGE C VERHOUDING TOENAME EN DEPOSITIEWAARDEN

146

COLOFON

148

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

4 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

1

AANLEIDING, DOEL EN UITGANGSPUNTEN

1.1

Inleiding

Deze Ecologische beoordeling stikstof gaat in op het effect van stikstofuitstoot als gevolg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost op de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden en daarmee de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden. Deze rapportage is een bijlage bij de Passende Beoordeling (Arcadis, 2020) en geeft een uitgebreide toelichting op de potentiële negatieve effecten van stikstofdepositie als gevolg van de tijdelijke activiteiten voor de aanleg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost. Hiervoor is een berekening gedaan met de meest recente versie van Aerius, waaruit blijkt dat sprake is van enige vorm van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitattypen. Als eerst wordt ingegaan op de uitgangspunten die gehanteerd zijn voor het berekenen en de effectbeoordeling. Vervolgens wordt een beschrijving gegeven van wat stikstof is, hoe het werkt in ecosystemen (de functie en gevolgen van stikstof) en waarom stikstofdepositie een knelpunt is in veel Nederlandse Natura 2000-gebieden. Op basis van deze kennis is vervolgens een effectbeoordeling uitgevoerd of de projectdepositie kan leiden tot negatieve effecten op de natuurlijke kenmeren van de geraakte Natura 2000-gebieden.

Deze beoordeling bestaat uit twee delen: een meer algemeen deel waarin de hoeveelheid stikstofdepositie geanalyseerd wordt in relatie tot ecosystemen en een specifiek deel, waarin de depositie gerelateerd wordt aan de kwaliteit van specifieke habitattypen die enige mate van extra stikstof ontvangen. Op basis van de kennis, analyse en deelconclusies wordt vervolgens een eindoordeel gegeven of en zo ja, wat het effect is van de projectdepositie en wat dit betekent in relatie tot de Wet natuurbescherming. Kader 1. Rekenresultaat stikstofdepositie als gevolg van aanleg de verbinding Zuid-West 380kV Oost

Met behulp van het emissieverspreidingsmodel Aerius is berekend welke depositie van stikstof optreedt op stikstofgevoelige habitattypen. De resultaten van de berekening zijn opgenomen in Bijlage B. De hoogste depositie treedt op in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal bedraagt maximaal 4,27 mol N/ha gedurende de gehele aanlegfase van circa zes jaar. Op andere Natura 2000-gebieden is de depositie aanzienlijk lager, namelijk meestal 0,01 mol/har.

1.2

Wet en regelgeving stikstofdepositie

1.2.1

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel, delen over Natura-2000 gebieden, soortenbescherming en een deel over houtopstanden, hout en houtproducten. Verder zijn er delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen, financiële bepalingen, handhaving, overige bepalingen en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht en een beschrijving van de wijziging van overige wetten. Deze ecologische beoordeling stikstof is onderdeel van de Passende beoordeling die opgesteld is als verplichting uit de Wet natuurbescherming, specifiek het onderdeel Natura 2000-gebieden. In het onderdeel Natura 2000-gebieden is onder andere het volgende opgenomen. Het is verboden een plan vast te stellen dat niet vergunbaar is of zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of leefgebieden van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een Passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen, mag de vergunning alleen worden verleend wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een dwingende reden van groot openbaar belang Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

5 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

wordt gediend en er compenserende maatregelen worden getroffen (de ADC-toets). Wanneer er sprake is van significante gevolgen voor een prioritair habitat of prioritaire soort en de dwingende reden van groot openbaar belang is een reden van sociale of economische aard, dient in aanvulling op de ADC-toets een advies gevraagd te worden aan de Europese Commissie voordat de vergunning wordt verleend. De te nemen compenseren maatregelen moeten onderdeel uitmaken de vergunning voor het betreffende project. Een eventueel in te richten compensatiegebied dient de status van Natura 2000-gebied te krijgen (art 2.7 lid 2 en lid 3 onder a en 2.8 lid 1-8). Dit betekent, kort gezegd, dat de effecten als gevolg van het project Net op zee Hollandse Kust (west Beta) beoordeeld moeten worden of deze leiden tot negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van (relevante) Natura 2000-gebieden en wanneer dit het geval is een vergunning nodig is. Een van de mogelijke effecten is het gevolg van de tijdelijke verhoogde stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatiewerkzaamheden. Deze effectbeoordeling geeft invulling aan de bovenbeschreven verplichting uit de Wet natuurbescherming.

1.2.2

Stikstofdepositie en het PAS

In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat een programmatische aanpak van (mogelijk) negatieve effecten toegestaan is. Voor de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden was het Programma Aanpak Stikstof (PAS) opgesteld. Het idee hierachter was dat generiek, op landelijk niveau de negatieve effecten van overmatige stikstofdepositie op voorhand beoordeeld werden en maatregelen getroffen zouden worden om deze effecten te niet te doen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een aantal uitspraken gedaan, op basis waarvan het PAS niet langer gebruikt kan worden als basis voor toestemmingsbesluiten voor activiteiten die stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Met de PAS-uitspraken zijn de drempelwaarden die de Wet natuurbescherming (Wnb) in samenhang met het PAS bevatte voor vergunningplicht (1 mol N/ha/jaar) en meldingsplicht (0,05 mol N/ha/jaar) niet langer rechtsgeldig. Op grond hiervan geldt dat voor activiteiten die een depositie veroorzaken van meer dan 0,0 mol N/ha/jaar niet op voorhand een negatief effect op Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten en dat deze effecten moeten worden bepaald en beoordeeld.

De uitspraken van de ABRvS hebben ook gevolgen voor projecten en activiteiten met een tijdelijk karakter, die kleine en tijdelijke verhogingen van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. De meeste van deze projecten konden binnen het PAS met een voortoets of een melding toegestaan worden, of er was via een reservering voor zogenaamde prioritaire projecten ontwikkelingsruimte (toegestane depositie) beschikbaar. Het gevolg is dat de tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van het project Zuid-West 380kV Oost zelfstandig beoordeeld moet worden als onderdeel van de Passende beoordeling. Deze effectbeoordeling vormt deze zelfstandige effectbeoordeling van de optredende stikstofdepositie.

1.2.3

Cumulatie van effecten

In artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangegeven dat het project niet alleen op zichzelf, maar ook in combinatie met andere plannen of projecten beschouwd moet worden. In dit rapport gaat het om de cumulatie van de stikstofdepositie. Overige mogelijke cumulatie is beschreven in de Passende beoordeling zelf. Cumulatie is relevant voor die Natura 2000-gebieden en die habitattypen waar als gevolg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost stikstofdepositie optreedt en daarmee een potentieel negatief effect niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten.

