CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Interregionale Adviesleidraad 6 regio's

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Borging onderhoud ondergrondse brandkranen33.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 4.7: Categorisering van wegen: erftoegangswegen.

Op erftoegangswegen moeten alle verkeersdeelnemers (voetgangers, fietsers en automobilisten, etc.) van dezelfde rijbaan gebruik kunnen maken, waarbij voetgangers vaak wel een eigen verkeersruimte wordt geboden in de vorm van een trottoir. Manoeuvres als keren, draaien, het laten in- en uitstappen van passagiers, het laden en lossen van goederen en het oversteken moeten veilig kunnen gebeuren. Omdat de verblijfsfunctie het belangrijkst is in gebieden met dergelijke wegen, moet de snelheid van het gemotoriseerde verkeer omlaag om toch te voldoen aan de vereiste van homogeniteit van het verkeer. Om deze lagere snelheid (ten opzichte van de gebiedsontsluitingswegen) af te dwingen, zijn er de laatste jaren veel snelheidsremmende maatregelen getroffen.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

54

Naast het terugbrengen van de snelheid worden in principe geen andere verkeersmaatregelen zoals fietsstroken of zebrapaden toegepast. De voorwaarde dat een willekeurig adres vanaf een verkeersader binnen een gestelde tijd bereikbaar moet zijn, draagt bij aan een goede ontsluiting voor hulpdiensten. Uitgaande van de normtijden genoemd in het Besluit veiligheidsregio’s11 is een tijd van één à twee minuten aan de orde. Door de ontsluitingstijd voor een verblijfsgebied op ten hoogste twee minuten te stellen, moet dit leiden tot: > > >

Een erftoegangsweg die niet onacceptabel lang is; globaal moet elk perceel binnen twee minuten vanaf de verkeersader bereikbaar zijn. Een erftoegangsweg die binnen beperkte grenzen met vertragende verkeersobstakels is ingericht. Ontsluitingen van een verblijfsgebied die op strategische punten worden gepland.

4.3.2 Doorgang op erftoegangswegen Op erftoegangswegen (de wegen binnen het verblijfsgebied) is voldoende ruimte om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale berijdbare breedte van 4,50 meter nodig is. Verkeersdeelnemers dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig passeerruimte te geven, zie onderstaande afbeelding.

Figuur 4.8: Minimale berijdbare breedte van een tweerichtings-erftoegangsweg.

Erftoegangswegen die zijn aangewezen als hoofdrijroute of calamiteitenroute worden beschouwd als verkeersaders zoals beschreven in de voorgaande paragraaf. Bij een aangepaste inrichting, bijvoorbeeld met voertuigvriendelijke elementen of een ruimere wegbreedte, kunnen hulpverleners deze wegen toch beschouwen als een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Deze wegen worden in samenspraak met de veiligheidsregio aangewezen. Om de twee minuten nar een afstand om te zetten, moet aan het volgende worden gedacht: de gemiddelde snelheid van een hulpdienstvoertuig ligt binnen de bebouwde kom over het algemeen lager dan de maximale snelheid. In verblijfsgebieden, zeker wanneer die met veel snelheidsremmende maatregelen zijn ingericht, ligt de gemiddelde snelheid nóg lager. Waar de snelheid via de normale erftoegangswegen niet afdoende is, kan gekeken worden naar alternatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld via een stuk fietspad of een calamiteitendoorgang. Naast de voorkeursroute moet een willekeurig adres vanaf een doorgaande verkeersader in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar zijn. Dit is noodzakelijk, omdat niet is te garanderen dat de meest logische route altijd bruikbaar is. Wegwerkzaamheden, opstoppingen, fout geparkeerde voertuigen en dergelijke kunnen een goede bereikbaarheid in de weg staan.

Als het niet anders mogelijk is, kan dit ook worden opgelost met alternatieve mogelijkheden. Deze tweede onafhankelijke route mag eventueel afgesloten worden met een verwijderbare afsluiting om sluipverkeer tegen te gaan. De afsluiting mag enkel worden toegepast als de afsluiting regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven.

11

De normtijden in het besluit zijn ontleend aan de handleiding Brandweerzorg inclusief de Technische Aanvulling en de conceptLeidraad Repressieve Basisbrandweerzorg. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

55

4.3.3 Doodlopende wegen Een doodlopende weg is een weg die maar op één manier in en uit te rijden is. Dit betekent dat per definitie niet voldaan kan worden aan de eis van een tweede onafhankelijke route. In afbeelding 4.9 worden verschillende typen doodlopende erfontsluitingswegen beschreven.

Figuur 4.9: Doodlopende wegen.

Situatie 1

Situatie 2

Situatie 3 Situatie 4

Situatie 5

In deze situatie is er geen sprake van een doodlopende route. De bereikbaarheid is daarmee voldoende, mits de vrije wegbreedte minimaal 3,50 meter in geval van een eenrichtingsweg is, en minimaal 4,50 meter wanneer het een tweerichtingsweg is. Zijn de bovengenoemde wegbreedtes niet beschikbaar, dan kan de maximale lengte van de doodlopende weg 40 meter zijn. In dat geval wordt een blusvoertuig op de kop van de doodlopende straat opgesteld en is 40 meter inzetdiepte beschikbaar. Bij een doodlopende route met aftakkingen die de 40 meter overschrijden, is de bereikbaarheid onvoldoende. Een doodlopende weg is toegestaan mits de wegbreedte minimaal 4,50 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is. De afmetingen van de keermogelijkheid dienen te passen bij de afmetingen van de hulpdienstvoertuigen zoals beschreven bij de eerste eis. Door de keerlus wordt in feite een normale erftoegangsweg gecreëerd. Een dergelijke doodlopende weg mag maximaal 80 meter lang zijn. Bestaat er geen keermogelijkheid zoals in situatie 4, dan is er minimaal 5 meter wegbreedte nodig. Ook hier geldt een maximale lengte van 80 meter. Bij een wegbreedte van minimaal 5 meter kunnen blusvoertuigen elkaar passeren. Daarbij is 80 meter een nog acceptabele afstand om achteruit terug te rijden.

Zie 4.4.2 voor inzet van het redvoertuig.

4.3.4 Wegopbrekingen in verblijfsgebieden Waar het gaat om wegopbrekingen waarbij een weg wordt afgesloten, wordt verwezen naar de bovenstaande afbeelding doodlopende wegen (afbeelding 4.9). Een minimale bereikbaarheid moet geborgd blijven volgens de vierde eis, zoals in

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

56

situatie 4. In het geval van woningen kan er worden gesteld dat de afstand ten gevolge van opbrekingen maximaal 2 x 40 meter = 80 meter bedraagt, mits het opgebroken wegdeel van twee zijden benaderd kan worden. Als het opgebroken wegdeel slechts van één zijde te bereiken is, geldt een afstand van maximaal 40 meter. De continuïteit van toegang tot overige bouwwerken zal redelijkerwijs geregeld moeten worden.

4.4 Bereikbaarheid op de incidentlocatie (bouwwerk- of objectniveau) Vierde voorwaarde: de afstand en overbrugging vanaf een opstelplaats tot bouwwerken/objecten en bluswatervoorzieningen doen recht aan de middelen en mogelijkheid van een brandweereenheid (BiZa-bepakking). Elke incidentlocatie kent een opstelplaats: een veilige, doelmatige en goed bereikbare plaats voor hulpdienstvoertuigen van waaruit de inzet kan plaatsvinden. Deze opstelplaats kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg. Specifieke locaties als natuurgebieden en infrastructuur vragen maatwerk. Een opstelplaats voor een brandweervoertuig mag niet zodanig ten opzichte van een bouwwerk of opslag zijn gesitueerd dat binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand of ongeval het opgestelde voertuig gevaar of schade kan oplopen door de gevolgen van de brand of het fysieke ongeval. Een strategisch gelegen opstelplaats bevindt zich dus buiten het invloedsgebied van het incident.

