CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3, scan mens en maatschappij

Raadsvergadering 11 november 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling begroting 2022 en meerjarenraming 2022-202528.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

de meerwaarde van een gehanteerde aanpak. GGZdagbesteding, Geheugenhuis, Welzijn op Recept, SchuldHulpMaatjes en Individueel sociaal werk zijn de aanpakken waarvan casussen zijn onderzocht. Van sociaal werk gaat een preventieve werking uit, blijkt uit In voor zorg!. Sociaal werkers staan dicht bij de inwoners en kijken vooral naar hun mogelijkheden. Zij bieden andere, lichtere vormen van ondersteuning en versterken de eigen kracht van mensen. Zo krijgen mensen weer grip op hun leven. Mede door de inzet van sociaal werk is in alle 36 onderzochte casussen de kwaliteit van leven toegenomen. In de meeste gevallen zijn ook maatschappelijke kosten bespaard. Verschuiving van individuele naar collectieve hulp en van zorg naar sociaal werk blijken mogelijk. Samenwerking van sociaal werk professionals en zorgprofessionals zorgt hierbij voor een goede identificatie van problemen én organisatie van het juiste aanbod. Aandachtsgebieden voor sociale wijkteams Ook Van Xanten et al. (2020) benadrukken de samenwerking tussen de (gespecialiseerde) zorg en het sociale domein in Tien aandachtsgebieden voor functioneren sociale wijkteams, een literatuuronderzoek binnen het programma Integraal Werken in de Wijk. Dit onderzoek beslaat veertien openbare evaluatierapporten.

Niet alleen goede samenwerking met de zorg is van groot belang, maar ook die met het voorliggend veld en de overige ketenpartners. Andere aandachtsgebieden die Van Xanten et al. noemen, zijn: een gerichtere inzet op preventie en wijkgericht werken met inwoners en maatschappelijke partners; meer tijd voor de inwoner en de regisseursrol van het sociale team en minder voor (administratieve) bijzaken; beter gebruikmaken van expertise van specialisten, binnen én buiten de sociale wijkteams; één gezin, één plan, één regisseur en ten slotte meer maatwerk en mandaat voor professionals. Zie voor een overzicht van de tien aandachtsgebieden pagina 6 en 7 (Van Xanten et al., 2020). De toolkit Preventie in de wijk (RIVM, 2018) geeft gemeenten concrete handvatten om de gezondheid van hun inwoners te bevorderen. Wijkverpleegkundigen en flexibele netwerkteams De door Van Xanten et al. genoemde gerichtere inzet op preventie is volgens Zielman het beste gediend

met wijkverpleegkundigen die samenwerken met/ in een netwerkteam. In het onderzoek Flexibiliteit als sleutel tot preventie (Zielman, 2016) worden drie samenwerkingsvormen tussen wijkverpleegkundigen en multidisciplinaire teams vergeleken. Naast netwerkteams zijn dat projectteams en vaste teams. Gemeenten moeten duidelijk bepalen wat hun doel is met wijkverpleegkundigen. Wanneer gekozen wordt voor de brede preventieve focus van de wijkverpleegkundig van het netwerkteam, moeten andere partijen de integrale zorgverlening opgevangen. Uit semigestructureerde interviews met 21 wijkverpleegkundigen werd duidelijk dat de focus op preventie verschilt per teamsoort. De wijkverpleegkundigen die samenwerken met een multidisciplinair netwerkteam lijken het meest succesvol in preventie, zowel op gemeenschapsals individueel niveau. Door de flexibiliteit van het netwerkteam, in samenstelling én doel, bepalen de wijkverpleegkundigen per casus of thema welke partijen zij nodig hebben om goede hulp te verlenen. SchuldHulpMaatjes in de wijk Om goede hulp te verlenen kunnen allerlei partijen nodig zijn, waaronder de schuldhulpverlening. In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken voerde Vereniging SchuldHulpMaatje Nederland twee innovatieprojecten uit. Het rapport Schuldpreventie en vroegsignalering in woonwijken (Kadijk en Rijsdijk, 2014) bevat een verslag van beide projecten.

Het eerste betreft vijf wijkpilots in de gemeenten Apeldoorn, Delft, Hellendoorn, Lelystad en Oss. Het tweede betreft educatie met de website www. eerstehulpbijschulden.nl als belangrijkste resultaat. De wijkpilots in de gemeenten bestonden uit (inloop)spreekuren in buurthuizen, een wijkpost van een woningcorporatie en een inloopcentrum. De spreekuren werden bemand door vrijwilligers - getraind door SchuldHulpMaatje – en soms ook een coördinator. De vijf wijkprojecten bleken goed aan te sluiten bij het lokale beleid van gemeenten, de werkwijzen van sociale wijkteams en de doelstellingen van de Wmo. De resultaten zijn veelbelovend en de reacties uit het werkveld zijn positief. Het concept van een preventiespreekuur kan binnen drie jaar worden uitgerold naar 40 tot 60 locaties.

deel B Spoor 3

85

86

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Sporten en bewegen: buurtsportcoaches Net als bij de pilots van SchuldHulpMaatje, staat een wijkaanpak centraal in de tien tips die Barten (2019) geeft voor samenwerking tussen gemeenten, de sportsector en de zorg. Barten raadt aan wijkgericht te werken, lokaal relevante partijen te betrekken en aan te sluiten bij het aanbod dat in de wijk al bestaat. De auteur adviseert ook om buurtsportcoaches in te zetten. Zij kunnen lokale netwerken bouwen en onderhouden, mensen begeleiden naar een passend sport- en beweegaanbod of zorgen dat het gewenste aanbod wordt opgestart (www.allesoversport.nl). Enkele andere adviezen zijn: werk samen met huisartsengroepen / gezondheidscentra en de zorgverzekeraar met de meeste klanten in de gemeente, verbind initiatieven op wijkniveau en kijk over de grenzen met andere beleidsterreinen heen. Minder actief, meer risico op chronische ziekten Naast Barten stellen ook Hoogendoorn en De Hollander (2016) dat regelmatig bewegen de kwaliteit van leven bevordert en bijdraagt aan een goede gezondheid. Mensen die minder actief zijn dan aanbevolen, lopen een groter risico op chronische ziekten. Te weinig lichamelijke activiteit is goed voor 3,5 % van de totale ziektelast in Nederland. Ook op sociaal gebied en op participatie heeft bewegen een positieve invloed. Bepaalde groepen mensen sporten en bewegen minder; vaak hebben zij ook een gezondheidsachterstand.

Door bewegen te stimuleren valt dus gezondheidswinst te behalen. Dit schrijven Hoogendoorn en De Hollander in de RIVMpublicatie Belemmeringen en drijfveren voor sport en bewegen bij ondervertegenwoordigde groepen (2016). Specifieke ondervertegenwoordigde groepen zijn: mensen met een lage sociaal economische status en een migratieachtergrond; ouderen en mensen met een chronische aandoening; mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking. In beweging komen: belemmeringen en drijfveren De belemmeringen die mensen ervaren om te sporten en bewegen, verschillen per groep. Datzelfde geldt voor drijfveren die kunnen motiveren om in actie te komen. Manieren om belemmeringen weg te nemen kunnen bijvoorbeeld zijn: goedkope activiteiten aanbieden die aansluiten bij school en kinderopvang, geen verbintenis op lange termijn

deel B Spoor 3

verplichten, aandacht voor privacy en een veilige omgeving én maatjesprojecten. Steun van de sociale omgeving, een trainer die zich inleeft in de doelgroep en een aanbod op maat kunnen drijfveren zijn om wel te gaan sporten en bewegen. Bijlage 2 (Hoogendoorn en De Hollander, 2016) geeft een uitgebreid overzicht van belemmeringen en drijfveren per specifieke groep. Eenzaamheid: preventie levert meer op dan verminderen Gezondheidsklachten, psychisch en fysiek, ontstaan ook als gevolg van eenzaamheid. Natuurlijk voelt iedereen zich weleens eenzaam. Maar wanneer mensen over een langere periode vereenzamen en in een neerwaartse spiraal terechtkomen, wordt eenzaamheid een maatschappelijk vraagstuk (Van der Zwet en Van de Maat, 2018). In het rapport Preventie van eenzaamheid; bouwstenen voor beleid van Movisie wijzen de auteurs op het belang van een integrale aanpak met meerdere partijen. Een preventieve aanpak voorkomt klachten én kosten. Daarbij spelen gemeenten en zorgverzekeraars een belangrijke rol. Eenzaamheid komt in alle leeftijdsgroepen voor. Op pagina 17 tonen Van der Zwet en Van de Maat een overzicht met percentages: van 19-jarigen tot 85-plussers. Eenzame jongeren vertonen een verhoogde zorgbehoefte en verlaten vaker voortijdig het onderwijs. Eenzame ouderen bezoeken vaker de huisarts en komen eerder in een ziekenhuis en verpleeghuis terecht.