1.3

Uitgangspunten

Deze paragraaf geeft inzicht in de methode die is gebruikt om effecten als gevolg van tijdelijke stikstofemissies en daarmee samenhangende stikstofdeposities te kunnen bepalen. Het betreft de uitgangspunten die zijn gebruikt voor de berekeningen van de stikstofdeposities met behulp van het programma Aerius en om een beschrijving van het potentiële negatieve effect voor Natura 2000. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

6 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

1.3.1

Uitgangspunten berekening stikstofdepositie

De depositie op stikstofgevoelige natuur wordt bepaald met het instrument Aerius. Dit model van het RIVM vertegenwoordigt de best beschikbare methode hiervoor. Om de depositie te bepalen zijn de emissiebronnen van het project geïnventariseerd. Het project is in onderdelen gesplitst en per onderdeel is bepaald welk materieel, met welk vermogen, hoe lang en waar wordt ingezet. Deze uitwerking is gebaseerd op een conservatieve inschatting van de verschillende activiteiten. Op basis van de uitvoering van vergelijkbare projecten is het aantal uren inzet van materieel bepaald, de gemiddelde emissiekarakteristiek (meestal op basis van leeftijd van materieel) en de zwaarte van het materieel. De locaties van de werkzaamheden liggen vast. Op basis van de uitwerking is met de Aerius-calculator berekend welke deposities optreden. De uitgangspunten van de berekeningen met Aerius zijn opgenomen in Bijlage A. De berekeningen voor het bepalen van de mate van stikstofdepositie zijn gemaakt met Aerius, versie 2020_20201216_c759386971. De verwachting is dat de aanlegfase circa zes jaar zal duren. In de Aerius-berekening is uitgegaan van een totale depositie (alsof de depositie in één kalenderjaar plaatsvindt). Dit omdat het om een tijdelijke ingreep gaat (na realisatie is geen sprake meer van depositie) en op deze wijze inzicht verkregen wordt in het totale planeffect (Bijlage B).

Stikstof accumuleert namelijk in het ecosysteem, waardoor alleen inzicht in de (tijdelijke) jaarlijkse bijdragen geen goed beeld geeft van de daadwerkelijke depositie door de aanleg. Ook betekent het dat, als gevolg van de lage depositiewaarden, veel deposities niet meer herkend worden door het Aerius-model wanneer per jaar gerekend wordt. Daarmee vervalt het inzicht in het planeffect dat als gevolg van accumulatie wel zou optreden. De berekende planeffectwaarden worden gebruikt als toetswaarde ten opzichte van bijvoorbeeld de kritische depositiewaarde (die uitgaat van de mate van depositie per jaar), hiermee is de toetsing een worstcase benadering, omdat de depositie in werkelijkheid verspreid over de aanlegperiode neerkomt. Voor de berekeningen is uitgegaan van de achtergronddepositie in het jaar 2023 (rekenjaar). De verwachting is dat de komende jaren (ook gedurende de looptijd van de realisatie) de hoogte van de achtergronddepositie daalt. Het rekenjaar 2023 is hierdoor een worst-case uitgangspunt, namelijk het jaar met de verwachte hoogste achtergronddepositie.

1.3.2

Potentieel negatief effect stikstofdepositie

Potentiële negatieve effecten die ten gevolge van stikstofdepositie optreden zijn alleen van toepassing voor de aanlegfase. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van stikstofdepositie als gevolg van het project. Uiteindelijk draagt het project bij om elektriciteit van windturbines op zee naar het landelijke net te transporteren en voorkomt daarmee in samenhang met de windparken dat deze zelfde elektriciteit wordt opgewekt door verbranding van fossiele brandstoffen met bijkomende stikstofemissies. Hiermee draagt het project gedurende de exploitatiefase indirect bij aan de gewenste daling van de landelijke stikstofdepositie. Belangrijke negatieve effecten van stikstofdeposities zijn het gevolg van structurele overbelasting. Een overmaat1 aan stikstof cumuleert in het systeem omdat het niet verwerkt kan worden. Een overmaat aan stikstof kan leiden tot vermesting en verzuring. De soortensamenstelling kan wijzigen, doordat soorten die beter of meer stikstof kunnen opnemen of sneller gaan groeien, gaan domineren en de gewenste, veelal langzamer groeiende soorten (bestand tegen voedselarmere omstandigheden) uit het systeem verdwijnen. Over het algemeen zijn de gewenste soorten van het systeem, soorten van meer schrale (voedselarme) omstandigheden.

In een groot aantal Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gesteld voor habitattypen die gevoelig zijn voor het verzurende of vermestende effect van stikstof. Eventuele aanwezige soorten die afhankelijk zijn van deze habitattypen kunnen daarmee eveneens een negatief effect ondervinden.

1

Een overmaat is meer dan het systeem kan verwerken door afvoer door bijvoorbeeld begrazing of buffering door neutraliserende stoffen. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

7 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de functie van stikstof in het ecologisch systeem en de potentiële effecten van additionele stikstofdepositie, afhankelijk van de situatie die van toepassing is voor een habitattype.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

8 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

2

REIKWIJDTE EFFECTEN EN REKENRESULTAAT

2.1

Natura 2000-gebieden in Nederland

Over het algemeen kan worden gesteld dat de hoogste depositie optreedt dicht bij de bron. Verder van de bron wordt de depositie van stikstof steeds minder totdat er uiteindelijk geen sprake meer is van depositie als gevolg van de emissie. Wanneer dit schematisch wordt weergegeven, is te zien dat de depositie op een bepaalde afstand stabiel wordt. Terwijl de afstand tot de bron steeds groter wordt, neemt de depositie niet meer substantieel af. Dit is schematisch weergegeven in Figuur 1.

Figuur 1. Schematische weergave van een curve waarin de stikstofdepositie is afgezet tegen de afstand tot de bron.