Voertuig

Totaal Asbelasting gewicht

Hoogte

Maximale hellingshoek

Maatvoering opstelplaats

TS Redvoertuig Haakarmvoertuig

15 ton 25 ton 30 ton

4,2 m 4,2 m 4,2 m

n.v.t. 7% n.v.t.

Lengte Breedte 10 m 4,5 m 5m 11 m 4m 30 m

11,5 ton 11,5 ton 11,5 ton

Stempeldruk n.v.t. 500 Kn n.v.t.

4.4.1 Opstelplaats tankautospuit De afstand van opstelplaats tot incidentlocatie is aan een functioneel maximum gebonden. De eerste inzet zal in de regel plaatsvinden met een straal van 60 meter, de maximale inzetdiepte. Afhankelijk van inzetdiepte wordt de opstelplaats bepaald. De maximale afstand van een opstelplaats ten opzichte van een bouwwerk is 40 meter. Afhankelijk van inzetdiepte/preparatieve voorzieningen kan gekozen worden voor een kleinere afstand. We hanteren dan maatwerk (zie ook afbeelding 4.10).

Figuur 4.10: Opstelplaats tankautospuit tot incidentlocaties.

Voor een TS zijn de volgende afmetingen voor een opstelplaats aan te houden (deze kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg, zie ook afbeelding 4.12): > > > > >

een breedte van 4,50 meter; een lengte van 10 meter; een vrije doorgangshoogte van 4,20 meter; bestand tegen een aslast van 11,5 ton; bestand tegen het maatgevende totaal gewicht van de basisvoertuigen die bij een veiligheidsregio in gebruik zijn - in de regel is dit minimaal 15 ton.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

57

Figuur 4.12: Opstelplaats TS.

4.4.2 Opstelplaats redvoertuig Hoewel het onder de huidige wetgeving niet meer is toegestaan, zijn er nog altijd bouwwerken met een vloerhoogte van meer dan 6 meter waar een tweede vluchtweg ontbreekt. Dit zijn de zogenoemde portiekwoningen. Zolang dit soort bouwwerken niet is voorzien van een tweede vluchtweg, betekent het dat redding in de regel kan plaatsvinden met behulp van een redvoertuig. Bij de inrichting van een opstelplaats voor het redvoertuig moet om die reden rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten: > > >

de vlucht van het redvoertuig (voldoende manoeuvreerruimte voor de arm; balkons, ramen, etc. bereikbaar); afstempelmogelijkheden en de stempeldruk (de maximale hoogte van de stoepranden is 20 cm); de bereikbaarheid van de opstelplaats (zie ook de derde voorwaarde).

Andere redenen om een opstelplaats voor een redvoertuig te creëren zijn het afhijsen van patiënten, het van hoogte blussen, etc. Als het niet mogelijk is het redvoertuig op de openbare weg of een toegangsweg te plaatsen, is mogelijk een opstelplaats op eigen terrein noodzakelijk. Voor een redvoertuig kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (zie ook afbeelding 4.13): > > > > > >

>

een breedte van minimaal 5 meter; een lengte van 11 meter; een vrije doorgangshoogte van 4,20 meter; bestand tegen een aslast van 11,5 ton; bestand tegen een totaal gewicht van ≥ 25 ton; bestand tegen een stempeldruk van 50 ton/m2 (= 500 kN/m2); een maximale hellingshoek van 7%, Zeeland 5%.

Figuur 4.13: Opstelplaats redvoertuig.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

58

4.4.3 Opstelplaatsen voor haakarmbakken Voor een haakarmvoertuig in combinatie met een container zijn de volgende afmetingen voor een opstelplaats aan te houden (zie ook afbeelding 4.13): > > >

>

een breedte van minimaal 4 meter; een lengte van 30 meter; een vrije doorgangshoogte van 4,20 meter; bestand tegen een aslast van 11,5 ton.

4.4.4 Opstelplaats tankwagens In het kader van maatwerk kan het (regionaal) voorkomen dat tankwagens onderdeel zijn van de invulling van de bluswaterbehoefte. In dat geval moet bij de inrichting van opstelplaatsen rekening worden gehouden met gewicht en formaat van deze (regionaal specifieke) voertuigen.

4.5 Bereikbaarheid op eigen terrein Vijfde voorwaarde: voor incidentlocaties die niet via de openbare weg bereikbaar zijn, gelden de bovenstaande voorwaarden onverminderd. In sommige gevallen staat een object te ver van de openbare weg om bij een incident voldoende bereikbaar te kunnen zijn voor de brandweer. “Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpdiensten.” Afwijkende eisen mogen worden overgenomen voor de bereikbaarheid op eigen terrein, mits opgenomen in een gemeentelijke verordening. Het Bouwbesluit12, en te zijner tijd het omgevingsplan, is hiervoor het geëigende middel. Met de aanstaande Omgevingswet blijven onderstaande uitzonderingen uit het Bouwbesluit op bereikbaarheid van toepassing: -

Indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag, op advies van de brandweer, geen verbindingsweg vereist. De toegang tot het bouwwerk ligt op ten hoogste 10 meter van een openbare weg. , Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090. Een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m². Een lichte industriefunctie, uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090.

Bovenstaande kan de gemeente regelen in hun omgevingsplan. 4.5.1 Brandweeringang Volgens artikel 6.36 van het Bouwbesluit 2012 (3.128 Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bbl) en de bijbehorende toelichting, heeft een bouwwerk waarin personen kunnen verblijven een brandweeringang. Het bevoegd gezag kan voor bouwwerken met meerdere toegangen vaststellen welke toegang(en) als brandweeringang moet worden aangemerkt. Dit zal de hoofdingang (het huisadres) zijn, tenzij door het bevoegd gezag expliciet anders bepaald wordt. Het Bouwbesluit 2012 geeft geen regels voor de maximale inzetdiepte (loopafstand vanaf de opstelplaats voor de 12

Voor 2021 staat gepland dat het Bouwbesluit opgevolgd wordt door het nieuwe Besluit brandveilig leven. Bij ingang hiervan verwijst deze Regionale Leidraad voor afwijkende eisen en de toepassing van maatwerkoplossingen door naar nieuwe Besluit brandveilig leven. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

59

TS tot het punt waar zich een vuurhaard bevindt). Indien de inzetdiepte groter is dan 60 meter (de lengte van een straal volgens landelijk bestek), dient een maatwerkoplossing aangeboden te worden. De oplossing houdt rekening met de eventuele gevolgen voor de bluswatervoorziening. Ook moet met het bepalen van opstelplaatsen wordt rekening gehouden met de inzetdiepte. De meest toegepaste en voor de hand liggende maatwerkoplossing in dit soort gevallen is een droge blusleiding, zoals genoemd in bijlage D van NEN 1594. 4.5.2. Entree Volgens artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012, vijfde lid, dienen hekwerken die de toegang tot een bouwwerk bestemd voor het verblijf van personen afsluiten, door hulpdiensten snel, gemakkelijk en veilig geopend kunnen worden of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

4.6 Overige en bijzondere situaties 4.6.1 Tijdelijke belemmeringen en (bouw)werkzaamheden De doelvoorschriften geven aan dat stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen altijd een onbelemmerde doorgang moeten bieden en dat ieder object vanaf een gebiedsontsluitingsweg binnen 2 minuten bereikbaar moet zijn. Door het aanbrengen van obstakels in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen, zijn deze niet meer als zodanig te gebruiken. Het is echter niet uit te sluiten dat routes tijdelijk niet beschikbaar zijn. Een tijdelijke afsluiting van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen wordt tijdig voor advies voorgelegd aan de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. In overleg worden oplossingen geformuleerd om de bereikbaarheid te borgen. Uitgangspunt blijft dat een object binnen 40 meter bereikbaar is. Mits dit tweezijdig bereikbaar is, mag het werkvak maximaal 80 meter bedragen. Bij wegwerkzaamheden waarbij stroom- en/of gebiedsontsluitingswegen worden afgesloten, moet een alternatief aanwezig zijn dat de bereikbaarheid van zowel de objecten gelegen aan deze route als ook het achterliggende gebied voldoende garandeert. Alternatieven kunnen zijn: > > >

wegomleidingen; parallelbaan; route door het werkvak.

