CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Interregionale Adviesleidraad 6 regio's

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Borging onderhoud ondergrondse brandkranen33.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij 5 of meer bouwlagen kennen we langere aanvalswegen waardoor een brand zich langer kan ontwikkelen alvorens daarop zal worden ingezet. Beschikbaarheid van A-water wordt geadviseerd.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

23

Sportfunctie

Met maximaal 4 bouwlagen

Logiesfunctie

Met 5 of meer bouwlagen

Vakantieparken

Kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar;

Bijeenkomstfunctie

Overig

Gezondheidszorgfunc tie

Met bedgebied

Bouwwerken met veelal grotere brandcompartimenten (tot 1.000 m2). Op basis van wetgeving is veelal geen brandmeldinstallatie met automatische bewaking noodzakelijk en ook veelal niet aanwezig. Buiten openingstijden zal een brand later ontdekt worden en zal de brandweer in moeten zetten op het beperken van de brand tot één brandcompartiment en het voorkomen van branddoorslag naar een naastgelegen brandcompartiment, dan wel brandoverslag naar naastgelegen gebouwen. Binnen de bebouwde kom is de aanwezigheid van A-water noodzakelijk om een goede brandbestrijding mogelijk te maken. Bij logiesgebouwen is beschermde subbrandcompartimentering (met zelfsluitende deuren) en een brandmeldinstallatie met automatische bewaking aanwezig. Kleinschalige logiesfuncties/gebouwen. Gebouwen zijn overzichtelijk en over het algemeen kan een snelle inzet gedaan worden. Detectie zorgt voor snelle alarmering. Beschikbaarheid van B-water is hier voldoende. Bij 5 of meer bouwlagen kennen we langere aanvalswegen waardoor een brand zich langer kan ontwikkelen alvorens daarop ingezet zal worden. Beschikbaarheid van A-water wordt geadviseerd. Aard van de bebouwing kan erg verschillen, denk aan stenen huizen versus stacaravans. De bereikbaarheid van bluswater en het pand zelf kunnen beperkt zijn.

Gezien de grootte van de bebouwing kan een eerste inzet om brandoverslag te voorkomen gedaan worden met water uit de tank. Voor verdere inzet is beschikbaarheid van B-water voldoende. Brandmeldinstallatie met automatische bewaking (of rookmelders NEN 2555) en beschermde subbrandcompartimentering is aanwezig. Gebruikers worden vroegtijdig gewaarschuwd en ontruiming kan snel plaatsvinden. We verwachten hier geen ontwikkelde brand. Veelal is de brand met het water uit de tank te bestrijden. B-water is hier voldoende. De bijeenkomstfunctie overig kent een grote variëteit aan gebouwen: dorpscafé, sportkantine, gebedshuis, congrescentrum of bioscoop. Oftewel: een mix van klein en eenvoudig tot groot en complex. De grotere en complexere gebouwen zijn mogelijk al voorzien zijn van meerdere brandpreventieve voorzieningen. In de basis wordt voor deze gebouwen A-water geadviseerd om branddoorslag en/of -overslag te voorkomen naar naastgelegen brandcompartimenten of gebouwen. De bijeenkomstfunctie overig is wel specifiek een voorbeeld waarbij de adviseur de bluswaterbehoefte naar boven zou kunnen bijstellen. Dit betreft dan een opschaling van de minimale behoefte van scenario 20 naar scenario 30 (gebouw niet gelegen in binnenstad). De scenario’s worden toegelicht in paragraaf 3.2.4. Veelal zijn dit grotere en complexere bouwwerken met meerdere toegangen.

Bouwwerken zijn wel voorzien van een brandmeldinstallatie en beschermde sub-brandcompartimentering. De aanwezigheid van verminderd of niet zelfredzame personen zorgt er veelal in de praktijk voor dat een eerste taak van de brandweer ligt in het ondersteunen van redding en ontruiming waardoor een brand zich verder kan ontwikkelen voordat

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

24

Zonder bedgebied

Celfunctie

Winkelfunctie

Industriefunctie

Agrarische functie

BRZO

Bulkopslag

Besluit risico’s zware ongevallen)/gevaarlijke stoffen Brandbare nietmilieugevaarlijke stoffen zoals hout, autobanden en kunststof (Organisch) afval

hierop ingezet kan worden. De beschikbaarheid van A-water wordt hierdoor geadviseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de maatschappelijke impact bij branden in deze functies. Praktijken voor mondzorg, huisartsen, fysiotherapie etc. Veelal kleinschalige gebouwen waardoor brand bestreden kan worden met water uit de tank. De aanwezigheid van B-water is voldoende. De grotere gezondheidscentra vragen wel om maatwerk. Een brandmeldinstallatie en beschermde subbrandcompartimentering zorgen voor snelle alarmering en beperking van uitbreiden van brand. Echter ontruiming is hier logischerwijs niet vanzelfsprekend, aanvalswegen zijn lastiger en een inzet complex. Rekening houdend met de maatschappelijke impact van een brand wordt de aanwezigheid van A-water geadviseerd. De winkelfunctie kent eveneens een grote variëteit aan gebouwen: van dorpswinkel tot bouwmarkt of tuincentrum, kleine of grote winkelcentra, winkels met woningen erboven. In de basis is het uitgangspunt dat in winkels een grotere vuurlast aanwezig is. Voor het voorkomen van branddoorslag en -overslag worden A- en B-water geadviseerd. Een winkelfunctie is in dit geval een voorbeeld waarbij de adviseur de bluswaterbehoefte naar beneden kan bijstellen (van 30 naar 20). Bij een kleine of vrijstaande winkelfunctie zal bijvoorbeeld minder water nodig zijn om branddoorslag en/of overslag te voorkomen.