De door Aerius gemaakte uitvoer van de berekening is opgenomen in Bijlage B. Uit de berekening blijkt dat sprake is van een eenmalige, geringe tot zeer geringe toename van stikstofdepositie in 70 Natura 2000gebieden (Tabel 1). De maximale totale stikstofdepositie betreft 4,27 mol N/ha (in het worstcasescenario totaal projecteffect) en treedt op bij de leefgebieden Lg13 Bos van arme zandgronden en Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Overigens is het effect op leefgebieden naar verwachting minder ingrijpend op de doelen van de vogelsoorten als gevolg van indirecte gevolgen (zie paragraaf 4.3.3). Dit is het bij de verbinding meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. De depositie van stikstof neemt vervolgens snel af met de afstand tot aan het plangebied tot <0,05 mol N/hectare op (onder andere) de Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Wanneer de projectdepositie wordt afgezet tegen de afstand tot aan het tracé, blijkt dat schematische weergave van depositie ook daadwerkelijk optreedt. De hoogste deposities vinden plaats in de direct nabijheid van het tracé (in Natura 2000-gebieden nabij het tracé) en na circa 1.000 meter neemt de hoogte van de depositie niet (nauwelijks) meer af terwijl de afstand vanaf de bron wel toeneemt (Figuur 2).

Tabel 1 Resultaten berekeningen met de Aerius-Calculator. Weergegeven zijn de tien gebieden met de hoogste deposities als gevolg van het gehele projecteffect. De totale lijst staat in Bijlage B.

Natuurgebied

Hoogste bijdrage [mol/ha]

Brabantse Wal

4,27

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

0,16

Langstraat

0,12

Biesbosch

0,10

Oosterschelde

0,08

Ulvenhoutse Bos

0,06

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

9 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Natuurgebied

Hoogste bijdrage [mol/ha]

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

0,04

Krammer-Volkerak

0,04

Westerschelde & Saeftinghe

0,03

Kampina & Oisterwijkse Vennen

0,04

Figuur 2. Daadwerkelijke weergave van de curve waarin de stikstofdepositie is afgezet tegen de afstand tot de bron. Na circa 1.000 meter wordt de depositie nauwelijks lager terwijl de afstand wel toeneemt.

2.2

Buitenlandse Natura 2000-gebieden

Nederland heeft met Duitsland en met België overlegd over de wijze waarop de bevoegde gezagen bij de beoordeling van aanvragen van toestemmingsbesluiten de gevolgen toetsen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op buitenlandse Natura 2000-gebieden. Nederland zal voor de toetsing van activiteiten die in Nederland plaatsvinden met gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Duitsland of België dezelfde toetsingskaders hanteren als Duitsland en België zelf. Onderstaande beschrijft de huidige toetsingskaders van Duitsland en België. Uitgangspunt bij onderstaande toetsingskaders is de maximale depositie die door een project veroorzaakt wordt.

2.2.1

Natura 2000 in Duitsland

In Duitsland wordt het onderzoeksgebied begrensd op basis van de door het project (zonder cumulatie) veroorzaakte stikstofdepositie. De depositiewaarde waarop het gebied wordt begrensd, wordt het Abschneidekriterium genoemd: • Op basis van een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht (BVerwG 9 A 5.08, 14 april 2010), de hoogste federale administratieve rechtbank, wordt daarvoor een grenswaarde van 100 gram stikstof (7,14 mol) per hectare per jaar aangehouden. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

10 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

• •

In andere studies wordt in Duitsland ook wel een waarde van 300 gram (21,43 mol) aangehouden. Een uitspraak van een Duitse Rechtbank (Oberverwaltungsgericht für das Land Nordrhein-Westfalen, 16.06.2016 – 8 D 99/13.AK) lijkt het Abschneidecriterium in Nordrhein-Westfalen echter op 50 gram (3,57 mol) te hebben gesteld.

Dat betekent dat in Duitsland verschillende grenswaarden gehanteerd worden voor het afgrenzen van het onderzoeksgebied. Worst case wordt uitgegaan van een Abschneidecriterium 2 van 50 gram stikstof (3,57 mol) N/ha/jaar. Gezien de ligging (afstand) van het projectgebied (het tracé van de verbinding) tot de Duitse grens en de hoogte van de stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden in Nederland (overwegend <0,02 mol N/hectare, totaal projecteffect), wordt deze grenswaarde nergens overschreden voor de Duitse Natura 2000gebieden die allemaal op grotere afstand liggen. Nader onderzoek naar effecten op Duitse Natura 2000gebieden of een vergunning Wet natuurbescherming zijn om die reden niet aan de orde.

2.2.2

Natura 2000 in Vlaanderen

De beoordeling van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bevindt zich in Vlaanderen in een transitiefase, die uiteindelijk moet leiden tot vaststelling van een Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Onderdeel van deze transitiefase is de inwerkingtreding per 27 februari 2015 van een tijdelijk Vlaams toetsingskader voor de beoordeling van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Dit toetsingskader is per 1 juli 2017 aangepast. Op basis van deze toetsingsmethode kunnen significante negatieve effecten in eerste aanleg uitgesloten worden geacht, indien in een Vlaams Natura 2000-gebied - met inbegrip van de bijdrage van een aangevraagd project op Nederlands grondgebied - geen sprake is van een overbelaste situatie dan wel wanneer als gevolg van een zodanig project binnen een Vlaams Natura 2000-gebied ter plaatse van een relevant (potentieel) habitattype of een voorlopige zoekzone de zogenaamde nul-contourlijn niet wordt overschreden. De nul-contourlijn bedraagt in Vlaamse Natura 2000-gebieden voor eutrofiëring via de lucht 0,30 kg N/ha/jaar (21,42 mol/ha/jaar).

Voorziet een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied binnen één of meer Vlaamse Natura 2000-gebieden ter plaatse van een relevant (potentieel) habitattype of een voorlopige zoekzone in een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,30 kg N/ha/jaar (21,42 mol N/ha/jaar), dan is in zoverre een nadere beoordeling noodzakelijk. Significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie vanwege het aangevraagde project (zowel ammoniak als NOx) kunnen worden uitgesloten indien de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft ter plaatse van de relevante (potentiële) habitattypen of een daarvoor aangewezen voorlopige zoekzone leidt tot een stikstofdepositie van minder dan 5% van de geldende kritische depositiewaarde. Bij deze beoordeling dient te worden gekeken naar de gehele beoogde activiteit. Voorwaarde voor uitbreidingen van bestaande activiteiten, zogenaamde “hervergunningen” en nieuwe activiteiten is evenwel dat in de vergunning de gangbare emissie reducerende technieken (BBT) zijn voorgeschreven.

Voldoet het aangevraagde project op Nederlands gebied niet aan de hiervoor genoemde criteria, dan dient ervan uit te worden gegaan dat vergunningverlening uitsluitend mogelijk is, indien op grond van een in een Passende Beoordeling opgenomen ecologische onderbouwing de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de relevante Vlaamse Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Gezien de ligging (afstand) van het projectgebied (het kabeltracé) tot de Belgische grens en de hoogte van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden nabij de grens rond de 0,05 mol N/hectare (totaal projecteffect) en lager, wordt de drempelwaarde van 21,42 mol N/ha/jaar nergens overschreden. Nader onderzoek naar effecten op Vlaamse gebieden of een vergunning Wet natuurbescherming zijn om die reden niet aan de orde.

