Bijlage 3 Toelichting ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
Conclusie De impact van de toevoeging van maximaal 15 woningen nabij de bebouwde kom van een landelijke kern is gering. Een voortoets als bedoeld in de Wet natuurbescherming wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Tevens wordt op grond van de uitgevoerde analyses en onderzoeken én het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit (vanaf 100 ha), geconcludeerd dat geen onevenredige nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling zinvol achten. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.
4.3
Water
4.3.1
Kader
Waterbeheer en watertoets In een vroeg stadium van de planvorming moet overleg worden gevoerd met de waterbeheerder. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Deze is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaamstedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen met betrekking tot de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (zowel kwalitatief als kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
28
Nationaal:
Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
Provinciaal:
Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte
Nationaal Waterplan Het Rijksbeleid op het gebied van water is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes:
Integraal waterbeheer. Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen. Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteitsen waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Ruimte en water verbinden. Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
29
Waterschapsbeleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021 'Grenzeloos verbindend'. De opvolger hiervan, het Waterbeheerplan 2022-2027, ligt momenteel ter inzage. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: •
het reduceren van overstromingsrisico's (kansen en gevolgen)
•
het verminderen van kwetsbaarheid
•
het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving
De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico's geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul. Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen wil het waterschap proberen om (de acceptatie van) deze risico's expliciet te maken. Het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 gaat uit van 6 kerntaken: klimaatadaptatie, waterveiligheid, gezond water, voldoende water, vaarwegen en waterketen. Het Waterbeheerprogramma komt voort uit de Omgevingswet: er is rekening gehouden met diverse trends en ontwikkelingen en de inbreng van belanghebbenden is belangrijk. Water is immers een belangrijke factor bij ruimtelijke ontwikkeling en goed waterbeheer draagt bij aan duurzame ontwikkeling van het werkgebied (en daarbuiten).
Gemeentelijk beleid Het Waterplan Moerdijk 2009-2015 is in november 2008 door de gemeenteraad van Moerdijk vastgesteld. Dit plan maakt onderdeel uit van de paraplunota Leefomgeving. Het plan beschrijft de gezamenlijke visie van de gemeente en het Waterschap Brabantse Delta. Deze visie betreft een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit en veiligheid dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
30
en om het Moerdijkse grondgebied en dat nu en in de toekomst voldoet aan de wettelijke verplichtingen en beleidsregels. Verdeeld over meerdere thema's is de visie in het waterplan uitgewerkt. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn dat: water geen gevaar oplevert, het watersysteem geschikt is voor de functies die het moet vervullen, alle elementen van het watersysteem in samenhang worden beschouwd, water een grotere rol krijgt in ruimtelijke ontwikkelingen en iedereen zijn steentje bijdraagt. 4.3.2
Onderzoek
Algemeen Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard. In het plangebied is, ten oosten van de Wethouder Trompersstraat, een B-waterloop aangemerkt. Ten noordwesten van het plangebied, evenwijdig aan De Langeweg ligt een A-watergang. Deze watergang heeft een bodemhoogte van -1,86 meter en een talud van 1:1. In het vigerende bestemmingsplan is deze A-watergang bestemd als ‘Water’.
Afbeelding 4.1 Uitsnede leggerkaart waterschap Brabantse Delta
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
31
Afbeelding 4.2 Ligging van de grasberm, (aangemerkt als B-watergang) in het plangebied (bron: Buys Eco Consult B.V.)