Volgens eenzaamheidsexperts valt meer winst te behalen met preventie dan met het verminderen van eenzaamheid (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 8). Focus op jonge, vitale ouderen Op latere leeftijd zijn de netwerken van mensen meer gevormd en staan ze minder open voor nieuwe vriendschappen. Daarom kunnen beleidsmakers voor deze groep het beste de focus leggen op jonge, vitale ouderen die nog geen eenzaamheidsproblemen ervaren. Preventief beleid moet hier concrete handvatten bieden voor hoe mensen hun sociale netwerk zo sterk mogelijk kunnen maken en houden. Ouderen met een lage opleiding en een laag inkomen vragen extra aandacht. Zij blijken minder goed in staat een divers sociaal netwerk in stand te houden.

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Moderne woonvormen, veerkracht en werk voor volwassenen Preventie van eenzaamheid in de categorie 3564 jaar krijgt weinig aandacht van onderzoekers en beleidsmakers, terwijl wel zo’n tien procent in deze groep ernstig eenzaam is. Alleen wonen en een lage veerkracht zijn hierbij de belangrijkste factoren. Investeren in moderne woonvormen en veerkracht is het devies. Veerkracht verwijst naar de mate waarin iemand in staat is om tegenslagen te overwinnen. Ook het investeren in inzetbaarheid op de arbeidsmarkt lijkt een goede manier om vereenzaming te voorkomen. Sociale vaardigheden en een positief zelfbeeld bij jongeren Sommige eenzame jongeren hebben minder goede sociale vaardigheden, vinden dat ook van zichzelf én hun klasgenoten zijn het daarmee eens. Hierdoor krijgen ze minder kans om vriendschappen te sluiten. Dit kan leiden tot gevoelens van eenzaamheid. Andere eenzame jongeren vinden van zichzelf dat ze slechtere sociale vaardigheden hebben en dat hun vriendschappen van lagere kwaliteit zijn. Maar hun vrienden en klasgenoten oordelen juist positief. Hier lijkt eenzaamheid het gevolg van negatief denken. Het verbeteren van sociale vaardigheden én van het zelfbeeld zijn dus belangrijk om eenzaamheidsproblemen bij kinderen en jongeren te voorkomen. Het onderwijs is hiervoor de aangewezen plek.

Sommige groepen lopen meer risico op eenzaamheid Hiervoor werd preventie van eenzaamheid bij mensen zonder risicofactoren belicht. Als het gaat om mensen met risicofactoren, zijn specifieke aanpakken nodig (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 21 – 33). Risicofactoren kunnen individueel of algemeen zijn. Denk op individueel niveau bijvoorbeeld aan leefomstandigheden, sociale integratie, sociaal economische status, migratieachtergrond of een verstandelijke beperking. Op macroniveau spelen culturele waarden en normen en sociaal economische ongelijkheid een rol. Beleidskeuzes hierin hangen af van lokale cijfers over eenzaamheid en risicofactoren. In Preventie van eenzaamheid; bouwstenen voor

beleid staan adviezen aan gemeenten (p. 34 – 36) om eenzaamheid te voorkomen. Bijvoorbeeld het inzetten op algemene bewustwording van de belangrijkste risicofactoren, het bieden van mobiliteit aan iedereen - onafhankelijk van een beperking -, en korting op activiteiten voor mensen met een laag inkomen. Wat signalering van eenzaamheid betreft, moet nog een taboe doorbroken worden. Niet alleen mensen die zich eenzaam voelen, maar ook professionals en vrijwilligers ervaren weerstand om eenzaamheid bespreekbaar te maken.

Wat zijn de ervaringen van andere gemeenten? Het voorkómen van erger In voor Zorg! laat voor vijf verschillende aanpakken van sociaal werk zien hoe een aanpak werkt en wat deze kan opleveren. Bij iedere aanpak worden meerdere voorbeeldcasussen beschreven (Van den Berg et al., 2017, p. 11-26). Op het gebied van preventie kan bijvoorbeeld het oplossen van een schuldensituatie een uithuiszetting voorkomen. Zinvolle dagbesteding en ontlasting van de mantelzorger kunnen opname in een verpleeghuis uitstellen. Ook vroegtijdige signalering kan preventief werken. Denk aan een alert schuldhulpmaatje dat problematiek bij andere gezinsleden constateert. Of aan een sociaal werker die bij de wekelijkse activiteiten opmerkt dat er meer aan de hand is en aanstuurt op een bezoek aan de huisarts. Wat substitutie betreft, blijkt dat sociaal werk zorg vervangt, maar niet één-op-één. Met het ontbreken van Welzijn op Recept zou de POH (praktijkondersteuner huisarts) enkele extra gesprekken hebben gevoerd en uiteindelijk hebben doorverwezen naar een psycholoog. Zonder het Geheugenhuis was een mantelzorger eerder overbelast geraakt en was zijn naaste opgenomen in een verpleeghuis. Welzijn op Recept Huisartsen en andere eerstelijns zorgverleners zien veel mensen met psychosociale klachten. Hiervoor wordt vaak geen medische oorzaak gevonden.

Welzijn op Recept is een eenvoudig concept: de patiënt wordt vanuit de eerstelijnszorg doorverwezen naar een welzijnscoach. Deze maakt samen met de cliënt een programma op

deel B Spoor 3

87

88

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

maat; denk aan vrijwilligerswerk, bewegen en/ of creatieve activiteiten. Primair doel is verhogen van het welbevinden. Deelnemers aan Welzijn op Recept ervaren meer levensvreugde én een betere gezondheid. Inmiddels doen bijna 100 gemeenten mee (www.welzijnoprecept.nl). Welzijn op Recept is één van de interventies die vaak wordt ingezet binnen de subsidieregeling preventiecoalities. Dit is een regeling van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor gemeenten en zorgverzekeraars. Het gaat hierbij altijd om interventies die bijdragen aan de beweging van zorg en ziekte naar gezondheid en gedrag. WijkDNA in Hengelo Gemeente Hengelo wil graag meer inzetten op preventie. In het project WijkDNA wordt informatie geanalyseerd over aantallen indicaties en voorzieningen in wijken. Dit moet de samenwerking tussen maatwerkaanbieders, voorliggende voorzieningen en de gemeente ten goede komen. Hengelo wil graag van minder maatwerkvoorzieningen naar meer voorliggende voorzieningen, zoals buurthuizen en wijkcentra. De gemeente ziet kansen voor preventie en het inzetten van lichtere voorzieningen bij armoedebestrijding en schuldhulpverlening (Van Xanten et al., 2020, p. 14). Zelfredzaamheid verschilt per cliëntgroep Bij de aandachtspunten die Van Xanten et al.