2.2.3

Natura 2000 in Wallonië

Wallonië kent geen eigen toetsingskader voor het beoordelen van de effecten van stikstofdepositie op Waalse Natura 2000-gebieden, veroorzaakt door projecten. Dat veronderstelt dat voor een project op

2 De stikstofdepositie binnen het onderzoeksgebied wordt getoetst aan een drempelwaarde (Irrelevanzschwelle). Deze waarde

bedraagt 3% van de kritische depositiewaarde van het meest gevoelige habitattype in het betreffende Natura 2000-gebied. De laagste kritische depositie waarde, die van het habitattype hoogveen, bedraagt 400 mol N/ha/jaar: dit is dan ook de meest worst case-situatie. Dat betekent dat de laagst denkbare drempelwaarde 12 mol N/ha/jaar bedraagt. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

11 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Nederlands grondgebied dat stikstofdepositie veroorzaakt op één of meer stikstofgevoelige Waalse Natura 2000-gebieden, bij voorkeur een Passende beoordeling wordt opgesteld. Hierin moet worden bepaald of in zoverre de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de relevante Waalse Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Relevant is evenwel dat in 2015 voor een beoordeling voor ENCI (bron: Arcadis, 2018) tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van het Verdrag van de Europese Unie in dat verband afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden met het Waalse gewest, Département de la Nature et des Forêts (DNF). Daarbij is namens DNF medegedeeld dat, bij gebreke van een Waals toetsingskader, de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied dat (mede) voorziet in stikstofdepositie op één of meer Waalse Natura 2000-gebieden, het Vlaamse toetsingskader gehanteerd mag worden. Hierbij geldt dat tijdig afstemmingsoverleg plaatsvindt met DNF waarbij informatie wordt verstrekt over (de gevolgen van) het betreffende project, de vergunningaanvraag (inclusief alle relevante bijbehorende stukken) en de (ontwerp)besluiten tot vergunningverlening aan de Waalse autoriteiten worden gezonden.

Ook moet de gelegenheid worden geboden om kennis te nemen van alle relevante stukken, zienswijzen naar voren te brengen en beroep in te stellen. De drempelwaarde van 21,42 mol N/ha/jaar van het Vlaamse toetsingskader wordt nergens overschreden en nader onderzoek naar effecten of een vergunning Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Negatieve effecten ten gevolge van stikstofemissies in het project door depositie op Waalse gebieden zijn dan ook met zekerheid uit te sluiten. Ook is een vergunning Wet natuurbescherming om die reden niet aan de orde.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

12 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

3

DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF

3.1

Toelichting

Om beter zicht te hebben op wat stikstof is, hoe dit ingrijpt in natuurlijke systemen en waarom dit een probleem kan zijn, wordt in dit hoofdstuk dieper ingegaan op de theoretische achtergrond. Belangrijke delen van deze paragraaf zijn overgenomen uit het rapport “Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)”. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken (Smits & Bal, 2014). Waar relevant zijn verwijzingen naar onderliggende bronnen overgenomen.

3.2

Natuurlijk voorkomen van stikstof

Stikstof is één van de onmisbare bouwstenen voor het leven op aarde, en is daarmee in ecologisch opzicht van groot belang. Stikstof (N) komt in organisch materiaal onder andere voor in aminozuren en eiwitten. De problematiek rondom stikstofdepositie zit hem in de mate waarin dit element in reactieve vorm aan onze omgeving wordt toegevoegd als gevolg van menselijke activiteiten. De belangrijkste vormen van reactief stikstof zijn stikstofoxiden (NOx) en ammonium (NH4+). Gebonden stikstof (N2), dat 80 % van de atmosfeer vormt, heeft geen directe invloed op het functioneren van ecosystemen.

Figuur 3 Vereenvoudigde weergave van de stikstofkringloop (bron: Wikipedia)

Planten kunnen stikstof via de wortels opnemen in de vorm van nitraat (NO 3-). Stikstof dat in de vorm van ammonium (NH4+) in de bodem aanwezig is, moet daarom eerst via denitrificatie omgezet worden in nitriet en nitraat (Figuur 3). Ammonium kan zowel door depositie als door mineralisatie van organisch materiaal in de bodem terecht komen. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

13 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Stikstofverbindingen zijn in veel half-natuurlijke en natuurlijke ecosystemen beperkend voor de plantengroei. Nogal wat plantensoorten zijn aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden en kunnen alleen succesvol voortbestaan op bodems met lage N-niveaus, omdat ze hier geen concurrentie ondervinden van snelgroeiende en stikstoftolerante soorten zoals grassen, bramen en brandnetels. Stikstof kan op verschillende manieren in het leefmilieu van planten terechtkomen: door mineralisatie van organisch materiaal, aanvoer via water of de lucht en door natuurlijke of door mensen uitgevoerde bemesting (Figuur 3). Stikstof kan weer uit het leefmilieu worden verwijderd door denitrificatie door bacteriën, uitspoeling, opname in de voedselketen en oogst van gewas (waaronder ook cyclisch natuurbeheer valt).

3.3

Stikstofemissie en stikstofdepositie

De uitstoot (emissie) van luchtverontreinigende stoffen is in West-Europa in de loop van de twintigste eeuw sterk toegenomen. Tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw was zwaveldioxide (SO2) de hoofdcomponent van luchtverontreiniging, maar daarna zijn stikstofverbindingen relatief en absoluut steeds belangrijker geworden. Stikstofoxiden (NOx: vooral NO2 en NO) ontstaan hoofdzakelijk bij de verbranding van fossiele brandstoffen in de industrie, elektriciteitscentrales, verwarmingsinstallaties en verkeer. De grootste bron hiervan is op dit moment het (vracht)verkeer. Ammoniakgas (NH 3) komt vooral vrij door vervluchtiging uit mest en urine bij beweiding, in de stal of opslag, en vroeger als de mest uitgereden werd over het land. Andere bronnen zijn de industrie, waar ammoniak vrijkomt bij enkele productieprocessen, het autoverkeer en de opslag van afvalwater. Stikstofoxiden en ammoniak komen na emissie in de atmosfeer terecht. Eenmaal in de lucht wordt het geëmitteerde gas meegevoerd door de wind, waardoor het snel wordt verspreid, waardoor snel verdunning van de concentraties aan stoffen optreedt. Ook ondergaan deze stoffen chemische reacties onder invloed van het zonlicht en de aanwezigheid van andere stoffen. Hierdoor kunnen zowel de chemische samenstelling als de vorm van de stikstofhoudende deeltjes veranderen.