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilbesluit Gat van Ham, in het peilgebied Spiepolder. Dit peilgebied kent en winterpeil van -1,9 m en een zomerpeil van -1,5 m. Oppervlaktewater De aanwezige b-watergang doorsnijdt te beoogde bouwvlakken in het bestemmingsplan. Het is wenselijk om deze watergang te verleggen naar het groengebied aan de oostzijde van het plan. De bestaande B-watergang wordt opgenomen als te compenseren waterinfiltratie. Bij de uitvoering van het plan wordt een vergunning aangevraagd bij het waterschap voor de aanpassing van de B-watergang.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
32
Afbeelding 4.3: Uitsnedeleggerkaart met projectie bestaande watergang en beoogde bestemmingsvlakken
Watercompensatie De waterbeheerder Waterschap Brabantse Delta heeft diverse uitgangspunten opgesteld voor het omgaan met de afvoer van hemelwater bij ruimtelijke ontwikkelingen. De algemene voorkeur van de waterbeheerder om met water om te gaan, is de voorkeursvolgorde ‘vasthouden’, ‘bergen’ en ‘afvoeren’. Vasthouden wil zeggen, zoveel mogelijk water binnen het gebied houden door zoveel mogelijk onverhard oppervlak te hebben of door bijvoorbeeld platte daken te gebruiken. Bergen wil zeggen, water tijdelijk op het terrein houden, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem of oppervlakte water. Afvoeren is de laatste optie. Afvoeren kan naar oppervlaktewater of (hemelwater)riolering. Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is beoordeeld met welk oppervlak de verharding zal toenemen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van 15 nieuwe woningen op een onverhard perceel. Daarnaast wordt ook de bestaande verharding binnen het plangebied uitgebreid met wegen en parkeerplaatsen. De verdeling in oppervlaktes is als volgt:
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
33
Bestemming
Huidig oppervlak
Nieuw oppervlak
Verkeer
131 m2
131 m2
Verkeer-verblijfsgebied
557 m2
1.642 m2
Groen
6.580 m2
2.550 m2
Wonen
-
2.945 m2
Totaal plangebied
7.268 m2
7.268 m2
De verharding ten aanzien van de verkeersbestemmingen in het openbaar gebied neemt toe met 1.085 m2. De toename aan verharding ten aanzien van de bestemming Wonen is 2.945 m2. Dit oppervlak is op te delen in de bouwvlakken, en overige inrichting van de percelen. De bouwvlakken worden naar verwachting volledig bebouwd (100%). Ook voor de overige inrichting van de woonpercelen is volledige inrichting met verharding in theorie mogelijk. Dit resulteert in de volgende berekening:
Type verharding
Berekeningspercentage
Nieuw oppervlak
Bouwvlak woningen
100% van 1.360 m2
1.360 m2
Inrichting overig deel woonpercelen
100% van 1.585 m2
1.585 m2
Toename verharding bebouwing
2.945 m2
Toename verkeersbestemmingen
1.058 m2
Totale toename verharding
totaal plangebied
4.030 m2
De oppervlakte aan verharding neemt in de toekomstige situatie toe met 4.030 m². Hiermee komt de toename aan verharding ruim boven de gestelde grens van 500 m². Compenserende waterberging is benodigd. De toename dient voor te worden gecompenseerd aan de hand van de volgende berekening: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m 2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Met deze berekening dient het nieuwe plan te voorzien in minimaal 241,8 m² water, ofwel 847 m3. Deze waterberging wordt ingepast in de groene ruimte aan de noordzijde van de woningen. Dit wordt nader uitgewerkt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van waterberging, uiterlijk binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de eerste woning. In de nieuwe situatie wordt een gescheiden stelsel toegepast. In zijn algemeenheid is voor de waterhuishouding in nieuwbouwprojecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk, apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
34
Grondwatersysteem Op basis van de Bodematlas van Brabant kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen ter hoogte van grondwatertrap VII. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van deze grondwatertrap bedragen resp. >120 cm en 80-140 cm beneden maaiveld. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de grondwaterstanden.
Afbeelding 4.4: Uitsnede Bodematlas Provincie Noord-Brabant
Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild. Voor de nieuwbouw van woningen gaan het waterschap en de gemeente daarnaast uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Veiligheid In of in de nabijheid van het plangebied komt geen (regionale) waterkering voor.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
35
Resultaat watertoets Het bestemmingsplan heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. In het kader van het vooroverleg wordt het voorontwerpbestemmingsplan aan het Waterschap Brabantse Delta toegestuurd. De opmerkingen naar aanleiding van het vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 4.3.3
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met het waterbeleid van de diverse instanties. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, wordt het bestemmingsplan aan het Waterschap Brabantse Delta voorgelegd.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Kader
Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met eventuele milieuhinder van bedrijfsactiviteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor deze afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieuhinder. Voor elke bedrijfsactiviteit is de minimale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaats gevonden. De richtafstanden gelden in beginsel ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor andere omgevingstypen dan een rustige woonwijk kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Op basis van de systematiek van milieuzonering wordt voor bedrijfslocaties bepaald welke categorie bedrijfsactiviteiten kan worden uitgeoefend zonder dat er sprake is van een kans op onaanvaardbare milieuhinder.
Deze categorie, die per bedrijfsbestemming wordt bepaald, wordt de algemene toelaatbaarheid genoemd. 4.4.2
Onderzoek
Omgevingstype gemengd gebied Het gebied is gelegen in de directe invloedsfeer van hoofdinfrastructuur, namelijk de provinciale weg N285. Om die reden is in januari 2020 de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de N285 in beeld gebracht. Uit deze quickscan blijkt dat het wegverkeer op de N285 een geluidsniveau in het plangebied veroorzaakt van 53 dB tot meer dan de 63 dB (inclusief de aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). Gelet op dit relatief hoge geluidsniveau is het plangebied te typeren als gemengd gebied. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn diverse relevante inrichtingen gelegen. Het gaat om de volgende percelen: • • •
Wethouder Trompersstraat 42/42a; Wethouder Trompersstraat 52; Zuiddijk 19/19a; Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
36 • • • •
Hamseweg 7; Hamseweg 11; De Langeweg 13a; De Langeweg 22/22a.