(2020) noemen, horen naast gerichter inzetten op preventie ook: het versterken van de zelfredzaamheid en eigen kracht van cliënten én het betrekken van hun sociale netwerk. Een te hoge werkdruk kan de inzet hierop onder druk zetten. In Amersfoort bleek dat om deze reden een sociaal wijkteam sneller doorverwees naar gespecialiseerde zorg. De tijd ontbrak om cliënten zelf te ondersteunen bij het aanpakken van problemen of het mobiliseren van hun netwerk. Aan gemeente Vlaardingen doen Van Xanten et al. (2020) de aanbeveling bij het versterken van de zelfredzaamheid van inwoners te differentiëren naar cliëntgroepen. Deze verschillen in de mate waarin eigen kracht en omgeving te beïnvloeden zijn. Dat vraagt per cliëntgroep om een andere benadering vanuit het wijkteam. De wijkverpleegkundige én andere professionals Wijkverpleegkundigen werken op verschillende

deel B Spoor 3

manieren samen met/in wijkteams en leggen per soort team andere accenten (Zielman, 2016). De wijkverpleegkundigen in het netwerkteam zetten met name in op korte adviestrajecten. Bijvoorbeeld over juist medicatiegebruik of het creëren van bewustzijn over risicofactoren. Tijdens deze korte trajecten wordt de flexibele structuur van het netwerkteam benut. De wijkverpleegkundigen zoeken aansluiting bij professionals van andere disciplines die op dat moment van belang zijn. Dit kan een huisarts zijn, maar ook een diabetesverpleegkundige of schuldhulpverlener. Door aanwezig te zijn bij allerlei activiteiten in de buurt laten wijkverpleegkundigen van netwerkteams zien dat zij er zijn voor vragen binnen het sociale en gezondheidsdomein. Een respondent vertelt: “Bij de Hindoestaanse vereniging hebben ze heel veel yogaclubjes. Daar ga ik dan langs. Dat zijn meestal niet de mensen die ik wil bereiken, want als je op yoga zit dan ben je meestal niet zo bang om te vallen, maar zij kennen wel altijd iemand in hun omgeving die ze dan kunnen doorverwijzen” (Zielman, 2016, p. 19). Andere voorbeelden zijn de samenwerking tussen een wijkverpleegkundige en een ergotherapeut om voorlichting op te zetten over veiligheid in en om het huis en een wijkverpleegkundige die in contact is met het ziekenhuis omdat ze een melding wil krijgen als iemand ontslagen wordt en er geen thuiszorg is geregeld.

Het schrijnende voorbeeld van ‘de man met z’n shoppers, in z’n korte broek in de winter...’ maakt concreet hoe de betrokken wijkverpleegkundige de flexibiliteit van het netwerkteam benut (Zielman, 2016, p. 21). Financiële problemen vroeg signaleren Eén van de disciplines waar wijkverpleegkundigen zo nodig een beroep op doen, is de schuldhulpverlening. In de gemeenten Apeldoorn, Delft, Hellendoorn, Lelystad en Oss organiseerde Vereniging SchuldHulpMaatje Nederland (inloop)spreekuren (Kadijk en Rijsdijk, 2014). Deze pilots bleken sterk bij te dragen aan vroegsignalering van financiële problemen in huishoudens. Vrijwilligers waren goed in staat effectieve schuldhulp te verlenen. Met het oog op continuïteit en kwaliteit is daarnaast een professionele en gekwalificeerde coördinator onmisbaar. Voor vrijwilligers die werken op een

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

spreekuur is een opleiding wenselijk, denk aan het trainen van interviewtechnieken. De vrijwilligers van SchuldHulpMaatje zijn in eerste instantie geschoold voor intensieve hulpverlening aan huis. Ook het investeren in training en opleiding van coördinatoren is noodzakelijk. De ervaringen opgedaan in de vijf wijkpilotprojecten leiden tot aanbevelingen (Kadijk en Rijsdijk, 2014, p. 7 en 37). De eerste is het laten aansluiten van schuldpreventiespreekuren bij wijkteams. Daarnaast is onderzoek nodig op het gebied van ‘geld en taboe’. Mensen met financiële problemen spreken hier niet gemakkelijk over; het merendeel meldt zich niet bij de hulpverlening. De nieuwe kennis kan benut worden in communicatiecampagnes met als doel dat mensen zonder problematische schulden alvast actief worden in ‘het financiële huishouden’. Inzet buurtsportcoaches lijkt veelbelovend De sportsector werkt vaker onderling én met gemeenten samen dan met instellingen voor gezondheidszorg, ouderen, gehandicaptenzorg en welzijn. Hier valt winst te boeken. Professionals vinden de rol van buurtsportcoaches in dit opzicht veelbelovend. Zij kunnen de spil zijn in een multidiscipinair netwerk en de verbinding leggen tussen sport, bewegen en eerstelijnszorg. Wageningen University & Research en Radboud UMC deden onderzoek naar de effecten van het aanstellen van buurtsportcoaches in negen gemeenten (www.zonmw.nl).

Meer hierover leest u verderop in het onderdeel ‘Wat zijn de effecten van investeren in preventie?’ onder het kopje ‘Sport en bewegen verbinden met eerstelijnszorg’, op pagina 91. Sporten en bewegen voor mensen met een beperking Het Ministerie van VWS, NOC*NSF, Sportkracht 12, Vereniging Sport en Gemeenten, MEE NL en Kenniscentrum Sport zetten zich gezamenlijk in om meer mensen met een beperking aan het sporten te krijgen. Tot maart 2019 in het programma Grenzeloos Actief; hierna zijn als vervolg hierop afspraken gemaakt in het nieuwe Sportakkoord. Dit akkoord heeft als thema inclusie. Het vraagt gemeenten bovendien ook een sport- en beweegaanbod te creëren voor mensen met een migratieachtergrond, dak- en thuislozen en kinderen die opgroeien in armoede. Inmiddels zijn 41 regionale

samenwerkingsverbanden opgezet (www.sportenstrategie.nl). Gemeenten in Drenthe pakken gezondheidsproblemen aan In Drenthe kampen inwoners gemiddeld meer met gezondheidsrisico’s en -problemen dan in de rest van Nederland. Drenten roken meer, drinken vaker alcohol en hebben vaker overgewicht. Daarnaast zijn er grote gezondheidsverschillen. De Drentse gemeenten gaan daarom stevig inzetten op gerichte preventie. Dit doen zij samen met de GGD Drenthe, SportDrenthe, CMO STAMM, de Werkplaats Sociaal Domein Noord en de Academische Werkplaats Publieke Gezondheid Noord-Nederland. In de eerste fase van het project wordt de lokale gezondheidssituatie en de huidige preventieaanpak in kaart gebracht. In de tweede fase voert iedere gemeente een eigen plan van aanpak uit. Het uitwisselen van kennis en ervaringen én samen leren, krijgen veel aandacht in dit samenwerkingsverband (www.zonmw.nl). Thuiszorgprofessionals signaleren eenzaamheid In Amersfoort maakt IMPULS thuiszorgprofessionals in de gemeente beter bekend met signalen van eenzaamheid, beschermende factoren én hun eigen rol en mogelijkheden bij eenzaamheidsproblematiek. Dit doet IMPULS met een voorlichtingsbijeenkomst van 45 minuten.

Verzorgenden en verpleegkundigen in de thuiszorg hebben een belangrijke intermediaire rol in het doorverwijzen naar het beschikbare welzijnsaanbod of de professionele hulp (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 33). Sociale contacten voor mensen met een verstandelijke beperking Met de methode ABCDate kunnen mensen met een verstandelijke beperking eenvoudig nieuwe contacten leggen. ABCDate biedt - naast een website - diverse vormen van ondersteuning. Denk aan ontmoetingsavonden, trainingen en datebegeleiding. Verder heeft ABCDate tal van speciale e-learning modules rond relatievorming, weerbaarheid, seksualiteit, reizen en geld. ABCDate is ook voor begeleiders een handige tool om de cliënten op een veilige manier te helpen bij het uitbreiden van de sociale contacten (Van der Zwet en Van der Maat, 2018, p. 27).

deel B Spoor 3

89

90

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Kennis over eenzaamheid toegankelijk maken en uitwisselen In de vierjaarlijkse gezondheidsmonitor van GGD Amsterdam wordt ook altijd eenzaamheid meegenomen. Professionals, beleidsmakers en vrijwilligers vinden op de website van GGD Amsterdam de belangrijkste informatie over eenzaamheid en mogelijke aanknopingspunten voor preventie. Daarnaast geeft GGD Amsterdam regelmatig voorlichting en training over eenzaamheid en psychosociale gezondheid aan professionals en vrijwilligers (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 25).

