CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3d - Bijlage bij de toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Koning Haakonstraat Moerdijk

Raadsvergadering 8 juni 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Koning Haakonstraat Moerdijk21.909 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart#

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Pagina 18 van 19

Wageningen University & Research—Geoportal; internetsite, oktober 2022. https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#1

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Pagina 19 van 19

Figuur 1. Ligging van het plangebied

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 4. Het plangebied op de paleogeografische kaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 6. Maaiveldhoogte in het plangebied

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 8. Het plangebied op historisch kaartmateriaal

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 9. Foto's van de watersnoodramp in 1953

Foto van de verspoelde begraafplaats door de watersnoodramp van 1953. Bron: Stichting Heemkunde Moerdijk

Foto van de dijkdoorbraak van de Buitendijk met op de achtergrond de werkplaats van firma Eland-Weda. Weergave van de achterkant van de woningen aan het Wilhelminaplein. Bron: Stichting Heemkunde Moerdijk.

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 10.

Fragment uit het dagboek van zuster Cornelia

Fragmenten van het dagboek van Zuster. Cornelia. Bron: Stichting Heemkunde Moerdijk.

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 11.

Foto’s R.K. Kerk en pastorie voor en na opblazing

De Rooms Katholieke kerk van den H. Stephanus in Moerdijk voor en na de opblazing van de kerktoren op 5 november 1944. Bron: Stichting Heemkunde Moerdijk.

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 12.

Foto van het klooster van Moerdijk voor en na verwoesting

Het klooster van Moerdijk voor en na verwoesting op 7 november 1944. Bron: Stichting Heemkunde Moerdijk.

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 13.

Archeologische waarden en onderzoeken

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 14.

Archeologische verwachtingskaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 15.

Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Figuur 16.

Boorpuntenkaart

RAPPORT 19377.001 versie 2 (definitief)

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Bijlage 2

Onderzoeksmeldingen

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Bijlage 3

Boorprofielen

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

ongeroerd monster volumering

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 19377.001 versie 2 (definitief)

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING KONING HAAKONSTRAAT TE MOERDIJK

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Koning Haakonstraat te Moerdijk Opdrachtgever

Gemeente Moerdijk Postbus 4 4760 AA Zevenbergen

Rapportnummer Versienummer

19377.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

31 augustus 2022

Vestiging

Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw S.E. Timmerman, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.N. de Keijzer

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Planten ............................................................................................................................ 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.7

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 14 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 14 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 16 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 18

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 19

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 19377.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Moerdijk opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Koning Haakonstraat te Moerdijk. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 1 van 20

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1.651 m²) ligt aan de Koning Haakonstraat, te Moerdijk. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een grasveld met een esdoorn en de resten van een stuk kerkruïne. De onderzoekslocatie ligt in Moerdijk en is omgeven door een woonwijk met vrijstaande woningen en rijtjeswoningen met tuinen. Direct ten zuiden ligt een landhuis "Cedo Nulli" met een groot perceel met bosschages. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 6 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 2 van 20

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Overzicht van het gebied vanuit het oosten (kijkrichting westelijk).

Figuur 4. Overzicht van het gebied vanuit het noordwesten (kijkrichting zuidoostelijk).

Figuur 5. Het gebied vanuit het westen met aan de westkant een esdoorn (kijkrichting oostelijk).

Figuur 6. Het gebied vanuit het noorden met erachter een landhuis (kijkrichting zuidelijk).

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 3 van 20

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens kleinschalige woningbouwontwikkeling van c.a. 7 rijwoningen te realiseren.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 4 van 20

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 18 augustus 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 5 van 20

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 6 van 20

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 7 van 20

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 8 van 20

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Van deze soorten zijn volgens gegevens van de NDFF in de afgelopen vijf jaar in een straal van enkele kilometers rond de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van huismus, gierzwaluw, slechtvalk, buizerd, havik, grote gele kwikstaart, steenuil en kerkuil. Van deze soorten kunnen huismus, gierzwaluw en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden in of op bebouwing, dit ontbreekt echter op de onderzoekslocatie. Er zijn derhalve geen geschikte nestlocaties voor huismus, gierzwaluw en slechtvalk aanwezig op de onderzoekslocatie. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen (sporen van) individuen aangetroffen. Mogelijk aanwezige nesten in de omgeving zullen door de afstand tot de onderzoekslocatie naar verwachting geen negatieve effecten ondervinden, derhalve buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling blijven. Nader onderzoek naar huismus, gierzwaluw en slechtvalk wordt niet noodzakelijk geacht. De buizerd en havik zijn makers en gebruikers van grote nesten in bomen. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen op de onderzoekslocatie geïnspecteerd op de aanwezigheid van vogelnesten.

Er zijn geen grote vogelnesten aangetroffen op en in de omgeving van de onderzoekslocatie, waardoor de aanwezigheid van nesten van deze bij uitstek boombewonende soorten op voorhand uit te sluiten is. Nader onderzoek naar de buizerd en havik wordt niet benodigd geacht. Grote gele kwikstaart is volgens de NDFF in de omgeving van de onderzoekslocatie een aantal keer waargenomen. De grote gele kwikstaart nestelt voornamelijk langs snelstromende beken of in een habitat als rioolwaterzuiveringen. Dergelijk habitat is niet aanwezig op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie biedt derhalve geen geschikt broedhabitat voor deze soort. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht. De kerkuil broedt in Nederland veelal in (nestkasten in) hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken en torens, en incidenteel in boomholten. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen, vooral knotwilgen en oude (hoogstam) fruitbomen, maar ook in rustige hoekjes of nissen van gebouwen of schuren en in speciale nestkasten. Vanwege het ontbreken van geschikte broedmogelijkheden op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving is het redelijkerwijs uit te sluiten dat een broedgeval van de kerkuil en steenuil binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep valt.