Deze percelen worden hierna beschouwd.
Wethouder Trompersstraat 42/42a Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 49 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Wethouder Trompersstraat 52 Deze gronden hebben de bestemming ‘Wonen’ met een functieaanduiding ‘horeca’. Deze functieaanduiding staat horecabedrijven in milieucategorie 1 toe. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 0 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 135 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Zuiddijk 19/19a Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 68 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Hamseweg 7 Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 30 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 149 meter.
Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Hamseweg 11 Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Deze bestemming omvat agrarische bedrijven t/m milieucategorie 4.1. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 100 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 540 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. De Langeweg 13a Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarische doeleinden, glastuinbouw’. Binnen deze bestemming zijn agrarische bedrijven (glastuinbouw) in milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 550 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. De Langeweg 22/22a Deze gronden hebben de bestemming ‘Kantoordoeleinden’. Kantoren behoren tot milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 0 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 580 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
37
Spuitzones Het plangebied grenst aan de westzijde direct aan agrarische gronden. De agrarisch gronden aan de noordzijde, aan de overzijde van de provinciale weg, liggen op een afstand van circa 50 meter. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor akkeren vollegrondstuinbouw, fruitteelt, sierteelt en boomkwekerij. Deze bestemmingen sluiten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uit. Door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan, afhankelijk van de weersomstandigheden, drift (het verwaaien van spuitvloeistof tot buiten het perceel) optreden. Bij de bouw van nieuwe woningen moet daarom rekening worden gehouden met voldoende afstand tussen de agrarische activiteiten en de omliggende (nieuwe) woonbestemmingen. Hiervoor geldt geen wettelijk aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt in het algemeen een indicatieve veiligheidsafstand van 50 meter aangehouden vanaf de grens van het agrarische perceel tot de omliggende woonbestemmingen. Deze afstand kan worden verkleind door enerzijds driftreducerende spuitdoppen te gebruiken en anderzijds afschermende maatregelen zoals de aanplant van een (dubbele) windhaag of een houtwal. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wro.
Met betrekking tot het aspect spuitzonering houdt dit in dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, en dat de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf niet wordt belemmerd door de woonlocatie. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de gekweekte gewaspercelen uit van 2009 t/m 2020. De eigenaar van een agrarisch perceel is verplicht ieder jaar het desbetreffende gewas op te geven. De gegevens zijn op te vragen via de Basisregistratie Percelen (BRP) en gebaseerd het Agrarisch Areaal Nederland (AAN). De gewaspercelen geven het geteelde gewas per landbouwperceel weer en worden onderverdeeld in bouwland, grasland, braakland en natuurterrein. De peildatum betreft 15 mei. Uit deze gegevens blijkt dat het agrarisch perceel nabij het plangebied de afgelopen jaren in gebruik is geweest als bouwland. Vanaf 2009 tot 2020 zijn achtereenvolgend de volgende gewassen geteelt: bieten, uien, aardappelen, tarwe, groenten in open grond, bieten, stamsperziebonen, cichorei, tarwe, aardappelen, stamsperziebonen en bieten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het perceel de afgelopen 11 jaar niet in gebruik is geweest als fruit- en boomteelt. Naar verwachting is daarmee ook geen sprake geweest van spuitvloeistof en daarmee hinder voor nabijgelegen woningen.
Daarbij is het onwaarschijnlijk dat het agrarisch grondgebruik op ingrijpend wijzigt qua teelt naar bijvoorbeeld appel- en perenteelt in een productieboomgaard. Dit is een geheel andere vorm van teelt dan bijvoorbeeld graan-, peulen- of aardappelteelt (akker- en vollegrondstuinbouw). Ook zijn de soort bespuitingen van gewasbeschermingsmiddelen en intensiteit hiervan geheel anders: neerwaartse bespuitingen op akkerbouwgewassen versus zij- en opwaartse bespuitingen in een productieboomgaard van appels en peren. Verder is de teelt afhankelijk van de soort grond en de kennis van de specifieke teelt van de teler. Ook moet voor geschikte vruchten aan bomen, zoals appels en peren, meerjarig geïnvesteerd worden in het wortelstelsel van de bomen, hydratatie, etc. om te komen tot een productieboomgaard voor appels- en peren. Dat is op deze locatie niet van toepassing.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
38
Rekening houdend met het huidige gebruik en het gebruik van de afgelopen jaren (gewassenteelt) is het niet realistisch om er zonder meer van uit te gaan dat de gronden binnen afzienbare tijd overgaan op bijvoorbeeld fruit- of bomenteelt. De kans op drift bij horizontaal spuiten is minimaal. Dit komt omdat in de regel niet wordt gespoten bij harde wind. Het is namelijk ook in het belang van de teler zelf dat de gespoten middelen op de gewassen terecht komen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege hoge kosten van arbeid (onder meer loonwerk) en hoge kosten van gewasbeschermingsmiddelen). Ondanks het feit dat er neerwaarts wordt gespoten, wordt een in de winter groenblijvende haag op de westelijke rand van de tuinen van de woningen als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Omdat groene hagen een driftreducerende werking hebben, dan op deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat gewasbeschermingsmiddelen in de tuinen of in de woningen terecht komen. Bestemmingsregeling Op de verbeelding is een aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – haag’ opgenomen, daar waar de woonbestemming in het plangebied grenst aan de aanliggende agrarische bestemming. Dit betreft de westzijde van het plangebied. De aanduiding is opgenomen binnen de woonbestemming, op minimaal 0,5 m van de perceelsgrens.