Wat zijn de effecten van investeren in preventie? Lichtere aanpak, lagere kosten De preventieve werking van sociaal werk werd in 36 onderzochte casussen op verschillende manieren zichtbaar (Van den Berg et al., 2017, p. 28-29). Met heel bewust vooruit kijken, interventies in het hier en nu, het aanleren van vaardigheden of door te werken aan verbeteringen op andere levensdomeinen werd verzwaring van de problematiek of inzet van duurdere interventies voorkomen. Door de inzet van sociaal werk vond ook substitutie plaats. De mogelijkheden hiervoor lijken wel persoonsgebonden. Het ene (zorg) aanbod kan niet zomaar worden ingeruild voor het andere (sociaal werk-)aanbod. De ondersteuning van inwoners is het beste gediend met beide. Hierna volgt informatie over een aantal cases waarvan (de eerste) kwalitatieve en/of kwantitatieve resultaten bekend zijn: Welzijncoach in plaats van ‘pilletje’ Welzijn op Recept is een relatief eenvoudige interventie, die eerstelijnszorg en het sociaal domein verbindt. Vanuit de eerstelijnszorg worden patiënten doorverwezen naar een welzijnscoach. Patiënten die zo’n doorverwijzing kregen, ervaren dat dit hun kwaliteit van leven verhoogt en hun gezondheid verbetert. Huisartsen geven aan dat de druk op het spreekuur vermindert. Zo gaan minder psychosociale klachten en minder onnodig zorgverbruik hand in hand.

Welzijn op Recept kan ingezet worden bij de Wmo, de Participatiewet en de Jeugdwet. Het concept is makkelijk op te schalen, tegelijkertijd zijn

deel B Spoor 3

er wel aandachtspunten voor de toekomst (www.welzijnoprecept.nl). Van tweede- naar nuldelijns: laagdrempelige dagbesteding Collectieve dagbesteding in de buurt, toegankelijk voor iedereen, is een mooi voorbeeld van substitutie van zorg door sociaal werk (Van den Berg et al., 2017, p. 29). En nuldelijns organisatie biedt deze voorziening aan in plaats van een tweedelijns organisatie voor specialistische GGZ. Dit levert flinke besparingen op. Bovendien maakt het de dagbesteding laagdrempelig; deze wordt in de buurt en meer in het normale leven aangeboden. Preventie en substitutie hebben ook grenzen. Soms is de problematiek te zwaar of te complex. Daarom is het belangrijk sociaal werk goed te verbinden met de zorg. Samenwerking van sociaal werk professionals en zorgprofessionals in een sociaal wijkteam blijkt goed te werken. Samen kunnen beide disciplines de problemen beter identificeren en het juiste aanbod organiseren. SchuldHulpMaatjes en communicatie In vijf gemeenten organiseerde de Vereniging SchuldHulpMaatje Nederland pilots met (inloop) spreekuren (Kadijk en Rijsdijk, 2014). Deze (inloop)spreekuren bleken een goede praktische preventieactiviteit passend binnen de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Een deel van de hulpvragers met problematische schulden was niet bekend met de gemeentelijke schuldhulpverlening. Voor hen fungeerde het (inloop)spreekuur als toeleiding.

De respons op de vijf pilotprojecten was 0,17 – 0,33% van het totaal aantal lokale huishoudens. Dat is hoopvol voor een project in de opstartfase. Tijdens de pilots zijn verschillende manieren van communicatie gemonitord. Structurele, frequente en gerichte berichtgeving werkt goed. Dit blijkt uit reacties op Adwords campagnes, bekendmaking van het project in het professionele werkveld, de actieve benadering van doelgroepen en het neerleggen van folders op openbare locaties. Incidentele berichtgeving in de lokale pers en verspreiding van folders in de wijk leverden weinig op.

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Sport en bewegen verbinden met eerstelijnszorg Gemeenten krijgen sinds 2012 financiële steun van het Rijk bij het aanstellen van buurtsportcoaches. Onderzoekers van Wageningen University & Research en Radboud UMC volgenden drie jaar lang de activiteiten van buurtsportcoaches in negen gemeenten. Een deel van deze buurtsportcoaches richt zich niet alleen op het stimuleren van bewegen, maar ook op verbinding van de sporten beweegsector met de eerstelijnszorg. De onderzoeksresultaten laten zien dat professionals de rol van de buurtsportcoach als positief ervaren. Organisatorisch gezien kan de buurtsportcoach het beste deel uitmaken van een samenwerkingsverband tussen verschillende sectoren. Dit heeft een positieve invloed op de ondersteuning van andere professionals en het realiseren van een doorverwijsschema in de eerstelijnszorg. Om de groep te bereiken die het meeste baat heeft bij bewegen, is het essentieel de zorgsector zoveel mogelijk te betrekken. Het is aan te bevelen deelnemers intensiever en frequenter te volgen, omdat zij anders nauwelijks extra gaan bewegen (www.zonmw.nl). Ouderbetrokkenheid bij gewicht, sport- en beweegactiviteiten Betrokken professionals, deelnemers en hun ouders zijn positief over de Sportimpulsprojecten Jeugd in lage-inkomensbuurten (JILIB) en Kinderen sportief op gewicht (KSG).

Alle betrokkenen bij KSG zien positieve veranderingen bij de kinderen die deelgenomen hebben. Denk aan meer zelfvertrouwen, een verbeterde conditie en betere beheersing van de beoefende sport. Helaas is de KSG-doelgroep kinderen tot 4 jaar met (risico op) overgewicht slechts beperkt bereikt. Bij deelnemers aan de JILIB-projecten waren ouders weinig betrokken bij de sport- en beweegactiviteiten van hun kinderen. De ouders betrekken bleek lastig. Bij KSGprojecten werden effecten vaker en meer gedegen gemonitord dan bij JILIB-projecten (www.mulierinstituut.nl).

het verbeteren van fysieke fitheid. Sociaal Vitaal wil het gezond ouder worden van de doelgroep op verschillende manieren bevorderen. De ouderen worden door een groep getrainde vrijwilligers persoonlijk huis aan huis geworven. Het Sociaal Vitaal programma bestaat uit een veelzijdig beweegprogramma, een weerbaarheidstraining, een sociale vaardigheidstraining en voorlichting over verschillende gezondheids- en sociale thema’s (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 32 en www.loketgezondleven.nl van het RIVM). Vrijwilligerswerk maakt minder eenzaam Het doen van vrijwilligerswerk kan een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen en verminderen van eenzaamheid bij volwassenen van 18 jaar en ouder. Maar het is niet de oplossing voor alle eenzaamheidsgevoelens. 65-plussers die vrijwilligerswerk doen, zijn minder eenzaam dan ouderen die geen vrijwilligerswerk doen. Dit verschil werd niet gevonden voor culturele of recreatieve activiteiten (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 16). Een luisterend oor Ed Theunen, directeur Hulplijn Amsterdam, waarschuwt voor generalisatie (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 22): “De eenzame mensen die wij spreken, hebben alle paden eigenlijk al bewandeld, maar het heeft niet geholpen. [………] Er zijn verschillende vormen van eenzaamheid en de instrumenten zijn niet altijd op iedereen van toepassing.

Onze visie is dat we deze mensen helpen door te luisteren. Niks oplossen, niks aanreiken, niet te snel doorverwijzen… alleen een luisterend oor bieden. Meer hebben we niet te bieden. En tegelijkertijd is dat heel veel.”

Sociaal Vitaal voor ouderen van 60 tot 85+ Het programma Sociaal Vitaal richt zich op een specifieke groep zelfstandig wonende ouderen. Er zijn eerste aanwijzingen dat het programma effectief is in het verminderen van ervaren eenzaamheid en

deel B Spoor 3

91

92

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Kortom... De meningen en bevindingen over de effecten van preventieve ondersteuning lopen uiteen. Van den Berg et al. (2017) zijn positief naar aanleiding van 36 onderzochte casussen. Sociaal werk kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de transformatie (In voor zorg!, 2017). Verder passeerde een groot aantal onderwerpen de revue. Denk aan het inzetten van sociale wijkteams, pilotprojecten van de Vereniging SchuldHulpMaatje Nederland en het aanstellen van buurtsportcoaches. Ook de preventie van eenzaamheid, vervanging van zorg door Welzijn op Recept en het bevorderen van zelfredzaamheid werden belicht. Hiervoor werd preventieve ondersteuning voor met name volwassenen behandeld, met soms een kleine vooruitblik naar het onderwerp jeugd. Hierna wordt ingezoomd op preventieve ondersteuning voor kinderen en jongeren.