De alternatieven worden volgens vigerende afspraken met bevoegd gezag tijdig ter advisering voorgelegd aan de hulpverleningsdiensten.

4.6.2 OV-routes (gebruik bus- en trambanen, verkeersbeïnvloeding en haltes op de rijbaan) De hulpverleningsdiensten mogen gebruik maken van de bus en trambanen voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Gebruik van bus- en trambanen is toegestaan als er sprake is van het ‘uitvoeren van een dringende taak’, zoals bedoeld in de brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer. Het gebruik van busbanen door hulpverleningsdiensten is geregeld in het Reglement van Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV). In artikel 81 RVV is geregeld dat alleen bussen en trams op bus- en trambanen en -stroken mogen rijden. Hierop is in artikel 91 RVV de uitzondering opgenomen dat bestuurders van een voorrangsvoertuig, de hulpverleningsdiensten dus, van de bus- en trambanen gebruik mogen maken. Het halteren van bussen en trams op de rijbaan van gebiedsontsluitingswegen is in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang, tenzij het voor hulpdienstvoertuigen mogelijk blijft om de bus of tram te passeren. Ook waar bussen en trams op de rijbaan van erftoegangswegen halteren, dient het voor hulpverleningsvoertuigen mogelijk te blijven om elk willekeurig perceel binnen 2 minuten te bereiken.

4.6.3 Evenementen Borging van de bereikbaarheid van het evenemententerrein en de omliggende omgeving kan op diverse manieren: >

De bereikbaarheid op een evenemententerrein moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau. Indien het afsluiten van wegen voor evenementen waarvoor geen meldingsplicht bestaat, wordt toegestaan, dient de bereikbaarheid in algemene regels geborgd te worden. Men moet zich dan wel realiseren dat handhaving daarop niet goed mogelijk is, zie Bgbop).

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

60

>

>

>

> >

Het college van B en W kan voor terreinen waar regelmatig evenementen georganiseerd worden, rijlopers 13 voor de hulpdiensten vaststellen. Voor die locaties geldt deze rijloper tijdens evenementen als minimale doorrijdbreedte en dient de rijloper vrijgehouden te worden. Houd hierbij ook rekening met voldoende aslast voor de in te zetten hulpdienstvoertuigen. Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het evenemententerrein via de openbare weg tot (tijdelijke) bouwsels op het evenemententerrein groter is dan 40 meter, dient op het evenemententerrein een verbindingsweg beschikbaar te zijn, via welke het terrein tot op 40 meter benaderd kan worden. De afstand vanaf een gebiedsontsluitingsweg tot een perceel moet hiernaast door hulpdienstvoertuig binnen twee minuten afgelegd kunnen worden. Deze verbindingsweg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen conform de hierboven genoemde eis en heeft een afdoende afwatering. Hekwerken die een evenemententerrein omsluiten en die zich bevinden op verbindingswegen en/of rijlopers, kunnen door hulpdiensten gemakkelijk en snel, zonder sleutel, worden geopend. Toegangen tot belendende percelen mogen niet geblokkeerd worden. Reguliere uitgangen en nooduitgangen moeten worden vrijgehouden. De reguliere bluswatervoorziening dient bij evenementen beschikbaar te zijn voor de brandweer.

4.6.4 Autovrije (winkel)gebieden Het college van B en W kan voor gebieden waar regelmatig of permanent geen autoverkeer is, toestaan rijlopers voor de hulpdiensten vast te stellen. Rijlopers zijn vooraf vastgestelde routes, die vrijgehouden moeten worden voor de hulpdiensten. Voor gebieden waarvoor een rijloper is vastgesteld, geldt niet alleen de maatvoering zoals eerder in deze Regionale Leidraad is gesteld, maar is ook vastgesteld waar de doorgang precies ligt. De rijlopers moeten vrijgehouden worden van obstakels. Autovrije gebieden zijn meestal afgesloten voor het autoverkeer. Afsluitingen in rijlopers of wegen die daar naartoe leiden, moeten gezien worden als afsluiters in erftoegangswegen.

4.6.5 Natuurgebieden Bij een incident in een natuurgebied is de incidentlocatie bereikbaar conform het regionale dekkingsplan en de Risico Index Natuurbranden (RIN). Hiervoor dienen natuurgebieden vrij toegankelijk te zijn voor de hulpdiensten. Daarnaast zijn de hoofdroutes binnen een natuurgebied geschikt voor de inzet van hulpdienstvoertuigen. Conform afspraken met VBNE (Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren) gelden, wegens praktische uitvoering en om beheerkosten te sparen, de volgende afspraken: >

> > >

Op primaire hoofdwegen (houttransportwegen) kunnen brandweervoertuigen elkaar passeren. Deze wegen zijn 6 meter breed en stronkvrij. De vrije doorrijhoogte is 4,20 meter (wat bij doorbuigende takken een vrije takhoogte aan de stam van 6 meter kan betekenen). Op secundaire wegen kunnen brandweervoertuigen elkaar niet passeren. Deze wegen zijn 4,50 meter breed en hebben vrije doorrijhoogte van 4,20 meter (ook hier met een vrije takhoogte aan de stam van 6 meter). Als de weg doodloopt is, er voldoende wegbreedte (minimaal 5 meter) nodig om te keren. De wegen zijn berijdbaar voor 4×4-voertuigen.

Tot slot moeten de bluswaterwinpunten over een goede bereikbaarheid beschikken en voorzien zijn van voldoende ruimte en capaciteit voor waterinname door meerdere TS-en en eventuele andere watertransport-voertuigen. De eisen aan een opstelplaats voor open water zijn al beschreven. Knelpunten met betrekking tot bluswater, bereikbaarheid en inzetdiepte binnen natuurgebieden vereisen maatwerk en zullen (inter)regionaal moeten worden afgestemd met betrokken stakeholders.

4.6.6 Kampeerterreinen Voor kampeerterreinen geldt per 2018 de AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop 2018). De bereikbaarheid op kampeerterreinen moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau. In paragraaf 4.8 ‘Bereikbaarheid voor hulpdiensten’ van de Bgbop staan de eisen voor kampeerterreinen zelf. Wegen van het kampeerterrein naar de openbare weg vallen hier niet onder. Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het kampeerterrein via de openbare weg tot enig punt op het kampeerterrein groter is dan 40 meter, is op het kampeerterrein een verbindingsweg beschikbaar via welke het bouwsel of kampeermiddel tot op 40 meter is te benaderen. Deze verbindingsweg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen zoals benoemd. Op kampeerterreinen kunnen zowel kampeermiddelen als bouwwerken staan. Voor 13

Het voornemen tot het aanbrengen van aanpassingen en/of wegafsluitingen in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen, dient volgens vigerende afspraken met gemeenten tijdig ter advisering voorgelegd te worden aan de brandweer. Dit geldt niet als door het college van Burgemeester en Wethouders voor het evenemententerrein een rijloper voor de hulpdiensten is vastgesteld.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

61

bouwwerken gelden de eisen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor kampeermiddelen staan de eisen beschreven in paragraaf 3.7 ‘Beperking van uitbreiding van brand’ van het Bgbop. Voor veiligheidsregio Zeeland is hiervoor een toetsingskader door het MT vastgesteld op 8 juni 2021. Deze is ook in de bluswatermatrix van Zeeland verwerkt.

4.6.7 Spoorwegen Spoorwegen voldoen minimaal aan de landelijke bereikbaarheidseisen. Regionaal kunnen aanvullende eisen van toepassing zijn in verband met regioafhankelijke factoren. De bereikbaarheid van spoorwegen kan worden gerealiseerd door: > > >

wegen, half-verharde wegen of fietspaden; speciaal aangelegde bereikbaarheidswegen (Betuweroute, HSL (Hogesnelheidslijn) en emplacementen in het algemeen); toegangs-/vluchtdeuren en deuren in geluidschermen.