Op die manier wordt rekening gehouden met de voorschriften vanuit het privaatrecht. De aanleg en instandhouding van de haag is geborgd in de regels. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd aan Artikel 9 (‘Algemene gebruiksregels’). Daarin is vastgelegd dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – haag’ moet worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een in de winter groenblijvende haag van tenminste 2 meter hoog en 0,8 meter breed, alvorens de woningen in gebruik genomen mogen worden. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.3
Conclusie
Met het realiseren van de geplande woningbouw zijn er geen knelpunten voor bestaande bedrijvigheid en zal de bestaande bedrijvigheid geen knelpunt opleveren voor de te realiseren woningen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
39
4.5
Akoestische aspecten
4.5.1
Kader
Wegverkeerslawaai Onderzoekszone Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh) aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden:
stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
In het geval een nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een weg, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (college van Moerdijk) bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In onderstaande tabel is aangegeven wat de voorkeurswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor een nieuwe woning in stedelijk en buitenstedelijk gebied vanwege wegverkeerslawaai. Voorkeurswaarde
Maximale ontheffingswaarde
Woningen in stedelijk gebied
48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)
63 dB (art. 83, lid 2 Wgh)
Woningen in buitenstedelijk gebied
48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)
53 dB (art. 83, lid 2 Wgh)
4.5.2
Onderzoek
Wegverkeerslawaai Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai in relatie tot de ontwikkelingen in het bestemmingsplan “Wethouder Trompersstraat te Langeweg”. Het rapport is opgenomen als bijlage 1. Hieronder worden de resultaten van het onderzoek weergegeven. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de N285. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is om deze reden onderzoek noodzakelijk. Ook zijn in dit onderzoek de 30 kmwegen Wethouder Trompersstraat en de Ringweg onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door het verkeer op de N285. De geluidbelasting is maximaal 60 dB, zodat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden. De overige 30 km-wegen voldoen wel aan de voorkeursgrenswaarde. Omdat het treffen van geluidreducerende maatregelen voor de bouw van vijftien woningen financieel niet doelmatig is, is het noodzakelijk een hogere waarde vast te stellen vanwege het verkeer op de N285. In de verdere uitwerking van het plan dient ten minste één slaapkamer aan de (indien aanwezig) geluidluwe zijde geprojecteerd te worden.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
40
De woningen in het oostelijke deel van het plan worden haaks op de N285 gebouwd. Deze woningen beschikken zonder maatregelen niet over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Door de realisatie van een tuinscherm met een hoogte van 2 m en een lengte van 6,4 hebben alle woningen een luwe gevel en buitenruimte. Als bij de indeling van deze woningen rekening wordt gehouden met het feit dat aan deze geluidsluwe zijde één slaapkamer wordt gesitueerd dan voldoen deze woningen ook aan het gemeentelijke geluidbeleid. In het bestemmingsplan moet worden verankerd dat het benodigde geluidsscherm wordt gerealiseerd en dat één slaapkamer aan de geluidsluwe achterzijde van deze woningen wordt gesitueerd. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de verblijfsruimten van de nieuwe woningen te realiseren, dient de geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen te worden afgestemd op de cumulatieve geluidsbelastingen vanwege het wegverkeer. Verder dient het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Deze hogere waarden worden door het college van Moerdijk vastgesteld. Industrie- en railverkeerslawaai De ontwikkellocatie is niet gelegen in de onderzoekszone van een gezoneerd industrieterrein of een spoorlijn.
Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar industrielawaai en railverkeerslawaai niet aan de orde. 4.5.3
Conclusie
Het aspect 'Geluid' vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Kader
Nota Parkeernormen 2021 Op 30 september 2021 is de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Moerdijk vastgesteld. De nota is opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. Deze nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Bij het formuleren van de parkeernormen is het belangrijk dat deze recht doen aan de plaatselijke situatie. Dit betekent dat binnen de gemeente Moerdijk verschillende parkeernormen voor dezelfde functie kunnen gelden, afhankelijk van de locatie van de functie. De gemeente Moerdijk hanteert hierbij de recente parkeerkencijfers van het CROW (publicatie 381), als basis voor de gemeentelijke parkeernormering. De hoogte van de parkeernorm is onder andere afhankelijk van het autobezit en autogebruik. CROW-publicatie 381 In de CROW-Publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' zijn per functie en woningtype de verkeersgeneratie en parkeernormen opgenomen. Zoals toegelicht in de Nota parkeernormen 2021 valt de planlocatie (Kern Langeweg) onder de verstedelijkingsgraad “niet stedelijk”. Het plangebied bevindt zich in de 'rest bebouwde kom' van Moerdijk. Uitgangspunt is het gemiddelde parkeerkencijfer behorende bij de “rest bebouwde kom”.
In principe kan hier niet van afgeweken worden, tenzij hier dwingende beargumenteerde redenen voor zijn en dit bijvoorbeeld besloten wordt door het bevoegd college. De gemeente Moerdijk hanteert naast autoparkeernormen ook fietsparkeernormen. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente om het fietsparkeren op een goede manier te organiseren. Deze normen worden toegepast bij alle nieuwbouw. Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
41
4.6.2
Onderzoek
Verkeersgeneratie Voorliggend plan voorziet in 15 woningen in de kern Langeweg. In het stedenbouwkundig plan zijn 1 vrijstaande woning, 4 twee-onder-één kapwoningen en 10 levensloopbestendige (sociale) huurwoningen opgenomen. Langeweg is volgens de CROW-normering aangemerkt als niet stedelijk gebied. De verkeersgeneratie voor vrijstaande woningen in de koopsector bedraagt gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per woning. Voor twee onder één kapwoningen in de koopsector bedraagt het aantal verkeersbewegingen 7,8 per woning. Voor sociale huurwoningen worden 5,6 verkeersbewegingen per woning gerekend.
Verkeersaantrekkende werking Vrijstaande woning
1 * 8,2 = 8,2 verkeersbewegingen
2^1-kapwoningen
4 * 7,8 = 31,2 verkeersbewegingen
Sociale huurwoningen
10 * 5,6 = 56 verkeersbewegingen
Totaal
95,4 extra verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling
Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot 95 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Het verkeer wordt in de toekomstige situatie via de Wethouder Trompersstraat – in noordelijke richting – afgewikkeld op De Langeweg (N285). Omdat de voorgenomen ontwikkeling slechts betrekking heeft op een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en de Wethouder Trompersstraat en De Langeweg over voldoende capaciteit beschikken om deze beperkte toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Parkeren Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Moerdijk de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen 2021’, zoals vastgesteld op 30 september 2021. Op grond van de Nota Parkeernormen geldt voor de beoogde nieuwe vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Voor de sociale huurwoningen geldt een norm van 1,6 parkeerplaatsen per woning, waarvan ook minimaal 0,3 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. Voor parkeerplaatsen op privé terrein geldt een kortingsfactor vanwege het ontbreken van medegebruik.
Op basis van het voorlopig stedenbouwkundig plan bedraagt het benodigde aantal parkeerplaatsen: Vrijstaande en 2^1-kapwoningen:
5 * 2,2 = 11 parkeerplaatsen, waarvan 3,3 in de openbare ruimte
Sociale huurwoningen:
10 * 1,6 = 16 parkeerplaatsen, waarvan 4,8 in de openbare ruimte
Totaal
27 parkeerplaatsen, waarvan 8,1 openbaar
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
42
Vooralsnog zijn in het stedenbouwkundig plan 15 openbare parkeerplaatsen voorzien in een parkeerkoffer aan de noordzijde van de sociale huurwoningen. Daarnaast zijn 7 parkeerplaatsen voorzien langs de Wethouder Trompersstraat, en 11 parkeerplaatsen op eigen terrein bij de vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen. Daarmee worden in totaal 33 parkeerplaatsen voorzien, waarvan 22 in de openbare ruimte. Daarmee wordt ruim voldaan aan de gestelde normen. Bestemmingsregeling In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat op de bijbehorende percelen of in de directe omgeving daarvan in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien, zoals blijkt uit de ‘Nota Parkeernormen 2021’, zoals vastgesteld op 30 september 2021 door de raad van de gemeente Moerdijk of haar rechtsopvolger, en deze parkeergelegenheid als zodanig in stand wordt gehouden. De omvang van de percelen zijn voldoende om hieraan te kunnen voldoen. Voor parkeerplekken op eigen terrein geldt dat er verschil zit in het theoretisch aantal en het berekeningsaantal. Hieronder zijn deze berekeningsaantallen weergegeven. Bij de realisatie van de woningen dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd, zoals blijkt uit het parkeerbeleid van de gemeente Moerdijk. Dit is zo vastgelegd in de regels en hierbij dienen onderstaande berekeningsaantallen in acht te worden genomen.