Wat houdt preventieve ondersteuning voor specifiek jeugd in? Preventieve ondersteuning op het gebied van jeugdhulp houdt in: kinderen, jongeren en gezinnen versterken voordat problemen optreden, zo laagdrempelig en zo vroeg mogelijk. Problemen eerder signaleren en hiernaar handelen, kan ernstiger problemen voorkomen. Het benutten van de eigen kracht van mensen is hierbij het uitgangspunt. Dat betekent aansluiten op de eigen mogelijkheden en het eigen netwerk. Problemen en gedrag worden minder snel als medische vraagstukken benaderd (de-medicaliseren). En als een ervaren probleem bij het gewone opvoeden en opgroeien hoort, wordt dit benadrukt (normaliseren). Preventieve ondersteuning heeft als doel zwaardere jeugdhulptrajecten voorkomen of korter maken (Hilderink et al., 2020).

Wat zijn de bevindingen van wetenschap en onderzoek? Vijf verschillende gemeenten, vijf ‘succesverhalen’ Uit recent onderzoek van het Verwey-Jonker instituut

deel B Spoor 3

en het Institute for Management Research van de Radboud University (Sondeijker et al., 2021) blijkt dat sommige gemeenten in staat zijn hun lokale jeugdstelsel te transformeren én de jeugdhulp budgettair beheersbaar te houden. De onderzoekers selecteerden vijf gemeenten voor hun onderzoek: Deventer, Peel en Maas, Roosendaal, Utrecht en Zaltbommel. Deze gemeenten laten een stijging in het gebruik van de eerstelijns jeugdhulp zien, terwijl instroom in de specialistische jeugdzorg beheersbaar of kleiner is geworden. Daarbij zijn de cliënt- en medewerkerstevredenheid hoog. De jeugdhulp en inkoop zijn in de betrokken gemeenten verschillend georganiseerd. Belangrijker zijn de overeenkomsten die een rol spelen in het slagen van de transformatie. Deze succesfactoren liggen zowel op inhoudelijk, bestuurlijk als organisatorisch vlak. De onderzoekers benadrukken dat de onderzochte voorbeelden geen blauwdruk bieden voor andere gemeenten. Via systematische, diepgaande peer-reviews kunnen gemeenten elkaar wel verder helpen in de transformatie. De vijf onderzochte gemeenten investeren duidelijk in preventie en vroegsignalering. Zij ondersteunen zo laagdrempelig en vroeg mogelijk. Jeugdprofessionals in de toegang werken nauw samen met specialistische jeugdprofessionals, die soms deel uitmaken van diezelfde toegang.

Door deze interactie worden oplossingen meer in de directe leefomgeving van het kind gezocht en neemt doorverwijzing naar duurdere specialistische jeugdzorg af. Specialisten werken niet langer standaard als casusregisseur of om diagnoses te stellen voor het afgeven van beschikkingen. Dit versterkt de kwaliteit van de toegang die overal dichtbij vindplaatsen van problematiek is georganiseerd, zoals huisartsen en scholen. Er is in de vijf onderzochte gemeenten veel aandacht voor de ontwikkeling van het vak gezinswerker/gezinscoach/jeugdprofessional. Directe lokale hulpverlening en kwaliteit van toegang versterken De effectiviteit van directe hulpverlening door lokale teams én het versterken van de kwaliteit van toegang wordt bevestigd door onderzoeks- en adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) in Stelsel in groei; Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg (Hilderink et al., 2020). Lokale teams schalen eerder

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

af en de tarieven van medewerkers liggen lager dan in de specialistische zorg. Daarnaast zijn de ervaringen van jeugdigen positiever en hebben de professionals meer werkplezier. Wel worden extra kosten gemaakt voor kinderen en jongeren die anders geen beroep op jeugdhulp gedaan hadden. Directe lokale hulpverlening én de kwaliteit van toegang versterken, kunnen niet los van elkaar gezien worden en leveren naar verwachting een besparing op. Samen met andere partijen is besparen mogelijk AEF noemt daarnaast nóg vier maatregelen waarvan een besparend effect verwacht wordt (Hilderink et al., 2020). Ten eerste de invoering van een POH-jeugd (praktijkondersteuner bij huisartsen). Zo worden kinderen niet onnodig doorverwezen óf krijgen zij wanneer nodig juist sneller specialistische hulp. Ten tweede een snellere doorstroming naar de Wet langdurige zorg. Het Centrum Indicatiestelling zorg heeft dit al opgepakt. Het is belangrijk dat ook jeugdhulpaanbieders hier alert op zijn. Ten derde het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en buitenschoolse opvang. Ten slotte kan het beter afbakenen van verantwoordelijkheden tussen jeugdhulp en onderwijs tot lagere kosten leiden. AEF onderstreept het belang van tijdig investeren in goede relaties met relevante partijen. Dit in verband met de onderlinge afhankelijkheid en de nodige samenwerking om zaken te kunnen realiseren.

Het gezamenlijke proces is zó belangrijk Andere vormen van samenwerking tussen diverse jeugdprofessionals leveren dus effect op. Dat geldt ook voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen. Het gezamenlijke proces om te komen tot een kwalitatief hoogwaardig en meer preventief aanbod in de wijk staat centraal in het rapport Wijkprogrammering; Methodiek en handleiding (Gemeente Rotterdam, 2019). Wijkprogrammering is een manier van werken om op basis van cijfers én in overleg met de praktijk te komen tot een meer passende en kwalitatief betere en effectievere inzet van jeugdhulp in een wijk of gebied. Het rapport beschrijft een interactief proces waarin alle partners betrokken worden. Elkaar willen versterken met begrip voor verschillen – in organisatiestructuur, -cultuur en vorderingen – staat

centraal. Evenals een voortdurende meet-, spreek-, leer- en verbetercyclus. Wijkprogrammering gaat uit van het voorkómen van risicofactoren én versterken van beschermende factoren. Doel is zo de draaglast van jeugdigen en gezinnen te verminderen en hun draagkracht te versterken. In het aanbod wil gemeente Rotterdam meer gebruikmaken van preventieve en bewezen effectieve interventies. De verwachting is dat deze manier van werken de inzet op zwaardere geïndiceerde hulp vermindert. Samenwerken op basis van vertrouwen Ook het Verwey-Jonker Instituut benadrukt het belang van het samenwerkingsproces (Sondeijker et al., 2021). In de vijf onderzochte gemeenten wordt samengewerkt op basis van vertrouwen. Zij trappen niet in de valkuil van de ‘risico-regel reflex’ (meer controle willen uitoefenen, een reëel risico bij financiële schaarste), maar leerden dat juist doorbouwen op vertrouwen van belang is. Daarbij beseffen de gemeenten dat ze voor inhoudelijke kennis en kunde afhankelijk zijn van professionele jeugdhulpaanbieders. De (jeugdhulp)organisaties samen verantwoordelijkheid geven voor het te besteden budget én regie laten nemen over het proces, lijkt te werken. De professionals hebben een groot mandaat. Beschikkingen zijn niet langer de standaard, een gezinsplan of arrangement volstaat.

Gemeenten zijn zich ervan bewust dat transformeren een verandering qua gemeentelijke organisatie - ook van de backoffice - kan vragen. De inhoud staat voorop, de organisatie is volgend en de lijnen zijn kort. De vijf onderzochte gemeenten vullen hun rol als opdrachtgever stevig maar faciliterend in, al dan niet in samenwerking met de jeugdhulpregio. Als er nauwe samenwerking is in de regio, is dat omdat de ideeën goed op elkaar aansluiten. Alle betrokken gemeenten werken vanuit een relationeel netwerkperspectief. Er is ruimte voor grotere en kleinere aanbieders. Niet zo gek dat de transformeren tijd kost Een samenwerkingsproces zoals hiervoor omschreven kost tijd. Tijd om samen telkens weer het cyclische proces te doorlopen, daaraan voorafgaand tijd om tot de gewenste samenwerking te komen en vervolgens tijd om te komen tot effecten van een bepaalde aanpak of interventie.

deel B Spoor 3

93

94

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

AEF geeft aan dat gemeenten moeten uitgaan van realistische termijnen voor de implementatie van nieuwe werkwijzen. De vijf door het Verwey-Jonker Instituut geportretteerde gemeenten kijken ook naar de langere termijn. Wijkprogrammering Rotterdam geeft aan dat tijd nodig is om samen te ontwikkelen en te leren. Jongerenwerk heeft tijd nodig, stelt ook de Hogeschool van Amsterdam in De preventieve kracht van het jongerenwerk; bijdragen aan de transformatiedoelen van de Jeugdwet (2018). Jongerenwerk is een laagdrempelige basisvoorziening, waarbij jongerenwerkers contact leggen met jongeren in hun eigen leefwereld. Ze signaleren vroegtijdig, ondersteunen en verwijzen zo nodig door naar specialistische hulp. Dit gaat in samenwerking met ouders, scholen, politie, hulpverlening en de buurt. De Hogeschool van Amsterdam deed onderzoek onder bijna 1600 jeugdigen in de leeftijd van 10 – 24 jaar die deelnemen aan jongerenwerk én opgroeien in kwetsbare situaties. Meedoen aan jongerenwerk kan bestaan uit: groepswerk, individuele begeleiding, informatie en advies én/of ambulant jongerenwerk. Conclusie van het onderzoek is dat jongerenwerk bijdraagt aan de transformatiedoelen van de Jeugdwet. Het versterkt de eigen kracht van jongeren, wat zich onder meer uit in een betere kwaliteit van het eigen sociale netwerk en meer grip op het eigen leven.

Het zorgt dat jongeren meer participeren in de maatschappij op het gebied van (vrijwilligers)werk of opleiding. Ten slotte is jongerenwerk goed in het bereiken van jongeren met zware problemen en in ondersteuning bij het tijdig vinden van de juiste hulp. Voor alle effecten geldt dat zij pas optreden als jongeren minimaal zeven maanden aan jongerenwerk deelnemen. Dit komt doordat het een halfjaar duurt om een betekenisrelatie met een jongerenwerker op te bouwen. Na deelname van meer dan twee of drie jaar zijn de effecten duidelijk sterker. Het is nooit af; samen blijven leren Verder onderzoek is nodig om erachter te komen welk type jongere zich in welke mate positief ontwikkelt door deelname aan jongerenwerk. Het aanbod is nooit af. Dat geldt ook voor de totale transformatie naar een meer preventieve jeugdhulp. Dit is een voortdurend

deel B Spoor 3

proces en ook in elke succesvolle gemeente onderzocht door het Verwey-Jonker Instituut zijn er zorg- en ontwikkelpunten (Sondeijker et al., 2021). In alle geportretteerde gemeenten speelt monitoring een grote rol. Daarbij is steeds sprake van een cyclisch proces met aandacht voor data en duiding (tellen en vertellen), binnen de gemeenten - veelal met nauwe betrokkenheid van de gemeenteraden en in samenwerking met jeugdhulpaanbieders. Ook bij de methode Wijkprogrammering in Rotterdam is de voortdurende kwaliteitscyclus erg belangrijk. Daarbij leeft het besef dat verschillende partners verschillende leerclyclussen doormaken. Niet iedereen is even ver en dat hoeft ook niet. Kennisdeling wordt actief georganiseerd; onbewuste kennis wordt expliciet gemaakt. Het is vallen en opstaan, samen lerend doen wat werkt en daarbij kleine, haalbare stappen zetten. Een lerend en reflectief vermogen van alle bij de jeugdhulp betrokken partijen is noodzakelijk (Sondeijker et al, 2021). Hogere zorgbehoefte en voortijdig schoolverlaten door eenzaamheid Eén van de problemen waar jongeren mee kampen is eenzaamheid. Voor alle leeftijdsgroepen wordt dit onderwerp eerder in dit document besproken, op de pagina’s ….. , ….. en ….. Volgens experts valt meer winst te behalen met preventie dan met het verminderen van eenzaamheid.

Eenzame jongeren vertonen een verhoogde zorgbehoefte en verlaten vaker voortijdig het onderwijs. Het verbeteren van sociale vaardigheden en van het zelfbeeld werken preventief. Het (basis)onderwijs is de aangewezen plek om hieraan te werken (Van der Zwet en Van de Maat, 2018). De partnerrelatie van ouders en het effect op kinderen Echtscheiding, een relatiebreuk of chronische conflicten tussen ouders hebben veel invloed op de ontwikkeling van kinderen Een goede partnerrelatie kan juist een positief effect hebben; bovendien kan dit leiden tot besparingen bij gemeenten. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) ontwikkelden daarom samen de brochure De kracht van een goede partnerrelatie tussen ouders. Hierin is beschreven hoe gemeenten preventieve ondersteuning kunnen

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

bieden aan ouders én in kunnen zetten op het versterken van de partnerrelatie. De brochure bevat cijfers, tips, handreikingen en voorbeelden. Samen met een aantal partners ontwikkelden het NJi en NCJ ook een Preventiematrix en Kwaliteitskompas om gemeenten te ondersteunen bij het inrichten van passend (preventief) jeugdbeleid (www.nji.nl).

Wat zijn de ervaringen van andere gemeenten? De vijf geportretteerde ‘succesgemeenten’ De gemeenten die het Verwey-Jonker Instituut onderzocht en portretteerde vertonen op een twaalftal thema’s overeenkomsten (Sondeijker et al., 2021, p. 6-8 en p 17-22). De meeste thema’s komen elders in dit document aan de orde, de overige worden hierna toegelicht: De onderzochte gemeenten voeren hun visies consequent en consistent door. Er is een hoge mate van politiek-sociale stabiliteit. Dat wil niet zeggen dat er geen wijzigingen in politieke kleur of bestuur plaatsvinden. Wel wordt – onafhankelijk van de politieke kleur – steeds vanuit dezelfde visie, waarden en leidende principes gewerkt. Ambtenaren, college en gemeenteraad zijn goed op elkaar aangesloten. De eensgezindheid onder bestuurders, beleidsmakers, uitvoering en professionals is groot. Risico- en beschermende factoren De handleiding Wijkprogrammering Rotterdam (gemeente Rotterdam, 2019) heeft als doel deze methodiek toepasbaar en overdraagbaar te maken. Een belangrijk hulpmiddel hierin is het Factorenmodel. Gemeente Rotterdam wil helder krijgen welke risicofactoren en beschermende factoren achter problemen zitten. Risicofactoren zoals gezinsproblemen en leerachterstanden bedreigen de ontwikkeling van een kind.

Beschermende factoren zoals sociale binding en een constructieve tijdsbesteding vormen een buffer en dempen de werking van risicofactoren. Het Factorenmodel omvat ook leeftijdsfasen en leefgebieden (kind/jeugd, school, wijk of internet). Al deze informatie wordt benut in wijkanalyses en -programmering. Meer uitleg en een Ranking van factoren staan in bijlage 3 en 4 van de handleiding Wijkprogrammering Rotterdam.

De Effectenladder: hoe effectief is een interventie In de wijken wil Gemeente Rotterdam meer werken met ‘evidence-based’ interventies. Dit betekent dat beschikbare kennis over wat werkt wordt benut. Het gaat om wetenschappelijke kennis, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van cliënten. De gemeente gebruikt de Effectenladder om inzicht te krijgen en geven in het ontwikkelingsstadium van een interventie. De ladder loopt op van trede 0 (werken met impliciete kennis) naar trede 4 (effectief bewezen interventies). Hoe hoger op de ladder, hoe meer bewijs er is dat de interventie effectief is. Vanaf trede 2 ‘goed onderbouwd’ kan een interventie worden opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Hierin staan interventies voor jeugdhulp en ontwikkelingsstimulering. Bijlage 8 van de handleiding Wijkprogrammering geeft meer uitleg over de Effectenladder. De betekenisrelatie maakt het verschil Na een deelname van minimaal een halfjaar aan jongerenwerk treden positieve effecten op. Deze worden krachtiger naarmate de deelname langer duurt (Hogeschool van Amsterdam, 2018). De hogeschool onderzocht bij bijna 1600 deelnemers aan jongerenwerk de impact op hun sociale netwerk, relationele vaardigheden, pro-sociale vaardigheden, gevoel van eigenwaarde en grip op het eigen leven.

De aanwezigheid van een betekenisrelatie tussen jongere en jongerenwerker blijkt van cruciaal belang en hangt positief samen met de mate waarin jongeren zich ontwikkelen. Een betekenisrelatie houdt in dat het contact wezenlijk verschil maakt in het leven van de jongere. Het opbouwen van een betekenisrelatie tussen jongere en jongerenwerker duurt een halfjaar. Doe maar normaal Het jongerenwerk is zich bewust van het belang van normaliseren en de-medicaliseren. Problemen worden minder snel als medische vraagstukken benaderd. Normaliseren betekent benadrukken welk gedrag bij het normale opvoeden en opgroeien hoort. Hiertoe biedt jongerenwerk een laagdrempelige, ongedwongen omgeving aan jongeren met (zware) problemen. Hier krijgen zij steun en aandacht, kunnen ze vaardigheden ontwikkelen, contacten opdoen en deelnemen aan activiteiten. Ook Wijkprogrammering

deel B Spoor 3

95

96

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

Rotterdam maakt met de-medicaliseren en normaliseren de beweging naar voren, richting meer preventie en vroegsignaleren. Volgens AEF is het voor professionals niet voor de hand liggend om te normaliseren (Hilderink et al., 2020). Vanuit hun opleiding en vak zijn zij als vanzelfsprekend gedreven om te helpen. Het afschalen van zorg ligt dan niet altijd voor de hand. Als cliënten in zo’n geval weer hulp nodig hebben, kunnen zij opnieuw op een wachtlijst terechtkomen. AEF constateert een spanningsveld tussen enerzijds meer uitgaan van eigen kracht en normaliseren en anderzijds preventie en vroegsignaleren. Het toenemende welvaartsniveau leidt ertoe dat steeds minder problemen gezien worden als normaal onderdeel van opgroeien en opvoeden. Enkele voorbeeldprojecten waarbij gemeenten investeren in kansen voor kinderen en jongeren volgen hierna: Spannende thema’s bespreken in de klas THINK is een maatwerk lessenreeks gericht op de sociaal-emotionele ontwikkeling van jongeren. Trainers maken moeilijke onderwerpen bespreekbaar in de klas. Leerlingen, ouders, mentoren en studie­ loopbaanbegeleiders bepalen de onderwerpen. Leerlingen geven aan dat ze sterker worden door THINK. Ook mentoren zijn positief; zij kunnen anders naar de groep kijken en krijgen meer grip op het groepsproces. Als groot voordeel van THINK wordt vroegsignalering genoemd.

Dit maakt snel en laagdrempelig ingrijpen mogelijk. THINK verbindt onderwijs en zorg werkt samen met verschillende maatschappelijke organisaties (www.thinkopschool. nl). Kies zelf je hulpverlener De regio Hart van Brabant richtte het Innovatienetwerk Jeugd op. Tijdens pitchsessies, inspiratiecafés, themabijeenkomsten en in het innovatielab kan iedereen meedenken. Vanuit een pitch werd een website ontwikkeld waar jongeren zelf hun ambulant begeleider kunnen kiezen. De hulpverleners zijn per direct beschikbaar en presenteren zich met foto en persoonlijke introductietekst. De hulpverleners op de site zijn direct beschikbaar. Grote aanbieders doen vooralsnog niet mee; zij zeggen dit niet te kunnen

deel B Spoor 3

leveren, omdat ze met wachtlijsten werken. Kleinere aanbieders sluiten zich al wel aan. Uit de ervaringen tot nu toe blijkt bijvoorbeeld dat jongeren de begeleiding bij voorkeur ’s avonds krijgen en zeker niet onder schooltijd. Ook vinden ze het belangrijk dat ze, als het nodig is, altijd even contact kunnen opnemen met hun hulpverlener (www.nji.nl). PPD Talents: hiphop, producen of dj-ing De gemeente Papendrecht (kortweg PPD) leidt jongeren met talent op tot artiest. Professionele begeleiders ondersteunen probleemjongeren met talent in het maken van muziek en alles wat daarbij komt kijken. Naast talentontwikkeling ontwikkelt de jongere zo ook een gestructureerde vrijetijdsbesteding. De opgedane kennis en vaardigheden komen bovendien prima van pas in het dagelijks leven. De jongeren moeten wel een tegenprestatie leveren. Ze moeten op tijd komen, mogen tijdens de begeleiding niet onder invloed van alcohol en/of drugs zijn en tijdens het traject niet in aanraking komen met de politie. De deelnemende jongeren verzorgen minimaal één raples op een basisschool. Succesfactoren in het traject zijn de docenten en het professionele niveau van het traject. Docenten moeten niet alleen goed zijn in hun vakgebied, maar ook de nodige sociale skills hebben. De apparatuur en begeleiding moeten duidelijk meer te bieden hebben dan jongeren thuis via You Tube kunnen leren (www.nji.nl).

Verbinding in je gezin In de gemeente Utrechtse Heuvelrug organiseerde een verloskundigenpraktijk samen met de jeugdgezondheidszorg een bijeenkomst voor aanstaande ouders. Tijdens deze avond kregen ouders niet alleen informatie over de band met hun kind, maar ook handvatten om hun relatie gezond te houden. “Ook als partners heb je een band (die je in de mist van poepluiers, nachtelijke voedingen en huilbuien misschien wel eens kunt vergeten). […………….] Die band geef je ook door aan je kindje. Alleen al daarom is het dus heel belangrijk dat je blijft investeren in elkaar” (uit de uitnodiging voor de bijeenkomst). Vergelijkbare voorbeelden zijn de pilots CenteringPregnancy en CenteringParenting. Dit aanbod wordt doorgaans begeleid door een verloskundige of jeugdarts. In de wijk Vathorst in Amersfoort, waar veel echtscheidingen voorkomen,

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

werd de begeleiding aangevuld met een sociaal werker (www.nji.nl). In de publicatie Van nul tot later als ik groot ben (Ministerie van VWS, 2017) worden meer voorbeeldprojecten belicht (www.nji.nl).

Wat zijn de effecten van investeren in preventie? In 2015 werd verwacht dat de transformatie naar meer preventie en vroegsignalering tot een kostendaling zou leiden, omdat dit jeugdhulptrajecten korter maakt of zelfs voorkomt. Dit blijkt in de praktijk (nog) niet zo te werken. Nog geen verschuiving van zware naar lichte hulp Het Sociaal Cultureel Planbureau (2020) stelt dat binnen de Jeugdwet nog geen verschuiving van zware naar lichte hulp te zien is, wanneer het gaat om individuele/maatwerkvoorzieningen. De vraag is of het reëel is in de toekomst door verschuiving een besparing te verwachten, mede gezien de stijging van het totale gebruik van Jeugdwetvoorzieningen. De totale kosten van veel relatief lichte hulp zijn niet per definitie lager dan van weinig relatief zware hulp. Gegevens over jeugdigen en gezinnen mét problemen, maar zónder een vorm van jeugdzorg ontbreken. Het is daarom niet duidelijk in hoeverre de Jeugdwet in de totale doelgroep haar doel bereikt. Het lijkt erop dat vooral effecten optreden in gezinnen die vrijwillige jeugdhulp ontvangen. Het SCP is pessimistisch over de omvang van de effecten. Meer kosten aan de voorkant Volgens AEF leidt de brede inzet op preventie en vroegsignalering tot hogere kosten in het voorliggende veld en bij lokale teams (Hilderink et al., 2020).

Daarbovenop ontstaat door een verhoogd voorzieningenniveau een nieuwe standaard voor opvoeden en opgroeien. Door het hogere voorzieningenniveau en de gestegen welvaart komen nu jongeren in de jeugdhulp terecht bij wie dit zonder preventie en vroegsignalering nooit gebeurd zou zijn. Bovendien worden de kwetsbaarste groepen met de laagste inkomens niet goed bereikt; gezinnen met wat hogere inkomens gaan juist meer gebruikmaken van jeugdhulp.

Kansen om gezamenlijk te besparen Toch ziet AEF wel kansen voor doelmatigheidswinst; vijf maatregelen kunnen landelijk 190 tot 240 miljoen euro per jaar aan besparingen opleveren (Hilderink et al., 2020, p. 31). Per maatregel wordt een geschat effect weergegeven, waarbij door onzekerheden de marges tussen minimum- en maximumbedragen groot zijn. Eén van de maatregelen, het versnellen van doorstroom naar de Wet langdurige zorg, leidt dáár naar verwachting juist tot een aanzienlijke kostenstijging. Met een andere genoemde maatregel, het inzetten van een POH-jeugd, realiseerde een aantal gemeenten al forse besparingen. Dit veranderde het verwijsgedrag van huisartsen en verbeterde de communicatie tussen huisarts en sociaal team. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van jeugdconsulenten op (basis)scholen; hierdoor worden risico’s eerder gesignaleerd en krijgt een kind sneller de juiste hulp. De scholen gaven hierdoor andere adviezen aan ouders. Ook hier verbeterde de communicatie en samenwerking, in dit geval tussen school en sociaal team (gemeente Berg en Dal, 2018). Over de voordelen van regionale inkoop van bepaalde zorgvormen lopen de meningen uiteen. Volgens AEF levert dit slechts beperkt financieel voordeel op (Hilderink et al., 2020). Een afweging op kwaliteit ligt dus meer voor de hand.

Het Verwey-Jonker Instituut stelt juist dat de schaal van inkoop ertoe doet (Sondeijker et al., 2021). Kunnen met meer preventie dan nauwelijks besparingen gerealiseerd worden? Jawel, maar die vallen vaak in andere domeinen, zoals latere zorg die voorkomen wordt of stijgende belastinginkomsten door toegenomen arbeidsparticipatie. Tevreden klanten, blije medewerkers Er eerder bij zijn mag dan (nog) geen bewezen nut hebben voor besparingen binnen de Jeugdwet, het is volgens AEF wel positief voor de kwaliteit van leven (Hilderink et al., 2020). Zo laten ook onderzoeken van het Verwey-Jonker Instituut (2021), Hogeschool van Amsterdam (2018) en gemeente Rotterdam (2019) zien. Wat de concrete kwalitatieve effecten van preventie en vroegsignalering betreft, stelt AEF (Hilderink et al., 2020) dat deze in ons land nog niet goed empirisch te onderzoeken zijn. Dit komt doordat vroegsignaleren nog maar beperkt plaatsvindt en

deel B Spoor 3

97

98

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

effecten mogelijk pas over enkele jaren zichtbaar zijn. Het Verwey-Jonker Instituut onderschrijft dit. Het Verwey-Jonker Instituut doet in het onderzoeksrapport Eigenwijs transformeren (2020) geen uitspraken over tekorten en kosteneffectiviteit. Het biedt wel inzicht in een aantal werkzame lokale mechanismen, zoals een wezenlijk andere aansturing en andere manieren van samenwerken. Daarbij hoort ook het bewustzijn van de afhankelijkheid van professionals voor kennis kunde én de eventueel benodigde veranderingen in organisatie. Dit alles is positief voor de cliënttevredenheid en het werkplezier. De onderzochte gemeenten krijgen nauwelijks formele klachten. Jongerenwerk helpt echt Onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (2018) onder bijna 1600 jongeren laat zien dat deelname van zeven maanden of langer aan jongerenwerk bijdraagt aan een grotere omvang en betere kwaliteit van het sociale netwerk van jongeren, betere relationele vaardigheden en een groter gevoel van eigenwaarde. De groep jongeren die drie jaar of langer contact heeft met jongerenwerk heeft meer grip op het eigen leven en laat meer pro-sociaal gedrag zien. Dit is gedrag bedoeld om anderen te helpen. Van de jongeren die deelnemen aan jongerenwerk vindt 12% langs deze weg een (nieuwe) school, 23% werk of een bijbaan en 33% hulp bij een jongerenloket, dokter, de hulpverlening of het wijkteam.

22% van de jongeren geeft aan dat hun jongerenwerker in het kader van hun hulpvraag samenwerkt met een hulpinstantie. Jongerenwerk signaleert hulpvragen en leidt jongeren toe naar hulporganisaties, blijkt uit de cijfers over het vinden van en samenwerken met verschillende vormen van hulp. Van de deelnemende jongeren met zware problemen heeft 44% (N=385) via jongerenwerk een vorm van hulp gevonden; 70% (N=385) van hen krijgt vanuit het jongerenwerk individuele begeleiding. Jongerenwerk draagt bij aan het stabiliseren van deze jongeren. Jongerenwerk heeft geen wachtlijsten voor individuele begeleiding. De diagrammen en grafieken in de brochure geven een gedetailleerder beeld (Hogeschool van Amsterdam, 2018).

deel B Spoor 3

Van ‘slechte gast’ tot leven van de muziek PDD Talents leidt jongeren met talent én problemen op tot artiest. Verschillende jongeren die meededen aan dit programma, hebben iets in de muziek bereikt, zoals een optreden in Paradiso, de Dancetour winnen of optreden op festivals. Ze hebben een voorbeeldfunctie en komen ook na hun eigen traject terug bij PPD Talents, bijvoorbeeld om les te geven. Daar krijgen ze dan een vrijwilligersvergoeding voor en PPD Talents ondersteunt ze met een training ‘docent zijn’. Sinds september 2016 heeft Papendrecht zeven jongeren bereikt met PPD Talents. De trajecten kosten zo’n € 800 tot € 1.000 per jongere. Het voorbeeld van de ‘slechte gast’ die een jaar vastzat, laat zien dat met individuele coaching mooie resultaten te behalen zijn. Die jongen is nu 25 jaar en kan leven van zijn werk in de muziek (www.nji.nl). Kanjers trainen in het basisonderwijs De Kanjertraining is bedoeld voor kinderen en jongeren van 4 tot 16 jaar die problemen hebben in de omgang met anderen. Doelen zijn: het stimuleren van sociaal vaardig gedrag en het voorkomen of verminderen van sociale problemen zoals pesten, conflicten, uitsluiting en sociaal teruggetrokken gedrag. Ook klasgenoten en ouders kunnen deelnemen aan deze training.

Studies geven sterke aanwijzingen dat deelname aan De Kanjertraining in het basisonderwijs positieve effecten heeft (Van der Zwet en Van de Maat, 2018, p. 19). Problemen tussen partners Negatieve gevolgen van slechte relaties en echtscheidingen leiden tot hoge kosten voor gemeenten. ‘Toegenomen misdaad als gevolg van gebroken gezinnen kan leiden tot circa 900 miljoen euro kosten per jaar’ en ‘Eenoudergezinnen maken jaarlijks aanspraak op ongeveer 380 miljoen euro aan uitkeringen die door gemeenten worden verstrekt’ (Econovision, 2013). Uit een maatschappelijke kosten-batenanalyse (HIIL, 2016) bleek dat een investering in integrale preventie en hulp bij echtscheiding veel maatschappelijke baten oplevert. Zo kan een relatief kleine investering van 50 euro per gezin per jaar bij tien procent van de kinderen lagere schooluitkomsten en lager psychisch welbevinden voorkomen. En er is minder kans dat zij later zelf relatieproblemen krijgen. Bij een

Gemeente Moerdijk Scan Mens en Maatschappij

vergelijkbaar percentage ouders worden psychische en gezondheidsproblemen voorkomen (www.nji.nl). Focus op uitstroom én eerdere uitgangspunten ter discussie AEF geeft een aantal adviezen voor gemeenten (Hilderink et al., p. 40-42 ). Eén advies geeft AEF voor de tweede keer: het onderzoeken van belemmeringen op uitstroom uit de jeugdzorg. De instroom is redelijk stabiel; de uitstroom is consequent lager. Jongeren blijven dus langer in de jeugdzorg. In een eerder stadium gaf de Stuurgroep maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan het sturen op uitstroom niet als optie te zien. AEF raadt aan dit te heroverwegen (Hilderink et al., p. 14 en p. 41). Het SCP (2020) en AEF plaatsen kanttekeningen bij een aantal aannames achter de beleidstheorie van de transitie naar meer preventieve jeugdondersteuning. AEF concludeert uiteindelijk dat discussie nodig is over de uitgangspunten van de Jeugdwet en het gewenste voorzieningenniveau (Hilderink et al., 2020, p. 42-43).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=61aa76f2-2c7b-4af8-954c-9d15ffaa2360