Vanwege het ontbreken van geschikte broedlocaties kan tevens uitgesloten worden dat de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het essentieel foerageergebied van kerkuil en steenuil. Overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de kerkuil en steenuil is redelijkerwijs uitgesloten.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 9 van 20

5.1.2

Categorie 5 broedvogels

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Nesten van deze broedvogels zijn op de onderzoekslocatie niet aangetroffen en in de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig, in de vorm van nabij liggende bosschages. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. 5.1.3

Overige broedvogels

De bomen op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. De aanwezige bomen op en nabij de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen eveneens uit te sluiten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de verblijfplaatsen van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving en de aard van de ingreep niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren.

De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig van vergelijkbare kwaliteit. Het betreft vergelijkbare omliggende percelen en akkerland in de omgeving. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 10 van 20

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd, dit kan zijn volgens de Europese Habitatrichtlijn, dan wel op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, ook wel of ‘nationaal beschermde soorten’ genoemd. Voor sommige nationaal beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde (Habitatrichtlijnen Nationaal beschermde-) en minder streng beschermde soorten (provinciale vrijstellingsregelingen). Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter en bunzing. De bever komt in Nederland voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De waarnemingen van de bever hebben betrekking op de circa 750 meter ten noorden van het plangebied gelegen oevers van Hollands Diep. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste (bron: Zoogdiervereniging). Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor deze soort. Nader onderzoek naar deze soort wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

De boommarter is, volgens verspreidingsgegevens van de NDFF, één keer waargenomen circa 2 km ten zuiden van de onderzoekslocatie. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Door het ontbreken van bos op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van de boommarter op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De bunzing komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn en wezel niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan schuilmogelijkheden en landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen.

De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 11 van 20

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Ook stellen reptielen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soort waargenomen: poelkikker. De poelkikker heeft een voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Het voortplantingsbiotoop van de poelkikker bestaat uit vennen, poelen en sloten met schoon water en goed begroeide oevers. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor de poelkikker op de onderzoekslocatie uitgesloten. De poelkikker is een voornamelijk watergebonden soort en derhalve is het onderzoeksgebied geen potentieel leefgebied. Nader onderzoek naar deze soort wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6).

Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 12 van 20

5.6

Planten

Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat er binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vaatplant is waargenomen: kluwenklokje. Kluwenklokje groeit op kalkhoudende bodem in het rivierengebied en in Zuid-Limburg. De soort komt voor in bermen, rivierdijken, uiterwaarden en bosranden. Door het ontbreken van kalkhoudende bodem op de onderzoekslocatie is het uit te sluiten dat de soort aanwezig is. De onderzoekslocatie bestaat met name uit een gemaaid grasveld. De bodem van de onderzoekslocatie bestaat uit leem- en veengronden. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Er zijn tijdens het veldbezoek ook geen beschermde planten waargenomen.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 13 van 20

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Categorie 5 en algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen verwijderd dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te verwijderen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.

Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Bij het verlichten van de onderzoekslocatie tijdens de voorgenomen werkzaamheden bestaat er een grote kans op verstoring van in de omgeving voorkomende vleermuizen. Om verstoring van vliegroutes en foerageergebied te voorkomen dient, tijdens de werkzaamheden in het donker, gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting, zodat het grasveld en bomen ’s nachts niet extra verlicht worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is een zo gericht mogelijke, smalle bundel, heeft geen uitstraling naar boven of de omgeving en is amberkleurig (tussen 1700 en 2200 K). Door gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting nabij de bomen kan de mogelijke functionaliteit van mogelijke vliegroutes en foerageergebied behouden blijven en is ontheffing van de Wet natuurbescherming hiervoor niet aan de orde. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 14 van 20

verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 15 van 20

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Hollands Diep, bevindt zich op circa 550 meter afstand ten noorwesten van de onderzoekslocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Biesbosch, bevindt zich op 1,4 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).

Figuur 7. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 550 meter en 1,4 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 16 van 20

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 8 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 8. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (weergegeven in bruin, oranje, geel en groen).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 17 van 20

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 18 van 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Moerdijk een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Koning Haakonstraat te Moerdijk. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

Werkzaamheden en het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren.

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

Geadviseerd wordt om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen of andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen.

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

550 m 1,4 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

300 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

-

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 19 van 20

Conclusie en aanbevelingen Voor de algemene broedvogelsoorten en broedvogels behorend tot categorie 5 die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Voor vleermuizen geldt dat er verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig kunnen zijn. Er wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden foerageergebieden en verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van bebouwing en groen in de omgeving en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. Tevens dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Nader onderzoek ten aanzien van gebiedsbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Econsultancy Rotterdam, 31 augustus 2022

Rapport 19377.002 versie D1

Pagina 20 van 20

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 18 augustus 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Noord-Brabant, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 18 augustus 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 18 augustus 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.

www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)

Rapport 19377.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 19377.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 19377.002 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=344d9705-8163-41fd-8a73-48c2d6ab266a