Tabel 4.1: berekeningsaantal parkeervoorzieningen (uit bijlage 6 bij de Nota Parkeernormen 2021
Fietsparkeren Uitgangspunt bij de toepassing van fietsparkeernormen is dat de vereiste fietsparkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Indien hier geen mogelijkheden voor zijn, dienen deze te worden gerealiseerd in de openbare ruimte. De beoogde ontwikkeling omvat primair woningen, waarbij conform het stedenbouwkundig plan bij alle woningen een berging aanwezig is. Hierin kunnen de fietsen worden opgeborgen. Zodoende hoeven in de openbare ruimte geen extra fietsparkeerplaatsen worden aangelegd.
4.6.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, waardoor er geen knelpunten in de verkeersafwikkeling ontstaan. De parkeerbehoefte wordt opgelost binnen het plangebied. Dit is opgenomen in de gebruiksregels. Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
43
Derhalve bestaan er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan vanuit het aspect verkeer en parkeren.
4.7
Bodem
4.7.1
Kader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd. 4.7.2
Onderzoek
Om te onderzoeken of de bodem ter plaatse van het plangebied geschikt is voor de geplande herinrichting van het terrein, is door Agel Adviseurs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd: •
De bodemopbouw is heterogeen te noemen. De bovengrond bestaat uit zand. In de ondergrond zijn zowel klei, zand als veenlagen aangetoond.
•
Zintuiglijk zijn bijmengingen met puin, baksteen en aardewerk geconstateerd in zowel de boven- als ondergrond.
•
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. De oorzaak van het licht verhoogde gehalte aan PAK is niet eenduidig te verklaren. De gemeten gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn kleiner dan de achtergrondwaarden.
•
In een van de vier monsters van de bovengrond is PFAS aangetoond boven de regionale grenswaarde voor toepassing binnen klasse landbouw/natuur.
•
In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetoond.
•
De verharde delen van de onderzoekslocatie zijn in beperkte mate onderzocht.
•
In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en xylenen aangetoond.
•
Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek.
•
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen bezwaar voor het voorgenomen gebruik van de locatie en de voorgenomen bouwactiviteiten.
•
Gezien de resultaten van het milieuhygiënische onderzoek is op basis van de CROW 400 op het werk geen veiligheidsklasse van toepassing.
4.7.3
Conclusie
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
44
De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. De bodem is milieu-hygiënisch gezien geschikt voor de toekomstige bestemming. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Kader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Gemeentelijk beleid De gemeente Moerdijk beschikt over een standaard verantwoording als hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in ruimtelijke plannen. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. 4.8.2
Onderzoek
Door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is een milieuparagraaf opgesteld, waarin het aspect Externe veiligheid is behandeld. Dit document is opgenomen als bijlage 2, maar voor de volledigheid ook hier toegelicht. Het plan voorziet in de ontwikkeling van woningen. Woningen zijn kwetsbare objecten. Met behulp van de risicokaart en EV-signaleringskaart is daarom nagegaan of, en welke risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn. Uit de risicokaart blijkt dat in of in de omgeving van de ontwikkellocatie enkele risicobronnen aanwezig zijn (afbeelding 4.6.). Deze worden hierna beschouwd. In het plan zelf worden geen risicobronnen mogelijk gemaakt.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
45
Afbeelding 4.5: Risicobronnen nabij het plangebied, groen omkaderd (bron: EV-signaleringskaart)
Inrichtingen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee risicovolle inrichtingen op het industrieterrein Moerdijk: Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. Om die reden moet het groepsrisico worden verantwoord voor de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking. Van geen enkele risicovolle inrichting strekt de plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6) zich uit tot het plangebied. Transport In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd: Transportroute
Afstand tot plangebied
Invloedsgebied*
Rijksweg A16 (Basisnet weg)
> 1.700 meter
880 meter
Rijksweg A17 (Basisnet weg)
> 4.000 meter
> 4.000 meter
Provinciale weg N285
ca. 15 meter
355 meter
Spoortraject Roosendaal - Dordrecht (Basisnet spoor)
> 1.500 meter
> 4.000 meter
Spoortraject Breda - Dordrecht
> 1.800 meter
> 4.000 meter
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
46
(Basisnet spoor) * Invloedsgebied op grond van categorieën gevaarlijke stoffen die worden vervoerd.
Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6) van een transportroute. De provinciale weg N285 heeft geen contour voor het plaatsgebonden risico. Alle basisnetroutes zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Vanwege toxische scenario’s ligt het plangebied wel in het invloedsgebied van Rijksweg A17, het spoortraject Roosendaal – Dordrecht en het spoortraject Breda - Dordrecht. Om die reden moet het groepsrisico worden verantwoord voor de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking. Het plangebied ligt binnen 200 meter in het invloedsgebied van provinciale weg N285. Voor de hoogte van het groepsrisico is de hoeveelheid brandbare gassen (GF3) bepalend. Op basis van een inventarisatie van de OMWB gaan naar schatting 25 transporten per jaar aan GF3 op dit traject van de N285. Uitgaande van een afstand van minimaal 20 meter tot de woonbebouwing, mag bij deze intensiteit een bebouwingsdichtheid tot circa 450 personen per hectare voorkomen, wil sprake zijn van een groepsrisico van 0,1 x OW of lager. Dit kan worden opgemaakt uit de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), uitgaande van eenzijdige bebouwing en een weg buiten de bebouwde kom er jaar. Voor de dichtheid van een woning wordt 2,4 personen in de avond/nachtperiode gerekend.
Een dichtheid van 450 personen per hectare is passend bij hoogstedelijk gebied en zal hier met zekerheid niet gehaald worden. Om die reden kan volstaan worden met een beperkte verantwoording, waarin de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid aan bod komen. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen een belemmeringenstrook, plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6) of invloedsgebied van een planologisch relevante leiding voor gevaarlijke stoffen. Er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Niet ontplofte oorlogsresten Voorafgaand aan de bouw van woningen dient historisch vooronderzoek te worden gedaan op aanwezigheid van niet-ontplofte oorlogsresten. Bij verdenking op aanwezigheid moet onderzoek worden gedaan aan de hand van een op te stellen projectplan. Dit vooronderzoek vindt plaats alvorens werkzaamheden in het gebied worden uitgevoerd. Bij verdenking van aanwezigheid zal nader onderzoek plaatsvinden conform protocol. Conclusie Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van een aantal risicobronnen (inrichtingen en transportroutes) ligt, moet het groepsrisico beperkt worden verantwoord.
Hiervoor wordt verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Moerdijk, opgenomen in bijlage 6. Op basis van de standaard verantwoording (opgenomen als bijlage 7) wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario’s. Daarbij kan worden vermeld dat de infrastructuur wordt aangepast om de nieuwe woningen zoveel mogelijk tweezijdig bereikbaar te maken en te ontsluiten. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
47
beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro- of Wabo-besluit verantwoord. 4.8.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Kabels en leidingen
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen met een regionale functie gelegen. Ook komen er geen bovengrondse hoogspanningsverbindingen voor.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1 Kader Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet vanuit het oogpunt van de gezondheid van de mens rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan mogen de grenswaarden voor luchtkwaliteit, die zijn opgenomen in de Wet milieubeheer, niet worden overschreden. 4.10.2 Onderzoek Door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is een milieuparagraaf opgesteld, waarin het aspect Lucht is behandeld. Dit document is opgenomen als bijlage 2, maar voor de volledigheid ook hier toegelicht.
Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan maakt 15 nieuwe woningen mogelijk. Daardoor is het vaststellen van dit bestemmingsplan aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 4.6. zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSLmonitoringstool 2020.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
48
Afbeelding 4.6 Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2019 (NSL-monitoringstool 2020)
Uit afbeelding 4.6 blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 18,5 µg/m 3, 17,4 µg/m3 en 10,6 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Woningbouw wordt niet gerekend tot de gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Om die reden gelden vanuit dit besluit geen nadere aandachtspunten. Binnenklimaat woningen Met het oog op (duurzame) goed geïsoleerde woningen wordt rekening gehouden met voldoende natuurlijke- dan wel mechanische ventilatie zoals gesteld in afd. 3.6. uit het Bouwbesluit 2012. 4.10.3 Conclusie In het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het plan niet in de weg.
4.11
Flora en fauna
4.11.1 Kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
49
4.11.2 Onderzoek Soortenbescherming Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig. Om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren dienen de aanwezige flora en fauna in beeld te worden gebracht. De bevindingen kunnen aanleiding geven voor het treffen van beschermingsmaatregelen. Om die reden is een quickscan flora en fauna benodigd. Onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten start met een globaal onderzoek (quick scan), waarin gekeken wordt of er een reële kans is op het al dan niet voorkomen van beschermde soorten in of net buiten het plangebied. Indien blijkt dat die kans aanwezig is, zal een uitgebreid veldonderzoek moeten plaatshebben op het moment dat er kans is op (negatieve) effecten op de mogelijk aanwezige beschermde soorten als gevolg van werkzaamheden die voortvloeien uit het plan. Als daarbij wordt aangetoond dat inderdaad beschermde soorten aanwezig zijn, zal een effectenstudie moeten worden gedaan. Indien daaruit blijkt dat er handelingen gaan plaatshebben die nadelige gevolgen hebben voor de aanwezige beschermde soorten, is mogelijk een ontheffing van de Wnb aan de orde. Daarvoor moet in beeld worden gebracht hoe de voorgenomen werkzaamheden zodanig worden aangepast dat dergelijke gevolgen niet of in mindere mate zullen optreden. De quickscan naar het voorkomen van beschermde soorten is uitgevoerd door Buys Eco Consult B.V.
en opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting.