Kenmerken zijn veelal een hoge vuurlast, grotere brandcompartimenten en complexere gebouwen. Veelal is geen brandmeldinstallatie aanwezig waardoor branden later ontdekt worden. Door de dichte aaneengesloten bebouwing op bedrijfsterrein is A- en B-water noodzakelijk. Industrie brengt daarbij in veel gevallen een bovenmatig (omgevings)risico met zich mee waardoor aanvullende voorzieningen, mogelijk ook op eigen terrein, nodig kunnen zijn. Agrarische bedrijven met stallen en/of opslagloodsen voor agrarische producten of landbouwvoertuigen, veelal in het buitengebied. Bouwwerken zijn veelal grotere brandcompartimenten (tot 2.500 m2) zonder brandmeldinstallatie, waardoor branden pas laat ontdekt worden. Bij stalbranden zijn er beperkte mogelijkheden de dieren te redden/ontruimen. Veelal met grote maatschappelijke, politieke en emotionele impact. Door late ontdekking en alarmering en langere aanrijtijden zal er sprake zijn van een verder ontwikkelde brand en voor het voorkomen van branddoorslag en/of -overslag wordt A- en B-water geadviseerd. Concreet zal door de adviseur veelal een kosten/baten afweging gemaakt moeten worden om de minimaal benodigde hoeveelheid bluswater beschikbaar te hebben voor het voorkomen van brandoverslag. Maatwerk. Veelal gericht op effecten buiten de poort beperken. Maatwerk

Maatwerk

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

25

Parkeergarages/parkeerkelders

Gebruiksfunctie overig Garagebox

Overig

Evenementen

Met tijdelijke bouwsels (uit Bgbop)

Met nachtverblijf (uit Bgbop)

Andere gebruiksfuncties Recreatieterreinen

Jachthavens

Een brand in een parkeergarage of -kelder is complex. Door rook en hitte kan veelal geen offensieve inzet meer gedaan worden. Ook kan, door aantasting van constructie en rookverspreiding, grootschalige ontruiming van bovengelegen functies van toepassing zijn. Voor een dergelijke inzet is Aen B-water noodzakelijk. Een standaard garagebox in een woonwijk. Veelal blussing mogelijk met water uit de tank. Aanwezigheid van B-water is voldoende. Inpandige garageboxen onder een woongebouw vragen maatwerk. Andere voorkomende gevallen betreffen maatwerk. Grote podia op festivalterreinen, (kermis)attracties, bouwsels bij sportevenementen en bijbehorende eetgelegenheden. Ontvluchting is veelal eenvoudig maar het publiek kan de inzet bemoeilijken. Het rollen van slangen over lange afstand door publiek is onwenselijk, derhalve wordt de aanwezigheid van Bwater geadviseerd. Campings en kampeerterreinen. Hoge, veelal kortdurende, vuurlast met kans op brandoverslag. Bereikbaarheid op het terrein van zowel bluswater als incidentlocatie kan beperkt zijn. Op basis van de grootte van de objecten kan worden volstaan met de aanwezigheid van B-water. Restaurants, stacaravans, bungalows, bijeenkomstgebouwen etc. vallen voor de advisering onder de desbetreffende gebruiksfunctie. Aanmeerplaatsen van recreatievaartuigen met veelal lange steigers en lange aanvalswegen naar de aanmeerplaatsen.

In basis zal één vaartuig volledig in brand staan en moet overslag naar naastgelegen vaartuigen worden voorkomen. Een eerste inzet wordt gedaan met het water uit de tank, de verdere aanwezigheid van B-water is voldoende. Er moet hierbij wel rekening gehouden worden met de maximale inzetdiepte over de steigers vanaf de opstelplaats.

Toelichting hoogbouw, zelfredzaam/verminderd zelfredzaam Hoogbouw (inclusief lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter) Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen hoogbouw van 20–70 meter (inclusief lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter) en hoger dan 70 meter. Hoogbouw hoger dan 70 meter beschikt over een eigen blussysteem (hydrofoor). De eisen voor hoogbouw hoger dan 70 meter zijn beschreven in de Handreiking hoogbouw (2014) en vereisen maatwerk. Hierop wordt in deze Regionale Leidraad niet verder ingegaan. Bij hoogbouw zoals hierboven gedefinieerd dient een (droge) blusleiding te zijn aangebracht (voor bereikbaarheid zie paragraaf 4.7). