Bijlage bij haalbaarheidsdocument MFA Zevenbergschen Hoek
Tekst van het document
8.4.3 Buitenberging basisschool Voor de basisschool dient er een buitenberging van circa 12 m² bvo te worden opgenomen op het terrein ten behoeve van het opbergen van speelmateriaal en kinderfietsen.
8.4.4 Containerberging (buiten) Er zijn 2 containerbergingen opgenomen voor het (gescheiden) opslaan van afval. Het betreft een berging voor school en een aparte berging voor het dorpshuis. Deze ruimtes zijn zodanig gesitueerd dat deze goed bereikbaar zijn met containers. Bij het ontwerp rekening houden met mogelijke stankoverlast, bij voorkeur in een buitenberging opnemen.
8.4.5 Afscheidingen Het schoolplein dient dermate te worden afgescheiden dat het niet makkelijk toegankelijk is ter voorkoming vandalisme en inbraak. Een nadere invulling hiervan is onderdeel van het ontwerptraject. Aandachtspunt hierbij is dat er vanaf de Olavstraat zicht op het dorpshuis moet zijn.
Pagina 33 van 40
9. Overige randvoorwaarden 9.1. Onderhoud, exploitatie en milieuaspecten Bij de nieuwbouw dient er bij de materialisering een afgewogen keuze gemaakt te worden. De keuzes van materialen en detailleringen hebben een sterke relatie met de uiteindelijke kosten voor het schoonmaakonderhoud en het technisch onderhoud van het gebouw. Bij het maken van deze keuzes zijn thema’s als uitstraling, bestendigheid, reinigbaarheid, kosten, onderhoudscyclus etc. van belang. De kosten voor onderhoud van het gebouw dienen beperkt te worden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de overige doelstellingen en ambities van de gebruikers. De opzet van het gebouw bepaalt in hoge mate de exploitatiekosten. Naast aspecten als energieverbruik en onderhoudskosten zijn vooral kosten in de sfeer van toezicht erg belangrijk. Hiervoor dient het gebouw overzichtelijk opgezet te worden. Ook dienen de afvalstromen in het gebouw geoptimaliseerd te worden, zodat men niet het gehele gebouw door hoeft om afval af te voeren.
9.2. Duurzame ontwikkeling en milieuaspecten Gebouwen moeten ‘duurzaam presteren’. Dat impliceert dat de focus niet alleen het bouwproces is, maar juist het totaal van bouwproces en volledige gebruikscyclus. Want juist in de gebruikscyclus bewijst de duurzame huisvestingsoplossing haar meerwaarde.
Planet kan vertaald worden als de fysieke component, waarbij de blijvende beschikbaarheid van middelen, voldoende toegang tot die middelen en het creëren van een gezond milieu voor iedereen van belang is. Het ‘Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen’ is een uitwerking van dit fysieke aspect. Profit kan hierbij vertaald worden als de economische kant, waarbij de doelstellingen van de groep, de organisatie en de gemeenschap gerealiseerd worden op de korte en lange termijn. Samengevat is een gebouw duurzaam wanneer: • Het prettig en gezond is om in te verblijven en wanneer het bevorderend werkt op het functioneren van zowel de gebruiker als de organisatie (People). • Het goed in zijn omgeving past, energiezuinig is en gerealiseerd is met materialen die laag milieubelastend zijn (Planet). • Het goed te exploiteren en te onderhouden is (Profit). Eventuele duurzame maatregelen dienen breed beoordeeld te worden teneinde te voorkomen dat een ogenschijnlijk duurzame maatregel op een ander niveau contraproductieve effecten heeft. Als voorbeelden van relevante aspecten kunnen hierbij genoemd worden de inhoud en de vorm van het onderwijs, de arbeidsomstandigheden en de werkomgeving, de aantrekkingskracht van de instelling, de toegankelijkheid van faciliteiten en organisatie en het gebouw.
De belangrijkste redenen waarom het noodzakelijk is om duurzame huisvestingsoplossingen te realiseren zijn dat het behoud van het klimaat, het gebruik van grondstoffen en de beheersing van reststoffen zowel landelijk als mondiaal onder grote druk staan. De bouwsector speelt hierbij een belangrijke rol, vooral waar het gaat om energieverbruik, CO2-emissie en afvalstromen. Dit betekent dat er een totale heroverweging moet komen van ons handelen en dat duurzaamheid en de effecten van ons handelen medebepalend moeten worden. Milieuaspecten van het bouwen dienen breder gezien te worden dan de bekende invullijst van het ‘Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen’. De kern van duurzame ontwikkeling kan uitgedrukt worden in de begrippen People, Planet en Profit. People kan daarbij vertaald worden als de sociaal-culturele kant, het welzijn van de gebruikers en de omgeving en het creëren van gelijke rechten en mogelijkheden.
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 34 van 40
Bijlagen Bijlage 1: Vlekkenplan (los document)
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 35 van 40
Bijlage 2: Huiswerkopdracht: De dag van…
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 36 van 40
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 37 van 40
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 38 van 40
Bijlage 3: Activiteitenanalyse (los document)
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 39 van 40
Colofon Uitgave: Datum: Auteur(s):
HEVO B.V. 6 september 2022 mevrouw ir. K. Vermeulen - HEVO B.V. mevrouw J.M. Scherer MSc - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch
T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl www.hevo.nl ●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1688401-0047.5.0.
Pagina 40 van 40
Bijlage 2
Technisch Programma van Eisen
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
MFA Zevenbergschen Hoek ●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Technisch Programma van Eisen
Opdrachtgever Project Datum Referentie Auteur(s)
Gemeente Moerdijk MFA ZH, Zevenbergschen Hoek 13 juni 2022 1688401-0065.2.0 de heer ir. R.J.W. Kersten - HEVO B.V. mevrouw ir. K. Vermeulen - HEVO B.V. mevrouw J.M. Scherer MSc - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
info@hevo.nl
KvK Brabant 16029774
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
5223 LA 's-Hertogenbosch ISO 9001-gecertificeerd
5201 CB 's-Hertogenbosch BTW 0011.60.461.B01
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
F +31 (0)73 6 410 118
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Inhoudsopgave 1.
Algemeen
5
2. 2.1. 2.1.1. 2.2. 2.2.1. 2.2.2. 2.2.3. 2.2.4. 2.3. 2.3.1. 2.3.2. 2.3.3. 2.4. 2.4.1. 2.4.2. 2.4.3. 2.4.4.
Gezondheid Luchtkwaliteit Ruimtevolume (plafondhoogte) Visueel comfort Reflectiepercentages Kunstlicht Helderheidswering Individuele regelbaarheid Akoestisch comfort Installatiegeluid Nagalmtijd Lucht- en contactgeluidsisolatie binnen het gebouw Thermisch comfort Temperatuuroverschrijdingsberekening (TOB) Aanvullende eisen thermisch comfort Vloertemperatuur Stralingsasymmetrie
7 7 7 7 7 7 8 8 8 8 9 9 10 10 10 11 11
3. 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.5. 3.1.6. 3.1.7. 3.1.8. 3.1.9. 3.1.10. 3.1.11. 3.1.12. 3.1.13. 3.1.14. 3.1.15. 3.1.16. 3.1.17. 3.1.18. 3.1.19.
Bruikbaarheid Veiligheid Brandveiligheid Aanvalsplan Ontruimingsinstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduiding Bliksembeveiliging Overspanningsbeveiliging Uitval van elektriciteit (noodstroomvoorziening) (Door)valbeveiliging Veiligheidsaspecten kinderopvang Oproep mindervalidentoilet Camerabewaking (CCTV) Toegangscontrole Aanwezigheids- of persoonsregistratie Inbraakbeveiliging Nacht- c.q. waakverlichting Schrikverlichting Buitenverlichting Legionella
12 12 12 12 13 13 13 13 13 14 14 14 14 14 14 14 14 15 15 15 15
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 2 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.20. 3.2. 3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.2.4. 3.2.5. 3.3. 3.4. 3.4.1. 3.4.2. 3.4.3. 3.4.4. 3.4.5. 3.4.6. 3.4.7. 3.4.8. 3.4.9. 3.4.10.