In de atmosfeer komen stikstofverbindingen daardoor zowel als gas, ion en aerosol (kleine vaste deeltjes) voor. Omzetting in aerosolen is onder meer van belang voor de afstand waarover de desbetreffende stoffen getransporteerd worden. Hoe ver de verschillende componenten komen wordt bepaald door een complex van factoren, waarbij vooral de emissiehoogte, de uitstroomsnelheid, de atmosferische omstandigheden (snelheid van luchtstromingen, turbulentie e.d.), de snelheid van chemische omzettingen, de depositiesnelheid van de desbetreffende verbinding en de aard en ruwheid van het aardoppervlak met zijn vegetatie van belang zijn. Uiteindelijk zullen al deze stoffen op het aardoppervlak terechtkomen. Dit proces wordt depositie genoemd en kan op verschillende manieren verlopen. De directe afzetting of absorptie van gassen of aerosolen uit de atmosfeer aan het aardoppervlak (bodem, water of vegetatie) wordt droge depositie genoemd. Hoe hoger de snelheid van de depositie is, des te sneller wordt het gas of het deeltje uit de atmosfeer verwijderd. Zo is de transportafstand van NH3 kort door de hoge depositiesnelheid van dit gas, terwijl die van het ammoniumaerosol door zijn lagere depositiesnelheid veel groter is. Een groot deel van de NO 2 wordt door het verkeer op lage hoogte uitgestoten.

Echter, door de lage depositiesnelheid van NO2 wordt deze stof toch veelal over grote afstanden getransporteerd. Daarnaast treedt natte depositie op, het oplossen in wolken of regenwater en daaropvolgende neerslag van stikstofverbindingen. De natte depositie levert ongeveer 25-30% van de totale N-depositie. De rest is droge depositie. Door de ruimtelijke verspreiding van de bronnen en de verschillende transport- en omzettingsprocessen in de atmosfeer, is de depositie van N-verbindingen niet overal gelijk (voorbeeldweergave verspreiding Figuur 4). Zelfs in een klein land als Nederland zijn de verschillen groot: zo is de totale depositie van NOx (de som van droge en natte depositie van NO + NO2 + HNO3) in de stedelijke gebieden (o.a. in het westen van ons land) duidelijk hoger, terwijl de totale depositie van NH x (de som van droge en natte depositie van NH4+ en NH3) hoger is in het landelijk gebied, waarbij de hoogste waarden in het Peelgebied, de Gelderse Vallei, Twente en de Achterhoek worden gevonden. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

14 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Figuur 4 Achtergronddepositie stikstof in 2018 (bron: CLO, 2020)

3.4

Effecten van verhoogde beschikbaarheid van stikstof

De gevolgen die als gevolg van een te hoge toevoer van reactieve stikstof voor planten kunnen optreden zijn (Figuur 5): • Directe toxiciteit van hoge concentraties van gassen op individuele plantensoorten. De huidige concentraties van NH3 en NOx zijn in Nederland echter zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt. • Eutrofiëring door geleidelijke toename van de beschikbaarheid van stikstof. Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied leidt in eerste instantie tot een toename van de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water en aldus tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door de vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Door verhoogde toevoer en accumulatie van N-verbindingen zal de beschikbaarheid van stikstof voor planten geleidelijk toenemen. Als gevolg hiervan worden planten die in een stikstofarm milieu leven overheerst door (sneller) opkomende planten die gedijen bij veel stikstof, dit leidt bijvoorbeeld tot vergrassing; • Verzuring van bodem en water. Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer.

Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem (Van Breemen et al, 1982 en Clark & Tilman, 2008). In deze situatie kunnen plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure omstandigheden gaan overheersen en verdwijnen veel van de soorten die voorkomen in een milieu met een meer neutrale pH; Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

15 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

•

•

•

Negatieve effecten van de verhoogde beschikbaarheid van gereduceerd N (ammonium of opgelost ammoniak in (neerslag)water). In veel gebieden met hoge N-depositie heeft gereduceerd N een groot aandeel in de totale N-depositie. Dit kan tot gevolg hebben dat ammonium de overheersende N-vorm in de bodem is. Dit is vooral het geval in bodems met een van nature lage omzetting van nitraat naar ammonium (pH < 4,5) of wanneer de bodem is verzuurd door atmosferische depositie. De omzetting van nitraat naar ammonium is een microbieel proces dat nitrificatie wordt genoemd. Verhoogde concentraties ammonium in de bodem of in het water kunnen allerlei negatieve gevolgen voor de plantengroei hebben. Deze effecten zijn het grootst in gebieden met voorheen matig gebufferde bodemcondities (pH 4,5-6,8) (Stevens et al, 2011). Juist zulke omstandigheden zijn vaak rijk aan bedreigde plantensoorten, zodat het aantal daarvan al gauw zal afnemen (Kleijn et al, 2008); Toegenomen gevoeligheid voor secundaire stressfactoren, zoals schimmelinfecties en insectenplagen en vorst- of droogteschade. Luchtverontreiniging kan de vitaliteit van soorten verminderen, waardoor deze gevoeliger worden voor aantasting door schimmels, bacteriën, virussen of insecten.

Ook de verhoging van het stikstofgehalte in de bladeren of wortels kan verhoogde aantasting door herbivore (plaag)insecten zoals de heidekever veroorzaken (Berdowski, 1987). Door veranderingen in de fysiologie of groei kan bovendien de tolerantie van plantensoorten voor droogte of vorst veranderen. Verschuivingen in de chemische samenstelling (bijv. aminozuursamenstelling) van planten onder invloed van een grotere N-beschikbaarheid.