Resultaten onderzoek Uit de quickscan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Conclusie veldbezoek Binnen het plangebied (binnen hekwerk) is openbaar groen in de vorm van gazon (intensief bemaaid) en bomen aanwezig, en aan de rand van het plangebied een bloemrijke grasberm. In het plangebied zijn geen beschermde soorten waargenomen, anders dan algemene broedvogels. Ook worden beschermde functies van andere beschermde soorten niet verwacht. Wel zijn aan de randen van het voorkeursalternatief beschermde functies aanwezig (m.n. in de vorm van beschutting/rust- en vluchtplaatsen voor huismus). Deze functie dient behouden te blijven om deze jaarrond beschermde soort in het gebied te behouden. Ter plaatse kan gedurende het broedseizoen wel sprake zijn beschermde soorten (broedvogels). Jaarrond beschermde soorten (vogels) zijn in het plangebied niet gezien en worden niet verwacht gezien de beperkte omvang van de bomen. Verder kunnen kleine grondgebonden zoogdieren voorkomen. Kleine marterachtigen worden niet verwacht vanwege het gebrek aan dekking (geen struwelen). Hierdoor heeft het plangebied (niet voldoende dekking voor strikter beschermde soorten zoals kleine marterachtigen. Algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen, konijn, haas etc.) en amfibieën kunnen voorkomen.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor algemene soorten een algemene provinciale vrijstelling, uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Overige beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht.
Bestemmingsplan ‘Wethouder Trompersstraat te Langeweg’ Ontwerp, d.d. 10 maart 2022
50
In de ecologische quick scan, opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting, is op pagina 9 een overzichtstabel opgenomen waarin de diverse soorten, bevindingen en het noodzakelijke vervolg zijn samengevat. Voor de meeste aanwezige soorten, waaronder vogels, zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt dat zorgvuldig moet worden gehandeld tijdens werkzaamheden en dat (voorbereidend) werk moet plaatsvinden buiten het broedseizoen. Ten aanzien van vleermuizen is het van belang om geen strooilicht te voorzien naar omliggende lijnvormige groenstructuren. Ook moeten bomen en hagen buiten het plangebied worden gehandhaafd, zodat alternatieve foerargeergebieden voor vleermuizen aanwezig blijven. Wanneer ook de (grotere) bomen ten oosten en noorden van het beoogde plan gerooid moeten worden, is nader vleermuisonderzoek noodzakelijk. Resumé en aandachtspunten •
Direct nabij het plangebied (er net buiten) zijn jaarrond beschermde vogelsoorten (huismus en gierzwaluw) waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde vogels waargenomen. Wel dient het functioneel leefgebied (m.n. huismus groen langs huidige bebouwing en gierzwaluw vrije aanvliegroute) in stand te blijven. Daarnaast zijn ook nestkommen van huiszwaluw in de directe omgeving (buiten plangebied) waargenomen.
•
Wanneer ook openbaar groen ten noorden en oosten van het plangebied als gevolg van het planvoornemen zal verdwijnen zijn maatregelen en vervolgonderzoek nodig om eventuele effecten op vleermuizen te behoordelen en zijn maatregelen voor behoud van huismus noodzakelijk (alternatieve schuil- en rustplaatsen in groen).
•
Daarnaast kunnen in het plangebied broedvogels aanwezig zijn en dient bij de ruimtelijke ontwikkeling tijdens de broedtijd (1 maart tot 1 september) rekening te worden gehouden met eventuele broedvogels. Door de (voorbereidings-)werkzaamheden buiten deze periode te plannen wordt invulling gegeven aan het zorgvuldig handelen principe.
•
Indien werkzaamheden in het broedseizoen starten is een veldinspectie ecologie noodzakelijk om vast te beoordelen of het terrein vrij is van beschermde soorten.
Er zal geen openbaar groen ten noorden en oosten van het plangebied verdwijnen. Daarmee is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Verder wordt invulling gegeven aan de zorgplicht en worden de genoemde maatregelen, zoals werken buiten broedseizoen, in acht genomen. Daarmee is het plan niet in strijd met de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Voor nieuwe of gewijzigde plannen dient onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. De locatie is gelegen op circa 7 kilometer van stikstofgevoelige habitat van Natura 2000-gebied ‘de Biesbosch’. De ontwikkeling bevindt zich daarmee binnen de mogelijke effectafstand van Natura 2000gebieden. Omdat op voorhand significante effecten niet zijn uit te sluiten, is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in april 2021 uitgevoerd door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Hierbij is middels het rekenprogramma Aerius (Aerius Calculator, versie 2020) de verwachte stikstofdepositie van het plan aan de Wethouder Trompersstraat op omliggende Natura-2000 gebieden berekend. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.