Terreinafscheiding Toegankelijkheid Toegankelijkheid voor mindervaliden Entrees Horizontaal verkeer Verticaal verkeer Techniek Groenvoorzieningen Materialen Duurzame en onderhoudsvriendelijke materialen en materiaaltoepassingen Vloeren en vloerafwerking Daken, dakafwerkingen en daklichten Buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen Binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen Hang- en sluitwerk Trappen, balustrades en leuningen Plafondafwerking Bestrating Grondbalans
16 16 16 16 16 16 17 17 17 17 18 18 19 19 20 20 20 21 21
4. 4.1. 4.1.1. 4.2. 4.3. 4.3.1. 4.3.2. 4.3.3. 4.3.4. 4.3.5. 4.4. 4.5. 4.5.1. 4.5.2. 4.6. 4.6.1. 4.6.2. 4.6.3. 4.6.4. 4.7. 4.7.1. 4.7.2. 4.7.3. 4.7.4.
Energie en water Energie Energieprestatie Regelinstallatie Verwarming Warmteopwekking Warmteafgifte en -distributie Regeling verwarming Energiezuinige verwarming Beperking warmtelast Koeling Ventilatie Regeling ventilatie Energiezuinige ventilatie Elektra Elektriciteitsvoorziening Energievermindering en PV-panelen Verlichting Infrastructuur Water Visie op waterkringloop Waterleidingnet Warm water Regeling
22 22 22 22 22 22 22 23 23 23 23 23 23 24 24 24 24 24 24 25 25 25 26 26
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 3 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.7.5. 4.7.6. 4.7.7. 4.7.8.
Binnenriolering Hemelwaterafvoer Terreinriolering Waterhuishouding bodem
26 26 26 27
5. 5.1. 5.1.1. 5.2. 5.3. 5.3.1. 5.3.2. 5.3.3. 5.3.4. 5.3.5. 5.3.6. 5.3.7. 5.3.8. 5.3.9. 5.3.10.
Inrichting gebouw en terrein Vaste inrichting gebouw Sanitaire inrichting Vaste inrichting terrein Technische (aansluit)voorzieningen van gebruikersinstallaties Aansluitvoorzieningen t.b.v. vaste en losse inrichting en gebruikersinventaris Wandcontactdozen 230V en 400V Data- en telefooninstallatie Geluidsversterkerinstallatie Lestijdensignaleringssysteem Omroepinstallatie Centrale antenne-installatie (CAI) Tijdinstallatie Toegangscontrole gebruikers CCTV
28 28 28 29 29 29 29 29 30 30 30 31 31 31 31
6. 6.1. 6.2. 6.3.
Aanvullende aandachtspunten Aandachtspunten technisch onderhoud Aandachtspunten schoonmaakonderhoud Aandachtspunten beheer en onderhoud
32 32 32 32
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 4 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
1.
Algemeen Dit technisch Programma van Eisen (TPvE) is een aanvulling op het ruimtelijk en functioneel Programma van Eisen (rfPvE). In dit TPvE worden ontwerpkaders voor de architect en de adviseurs gegeven. Tijdens de ontwikkeling van het ontwerp zullen de technische eisen nader aangevuld en gedetailleerd worden door de architect en de adviseurs. Uitgangspunten voor het TPvE zijn het vastgestelde budget, de wettelijke kaders en de ambitie van de opdrachtgever. Het is verder een doelstelling om een gebouw te realiseren met een optimale Total Cost of Ownership (TCO). Het (technisch) ontwerp zal aan alle relevante wet- en regelgeving en overige overheidsvoorschriften moeten voldoen. Binnen dit kader vallen onder andere: Wet Milieubeheer (Wm). Waterwet. Arbeidsomstandighedenwet. Wet geluidhinder (Wgh). Gemeentelijke bouwverordening. Vigerend bestemmingsplan c.q. Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bouwbesluit, inclusief alle geldende NEN-normen (www.Bouwbesluitonline.nl). Ministeriële richtlijnen. Drank- en Horecawet. Het gebruiksbesluit. De eisen van de plaatselijke nutsbedrijven. EG-wetgeving en –regelgeving. Toegankelijkheid van het gebouw overeenkomstig het Handboek voor Toegankelijkheid. HACCP voor de keuken.
Wet kinderopvang Besluit veiligheid Speel- en Attractietoestellen Eisen die onder de hierboven benoemde regelgeving vallen, worden inhoudelijk niet benoemd. Kwaliteitsniveau Uitgangspunt voor de kwaliteit van de nieuwe huisvesting is het actuele Bouwbesluit, aangevuld met de specifiek vermelde eisen van Frisse Scholen september 2021 waarvan de keuze is opgenomen in het document ‘Advies standaard kwaliteitsniveau bij nieuwbouwschool’ van HEVO, hierna te noemen ‘Tabel Kwaliteitsniveau’. Voor de andere ruimten in het gebouw indien deze afwijken van deze eisen worden deze specifiek benoemd in dit document of geldt het bouwbesluit Voor het Kinderopvang is het kwaliteitskader huisvesting van maart 2019 grotendeels van toepassing. Afwijkingen hierop zijn:
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 5 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Frisse scholen conform Tabel Kwaliteitsniveau. Dus daglicht bouwbesluit met ambitie naar klasse C ENG op basis van eisen onderwijsfunctie. Losse inrichting (inclusief groen) valt buiten de scope van dit TPvE. Tochtsluizen met een diepte van 6m in plaats van 3m toepassen. Voor Cat 6A bekabeling in plaats van Cat 6 opgenomen
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 6 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
2.
Gezondheid
2.1.
Luchtkwaliteit
2.1.1.
Ruimtevolume (plafondhoogte)
2.2.
Plafondhoogte groepsruimten/leerpleinen: Plafondhoogte ruimte jeugd: Plafondhoogte kantoorruimten: Plafondhoogte gangen: Plafondhoogte toiletten: Plafondhoogte speellokaal: Plafondhoogte kinderdagverblijf: Plafondhoogte grote zaal dorpshuis: Plafondhoogte ontmoetingsruimte: Plafondhoogte restaurant/bar dorpshuis: Plafondhoogte para-horecavoorziening
≥ 2,8 m¹. (B) ≥ 2,8 m¹. ≥ 2,6 m¹. ≥ 2,5 m¹. ≥ 2,5 m¹. ≥ 3,0 m¹. ≥ 2,6 m¹ ≥ 4,0 m¹. ≥ 4,0 m¹. ≥ 4,0 m¹. ≥ 3,0 m¹.
Visueel comfort
2.2.1.
Voor onderwijs/groepsruimten zie Tabel Kwaliteitsniveau. Bij keuze klasse B is de CO2concentratie in leslokalen (in de ademzone) tijdens gebruikstijd maximaal 950 PPM. Overleg- of kantoor-/werkruimten met een lage bezetting (1-2 personen) voorzien van een minimale luchtaanvoer en -afvoer van circa 100 m³/h en 50 m³/h per persoon. Voor de ruimten (zalen, ontmoetingsruimte, restaurant/bar) in het dorpshuis wordt de ventilatie bepaald aan de hand van bouwbesluit op basis van bijeenkomstfunctie.
Voor leslokalen/groepsruimten zie Tabel Kwaliteitsniveau. Er wordt bouwbesluit aangehouden. De ambitie is klasse C. Bij klasse C is de daglichtfactor op het werkvlak in de leslokalen gemiddeld over de ruimte minimaal 3%. Voor de ruimten van kinderopvang geldt: Op grond van het Bouwbesluit 2012 moet in elke ruimte waarin kinderen of personeel verblijven, daglicht kunnen binnenvallen, behalve in een slaapvertrek (bedruimte). Voor de ruimtes in het dorpshuis wordt bouwbesluit aangehouden.
Reflectiepercentages Voor de lichttechnische berekeningen dient gerekend te worden met de volgende waarden van reflectiepercentages: Wanden: minimaal 50%. Vloeren: minimaal 20%. Plafonds: minimaal 70%. Vervuilingsfactor: 15%.
2.2.2.
Kunstlicht Verlichtingssterkte ruimten: Groepsruimten/leerpleinen/KDV Personeelskamer:
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
500 lux (B) 300 lux.
Pagina 7 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Kantoren, spreekkamer: Grote zaal, ontmoetingsruimte: Restaurant/bar: Para-horecavoorziening: Ruimte beheerder: Berging, werkkast, techniekruimte: Toiletten: Slaapruimte KDV Verkeersruimte, entree:
500 lux. 300 lux. 300 lux 350 lux. 400 lux. 150 lux. 250 lux. 350 lux 200 lux.
Aanvullende eisen: De lichtkleur dient nader te worden bepaald in overleg met de adviseurs en de opdrachtgever. De installatieadviseur dient de voorzieningen ten behoeve van bijvoorbeeld theaterverlichting en muziekinstallaties af te stemmen met de gebruikers. Deze voorzieningen vallen onder de losse inrichting Lichtsterkte dient op werkbladhoogte met een gelijkmatigheid van 0,7 te worden aangebracht.
2.2.3.
Helderheidswering Helderheidswering en verduisteringsscreens vallen onder het inrichtingsbudget, te organiseren door de school/KDV/Dorpshuis.
2.2.4.
Individuele regelbaarheid In elke ruimte kan de verlichting afzonderlijk worden ingeschakeld. Daarmee wordt de bewegingsdetectie ook geactiveerd die vervolgens voor het uitschakelen zorgt. In sanitaire ruimten aanwezigheidsdetectie toepassen.
2.3.
Akoestisch comfort
2.3.1.
Installatiegeluid Maximaal geluidsniveau in niet-onderwijsruimten als gevolg van installaties: Leerpleinen/groepsruimten: : 35 dB(A). (C) Grote zaal, ontmoetingsruimte: 35 dB(A). Ruimten kinderopvang: 35 dB(A) Slaapruimten KDV: 30 dB(A) Kantoren/spreekkamer/personeelsruimte: 35 dB(A). Bar/restaurant: 40 dB(A). Verkeersruimte: 40 dB(A) (niet zijnde onderwijsruimte). Para-horecavoorziening: 45 dB(A) Sanitair: 45 dB(A). Technische ruimte: 70 dB(A).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 8 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
2.3.2.
Nagalmtijd In onderstaande tabel zijn de eisen inzake de nagalmtijd 1) opgenomen voor nietonderwijsruimten. Ruimtesoort Groepsruimte/leerpleinen/KDV Kleine zaal Grote zaal/restaurant\bar Kantoorruimten
Nagalmtijd in seconden Klasse C niet ingericht 0,8 4) 0,8 1,2-1,8 2) 0,8
1) Gemiddeld over octaafbanden 250 tot en met 2000 Hz in de niet ingerichte ruimte. 2) Af te stemmen op formaat en gebruik 3) Afhankelijk van de grootte van de zaal; KVLO en NOC*NSF geven hier waarden voor. 4) Advies HEVO is de waarde van klasse C voor een niet-ingerichte ruimte te hanteren om
onafhankelijk te zijn van de inrichting, deze voldoet in de praktijk vaak aan klasse B ingericht.
2.3.3.
Lucht- en contactgeluidsisolatie binnen het gebouw In de onderstaande tabel zijn de luchtgeluidsisolatie- en de contactgeluidsniveau-eisen opgenomen voor niet-leslokalen/groepsruimten. Ruimtesoort
Onderwijsruimten/KDV Kantoor-/overlegruimten Grote zaal, ontmoetingsruimte Bar/restaurant, para horecavoorziening Toiletten, Kleine zaal Technische ruimte
Minimale luchtgeluidsisolatie Naar Naar verblijfsverkeersruimte ruimte DnT;A R’w DnT;A R’w
Maximaal contactgeluidsniveau Naar verblijfsruimte
Naar verkeersruimte
[LnT;A in dB]
[LnT;A in dB]
43 39 39
49 42 42
25 25 25
29 29 29
59 59 59
69 69 69
39
42
25
29
59
69
45 39 45
51 42 51
25 25 33
29 29 36
59 59 59
69 69 69
De grote zaal wordt voorzien van een vast podium (50m2) en op 1 plaats een flexibele wand (om de ruimte te splitsen). Medegebruik door de basisschool beperkt zich tot 90m2 van de grote zaal. Hier moet nog nader bepaald worden, wat de gewenste luchtgeluidisolatie moet zijn bij opdeling in 2 ruimten. De para-horecavoorziening en bar/restaurant staan in open verbinding met elkaar, dus kan hier geen geluidsisolatie/contactisolatie worden voorzien.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 9 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
2.4.
Thermisch comfort
Leerpleinen/groepsruimten/KDV conform Tabel Kwaliteitsniveau, keuze klasse B betekent: Een operatieve temperatuur ligt in het stookseizoen tussen 20 en 24°C. Bij passieve koeling geldt een glijdende temperatuurschaal, waarbij de grenswaarden van de temperatuur binnen enigszins oplopen met de buitentemperatuur volgens de volgende formule: operatieve temperatuur binnen = 0,33 lopende gemiddelde buitentemperatuur +18,8 ± 3°C (NEN-EN 15251, annex A2, Cat II). Bij zichtbare actieve koeling ligt de operatieve temperatuur tussen 23 en 26°C. Dit is de wens. De kantoorruimten, spreekruimten en overlegruimten moeten voldoen aan NEN-ISO 7730, klimaatklasse B, t.w.: - 0,5 < PMV < + 0,5. In die situatie zal - zo is uit onderzoek gebleken - meer dan 80% van de aanwezigen zich thermisch behaaglijk voelen. Bij de genoemde PMV hoort het activiteitenniveau voor kantoorwerk (lichte, hoofdzakelijk zittende activiteit) van 1,2 met de thermische weerstand van de kleding kan worden gesteld op 1 CLO in de wintersituatie en 0,5 CLO in de zomersituatie. Er wordt een maximaal aantal van 125 gewogen overschrijdingsuren toegestaan in de temperatuuroverschrijdingsberekeningen. Voor grote zaal, ontmoetingsruimte en bar/restaurant gelden dezelfde eisen als voor de onderwijsruimten
Voor niet-verblijfsruimten gelden de volgende minimale temperaturen Sanitaire ruimten 18°C Verkeersruimten 18°C Bergingen/ werkkasten 15°C
2.4.1.
Temperatuuroverschrijdingsberekening (TOB) Voor TOB’s wordt het referentiejaar RA2008T1 (volgens NEN 5060) aangehouden.
2.4.2.
Aanvullende eisen thermisch comfort Beperking warmtelast in de zomer De buitengevel zodanig ontwerpen (screens, lamellen, zonwerende beglazing) dat aan paragraaf 2.4.1 wordt voldaan. Zonwering uitgevoerd in screens, centraal per gevel zonlicht en wind geregeld, maar decentraal per ruimte. Daarnaast glazenwassersstand centraal bij conciërge. Waar zonwering van toepassing is: centraal en decentraal regelbare zonwering tot windkracht 7 inclusief centrale glazenwassersstand. Luchtsnelheid/draughtrate: 1. Luchtsnelheid in leefzone ’s zomers ≤ 0,23 m/s. 2. Luchtsnelheid in leefzone ’s winters ≤ 0,19 m/s. 3. Draughtrate < 30%.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 10 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Individuele beïnvloeding: Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 4°C binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur. Dit dient regelbaar te zijn in het gebouwbeheersysteem (GBS), in de ontwerpfase dient te worden afgestemd of dit per lokaal bedienbaar moet zijn. De snelheid van de temperatuurregeling is maximaal circa 1°C per half uur. De bedieningsknop voor de temperatuurregeling moet zonder instructie te begrijpen zijn. Indien (buiten)zonwering aanwezig is, dient deze vanuit de groepsruimten bedienbaar (of te overrulen) te zijn.
2.4.3.
Vloertemperatuur
2.4.4.
Alleen vloerverwarming toepassen in KDV ruimten, waarin kinderen op de grond spelen
Stralingsasymmetrie
Geen eis.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 11 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.
Bruikbaarheid
3.1.
Veiligheid
3.1.1.