De richtlijnen voor bereikbaarheid van het spoor hangen af van het type transport, de frequentie van gevaarlijke stoffen, de intensiteit van het spoorgebruik, veiligheidsvoorzieningen, spoordelen met verhoogd risico en de omgeving/locatie van het spoor. Binnen Nederland worden de volgende gebieden en objecten in de omgeving van het spoor onderscheiden: > > >

bebouwde kom inclusief 350 meter daarbuiten; buitengebied vanaf 350 meter buiten de bebouwde kom; bijzondere objecten in het buitengebied (bijvoorbeeld objecten die zelf een extern veiligheidsrisico vormen, vitale infrastructuur, zeer kwetsbare objecten, bouwwerken met verminderd zelfredzamen).

De bereikbaarheid van het spoor is voldoende als wordt voldaan aan onderstaande criteria in de bebouwde kom, inclusief 350 meter daarbuiten en bijzondere objecten in het buitengebied (+ 350 meter aan weerszijde van object): > >

Het spoor is (in verband met variabele windrichting) vanaf beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten. Indien hekken of geluidsschermen de toegang hinderen, wordt om de 100 meter een toegang voorzien door middel van een poort, deur of brug welke tot op 40 meter benaderbaar is voor hulpdienstvoertuigen.

Buitengebied vanaf 350 meter van de bebouwde kom: >

> >

Het spoor is (in verband met variabele windrichting) van beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten. Indien dit onmogelijk is, kan volstaan worden met eenzijdige bereikbaarheid. Geadviseerd wordt om dan te kiezen voor de meest benaderbare zijde. Iedere locatie op het spoor is idealiter tot op 40 meter14 benaderbaar voor hulpdienstvoertuigen. Indien hekken of geluidsschermen de toegang hinderen, wordt om de 200 meter een toegang voorzien door middel van een poort, deur of brug, welke tot op 40 meter benaderbaar is voor hulpdienstvoertuigen.

Specifieke eisen aan geluidsschermen: > > >

>

>

> > >

De positie van de geluidsschermen is zodanig dat er voor de hulpverlening voldoende ruimte is om het spoor te bereiken met het benodigde materieel en materiaal, zoals een brancard, gaspakken, etc. De positie van de geluidsschermen is zodanig dat verkenning via een toegangsdeur mogelijk is. Is verkenning via een toegangsdeur niet mogelijk, dan is een verkenning door een hoogwerker (opstelplaats) ook mogelijk. Als een geluidsscherm langer is dan 100 meter, is het voor een effectieve brandweerinzet noodzakelijk dat er om de 100 meter een toegangsdeur aanwezig is (in het buitengebied kan hier gemotiveerd van worden afgeweken). Denk hierbij ook aan de aanwezigheid van een bluswatervoorziening. De afwerking en het formaat van de toegangsdeuren is zodanig dat de (gas-/chemie)pakken van hulpverleners niet beschadigd kunnen worden. Een deur of poort in de afscherming van het spoorwegterrein heeft minimaal een vrije breedte van 1 meter en een vrije hoogte van 2,30 meter of meer. De toegangsdeuren moeten voorzien zijn van een slot, dat vanaf de omgevingszijde kan worden geopend door de hulpdiensten met een moedersleutel die langs het gehele spoor of de gehele weg bruikbaar is. Het te gebruiken sleutelsysteem/toegangssysteem wordt bepaald door of in overleg met de veiligheidsregio.

Aan de omgevingszijde van de toegangsdeuren dienen pictogrammen te worden geplaatst die de toegangsdeuren voor de hulpverlening aangeven. De toegangsdeur deur kan 170º worden geopend en vastgezet. Nabij de toegangsdeuren moet de spoorhectometrering aan de buitenzijde zichtbaar zijn aangebracht.

14

Bij sporen is het voldoen aan de genoemde eis niet altijd haalbaar; daarom is een risicogerichte benadering noodzakelijk. In de Geo4OOV catalogus (https://www.geo4oov.nl/geocatalogus-0) zijn databronnen beschikbaar die kunnen helpen bij het inzichtelijk maken van risicoplekken (ProRail risicotrajecten) en het stellen van een afstandseis. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

62

De hier opgesomde voorzieningen gelden voor alle genoemde gebieden voor spoor op maaiveldniveau. Voor varianten met een verhoogde of verdiepte ligging zijn de bovengenoemde maatregelen indicatief, maar zal daarnaast maatwerk nodig zijn aan de hand van de specifieke ontwerpen om tot een voor de hulpdiensten werkbare situatie te komen. Voor korte tunnels en verdiepte bakken gelden minimaal de ontwerpvoorschriften van ProRail. Bij niveauverschil tussen een treinspoor en de wegen waarlangs toegang tot een (spoor)weg verkregen wordt, dient een goede bereikbaarheid gerealiseerd te worden. Verhoogde en verdiepte sporen zijn minder gemakkelijk te bereiken voor de hulpdiensten, omdat de hulpdienstvoertuigen zich op een ander niveau bevinden dan de incidentlocatie. Dit kan verbeterd worden door de toegang tot de verhoogde en verdiepte spoorweggedeelten voor hulpverleners uit te voeren als trap 15 of hellingbaan met aan één zijde een leuning en een beloopbare breedte van 1 meter, waarover zij zich veilig kunnen voortbewegen in bijvoorbeeld gaspakken of met een brancard. Verdiepte en verhoogde sporen beschouwen we als maatwerk. Geluidsschermen en andere objecten (bijvoorbeeld hekken) rondom spoorwegen kunnen een knelpunt vormen voor een goede bereikbaarheid, aanvoer van bluswater en voldoende inzetdiepte.

Toegangs-/vluchtdeuren, calamiteitendoorsteken in geluidsschermen, slangdoorvoeringen door vluchtdeuren en strategisch gekozen opstelplaatsen kunnen een knelpunt wegnemen. Spoorinfrastructuur in niet-stedelijke gebieden bevindt zich over het algemeen tussen weilanden of in natuurgebieden welke niet zijn ingericht op bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen. De eisen voor bereikbaarheid in deze setting zijn afhankelijk van het risico op en de aard van een eventueel incident en kunnen niet in algemene richtlijnen gevat worden; maatwerk is hier het devies. Voor extra informatie over landelijke richtlijnen betreffende het hoofdspoor, kunnen de richtlijnen uit Voorzieningen spoorweginfrastructuur voor vluchten en bereikbaarheid (ProRail, 2015) erop nageslagen worden. De richtlijnen van ProRail zijn niet van toepassing op de vrije baan van de Betuweroute en lokale treinsporen.

4.6.8 Waterwegen en recreatieplassen De bereikbaarheid van vaarwegen en recreatieplassen dient minimaal hetzelfde niveau te hebben als de bereikbaarheid van percelen. In het bijzonder geldt dit voor locaties waar een hulpverleningsdienst een vaartuig te water moet kunnen laten middels een zogenoemde trailerhelling.16 De belangrijkste aandachtspunten zijn: > > > > > > > > >

uitgaan van het laagste waterpeil; een breedte van minimaal 4,50 meter; de hellingshoek: een ‘aanrijhoek’ naar het water van 1:8 tot 1:10, gemeten vanaf de waterlijn. De totale helling dient een lengte te hebben van circa 12 meter aansluitend op het laagste waterpeil; antislip voor goede grip van de banden; de verhardingsconstructie dient goed ‘opgesloten’ te worden om verzakking te voorkomen; onderhoud en inspectie conform de richtlijn; een steiger (bij de aangewezen trailerhelling) die geschikt is voor het in- en uitstappen van hulpdiensten; gebruikmaken van steigernummers in gebieden die niet bij naam gelokaliseerd kunnen worden; aanlandplaatsen17 voor hulpdiensten en slachtoffers in de categorieën A, B en overige toegangswegen, opstelplaatsen en aanlandplaatsen voor hulpdiensten en slachtoffers in de categorieën A, B en overige.

Voor jachthavens, die overigens onder hetzelfde besluit vallen als kampeerterreinen (Bgbop 2018), gelden specifieke bereikbaarheidseisen. Inrichting van de haven: > >

Het aanleggen van vaartuigen in komhavens is toegestaan tot maximaal 20 meter vanaf de walkant. Er dient een vaargeul te worden vrijgehouden die minimaal twee meter breder is dan de lengte van de afgemeerde plezierjachten, zodat pleziervaartuigen eenvoudig de haven kunnen verlaten en er genoeg ruimte is voor een vaartuig voor de hulpverleners (zoals een blusboot).

Bij een aanlegsteiger kan er met bestaand materieel normaal worden ingezet bij een inzetdiepte van 60 meter. Bij een langere inzetdiepte moet nagedacht worden over aanvullende voorzieningen.

15

In overleg met de desbetreffende veiligheidsregio kunnen ook redvoertuigen ingezet worden om het niveauverschil bij lange viaducten te overbruggen. 16 De aanleg van een dergelijke helling en de daaraan verbonden eisen zijn geheel beschreven en te vinden op www.sportvisserijnederland.nl/files/ib-trailerhelling_6723.pdf. 17 Raadpleeg hiervoor het Handboek Incidentbestrijding op het water van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV, 2015).

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

63

Voor veiligheidsregio Zeeland is hiervoor een toetsingskader vastgesteld.

4.7 Opstelplaatsen voor bluswaterwinning Voor de incidentbestrijding zijn bluswatervoorzieningen voorhanden. Voor deze voorzieningen geldt een minimale benaderbaarheid, in die zin dat een hulpdienstvoertuig de voorziening tot op een minimale afstand kan benaderen. Deze minimale afstand hoeft niet altijd een relatie te hebben met de opstelplaats, omdat er vaak voor gekozen wordt om dicht bij de toegang van een incidentlocatie op te stellen en terug te werken naar de bluswatervoorziening en niet andersom. De functionele relatie tussen de bluswatervoorziening en het hulpdienstvoertuig is veelal gebaseerd op een brandslang van 20 meter. Zodoende is de minimale benaderbaarheid van een bluswatervoorziening 15 meter of een veelvoud daarvan (in verband met bochten en dergelijke). Bij de droge blusleiding gaan we uit van een opstelplaats op maximaal 15 meter van de droge blusleiding zodat de verbinding bij voorkeur met één slanglengte van 20 meter gemaakt kan worden. Sommige bluswatervoorzieningen zoals een geboorde put, open water of een bluswaterriool vragen maatwerk. Waar gebruik gemaakt wordt van open water, verdient het aanbeveling om vaste vulpunten aan te wijzen en deze ook te markeren. Een vulpunt aan open water voldoet aan de volgende eisen: >

> >

> > > > >

De benodigde verharding van de openbare weg naar de bluswaterwinplaats en de opstelplaats voor het brandweervoertuig is geschikt voor een asbelasting van 11,5 ton en, afhankelijk van het soort voertuig dat gebruikt wordt, een totaalgewicht van 15 tot 30 ton (dit kan per regio verschillen). De vrije opstelplaats voor het brandweervoertuig heeft een afmeting van minimaal 10 x 4,50 meter en een vrije hoogte van 4,20 meter. Indien de opstelplaats haaks staat ten opzichte van de waterkant, moet op de afstand van twee meter van het einde van de opstelplaats over de volle breedte van de rijloper een verhoging (stootrand) worden aangebracht van tussen 15 cm en 20 cm hoog. Indien water wordt ingenomen via de zijkant moet er een werkruimte beschikbaar zijn van minimaal 2 meter. Als een specifieke vulplaats wordt gemarkeerd, dient dit te gebeuren door middel van een aanwijsbord met de tekst “NIET PARKEREN, Brandweer vulpunt”, met eventueel het unieke nummer van dit vulpunt. De verticale afstand van de opstelplaats tot de laagste waterstand mag niet meer bedragen dan 5 meter. Bij de laagste waterstand dient er minimaal een waterdiepte beschikbaar te blijven van 1 meter, zodat er geen modder of waterplanten worden aangezogen en er ook geen kolkvorming plaatsvindt.

Om aangroei van waterplanten te voorkomen, kan gebruik gemaakt worden van L- of U-vormige betonelementen die in het water worden geplaatst en zo zorgen voor een vaste bodem en zijwand.

Figuur 4.14: Opstelplaats voor bluswaterwinning van open water.

Voor opstelplaatsen voor geboorde putten gelden de volgende richtlijnen: > > >

De afstand tussen een opstelplaats en een open geboorde put is niet groter dan 2 meter. De verticale afstand tussen het waterniveau van een geboorde put zonder pomp en de opstelplaats is maximaal 4 meter (in verband met een daling van het waterpeil bij het aanzuigen). De afstand tussen een opstelplaats en een gesloten geboorde put zonder pomp is niet groter dan 8 meter.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

64

Er is een aantal situaties waarbij geen eisen gesteld kunnen worden op basis van de genoemde richtlijnen, maar die net zo goed vragen om goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Zodoende worden hier voor een aantal categorieën aanwijzingen voor een goede bereikbaarheid gegeven. Voor opstelplaatsen voor haakarmbakken voor watertransportsystemen zie paragraaf 4.4.3.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

65

BIJLAGE 1A: BLUSWATERMATRIX, BRABANT, GELDERLAND-MIDDEN EN ZUID-LIMBURG

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

66

BIJLAGE 1B: BLUSWATERMATRIX ZEELAND EN TOETSINGSKADERS Zeeland: maatgevende scenario per gebruiksfunctie in m3/uur. Van de hoeveelheden en tijden kan afgeweken worden indien uit de risicoanalyse blijkt dat het maatgevend scenario niet van toepassing is. In het buitengebied blijft de bluswaterbehoefte gelijk, echter de afstanden kunnen afwijken. Hiervoor wordt maatwerk geleverd. Minuten

3

Binnenstedelijk historisch gebied

60

Portiekflat

60

Wonen voor 45

60

Wonen 45-2003

0

Wonen na 2003

0

Woonfunctie met zorg

60

Hoogbouw 20-70 en inzetdiepte > 60 meter

60

Hoogbouw meer dan 70

6

15

30

60

120

240

120

240

120

240

60

120

240

30

60

240

0

120

240

0

0

120

240

Maatwerk

Zelfredzaam Kantoorfunctie

60

0

120

240

Parkeergarage en parkeerkelders

60

0

0

90

240

Onderwijsfunctie

60

0

0

120

240

Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport of algemeen

60

120

240

Gezondheidsfunctie andere

60

0

120

240

Winkelfunctie < 1.000 m2

60

0

0

180

240

Winkelfunctie => 1.000 m2

60

0

90

240

720

Sportfunctie

60

0

0

120

240

Overige bijeenkomstfuncties

0

60

0

120

240

Logiesfunctie (ook met doormelding)

60

0

0

120

240

Bijeenkomstfunctie kinderopvang of fysieke of geestelijke beperking

60

0

0

120

240

Gezondheidsfunctie met bedgebied

60

0

120

0

240

Celfunctie

60

0

0

0

240

Industriefunctie (opslag)

60

0

180

480

960

Industrieel object (normale industrie/ bedrijventerrein)

60

0

0

120-240

Agrarische inrichting

60

0

0

90-360

Inrichting met gevaarlijke stoffen

60

0

0

90-480

60

120

240

480

30

30

0

240

Verminderd zelfredzaam

BRZO

Maatwerk

Evenementen

Maatwerk

Tijdelijke bouwsels Nachtrecreatie en bungalowparken

0

240-960 360 360-960

Jachthavens Kampeerterreinen Overig

Maatwerk

Toetsingskader bluswater Jachthaventerreinen en Kampeerterreinen binnen VRZ vastgesteld is hier van kracht (08-062021). Zie volgende pagina voor toetsingskaders.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

67

Toetsingskader bluswater jachthavens en -terreinen In artikel 4.19 lid 1 van de AMvB BGBOP is ten aanzien van de bluswatervoorziening het volgende opgenomen: “Een niet-openbare plaats heeft een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van de plaats dat niet vereist”. Ten aanzien van de bereikbaarheid van deze bluswatervoorziening is vervolgens in lid 2 het volgende opgenomen: “Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden”. Wat toereikend is, is niet in de AMvB bepaald. Ten aanzien van jachthavens en jachthaventerreinen (een terrein dat bij de jachthaven hoort en waarop eventueel een stallingsgebouw/werkplaats/havengebouw etc. of een ruimte voor winterstalling in de open lucht is gelegen) was de visie van de brandweer op het gebied van bluswatervoorziening in Zeeland voorheen vastgelegd in de Handreiking brandveiligheid Jachthavens & stalling pleziervaartuigen. In vervolg op deze visie geldt voor de jachthavens en jachthaventerreinen het volgende standpunt ten aanzien van bluswatervoorziening en bereikbaarheid: 1.

Bij of nabij de ingang van de jachthaven (toegang tot de steiger) en/of (afhankelijk van de omvang en situering) het jachthaventerrein is een primaire bluswatervoorziening aanwezig in de vorm van een brandkraan (of alternatieve primaire voorziening) aangesloten op het (openbare) (drink)waterleidingnet met een capaciteit van tenminste 60 m3/uur. Hierbij geldt als uitgangspunt een maximale afstand van 100 meter tussen de bluswatervoorziening en de toegang tot de jachthaven of het -terrein.

2.

Bij deze bluswatervoorziening is een opstelplaats voor een brandweervoertuig aanwezig als bedoeld in de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening van Brandweer Nederland.

3.

Bij aanwezigheid van een bluswatervoorziening binnen 100 meter van de toegang tot de steiger bedraagt de maximale lengte van een aanlegsteiger 160 meter (afgestemd op de prestatienorm van de tankautospuiten van de VRZ). Dit is een primaire bluswatervoorziening met een capaciteit van tenminste 60m 3/uur of een andere vorm van bluswatervoorziening met een capaciteit van tenminste 60 m 3/uur gedurende 1 uur.

4.

De maximale lengte van een aanlegsteiger, bij het ontbreken van een bluswatervoorziening zoals onder 2 genoemd, bedraagt 80 meter.

5.

Binnen 1.000 meter over de weg, vanaf de onder 1 genoemde opstelplaats, moet er - indien dit vanuit een risicogerichte benadering noodzakelijk is, denk aan grootte van de jachthaven, ligging van pleziervaartuigen ten opzichte van elkaar, buitenopslag, aanwezig zijnde grote gebouwen op het terrein etc. - een secundaire bluswatervoorziening aanwezig zijn van 120 tot 240 m3. Deze waterwinning moet tot op 5 meter benaderbaar zijn met een blusvoertuig (zie afbeelding handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening).

6.

Op basis van een gelijkwaardigheidstoepassing (art. 1.4 AMvB BGBOP) kan van bovenstaande worden afgeweken. Als gelijkwaardigheid geldt bijvoorbeeld het aanbrengen van droge blusleidingen (conform NEN 1594), het voor de brandweer beschikbaar hebben van een goed bereikbare en onmiddellijk beschikbare mobiele pomp (aandachtspunt voor onderhoud/regelmatig laten draaien/brandstof etc.) met een capaciteit van minimaal 60 m3/uur (de pomp moet afgestemd zijn op het gebruik door de brandweer voor wat betreft storzkoppelingen, normering etc.) en andere vormen van een snel op te bouwen bluswatervoorziening of brand reducerende maatregelen.

7.

Ten aanzien van gebouwen op het jachthaventerrein moet in relatie tot omvang en risico’s, alsmede de ligging, afzonderlijk worden beoordeeld of er een bluswatervoorziening ten aanzien van het gebouw moet worden aangelegd.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

68

Oplossingsrichtingen voor het creëren van een goede bluswatervoorziening zijn: -

Ondergrondse bassins met bijvoorbeeld wateropvang vanaf (stallings)gebouwen met een overstort naar het riool.

-

Aanleg van een droge blusleiding. Hierbij dient aandacht te worden geschonken aan het aansluitpunt in relatie tot de invloeden van eb en vloed en de torsende werking van het water op scharnierpunten van de steiger hetgeen kan leiden tot leidingbreuken. De droge blusleiding moet voldoen aan de uitgangspunten van NEN1594.

-

Creëren van goede opstelplaatsen bij open water. Aandacht hierbij moet worden geschonken aan de hoogteverschillen op basis van eb en vloed in relatie met de aanzuighoogte.

-

Creëren van extra ontsluitingen/toegangen tot het jachthaventerrein om bluswater van buitenaf het terrein te ontsluiten.

Bovenstaande geldt als toetsingskader. Adviseurs kunnen afhankelijk van de situatie hiervan afwijken.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

69

Toetsingskader Bluswater kampeerterreinen In artikel 4.19 lid 1 van de AMvB BGBOP is ten aanzien van de bluswatervoorziening het volgende opgenomen: “Een niet-openbare plaats heeft een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van de plaats dat niet vereist”. Ten aanzien van de bereikbaarheid van deze bluswatervoorziening is vervolgens in lid 2 het volgende opgenomen: “Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden”. Wat toereikend is, is niet in de AMvB bepaald. Ten aanzien van kampeerterreinen was de visie van de brandweer op het gebied van bluswatervoorziening in Zeeland voorheen vastgelegd in de Handreiking brandveiligheid kampeerterreinen. In vervolg op deze visie is voor de kampeerterreinen het volgende standpunt ten aanzien van bluswatervoorziening ingenomen: 1.

Alle kampeerverblijven, aan te merken als bouwwerk, zijn op grond van artikel 6.38 van het Bouwbesluit, tot op 40 meter te benaderen door een blusvoertuig. Binnen 100 meter van deze opstelplaats is er vervolgens een (primaire) bluswatervoorziening aanwezig van 30 m3.

2.

Voor een mini-camping tot en met 25 plaatsen kan de afstand van 40 meter worden losgelaten (met een maximum van 100 meter). Daarnaast geldt altijd dat andere bebouwing op het terrein wel moet voldoen aan de daarvoor geldende bluswatervoorziening.

3.

Deze bereikbaarheid geldt ook voor een centrumgebouw van het kampeerterrein. Ten aanzien van een groot centrumgebouw is een bluswatervoorziening aanwezig van in principe minimaal 60 m 3. Dit is afhankelijk van omvang van het gebouw, bereikbaarheid en omgeving.

4.

Alle kampeermiddelen, niet aan te merken als bouwwerk (toercaravans, tenten etc.), dienen tot op 80 meter te benaderen zijn door een blusvoertuig. Binnen 100 meter van deze opstelplaats is er vervolgens een (primaire) bluswatervoorziening aanwezig van 30 m3.

5.

Tenzij de risico's op en ten aanzien van het kampeerterrein en het maatgevend scenario dit niet noodzakelijk maken, moet er binnen 1.000 meter over de weg, vanaf de onder 2 genoemde opstelplaats, bij voorkeur een secundaire bluswatervoorziening aanwezig zijn van 90 tot 240 m3 (afhankelijk van grootte van het kampeerterrein, brandoverslagmogelijkheden, brandbare beplanting etc.). Deze waterwinning moet tot op 5 meter benaderbaar zijn met een blusvoertuig (zie afbeelding handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening).

Oplossingsrichting voor het creëren van een goede bluswatervoorziening zijn onder andere de volgende: -

Plaatsen van ondergrondse bassins met bijvoorbeeld wateropvang vanaf (toilet)gebouwen met een overstort naar het riool. Deze staan dan circa 200 meter H.O.H. over het terrein. Aanleg van droge blusleiding over het terrein vanaf de ingang van het kampeerterrein (let op, in die situatie moet er een extra opzetstuk aanwezig zijn). Ligt wel aan brandkraan die dit punt moet voeden en aan de lengte van de DBL. Creëren van goede opstelplaatsen bij open water zoals vijvers/waterhoudende kanalen/sloten etc. Creëren van extra ontsluitingen/toegangen tot kampeerterrein om bluswater van buitenaf terrein te ontsluiten.

Kortom, zoeken naar handige oplossingen. Bovenstaande geldt als toetsingskader. Adviseurs kunnen afhankelijk van de situatie hiervan afwijken.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

70

BIJLAGE 2: ONDERHOUD BLUSWATERVOORZIENING EN LEVERING VAN BLUSWATER Deze bijlage bestaat uit twee delen: 1, de eisen die gesteld worden aan de aanleg en het onderhoud van de diverse bluswatervoorzieningen en 2. een overzicht van de leveranciers van bluswater.

Bijlage 2.1 Aanleg en onderhoud van bluswatervoorzieningen De eisen voor de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen zijn beschreven in artikel 6.30 van het Bouwbesluit: 1. Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening. Dit geldt niet indien de aard, ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. 2. Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m³/uur kan leveren. 3. De afstand tussen een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 meter. 4. Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. De onderhoudsvereisten voor bluswatervoorzieningen zijn te extraheren uit de beschrijving in artikel 1.16 van het Bouwbesluit. Een bij of krachtens de wet aanwezige installatie als bedoeld in hoofdstuk 6 van dit besluit: a. b. c.

functioneert overeenkomstig de op die installatie van toepassing zijnde voorschriften; wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

B 2.1.1 Aanlegvereisten Wanneer de gemeente opdracht geeft om een bluswatervoorziening aan te leggen, moet worden voldaan aan de aanlegvereisten. Deze verschillen vanzelfsprekend per voorziening; onderstaand is een beknopt overzicht per soort bluswatervoorzieningen opgenomen. B 2.1.2 Vindbaarheid van bluswatervoorzieningen Een mogelijkheid om de vindbaarheid te waarborgen, ook onder winterse omstandigheden, zijn aanwijsbordjes voor bluswatervoorzieningen. Daarnaast kennen we gele driehoeken op de weg. Een voorbeeld van een aanwijsbord is te zien in afbeelding B 1.1. Dit soort aanwijsbordjes worden in de 6 veiligheidsregio’s uit dit stuk, naast de digitale bestanden of ‘brandkraanboeken’, gebruikt. B 2.1.3 Brandkranen De volgende voorwaarden worden gesteld aan de locatie van een brandkraan: > > > > > >

rondom een brandkraan moet een obstakelvrije ruimte met een diameter van 1,80 meter zijn; de brandkraan moet minimaal 0,40 meter van de trottoirband liggen bij langsparkeren; de brandkraan moet minimaal 0,75 meter van de trottoirband liggen bij gestoken parkeren; brandkranen moeten tot op maximaal 15 meter goed door een blusvoertuig benaderd kunnen worden; brandkranen dienen zoveel mogelijk gesitueerd te worden bij kruispunten of brandgangen; indien van toepassing: plaatsing van een aanwijsbordje.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

Afbeelding B 1.1: Aanwijsbord voor een bluswatervoorziening.

71

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van brandkranen: In 2010 is het eindadvies van de Commissie Nadeelcompensatie & Brandkranen (Commissie Burgering) uitgebracht. Dit advies vormt de basis voor onderstaande aandachtspunten voor het onderhoud van brandkranen: ‘Nat’ onderhoud: > > > > > > > >

frequentie en capaciteit om aan de onder 1.5.1 genoemde percentages te voldoen; de straatpot moet inwendig schoon zijn (eventueel zand en vuil verwijderen); een blinddeksel met ketting dient aanwezig te zijn; de standpijp moet goed plaatsbaar zijn; de werking en een eventuele lekkage van het afsluitorgaan; het afspuien brandkraan; een globale controle op de capaciteit; de werking en een eventuele lekkage van de leegloopinrichting.

‘Droge’ schouw: > frequentie en capaciteit om aan de onder 1.5.1 genoemde percentages te voldoen; > de locatie van de brandkraan; > de zichtbaarheid van de brandkraan; > de bereikbaarheid van de brandkraan; > indien van toepassing: de aanwezigheid en correctheid van een aanwijsbord en/of aanwijspijl; > de ligging van de straatpot ten opzichte van de omliggende bestrating.

B 2.1.4 Geboorde putten

>

Voor de uitvoering en onderhoud van geboorde putten wordt verwezen naar bijlage 3.

B 2.1.5 Open water of bluswaterriool Aandachtspunten voor de aanleg van een opstelplaats bij open water: > > > > >

Waar het water met de zuigbuizen van een blusvoertuig onttrokken kan worden, dient de opstelplaats tot op maximaal 4 meter te bereiken zijn. Waar het water met een dompelpompunit onttrokken wordt, kan de opstelplaats tot op maximaal 60 meter afstand liggen. In de praktijk voldoet het opstellen op de openbare weg. De ondergrond is geschikt voor een brandweervoertuig en voor een asbelasting van 11,5 ton en, afhankelijk van het soort voertuig dat gebruikt wordt, een totaalgewicht van 15 tot 30 ton (dit kan per regio verschillen). Een aanduiding van de opstelplaats. Indien mogelijk een vaste zuigbuis of straatkolk toepassen.

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van opstelplaatsen bij open water: > > > > > > > > > >

frequentie: volgens afspraak met de gemeente, passend binnen de uitgangspunten van de veiligheidsregio; de locatie van de opstelplaats; de zichtbaarheid van de opstelplaats; de bereikbaarheid van de opstelplaats; de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of bord; de opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor het blusvoertuig; het water moet voldoende diep zijn, minimaal 1 meter; het water rondom de inlaatplek moet vrij zijn van onderwaterplanten; er moet voldoende vrije ruimte zijn om een zuigbuis in te werpen; de waterkwaliteit is dusdanig dat er geen beschadigingen kunnen ontstaan aan de bluspomp en brandweerpersoneel; niet blootgesteld wordt aan ernstige vervuiling.

De aandachtpunten voor controle en onderhoud aan een bluswaterriool zijn gelijk aan open water met de toevoeging: > > >

een controle op de aansluiting van het inlaatpunt; het schoonhouden van buizenstelsel en straatkolk; de losneembaarheid van de straatkolk.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

72

B 2.1.6 Bluswatervoorzieningen die niet in de openbare ruimte liggen Om voor de brandweer bruikbaar te zijn, voldoen particuliere bluswatervoorzieningen aan dezelfde voorwaarden als hierboven beschreven.

Bijlage 2.2 Overzicht van bluswaterleveranciers In paragraaf 1.4 van deze Regionale Leidraad zijn de partijen genoemd die bluswater kunnen leveren. Onderstaand volgt een nadere toelichting op elk van deze partijen, met een globale beschrijving van hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden B 2.2.1 Drinkwaterbedrijf Heeft als wettelijke taak het leveren van drinkwater. Verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in de Drinkwaterwet. Drinkwaterbedrijven leveren bijna overal (in bebouwde gebieden) kwalitatief schoon bluswater, al zijn zij niet wettelijk verplicht om dit te doen. Branchevereniging Vewin geeft aan dat de drinkwaterbedrijven het over het algemeen wel als een (historische) maatschappelijke verantwoordelijkheid zien deze voorziening te continueren. Daarnaast hebben veel gemeenten (nog steeds) geldende concessies met drinkwaterbedrijven. Bij modernisering van het waterleidingnet worden veelal leidingen met een kleinere diameter gebruikt. Dit verbetert de kwaliteit van het drinkwater, maar limiteert de beschikbare hoeveel bluswater. In paragraaf 2.3.1 is beschreven dat de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/uur is en dat in sommige gevallen hiervan beargumenteerd afgeweken kan worden naar het absolute minimum van 30 m3/uur. Omdat een brandkraan minimaal 30 m³ per uur moet kunnen leveren, is het raadzaam hierover afspraken te maken met drinkwaterbedrijven.

Vewin geeft aan dat deze hoeveelheid ook met de kleinere diameters mogelijk blijft. Duurzaamheid Op dit moment ziet Vewin het gebruik van drinkwater als bluswater niet als een relevant punt in het kader van duurzaamheid. De gebruikte hoeveelheden zijn ten opzichte van de totale consumptie zeer gering. Vewin geeft aan dat de drinkwaterbedrijven het op prijs stellen wanneer de brandweer zich een goed gebruiker toont door: > > > > >

Alert te zijn op mogelijke vervuiling bij instructie. Op te letten bij de verspreiding van gevoelige informatie. Waterleiding en appendages zijn vitale infrastructuur. Juiste constructies in autospuiten toe te passen ter voorkoming van het insluiseffect. Oppervlaktewatervervuiling door weglopend bluswater zoveel mogelijk te voorkomen en hier in ieder geval altijd melding van te maken. Alert te zijn op de milieuschade die blusschuim kan aanrichten. Fluorverbindingen accumuleren in het milieu en zijn schadelijk.

Bij weging van duurzame alternatieven voor bluswater zijn de volgende aspecten mee te nemen: > > > >

milieuaspecten (brandstofgebruik watertransport); veiligheid (verkeer, gebruikszekerheid bluswatervoorzieningen); financiën (omscholingskosten, aanschafkosten, slijtage door vuil water); organisatieaspecten (bedrijfszekerheid door verminderde paraatheid, standaardisatie bij interregionale inzetten).

B 2.2.2 Waterschap Heeft als hoofdtaak het beheren van waterkwaliteit, -kwantiteit en -veiligheid. De verantwoordelijkheden zijn onder andere vastgelegd in de Waterwet. De waterschappen beheren open water en grondwater in Nederland en zijn nu vaak ongevraagd bluswaterleverancier bij incidenten waar veel bluswater bij nodig is. De kwaliteit van het bluswater kan wisselen. Dit kan de gezondheid van personeel en materiaal en objecten schaden. Bovendien is de beschikbaarheid niet te garanderen, bijvoorbeeld tijdens langere perioden van droogte. Het is nuttig voor de brandweer te investeren in een goede relatie met een contactpersoon bij het waterschap, zodat diens kennis van bereikbaarheid, beschikbaarheid en capaciteit meegenomen kan worden in de planvorming. Tijdens een incident wil het waterschap graag geïnformeerd worden over eventuele milieuschade door wegvloeiend bluswater. De brandweer moet zich ervan bewust zijn dat bij de aanleg van een geboorde put formeel een vergunning voor een

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

73

onttrekking van grondwater aangevraagd moet worden bij de provincie of het waterschap. Overigens geven de meeste provincies en waterschappen aan dat een melding volstaat.

B 2.2.3 Gemeente Heeft (een deel van het) open water in beheer en infrastructurele voorzieningen zoals bluswaterriolen. Geboorde putten liggen vaak op gemeentegrond.

B 2.2.4 Rijkswaterstaat Heeft beheer over grotere waterwegen en waterinfrastructuur en is voor wat betreft de levering van bluswater vergelijkbaar met het waterschap.

B 2.2.5 Particulieren Vanuit een wettelijke verplichting, via een plicht vanuit de verzekering of vanuit hun eigen behoefte, kunnen particulieren beschikken over een bluswatervoorziening. Het type voorziening is divers. Te denken valt aan: open water, particuliere brandkranen, geboorde putten, bassins, etc. Veel particuliere bedrijven zijn aangesloten bij een brancheorganisatie, bijvoorbeeld de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO).

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

74

BIJLAGE 3 TECHNISCHE UITVOERING GEBOORDE PUTTEN B 3.1 Inleiding

Het komt steeds meer voor dat het niet mogelijk is om als bluswatervoorziening gebruik te maken van brandkranen. Als alternatief kan gebruik gemaakt worden van een geboorde put om het grondwater als bluswater te gebruiken. In deze bijlage wordt uitleg gegeven wanneer gebruik gemaakt kan worden van een geboorde put als A-, B- of Cbluswatervoorziening en welke eisen van toepassing zijn ten aanzien van de technische uitvoering. De eisen zijn voor alle 6 regio’s toepasbaar (mits anders staat aangegeven) en zorgen voor een eenduidige werkwijze ten aanzien van de uitvoering van geboorde putten.

B 3.2 A-, B- en C-bluswatervoorzieningen

Er wordt onderscheid gemaakt in A-, B- en C-bluswatervoorzieningen. Een A-watervoorziening is een bluswatervoorziening die binnen 3 minuten na aankomst brandweer operationeel kan zijn, een B-watervoorziening is dat na maximaal 15 minuten en een C-watervoorziening na maximaal 60 minuten. A- en B-watervoorzieningen zijn in de basis voor het bestrijden van maatgevende scenario’s. Op het moment dat er naast A- of B-water ook C-water nodig is, spreken we van een escalatiescenario en levert de brandweer maatwerk middels tankwagens en watertransportsystemen om de noodzakelijke hoeveelheden water op de plaats-incident te krijgen. Omdat de opkomsttijd en opbouwtijd van de watertransportsystemen groter is dan 15 minuten, zullen A- en B-watervoorzieningen in de basis geschikt moeten zijn voor gebruik door de tankautospuit van de brandweer.

B 3.3 Grondwater als bluswater middels een geboorde put

Op het moment dat grondwater als bluswater gebruikt gaat worden, en hiervoor een geboorde put aangelegd gaat worden, is het belangrijk dat de technische uitvoering van de geboorde put dusdanig is dat deze geschikt is voor het doel waarvoor deze wordt aangelegd en dat deze in de praktijk ook te gebruiken is door het bij de brandweer beschikbare materieel. Belangrijke factoren hierin zijn of de put bedoeld is als A-, B- of C-watervoorziening en de grondwaterstand in het gebied waarin de put aangelegd moet worden. Zoals hierboven aangegeven dient bij een A- en B-watervoorziening de put geschikt te zijn voor gebruik door een tankautospuit. Op moment dat een geboorde put enkel bedoeld is als Cwatervoorziening en de grondwaterstand, bij maximale afpomping, lager is dan 7 meter, moet de put geschikt zijn voor gebruik met een mini-dompelpomp (interne diameter put minimaal 400 mm). De uitvoeringen van de geboorde putten in relatie tot A-, B- of C-watervoorzieningen staan weergegeven in het volgende schema:

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

75

Technische uitvoeringen geboorde put (schematisch):

Bij een geboorde put als A-watervoorziening is normaliter altijd een interne bronpomp nodig om te voldoen aan een criterium van 3 minuten. Aangezien de uitvoeringen met een bronpomp behoorlijk duurder zijn dan zonder pomp, is het aan de adviseur om met name in gebieden waar de grondwaterstand hoger is dan 7 meter nader te bepalen of de extra kosten voor de bronpomp in de praktijk ook bijdragen. Voor B-watervoorziening is de uitvoering in de basis afhankelijk van de grondwaterstand. Bij grondwaterstanden lager dan 7 meter moet altijd een interne bronpomp worden. Voor een C-watervoorziening gelden in feite alle uitvoeringen. Wanneer gekozen wordt voor een open geboorde put dan dient deze ook geschikt te zijn voor gebruik met mini-dompelpompsysteem. Het heeft hierbij eerder voorkeur om te kijken naar de mogelijkheid om de put dan alsnog te voorzien van een bronpomp waardoor deze breder inzetbaar is als B- of Cwatervoorziening. Vanuit de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) is een algemene richtlijn opgesteld met betrekking tot het ontwerp, realisatie en oplevering, beheer en onderhoud van geboorde brandputten. De laatste versie hiervan betreft versie 2.0 van 18 maart 2021. Voor specifieke voorwaarden ten aanzien van uitvoering wordt hierin ook aangegeven om dit specifiek af te stemmen met betreffende veiligheidsregio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=fa7dd21e-ab71-474f-9cd5-496c7944146a