Figuur 5 Schematisch overzicht van de effecten van stikstofdepositie (Bobbink & Lamers, 2009, Kros et al, 2008 en naar Bobbink & Hettelingh, 2011)

Omdat soorten verschillend reageren op de invloed van stikstof, ontstaan veranderingen in groeisnelheid en daarmee in concurrentieverhouding tussen soorten. Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige soorten door stikstof minnende (nitrofiele) soorten, aangezien een groot deel van de soorten in halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. De samenstelling van vegetaties (en daarmee ook van habitattypen) kan daardoor veranderen. Over het algemeen leidt dit tot verlies van langzaam groeiende, en voor de habitattypen kenmerkende soorten. De kwaliteit van de habitattypen neemt daardoor af. Daardoor verandert ook de kwaliteit van de vegetatie als voedsel voor herbivoren en leefgebied voor tal van diersoorten, met allerlei gevolgen voor diersoorten hoger in de voedselketen.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

16 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

De situatie in Nederland is samen te vatten als een langdurige (decennia) hoge belasting van stikstof, hoger dan de kritische depositiewaardes (zie volgende paragraaf de toelichting hier op) van habitattypen. Als gevolg van deze langdurige hoge belasting kunnen, met uitzondering van directe schade, de effecten optreden zoals in deze paragraaf opgesomd. Inzake de omvang waarbij effecten optreden concludeert Mouissie (2019) op basis van de onzekerheden in de berekening van de kritische depositiewaarde en experimentele studies over dosis-effect relaties, dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer dan 70 mol N/ha/jr. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen, aangezien bij kleinere hoeveelheden geen verandering in de plantensamenstelling is waar te nemen. Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de kritische depositiewaarde het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt verder soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer.

Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de kritische depositiewaarde ligt (Bobbink & Hettelingh, 2011; Caporn et al., 2016).

3.5

Kritische depositiewaarden

In deze beoordeling wordt het begrip Kritische depositiewaarde (hierna KDW) gehanteerd. KDW’s zijn gehanteerd om af te bakenen welke habitats als stikstofgevoelig worden beschouwd in dit project. De kritische depositiewaarde voor stikstof is gedefinieerd als “de grens, waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008). De kritische depositiewaarden die in de herstelstrategieën als uitgangspunt worden genomen, zijn specifiek voor habitattypen in Nederland vastgesteld in Van Dobben et al. (2012). In dat rapport zijn verschillende kennisbronnen ten aanzien van kritische depositiewaarden met elkaar gecombineerd via een vast protocol (Van Dobben et al, 2012). De kritische depositiewaarden konden worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol/ha/jaar (= 1 kilogram N). Van de 51 habitattypen die in Nederland voorkomen zijn 45 gevoelig voor een overmaat van stikstof. De kritische depositiewaarden van deze habitattypen variëren van 400 tot 2.400 mol/ha/jaar.

Wanneer de achtergronddepositie ter plekke van een habitattype hoger is dan de KDW van dat habitattype, of wanneer door toevoeging de KDW wordt overschreden, kan niet worden uitgesloten dat een verdere toename van de stikstofdepositie leidt tot (verdere) aantasting van dat habitattype. In Nederland wordt de KDW op dit moment in zeer veel stikstofgevoelige gebieden en habitattypen/leefgebieden overschreden. De KDW van een habitattype is derhalve geen harde grens waarboven nadelige effecten op de vegetatie met zekerheid zullen optreden: “Deze unieke waarden moeten gezien worden als de meest waarschijnlijke waarde gezien de huidige stand van kennis. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit” (van Dobben et al, 2012). In de uitspraak van de ABRvS inzake het PAS is aangegeven (r.o. 14.5 ECLI:NL:RVS:2019:1603): Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest [red.

van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake de prejudiciele vragen over het PAS) geen aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PAS-bronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. Zo zal voor een gebied waar sprake is van een ongunstige staat van instandhouding en een forse, nog jarenlang voortdurende overschrijding van de kritische depositiewaarde, eerder sprake zijn van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of voorkomen van verslechtering, dan voor een gebied waar zeker is dat, bijvoorbeeld door de autonome ontwikkeling, de stikstofbelasting zodanig zal afnemen dat overschrijding binnen een afzienbare termijn de kritische depositiewaarde nadert. Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

17 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

In de kritische depositiewaarden is de invloed van andere bronnen (die leiden tot vermesting) dan depositie, zoals ammonificatie en denitrificatie en aanvoer via grond- en oppervlaktewater meegenomen. Ook is rekening gehouden met beheer van de habitattypen, als gevolg waarvan een aanzienlijk deel van de stikstof die opgeslagen is in het levende plantenmateriaal veelal weer uit het systeem wordt verwijderd.

3.6

Ontwikkeling van de stikstofdepositie in Nederland

De totale stikstofdepositie is in Nederland na 1950 tot aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw door de groei van de intensieve veehouderij en het gebruik van fossiele brandstoffen sterk gestegen. De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1.700 mol stikstof per hectare in 2016 (Figuur 6). De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Al drie tot vier decennia is gereduceerd N de overheersende vorm (> 75 %) van stikstofdepositie in Nederlandse natuurterreinen (De Haan et al, 2008). Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving (Smeets et al, 2017) zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2016) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van NH3. De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met circa 65%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector. De NH3-emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met naar schatting 70% gedaald.

Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending. In de periode 2005-2016 lijkt de totale stikstofdepositie (N-totaal) gedaald, echter deze daling is niet statistisch significant. Over deze periode is de schijnbare daling van gereduceerde stikstof niet statistisch significant maar de daling van geoxideerde stikstof wel (dat zijn stikstofoxiden en opgeloste stikstofoxiden in (neerslag)water)). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%.

Figuur 6 Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (bron: CLO, 2020)

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

18 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

4

METHODE ECOLOGISCH BEOORDELEN

4.1

Inleiding

Aanpak Op basis van de resultaten uit Aerius kunnen effecten als gevolg van de tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van het project niet op voorhand uitgesloten worden op de 70 door de projectdepositie getroffen, voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden, omdat de modelberekening weergeeft dat sprake is van enige vorm van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden (zie Bijlage B voor de totale lijst van gebieden). In het vervolg van dit hoofdstuk wordt beoordeeld of deze depositie van stikstof door de aanleg van de verbinding Zuid-West 380kV Oost tot negatieve effecten kan leiden voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Hierbij wordt de volgende aanpak gehanteerd: • De beschrijving wordt beperkt tot habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen (IHD) 3 zijn vastgesteld. • Indien een significant negatief effect op het behalen van IHD’s voor habitattypen in een Natura 2000gebied met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zal de emissie ook geen effect hebben op het behalen van IHD’s van soorten waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied is aangewezen. • Indien een significant negatief effect op het behalen van IHD’s voor habitattypen in een Natura 2000gebied niet met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zullen eventuele effecten ook voor de soorten waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied is aangewezen, beoordeeld worden.

Instandhoudingsdoelen en KDW Het vertrekpunt voor de beoordeling is de huidige staat van habitattypen waarvoor geldt dat in veel gevallen sprake is van een stikstofdepositie die autonoom (dus zonder het project) hoger ligt dan het niveau van de kritische depositiewaarde (KDW) voor de betreffende habitattypen. Voor veel van deze habitattypen geldt daarbij dat de gewenste omvang en kwaliteit van het habitattype in de huidige situatie niet voldoen aan het gestelde instandhoudingsdoel. Het effect van de tijdelijke depositie op de instandhoudingsdoelstellingen wordt bepaald door te beoordelen welk negatief effect de tijdelijke toevoeging van depositie heeft. Er is reeds gedurende lange tijd (ca. vier decennia) sprake van een hoge stikstofemissie in Nederland. Het effect van het project moet worden beoordeeld in het licht van de toevoeging die zij doet. Daarbij staat de vraag centraal of de tijdelijke depositie: • Een direct effect kan hebben waardoor het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald en/of; • Ertoe leidt dat het instandhoudingsdoel niet binnen redelijke termijn behaald kan worden. Op zichzelf geldt geen termijn voor het behalen van een gesteld instandhoudingsdoel op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn. Sinds de jaren ’80 is sprake van zeer hoge stikstofemissies en -deposities.

Deze deposities zijn indertijd ook als knelpunt voor de natuur geïdentificeerd en er zijn beleidsdoelstellingen gesteld en maatregelen getroffen4. De vraag is relevant wat bij het beoordelen van de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen een redelijke termijn is. Gezien de decennia met zeer hoge tot hoge belasting is duidelijk dat stikstof niet tot directe negatieve effecten leidt maar tot abiotische condities die ontwikkeling of kwaliteit belemmeren en/of beïnvloeden van het habitattype of leiden tot concurrerende begroeiing. Door verschillen van 10-tallen mollen of meer tussen achtergronddeposities en kritische depositiewaardes en de bijdrage van bronnen in de achtergrond waarop nationaal zeer beperkt invloed is (buitenlandse emissies, zeescheepvaart, Europese emissie-eisen voertuigen), is het niet realistisch uit te gaan van een korte termijn voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen. Realistisch gezien kan niet anders worden aangenomen dan dat herstel een langere termijn behoeft van minimaal een decennium. Uiteraard geldt dit in combinatie met reguliere en periodieke beheermaatregelen die onderdeel zijn van de beheerplannen.

3 Hierna worden habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen in het kader van een Natura 2000-gebied zijn gesteld, aangeduid

met ‘habitattypen’. 4 Zure regen. Een analyse van dertig jaar verzuringsproblematiek in Nederland. (Velders et al, PBL, 2010). Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

19 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

4.2

Bijdrage project

4.2.1

Landelijk beeld

De stikstofemissies naar de lucht en de deposities ten gevolge daarvan zijn historisch gezien al enkele decennia hoog. Zoals in paragraaf 3.3 van deze ecologische beoordeling is beschreven, zijn emissies naar de lucht vanuit verschillende beleidsterreinen een aandachtspunt. Beleid ten aanzien van de reductie is in de jaren ’80 in eerste instantie intensief opgepakt in het kader van het tegengaan van zure regen, waarin ook stikstofoxiden een rol spelen. Dit probleem is afdoende aangepakt, met name door de reductie van zwaveldioxide emissies. Het vermestende effect van stikstofoxiden is op dit moment, vanuit ecologisch perspectief, relevant aangezien dit tot negatieve effecten leidt. De volgende figuren laten zien dat emissies van stikstof sinds de jaren 80 zeer hoog zijn geweest, maar sinds 1990 een dalende trend vertonen, zij het dat de trend van de daling afneemt. Dit is terug te zien in de deposities die, evenals de emissies, grofweg zijn gehalveerd tussen 1990 en 2010.

Figuur 7 Ontwikkeling stikstofemissies sinds 1980. (bron: PBL, 2010 en RIVM, 2019).

Figuur 8 Ontwikkeling depositie mol/ha/jr sinds 19805 (bron: PBL, 2010 en RIVM, 2019).

De daling van emissies en deposities is het gevolg van maatregelen die getroffen zijn op verschillende terreinen. Dit betreft bijvoorbeeld emissie-eisen aan voertuigen en verbrandingsinstallaties en eisen aan de landbouw. De afvlakking van deze emissies volgt eruit dat bij strengere emissie-eisen een verdere reductie steeds moeilijker bereikt wordt aangezien dit veelal gepaard gaat met significant hogere kosten. In dat kader is te zien dat, mede vanuit de beleidsvelden ten aanzien van andere emissies (broeikasgassen), beleid gericht is op de introductie van meer hernieuwbare energie om inzet van fossiele brandstoffen te vermijden in plaats van te verschonen. Hiervoor wordt overgegaan op elektrificatie van de industrie, de gebouwde omgeving en de mobiliteitssector, terwijl parallel de elektriciteit door middel van hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Elektrificatie is een sector-overstijgende hoofdlijn in het recent afgesloten

5 De PBL (Velders et al, 2010) rapportage geeft aan dat de betrouwbaarheid van de data inzake stikstofdeposities onvoldoende wordt

geacht voor 1980 Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

20 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

Klimaatakkoord ter uitvoering van de nationale klimaatdoelstellingen. Vaststaat dat de productie van dit verbruik in 2050 nagenoeg vrij is van emissies, behoudens elektriciteit opgewekt uit biomassaverbranding, aangezien bij wet is vastgelegd dat in 2050 de elektriciteitsproductie volledig CO2-neutraal is in 2050 (art. 2 lid 2 Klimaatwet). De door de windparken op zee opgewekte elektriciteit vervangt energie opgewekt uit fossiele bronnen en de stikstofemissies die daarbij vrijkomen. Het project van het net op zee levert een belangrijke bijdrage aan de verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening en is voorwaardelijk voor (duurzame) elektrificatie. Het project levert daarmee een belangrijke bijdrage én is voorwaarde scheppend voor het verder reduceren van de stikstofdepositie in Nederland.

4.2.2

Stikstofemissies en- deposities van het project

Er treden emissies op naar de lucht tijdens de aanleg van het project door de inzet van voer- en werktuigen. In Bijlage A is een overzicht gegeven van de emissiebronnen van het project. In totaal gaat het om een emissie van 11.243 kg stikstof (NOx) (Bijlage B). De emissies betreffen een conservatieve inschatting, om een zo reëel mogelijke effectbepaling te kunnen uitvoeren. In de werkelijkheid zijn de emissies en daarom ook de deposities ten gevolge daarvan lager. Emissies van stikstof zijn niet te vermijden gedurende de aanlegfase omdat de werktuigen en transportmiddelen die de grootste bijdrage leveren aan de stikstofemissie niet emissieloos beschikbaar zijn. Het is niet ondenkbaar dat op (relatief lange) termijn emissies bij dergelijke projecten kunnen worden uitgesloten. Een alternatieve uitvoering van het project die vrij is van emissie is niet mogelijk met de huidige stand van de techniek. TenneT is zich sterk bewust van de mogelijkheden om emissies te beperken in de uitvoering door de selectie van materieel of werkmethoden die de inzet in tijd en daarmee emissie van werktuigen en transportmiddelen beperken. Om stikstofdepositie te verminderen is specifiek voor dit project gekeken of maatregelen aan de bron genomen kunnen worden. TenneT heeft hier, onder andere middels een marktconsultatie, onderzoek naar gedaan.

Deze marktconsultatie, aangevuld met expert judgement, heeft uitgewezen dat bij aanbesteding eisen gesteld kunnen worden aan de bronmaatregelen. In het onderhavige project Zuid-West 380kV Oost wil TenneT daarom het beperken van emissies stimuleren ten opzichte van ‘business as usual’. Dit doet zij door: • Voor de werkzaamheden de aannemers stimuleren extra maatregelen te nemen door dit te belonen met een hoge fictieve korting op de inschrijfprijs. • De aannemer te informeren over de mogelijkheden voor stikstofreductie. In de dialogen met inschrijvers tijdens de tenderfase wordt de stimulans van deze fictieve korting benadrukt en wordt inzicht geboden in mogelijkheden, zoals selectie van materieel, gedragsregels tijdens de bouw (stationair draaien), elektrificatie mogelijkheden of ombouw van apparatuur (bijvoorbeeld inbouw SCR). De projecten van TenneT vinden plaats binnen het kader van openbare aanbestedingstrajecten waardoor voor een lopend project informatie concurrentiegevoelig is of niet dwingend mag worden voorgeschreven. TenneT zal echter de meerkosten accepteren van reductieopties die redelijk, zinvol en (maatschappelijk) te verantwoorden, waardoor emissies met zekerheid lager zullen zijn dan in een business as usual-scenario.

4.3

Wijze van beoordelen

4.3.1

Hoogte van de depositie

Uit de Aerius-berekening komt naar voren dat er een tijdelijke en beperkte depositie ten gevolge van het project optreedt in een groot aantal Natura 2000-gebieden en binnen deze gebieden op een groot aantal habitattypen. Deze depositie is tijdelijk van aard aangezien die voortkomt uit tot de aanlegwerkzaamheden (binnen een periode circa zes jaar). Voor de berekening is worst case aangenomen dat alle werkzaamheden in een periode van één jaar worden uitgevoerd. Uit de berekening volgt als hoogste belasting 4,27 mol/ha in Natura 2000-gebied Brabantse Wal in de leefgebieden Lg13 Bos van arme zandgronden en Lg14 Eiken- bekenbos van lemige zandgronden. Een tijdelijke stikstofdepositie treedt in totaal op in 70 Natura 2000-gebieden en is voor de meeste habitattypen en Natura 2000-gebieden (ruim) lager dan 4,27 mol N/ha/jaar, in de meeste Natura 2000-gebieden (n=64) lager dan 0,05 mol N/ha/jaar.

Onze referentie: D10023833:10 - Datum: 10 februari 2021

21 van 148

ECOLOGISCHE BEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE [DEEL B]

In Bijlage B zijn de resultaten van de Aerius-berekening opgenomen. De Aerius-output geeft alleen de deposities weer op stikstofgevoelige habitattypen. Habitattypen die niet stikstofgevoelig zijn ondervinden geen negatieve effecten ten gevolge van de stikstofdepositie en zijn voor het onderdeel stikstofdepositie buiten beschouwing gelaten. De samenvattende tabel van de Aerius-berekening, zoals opgenomen in Bijlage B, geeft alleen het projecteffect weer en houdt geen rekening met een eventuele overschrijding van de KDW. Voornoemde gegevens zijn wel beschikbaar in de Aerius-calculator en de achterliggende database. In de beoordeling is uitgegaan van de daadwerkelijke database en niet van de samenvattende pdf uit Bijlage B. Voor het bepalen van de mate van overschrijding van de KDW is uitgegaan van de achtergronddeposities uit de Aerius-Calculator 2020. Dit betreffen de achtergronddeposities van 2018. Dit zijn de meest recente gegevens over de achtergronddepositie.

4.3.2

Beoordelen effect stikstofdepositie

Toelichting De ecologische effecten van depositie, ook van tijdelijke en beperkte deposities, zijn beoordeeld voor alle habitattypen in alle Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof en waar sprake is van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het project. Onderhavige beoordeling betreft dan ook alle hexagonen die een stikstofbelasting ontvangen. De beoordeling vindt plaats op basis van het bepalen en toepassen van de potentiële effectrelaties van stikstofdepositie en ecosystemen. Deze effectrelaties zijn geldig voor alle habitattypen. De effecten van de depositietoenames op de betrokken Natura 2000-gebieden zijn op twee niveaus beoordeeld: 1. Algemene beoordeling (Hoofdstuk 5); 2. Specifieke habitattypen beoordelingen (Hoofdstuk 6).

Algemene beoordeling De algemene beoordeling betreft de analyse van de mogelijke effecten van zeer kleine en tijdelijke stikstofdepositietoenames in ecosystemen en daarmee op habitattypen in Natura 2000-gebieden. Hierin wordt onderbouwd dat een eenmalige, kleine depositie in algemene zin niet kan leiden tot zichtbare veranderingen in habitattypen en dat daarmee de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000gebieden niet worden aangetast. De beoordeling voor Zuid-West 380kV Oost is geldig voor alle habitattypen waar sprake is van een tijdelijke, kleine stikstofdepositie. De beoordelingsaspecten, uitgewerkt in hoofdstuk 5, zijn gebaseerd op de uitgangssituatie dat de KDW is overschreden en het habitattype een ongunstige staat van instandhouding kent. Omdat niet alle KDW’s worden overschreden en niet alle habitattype een ongunstige staat van instandhouding kennen, is dit een worstcase uitgangspunt. Andere omgevingsaspecten die een negatieve invloed hebben op een habitattype op een specifieke locatie kunnen een groter effect hebben, waardoor een eventueel effect van stikstof minder of niet relevant is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=d24b4fde-7a0d-43e0-88f9-ac982f6d3a7b