Brandveiligheid Het ontwerp van de brandmeldinstallatie moet voldoen aan de wettelijke eisen. In dit kader zijn ook van belang: Er dient een efficiënte compartimentering te worden gecreëerd binnen de grenzen van het Bouwbesluit, om dure voorzieningen als brandwerende ramen en kozijnen zoveel mogelijk te beperken. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de ruimten met bedfunctie van het kinderdagverblijf. Het compartiment heeft ene beperkte omvang van maximaal 200 m². Brandslanghaspels bij voorkeur als inbouw in wand uitvoeren. De vrije ruimte aan de onderzijde moet circa 250 mm bedragen in verband met de geleiderol en de afsluiter. De slang van een brandslanghaspel mag niet door een deur van een brandcompartiment gaan (dus niet in (vlucht)trappenhuizen plaatsen). Een draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 6 kilogram sproeischuim (of een vergelijkbaar blusmiddel) behoort aanwezig te zijn in de volgende ruimten, ter keuze aan opdrachtgever (mede met het oog op onderhoud), de levering hiervan geschiedt door de school: (In of nabij) technische ruimten (cv-ruimte, laagspanningsverdeelruimte etc.). Onderwijsruimten met verhoogd brandgevaar. Keuken van de kantine (thermische melder toegestaan). Alle ruimten met een verhoogd brandgevaar.
Voor de ruimten van kinderopvang zijn specifieke brandveiligheidseisen van toepassing: De slaapruimte moet in een beschermd subbrandcompartiment liggen. Dat is een aparte ruimte binnen het gebouw die enige tijd beschermt tegen brand. Het gebouw moet een brandmeldinstallatie, rookmelders, zelfsluitende branddeuren en blustoestellen hebben. Gordijnen, vloerbedekking, versiering, speeltoestellen en meubelen moeten brandveilig zijn.
3.1.2.
Aanvalsplan Met de brandweer moet de situering besproken worden van: Opstelplaats blusvoertuig. Vluchtwegen. Rook- en brandcompartimenten. Brandslanghaspels. Brandhydranten op terrein. Droge blusleidingen (grote of hoge gebouwen). Sleutelkluis. Brandmeldcentrale en bedieningspanelen.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 12 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.3.
Ontruimingsinstallatie Indien een ontruimingsinstallatie verplicht is, dan moet een PvE worden opgesteld dat door de brandweer moet worden goedgekeurd. Vaak kan worden volstaan met een combinatie van een brandmeldinstallatie en signaalgevers. Deze signalen dienen in elke ruimte voldoende (volgens regelgeving) hoorbaar te zijn. Er dient aandacht besteed te worden aan de voorwaarden voor een brandmeldinstallatie. Volgens het bouwbesluit 2021 is een brandmeldinstallatie (met volledige bewaking) noodzakelijk bij een kinderopvang voor kinderen jonger dan vier jaar met een gebruiksoppervlakte van meer dan 200 m2 of als er meer dan zes kinderbedjes zijn op de eerste verdieping of hoger. Automatische doorschakeling naar de brandweer is alleen in het laatste geval van toepassing. Hierbij maakt men voor de signaalgevers gebruik van de energievoorziening van de brandmeldinstallatie. De capaciteit van deze energievoorziening moet hier dan wel op zijn aangepast (zowel primair als secundair). In dit geval is het niet noodzakelijk de uitgaande verbindingen naar de essentiële apparaten, zoals signaalgevers, bedieningspanelen e.d., op storing te bewaken. Bij een dergelijke installatie moet nog worden opgemerkt dat, onafhankelijk van een brandmelding, de ontruimingsinstallatie handbediend in werking moet kunnen worden gesteld door middel van een bedieningspaneel.
3.1.4.
Noodverlichting De noodverlichting moet aangelegd worden conform wet- en regelgeving.
3.1.5.
Vluchtwegaanduiding De vluchtwegaanduiding moet aangelegd worden conform wet- en regelgeving. De (permanent verlichte) vluchtwegaanduidingen met pictogrammen kunnen gecombineerd worden met de noodverlichting. Er dient rekening gehouden te worden met de specifieke voorschriften uit het bouwbesluit voor kinderopvang met bedgebied.
3.1.6.
Bliksembeveiliging De regelgeving vereist geen bliksembeveiliging, die dus ook niet wordt toegepast.
3.1.7.
Overspanningsbeveiliging De inrichting van de overspanningsbeveiliging is afhankelijk van de omvang van de school. Uitgangspunt is één grofbeveiliging op de hoofdverdeler en vier middenbeveiligingen per 5.000 m² bvo. Daarvoor is het noodzakelijk om in de hoofdverdeelkast en in of nabij eventuele verdeelkasten met voedingen voor gevoelige apparatuur overspanningsafleiders aan te brengen: Een grofbeveiliging in de hoofdverdeelinrichting (25 kA, klasse B). Een middenbeveiliging in de onderverdeelinrichtingen (klasse C).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 13 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.8.
Uitval van elektriciteit (noodstroomvoorziening) De volgende installatieonderdelen worden voorzien van een noodstroomvoorziening (op basis van accu): Noodverlichting (centraal of decentraal, tegenwoordig meestal decentraal). Brandmeldinstallatie (indien van toepassing). Ontruimingsinstallatie. Omroepinstallatie. Inbraakbeveiligingsinstallatie. ICT-servers (eigen UPS, dit betreft inrichting).
3.1.9.
(Door)valbeveiliging Deze dient te voldoen aan het Bouwbesluit. Houd hierbij rekening met opstelling van eventuele luchtbehandelingskasten en PV-panelen.
3.1.10.
Veiligheidsaspecten kinderopvang Voor de ruimten van een kinderopvang dient rekening gehouden te worden met de volgende eis: Vloeren en hekken hebben eisen voor hoogteverschil en openingen zodat kinderen niet kunnen vallen of vast komen te zitten.
3.1.11.
Oproep mindervalidentoilet Het mindervalidentoilet moet worden voorzien van een signalering door middel van een trekkoord, een trekschakelaar en een bel met signaleringslamp. Deze moeten op een goed zichtbare plaats worden aangebracht. Registratie van deze signalering vindt plaats in de centrale receptie.
3.1.12.
Camerabewaking (CCTV) Het datanetwerk wordt ook gebruikt voor de camerabewaking. Aantal en locaties afhankelijk van het ontwerp, te bepalen door de installatieadviseur in overleg met de opdrachtgever. De camera’s zelf vallen onder het inrichtingsbudget.
3.1.13.
Toegangscontrole Er zijn geen eisen met betrekking tot toegangscontrole.
3.1.14.
Aanwezigheids- of persoonsregistratie Er komt geen aanwezigheids- of persoonsregistratie.
3.1.15.
Inbraakbeveiliging
Het ontwerp van de inbraakalarminstallatie moet voldoen aan de volgende eis: BORG. Alle buitentoegangsdeuren niveau B2 (3 minuten inbraakwerend). Zo mogelijk één buitendeur als hoofdtoegangsdeur aanmerken (de deur die toegang geeft tot het codebediendeel en waarboven de optische alarmgever aangebracht wordt). Het hang- en sluitwerk van de hoofdtoegangsdeur dient te voldoen aan het niveau B2 (een inbraakwerendheid van 3 minuten).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 14 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Toepassing van cilinders met certificaat voor de hoofdtoegangsdeur, en deuren van compartimenten. Gevelelementen, waaronder te verstaan ramen en deuren dienen te voldoen aan het niveau B2. Buitendeuren, niet zijnde de hoofdtoegangsdeur, moeten zijn of worden voorzien van blinde buitenschilden, tenzij deze deur(en) ook van buitenaf geopend moet kunnen worden. Het hang- en sluitwerk van buitendeuren dient te voldoen aan het niveau B2. Doel hiervan is te voorkomen dat andere ingangen dan de hoofdtoegang worden gebruikt voor toegang en als zodanig ongewenst alarm zou kunnen ontstaan. De buitendeuren die niet zijn voorzien van blinde buitenschilden dienen voorzien te zijn van cilinders/sleutels met een certificaat. Opslagruimte waardevolle spullen inbraakwerend uitvoeren niveau C2 (10 cm steenachtige wanden, massieve deur 38 mm met 3 minuten inbraakwerend hang- en sluitwerk).
Bij het ontwerp van het gebouw moet in het kader van inbraakpreventie daarnaast aandacht zijn voor: Het vermijden van donkere gebouwhoeken. Toepassen van (schrik)verlichting bij poorten etc. Hang- en sluitwerk conform klasse BRL 3104 SKG 2 sterren. Het vermijden van opklimbaarheid. Het op de begane grond van binnenuit beglazen van ramen. Voorzie daarnaast puien die grenzen aan openbare ruimten van zo min mogelijk draairamen.
3.1.16.
Nacht- c.q. waakverlichting Ter vermindering van de kans op inbraak dient een waakverlichting te worden aangebracht. De directie- en administratieruimten, alsmede lokalen op de begane grond en zichtbaar vanaf de openbare weg, dienen aan het plafond aan de gangzijde voorzien te worden van een armatuur met minimaal 15 lux lichtopbrengst in de ruimte, welke tezamen met enkele armaturen van de gangverlichting centraal geschakeld kunnen worden door middel van een schemeringsschakelaar. Bij het overdag inschakelen van de gangverlichting mogen de waakverlichtingsarmaturen in de lokalen niet mee ingeschakeld worden. In sommige gevallen kan de waakverlichting met de noodverlichting worden gecombineerd.
3.1.17.
Schrikverlichting Er wordt niet in schrikverlichting (gevel) voorzien.
3.1.18.
Buitenverlichting In verband met sociale veiligheid en inbraakbeveiliging wordt nabij entrees, fietsenstallingen en parkeerplaatsen buitenverlichting aangebracht. Hiervoor ledverlichting toepassen.
3.1.19.
Legionella Installaties voor warm en koud tapwater uitvoeren conform bepalingen in ISSO-publicatie 55.1 Legionellabestrijding.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 15 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.20.
Terreinafscheiding Het schoolplein dient dermate te worden afgescheiden dat het niet makkelijk toegankelijk is ter voorkoming vandalisme en inbraak. Een nadere invulling hiervan is onderdeel van het ontwerptraject.
3.2.
Toegankelijkheid
3.2.1.
Toegankelijkheid voor mindervaliden Eisen met betrekking tot toegankelijkheid voor mindervaliden conform Bouwbesluit. In het kader van de toegankelijkheid voor mindervaliden zijn de volgende aandachtspunten van belang: Breng bedieningsknoppen, sluitwerk en apparatuur aan op een hoogte van 90 tot 120 cm. Stem ook een deel van de loketten, balie, toonbanken, buffetten en garderobes op mindervaliden af. Creëer extra manoeuvreerruimte bij de toegangen tot het mindervalidentoilet en de lift. In verband met de integrale toegankelijkheid moeten mindervalidentoiletten worden opgenomen. Het aantal wordt bepaald door het Bouwbesluit, zoals ook uitgebreid beschreven is in het Handboek voor Toegankelijkheid.
3.2.2.
Entrees Pas om tochtverschijnselen te voorkomen tochtsluizen toe. Breng een voldoende lange schoonloopzone aan. Deze kan bestaan uit verdiept liggende metalen roosters buiten en binnen een schoonloopmat van het type Coral Duo of gelijkwaardig.
3.2.3.
Horizontaal verkeer Om opstoppingen te voorkomen moeten deuren, gangen, trappen en deurbreedtes zoveel mogelijk op piektijden worden afgestemd. Afsluitbaarheid, compartimentering en partieel gebruik Als er in de school sprake is van verhuur of gebruik door derden, dienen de betreffende delen van het gebouw in afsluitbare zones onder te worden gebracht, waarbij iedere afsluitbare zone van toereikend sanitair is voorzien. De beschikbaarheid van vluchtwegen moet natuurlijk ook geborgd blijven.
3.2.4.
Verticaal verkeer In een gebouw met meerdere bouwlagen dient een goede spreiding van trappen te worden gerealiseerd. De minimale breedte van trappen bedraagt 1,5 meter. De breedte wordt bepaald aan de hand van de piekhoeveelheid gebruikers. Mindervaliden- en goederentransport De niveauverschillen per verdieping dienen zoveel mogelijk te worden beperkt. Het vloeroppervlak van de liftkooi meet inwendig minimaal 1,10 x 1,40 m en heeft een sleutelschakeling aan de buitenzijde van de liftkooi. Het type lift dient afgestemd te worden op
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 16 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
het gebruik en de hoogte van het gebouw; tot twee bouwlagen kan een platformlift volstaan. De liftinstallatie moet worden gekeurd door het Nederlands Instituut voor Lifttechniek. Voor een gebouw waar de hoogste verdiepingsvloer boven de 20 meter ligt, is een brandweerlift vereist.
3.2.5.
Techniek Het is noodzakelijk dat de technische installaties in een gebouw eenvoudig bereikbaar zijn om deze te onderhouden, repareren of vervangen. Zie hieronder de aanbevelingen hiervoor. Kruipruimten Er wordt minimaal een kruipruimte toegepast onder de delen waar leidingen onder de vloer liggen, maar bij voorkeur onder het gehele schoolgebouw. Aandachtspunten voor deze kruipruimten zijn: Voldoen aan de Arbo-voorschriften (werken in afgesloten ruimten). Minimale vrije hoogte 650 mm. Kruipluiken zodanig aanbrengen dat de afstand tot installatieonderdelen en tussen twee kruipluiken onder de vloer maximaal 20 meter is, rekening houdend met de fundering en indelingen. Vorstvrije en droge aanleg. Zwak geventileerd. Bodemafsluiting. Drainage bij hoge grondwaterstand en/of bij slecht waterdoorlatende grondlagen. Schachten Bij het toepassen van een schacht gelden de volgende aandachtspunten: Goede toegankelijkheid van schachten door deuren of toegangsluiken. Roosters op vloerniveau voor noodzakelijke veiligheid. Goede geluidsisolerende eigenschappen.
3.3.
Groenvoorzieningen Er worden geen groenvoorzieningen in het gebouw voorzien. In een drainagesysteem voor de beplanting wordt niet voorzien.
3.4.
Materialen
3.4.1.
Duurzame en onderhoudsvriendelijke materialen en materiaaltoepassingen Bij de keuze van bouwmaterialen dient gebruik gemaakt te worden van de Trias Ecologica of driestappenstrategie, namelijk: Voorkom onnodig materiaalgebruik (hergebruik, minimaliseren hoeveelheden, voorkomen bouwafval). Gebruik eindeloze bronnen (bijvoorbeeld natuurlijke materialen zoals hout, vlas). Gebruik eindige bronnen effectief (slank construeren, gebruik secundaire grondstoffen, gebruik sloop- of kringloopmateriaal, maak constructies demontabel, gebruik standaardmaten, creëer geen hybride materialen die niet meer te scheiden zijn voor hergebruik).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 17 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.4.2.
Alle toe te passen materialen dienen makkelijk reinigbaar, milieuvriendelijk en onderhoudsarm te zijn. Zorg bij voorkeur voor demontabele onderdelen en herbruikbare of hergebruikte materialen/onderdelen in het kader van circulair bouwen. De toepassing van circulaire materialen moet passen binnen de budgettaire kaders. Aanvullende budgettering zal door de Stuurgroep worden besloten op basis van een TCO analyse.
Vloeren en vloerafwerking Eisen voor de vloeren: Het draagvermogen afstemmen om het gebouw en de inhoud te kunnen dragen. Uitgangspunten in relatie tot de vloerafwerking: Een vloerafwerking moet worden afgestemd op het beoogde gebruik in die ruimte. In dit kader zijn vooral reinigbaarheid, krasvastheid, slijtvastheid, gladheid en onderhoudskosten van belang. Voor de gladheid is een norm beschikbaar voor de antislipwaarde van een vloer; de DIN 511130-92. Voor een onderwijsruimte geldt klasse R9. In de keuken/uitgifte moeten conform de HACCP-normen alle vloeren volgens dit voorschrift worden afgewerkt, antislipklasse R10/R11. Bij de overgangen naar tegelvloeren bij sanitaire ruimten dorpels toepassen. Vloeren in toiletruimten urinedicht en naadloos afwerken en een holplint toepassen. Voor vermindering van het schoonmaakonderhoud is een combinatie van een schoonloopmat en een droogloopmat aan te bevelen. Deze moeten een minimale lengte hebben van 4 m¹, buiten dienen afdoende schraap-/persroosters of gelijkwaardig aangebracht te worden. Bij de toepassing van linoleum of een gietvloer op een begane grondvloer zonder droge kruipruimte een vochtscherm toepassen, zodat optrekkend vocht en dus vochtschade wordt voorkomen. Bij overgang van natte naar droge ruimten, dorpels op de afscheiding aanbrengen.
In de fietsenstalling en de techniekruimte bijvoorbeeld een gevlinderde betonvloer of losse betontegels toepassen; indien noodzakelijk met carborundum toeslag.
3.4.3.
Daken, dakafwerkingen en daklichten In het algemeen geldt voor het dak het volgende: Als er op het dak installaties komen, moeten deze met tegelpaden (breed minimaal 0,6 m) bereikbaar zijn. Het dak moet van binnenuit bereikbaar zijn. Blijvend afschot van ten minste 15 mm per m¹. Dakopstanden voldoende hoog, ten minste 120 mm. Nagaan of het mogelijk is om de geveldakopstand zó hoog te maken dat een aparte valbeveiliging voldoende is. Voor de dakafwerking zijn de isolatie en de waterdichte afdichting van belang. Het dak moet geschikt zijn voor plaatsing van PV panelen. (ook brandweer technisch)
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 18 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Algemene eisen daklichten: Eventueel aan te brengen lichtkoepels en lichtstraten dienen dubbelwandig en in slagvast materiaal uitgevoerd te worden. Koepels dienen inbraakwerend gemonteerd te worden.
3.4.4.
Buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen Aandachtspunten voor buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen: Gevels moeten met eenvoudig materieel bereikbaar zijn voor reiniging en onderhoud, zodat er geen dure gevelonderhoudinstallatie noodzakelijk is (bijvoorbeeld een vlak en toegankelijk pad van 2 m¹ breed). Voorzie de onderste bouwlaag van het gebouw zoveel mogelijk van vandaalbestendige materialen. Veiligheidsbeglazing toepassen waar noodzakelijk.
3.4.5.
Binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen Aandachtspunten ten aanzien van binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen: Voor niet-dragende wanden is het aan te bevelen om eenvoudig te plaatsen en te slopen tussenwanden toe te passen, zodat bij een verbouwing de overlast van stof en afvalmaterialen beperkt blijft. Denk in dit kader ook aan de plaatsing van bekabeling/ schakelaars; bij voorkeur niet in te verplaatsen wanden. Niet-dragende wanden moeten boven het plafond worden doorgezet tot aan de bouwkundige vloer ter voorkoming van omloop- en overspraakgeluid. In sanitaire ruimten sanitaire volkern wandsystemen toepassen, zodat deze ruimten gemakkelijk te reinigen zijn. Ruimte tussen vloer-wand en wand-plafond moet 0,15 m bedragen, afhankelijk van de balans tussen schoonmaakbaarheid, sociale controle en ongewenst gluren. Nagaan welke wanden gewenst zijn in de overige toiletten. Wandafwerking: pas een doelgroepbestendige, onderhoudsarme wandafwerking toe die past bij de locatie in de ruimte. Bijvoorbeeld wanden met spaanplaat-melamine lambrisering met erboven sauswerk op glasvezelbehang of spuitwerk. Pas onderhoudsarme plinten toe, overweeg in de wand verwerkte plinten (lambrisering als plint of dunne aluminium plinten). Hoekbeschermers aanbrengen bij binnenwanden waarlangs intensief verkeer te verwachten is.
Waar deuren tegen wanden, kolommen etc. kunnen slaan, vloerstoppen of stootrubbers aanbrengen. Stompe deuren toepassen. Deuren moeten stootvast zijn en afgewerkt met onderhoudsvrij materiaal. De afwerking van een binnendeur moet glad en goed afwasbaar zijn. Deuren en kozijnen in brandscheidingen uitvoeren met gecertificeerd systeem (deur, kozijn en glas).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 19 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
De wanden van de volgende ruimten dienen afgewerkt te worden met wandtegels of een waterdichte coating: Toiletten, doucheruimten en keukens. In werkkasten en practicumruimten (circa 1 m²) ter plaatse van de uitstortgootsteen. Pantry’s ter plaatse van het aanrecht (tot circa 60 cm) boven het aanrechtblad. In de keuken/uitgifte wordt op commerciële basis voedsel (voor)bereid. Daarom zijn hier de HACCP-normen van toepassing. In ruimten waar deze HACCP-normen van kracht zijn, moeten alle betreffende wanden volgens voorschrift worden betegeld of worden voorzien van waterdichte coating.
3.4.6.
Hang- en sluitwerk
3.4.7.
Te openen delen bij binnenwand- en buitenwandopeningen ook van sluitwerk voorzien. Het sluitplan tijdens de ontwerpfase in overleg met de school en beheersstichting opstellen. Alle deuren voorzien van een gelijksluitend sleutelsysteem in meerdere niveaus en met generale hoofdsleutel. Elektronische sleutels hebben de voorkeur voor leerlingenentree en hoofdentree. Hang- en sluitwerk moet passen bij de zwaarte van de deur (deuren afhangen met minimaal drie scharnieren of paumelles) en moet berekend zijn op zwaar en intensief gebruik. Sluitplaten type langschild, door en door bevestigen in verband met zwaar en intensief gebruik. Alle deuren voorzien van deurstoppers op wand en/of vloer. Buitendeuren voorzien van windvanger en deurstopper.
Trappen, balustrades en leuningen Voor trappen, balustrades en leuningen geldt dat: De aantreden stroef en slijtvast moeten zijn. De breedte van de trap op het te verwachten aantal gebruikers wordt afgestemd, dat afhankelijk is van het ontwerp, met een minimum (tussen de leuningen) van 1.500 mm. Bij trappen breder dan 2.200 mm een tussenleuning toegepast moet worden. Bij hoogteverschillen > 2.400 mm een tussenbordes toegepast moet worden. Stalen trappen bij een onjuiste detaillering geluidsoverlast veroorzaken; hiertegen moeten maatregelen genomen worden.
3.4.8.
Plafondafwerking Bij de keuze van de toe te passen plafonds dient rekening te worden gehouden met: Geluidsabsorptie dient te voldoen aan de eisen als gesteld in dit document. Kleur. Donkere kleuren hebben een slechtere reflectiewaarde en zorgen ervoor dat er meer verlichtingsvermogen moet worden toegepast om de verlichtingssterkte te halen. Het voorkomen van geluidslekken (vooral boven verlaagde plafonds bij sterk geluidsisolerende binnenwanden). Brandveiligheid.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 20 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Het voorkomen van stofophoping. Boven het plafond geplaatste installatievoorzieningen; deze dienen eenvoudig bereikbaar te zijn. Eenvoudig te de- en hermonteren systeemplafonds. Eenvoudig te demonteren plafondplaten, dus bij voorkeur platen van maximaal 600 x 1.200 mm² en niet toepassen van verdekt systeem. Bereikbaarheid van technische onderdelen waarborgen. Zo min mogelijk sprongen in hoogte van plafonds, tenzij deze bij scheidingen van ruimten zijn opgenomen. Toepassing van waterbestendige plafonds in vochtige ruimten. In het plafond te plaatsen installaties, zoals verlichting, roosters, sensoren etc. De benodigde opstelruimte van vouw- of panelenwanden. In speellokaal balvast plafond toepassen.
In de volgende ruimten zijn geen (systeem)plafonds nodig: Technische ruimten. Bergingen.
3.4.9.
Bestrating
3.4.10.
Buitenbestrating terrein in nader overleg met school/KDV/Dorpshuis uitwerken. Bestrating langs de gevel dient zodanig gerealiseerd te worden dat gevelreiniging op een eenvoudige wijze mogelijk is.
Grondbalans Een plan ontwikkelen met een, op de locatie, gesloten grondbalans, zodat er (in principe) geen grond aan- of afgevoerd hoeft te worden, tenzij een andere grondsoort nodig is voor een specifieke toepassing.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 21 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.
Energie en water
4.1.
Energie
4.1.1.
Energieprestatie De energieprestatie dient minimaal ENG (Energie Neutraal Gebouw) te zijn.
4.2.
Regelinstallatie
De te realiseren warmte- en luchttechnische installatie dient opgebouwd te zijn uit een aantal afzonderlijke groepen. Elke groep dient voorzien te worden van een eigen temperatuurregeling. Het verdient de voorkeur ruimten met een gelijk gebruiksprofiel in de plannen te clusteren. Het aantal groepen en de omvang van deze groepen dient afgestemd te zijn op het gebruiksprofiel van de betreffende ruimten. Nader overleg met school/KDV/Dorpshuis over de indeling is noodzakelijk tijdens de ontwerpfase. Er dient een gebouwbeheersysteem te worden toegepast in webbased uitvoering op basis van open source/software en met een gebruiksvriendelijk dashboard. Verder dient het systeem te bestaan uit eenvoudige digitale regelapparatuur in een standalone uitvoering met koppeling op het gebouwbeheersysteem. De installaties moeten regeltechnisch gezoneerd worden ten behoeve van het avondgebruik. De installaties mede ontwerpen op een verlaagde nachttemperatuur, gebaseerd op een optimaal opstookprogramma vanuit de regelinstallatie. Het gebouwbeheersysteem dient een historie- en logboekfunctie over meerdere jaren (minimaal 5 jaar) te bezitten. Een optimaliseringsapparaat toepassen met centrale klok. De regeling dient minimaal uitgevoerd te zijn met een dag-, avond-, week- en jaarklok. In het gebouw worden slimme meters toegepast voor bemetering van gas, water en elektra.
Deze meters zijn voorzien van pulsen en zijn aangesloten op de regelinstallatie. Voor de gebruikersinstallatie wordt de elektra apart bemeterd. Het energieverbruik wordt geregistreerd in het gebouwbeheersysteem. Voor optimalisatie werking installatie en energieverbruik moet een monitoringstool zoals bijvoorbeeld E-view worden toegepast.
4.3.
Verwarming
4.3.1.
Warmteopwekking De wijze van warmteopwekking wordt bepaald door de installatieadviseur in samenspraak met de school/KDV/Dorpshuis en het ontwerpteam, met als uitgangspunt zo energiezuinig mogelijk, met een koel- en verwarmingsoptie.
4.3.2.
Warmteafgifte en -distributie Om de minimale temperatuur te halen moet er, zeker in de wintermaanden, warmte aan de ruimten worden overgedragen. Dit kan door lucht, convectie of stralingsverwarming. Voor alle verwarmingssystemen geldt dat ze: Afsluitbaar en inregelbaar moeten zijn.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 22 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Per groep of radiator regelbaar moeten zijn. Flexibel moeten zijn om later nog gewijzigd te kunnen worden.
Groepsindelingen zijn noodzakelijk om de verwarmingsinstallatie optimaal te regelen. Afhankelijk van het ontwerp zijn er separate groepen gewenst voor: Luchtverwarming. Boilers (bij voorkeur direct gestookte). Restauratieve voorzieningen. Clusters/gebouwdelen met andere bedrijfstijden. Indien radiatoren of andere verwarmingslichamen toegepast worden op locaties waar leerlingen hier op kunnen gaan staan of zitten, maatregelen nemen om dit geheel te voorkomen of de verwarmingslichamen dusdanig bevestigen dat deze het extra gewicht kunnen dragen. In verband met schoonmaakbaarheid bij voorkeur geen radiatoren toepassen. Houd rekening met de functie en bezetting van de ruimte, in kantoren is meestal een andere warmtevraag (eerder en meer) dan bij lokalen.
4.3.3.
Regeling verwarming
4.3.4.
Energiezuinige verwarming
4.3.5.
Verwarming is voorzien van weersafhankelijke voorregeling van aanvoerwatertemperatuur. Verwarming kan per ruimte worden ingeregeld. Naregeling kantoren voorzien.
Benut zoninstraling in de winter en voorkom deze in de zomer. Realiseer een compartimentering van de verwarming die is gerelateerd aan het gebruik van de ruimten. Beperk transmissieverliezen door het ontwerpen van een compact gebouw Beperk temperatuurverschillen tussen ruimten.
Beperking warmtelast Maatregelen nemen om de warmtelast te beperken, zoals buitenzonwering.
4.4.
Koeling Voor de serverruimte, waar de servers zijn voorzien, moet specifiek op deze voorzieningen aangepaste airco worden voorzien. De maximale temperatuur in deze ruimte is 25°C. Patchkasten voorzien van 100 m³/h ventilatie in verband met de warmtelast van de switches.
4.5.
Ventilatie
4.5.1.
Regeling ventilatie De ventilatie is voorzien van een regeling afhankelijk van het gebruik (bijvoorbeeld tijdsafhankelijk aan- en uitschakelen en CO2-sturing bij lokalen).
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 23 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.5.2.
Energiezuinige ventilatie Bij gebalanceerde ventilatie dient warmteterugwinning (wtw) met een rendement van minimaal 75% toegepast te worden en deze dient te voldoen aan de ErP 2018. Ook dient er maximale vochtterugwinning via het warmtewiel plaats te vinden.
4.6.
Elektra
4.6.1.
Elektriciteitsvoorziening Het elektrisch vermogen wordt voorzien door een elektrische nutsaansluiting. Afhankelijk van de capaciteit van deze aansluiting zal een trafo noodzakelijk zijn. Er moet op de begane grond of op het terrein een transformatorruimte (traforuimte) komen. Afstemming met nutsbedrijven hierover moet tijdig in het ontwerpproces plaatsvinden door de installatieadviseur.
4.6.2.
Energievermindering en PV-panelen Om op elektrotechnisch gebied het energiegebruik te beperken moet in eerste instantie het benodigde elektrisch vermogen worden beperkt. Vervolgens kan (een deel van) de elektrische energie duurzamer worden opgewekt. De brandveiligheid van het dak bij plaatsing van PV panelen vergt wel afstemming met verzekering. Dit kunnen significant hogere eisen stellen. Er wordt nu uitgegaan met huidige gangbare eisen.
4.6.3.
Verlichting
4.6.4.
In alle ruimten bewegingsdetectieschakeling die overbrugbaar is. Centraal uitschakelen van kracht- en lichtgroepen buiten gebruikstijden. Veegschakeling per verdieping. Regeling afstemmen op hoeveelheid daglicht (bijvoorbeeld daglichtafhankelijke regeling). Algemene ruimten zijn centraal te schakelen. In speellokaal balvaste armaturen toepassen.
Infrastructuur De leidinglengtes van grote vermogens dienen zo klein mogelijk gehouden te worden. Eisen met betrekking tot de infrastructuur: Vanuit de hoofdaansluiting wordt de hoofdverdeelinrichting gevoed, die voorzien is van een reservecapaciteit van 20%. Vanuit deze hoofdverdeelinrichting worden door middel van voedingsleidingen en kabelwegen de verdeelinrichtingen aangesloten. In een aparte afgaande groep ten behoeve van PV-panelen voorzien.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 24 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
De voedingsleidingen moeten zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen worden aangelegd. Bekabelingen voor sterkstroom en zwakstroom moeten in afzonderlijke compartimenten komen. Voor de data- en telecommunicatie moet in de kabelgoten in een gescheiden compartiment worden voorzien. Dit laatste geldt zowel voor horizontale als voor verticale leidingen. Verticale opbouwleidingen dienen in een slagvaste buis te worden ondergebracht.(opbouw zoveel mogelijk vermijden). Voor de voeding van warmte- en luchttechnische installaties en liftinstallaties moeten afzonderlijke voedingskabels de hoofdschakelinrichting met de verdeelinrichtingen verbinden. Ook deze subverdeelinrichtingen moeten geschikt zijn voor een vermogenstoename van 20%. De schakel- en verdeelinrichtingen moeten voldoen aan de volgende eisen: 20% reservegroepen en effectieve uitbreidingsruimte voor latere toevoegingen en wijzigingen. Een standaard berekende hoofdschakelaar en installatieautomaten voor de eindgroepen. Per bouwdeel minimaal één gecombineerde verdeelkast voor licht en krachtstroom.
4.7.
Water
4.7.1.
Visie op waterkringloop In de ontwerpfase dient de waterkringloop in de school beoordeeld te worden om duurzaam om te gaan met drinkwater. Daarbij geldt het minimaliseren van het gebruik door: Waterbesparende (met uitstroombegrenzing door middel van drukknoppen) en vandaalbestendige kranen toe te passen. Het aantal warmwaterpunten te beperken. Kranen zo te selecteren dat de handen goed onder de waterstraal gehouden kunnen worden. Toiletten van een waterzuinige spoeling te voorzien. Keerkleppen conform regelgeving toe te passen. Minimaal 1 afsluiter per verdieping toe te passen.
4.7.2.
Waterleidingnet Voor de waterinstallatie moet er een waterleidingnet worden aangelegd vanaf de watermeter tot aan de diverse sanitaire aansluitpunten. Aan de buitengevel afsluitbare koudwatertappunten opnemen in overleg met school/KDV/Dorpshuis. Eisen met betrekking tot waterleidingen: Koudwaterleidingen moeten dampdicht zijn geïsoleerd. Waterleidingen waaraan vorstschade kan ontstaan, moeten worden voorzien van een zelfregelende elektrische leidingverwarming en isolatie. Dit dient tot een minimum te worden beperkt.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 25 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.7.3.
Warm water Of warm water centraal of decentraal wordt opgewekt is afhankelijk van de capaciteitsberekening en de locaties waar warm water nodig is. Veel toegepast zijn: elektrische of gasgestookte boiler, combiketel of zonneboiler. De installatieadviseur moet bij de uitwerking van het plan een onderbouwde keuze maken. Warmwaterleidingen moeten zoveel mogelijk in lengte worden beperkt en thermisch worden geïsoleerd, met uitzondering van de in het zicht gemonteerde leidingen. In onder andere de volgende ruimten moeten warmwaterpunten komen: Werkkasten. Keuken. Doucheruimte. Pantry’s. Toiletruimten voor medewerkers. De installatieadviseur dient in overleg met de school per ruimte de aantallen koud- en warmwateraansluitingen te bepalen. Er komt geen warm water op de wastafels in sanitaire ruimten.
4.7.4.
Regeling Koudwaterleidingen niet aanleggen bij ‘hotspots’, omdat deze dan kunnen opwarmen. Legionellavrij ontwerpen conform passende normen.
4.7.5.
Binnenriolering
4.7.6.
Hemelwaterafvoer
4.7.7.
In de toiletgroepen vloerputjes aanbrengen. In de keuken ook een vloerputje aanbrengen. In de afvoer van de wastroggen moet een gipsopvangbak worden opgenomen. Bij toepassing van kunststof leidingen in de keuken (heet water) dienen deze doorlopend ondersteund te worden. Op tactische locaties dienen ontstoppingspunten gemaakt te worden.
Volvul hemelwaterafvoersysteem toepassen (Pluvia of gelijkwaardig). Als binnen het gebouw hemelwaterafvoeren worden opgenomen, moeten deze plaatselijk dampdicht en akoestisch worden geïsoleerd, zodat ze voldoen aan de akoestische eisen van het gebouw. Inpandige pluvia’s moeten goed bereikbaar zijn. Horizontale en verticale hemelwaterafvoeren binnen de gevel en het dak isoleren in verband met condensvorming en geluid.
Terreinriolering
De waterafvoer van de terreinverharding (terreinriolering) moet worden aangesloten op de hemelwaterafvoer voor de daken. Slibvangers en vetafscheiders zo dicht mogelijk bij de afvoerputten/aansluitpunten plaatsen en zodanig dat deze eenvoudig te reinigen zijn en/of bereikbaar zijn voor reinigingsvoertuigen.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 26 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.7.8.
Vanuit de bouw rekening houden met goed bereikbare ontstoppingsputten (binnen en buiten het pand) voor het riool.
Waterhuishouding bodem De hemelwaterafvoer, infiltratie en/of opvang realiseren op basis van eisen van de gemeente en het bestemmingsplan. Ga uit van opvang van hemelwaterafvoer op eigen terrein.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 27 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
5.
Inrichting gebouw en terrein
5.1.
Vaste inrichting gebouw Voor vaste inrichting moeten de volgende onderdelen worden opgenomen: Een adequate bewegwijzering door het gehele gebouw en buitenterrein. Deze bewegwijzering staat los van de (elektronische) aanduidingen van de vluchtwegen. Lokaalaanduidingen (inclusief ruimtenummers). Gevelopschrift (naam MFA). Vaste keukenvoorzieningen (dorpshuis): Aanrechtbladen met spoelbak en waterkraan. Aanrechtkasten. Boven keukenkasten. Nader te bepalen (inbouw)apparatuur. Inclusief afzuigkap Afwasvoorziening Vaste pantryvoorzieningen (school): Aanrechtblad met spoelbak en waterkraan. Aanrechtkastjes. Nader te bepalen (inbouw)apparatuur (budget inrichting, niet budget bouw). Vaste pantryvoorzieningen (school, onderbouw, 3 stuks): Aanrechtblad 1,2m lang met spoelbak en waterkraan en onderkastje. Brandveilige brievenbus. Brandweerbuis en/of brandweerkastje (in overleg met brandweer te bepalen en nabij hoofdentree inmetselen of vastlassen). Zorg voor achterhout voor digiborden (let daarbij op de dikte van de wand wanneer borden aan beide zijden van één wand worden toegepast). Vast podium van 50m2. Specificaties in ontwerp nog verder uit te werken Barmeubel. Specificaties in ontwerp nog verder uit te werken
5.1.1.
Sanitaire inrichting Vaste sanitaire inrichting die moet worden opgenomen als onderdeel van het bouwbudget: Vrij hangende toiletpotten en kindertoiletten Wastafels. Uitstortgootstenen. Wastroggen. Spiegels in sanitaire ruimten, bij voorkeur vlak in tegelwerk aanbrengen met ruimte tussen wastafel en spiegel voor zeepdispenser. Kledinghaken. Alle sanitaire toestellen voorzien van een stopkraan. Alle sanitaire ruimten zijn van het water af te sluiten door middel van één kraan boven het systeemplafond.
1688401-0065.2.0, d.d. 13 juni 2022
Pagina 28 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
5.2.
De toestellen worden uitgevoerd in standaard wit kristalporselein van een A-merk. De voorgeschreven aantallen en de uitvoering van de sanitaire toestellen kunnen in overleg met de opdrachtgever worden gewijzigd.
Vaste inrichting terrein
Bestrating met betonklinkers Voldoende groen op terrein Afscheiding voor speelplaats KDV en onderbouw door een laag hekwerk met poorten Pas een combinatie toe van oplossingen voor het stallen van 100 fietsen, zoals: Een aantal ‘nietjes’ die voorkomen dat te grote aantallen fietsen (tegelijk) omvallen (bijvoorbeeld 1 nietje ten opzichte van 12 fietsen). Traditionele fietsenstandaard op het voorwiel. Een overdekte fietsenstalling voor medewerkers voor 30 fietsen inclusief minimaal 6 oplaadpunten voor elektrische fietsen en krachtsroom. Op het terrein moet rekening worden gehouden met de plaatsing van afvalcontainers.
5.3.
Technische (aansluit)voorzieningen van gebruikersinstallaties
5.3.1.
Aansluitvoorzieningen t.b.v. vaste en losse inrichting en gebruikersinventaris Voor een nuttig gebruik van elke ruimte dienen op de functie van die ruimte afgestemde (technische) voorzieningen te worden opgenomen. Locatie en aantallen te bepalen door installatieadviseur in overleg met de school.
5.3.2.
Wandcontactdozen 230V en 400V Voor algemeen gebruik en gebruikersinstallaties De installatieadviseur bepaalt in overleg met de school de aantallen wandcontactdozen voor algemeen gebruik en gebruikersinstallaties. De benodigde krachtgroepen moeten op een afzonderlijke eindgroep worden aangesloten. Contactdozen dienen te worden aangesloten op afzonderlijke eindgroepen van de schakel- en verdeelinrichting van de lichtinstallatie, tenzij anders vermeld. Het gebruik van meervoudige contactdozen 230V passend in één inbouwdoos is niet toegestaan. De stroomvoorziening van datanetwerkcomponenten moet op aparte groepen worden gezet. Een scheiding aanbrengen in de stroomvoorziening van netwerkcomponenten ten opzichte van andere facilitaire componenten en de noodstroomvoorziening voor de hoofdcomponenten (serverruimte/-kast).
5.3.3.
Data- en telefooninstallatie
Anticiperen op het gebruik van draagbare devices door leerlingen en medewerkers die simultaan gebruik maken van een draadloos datanetwerk. Voor telefoon- en datacommunicatie voorzien in een datanetwerk, categorie 6A. Het draadloze dataverkeer vindt plaats via access points (AP’s). De locatie van de AP's zal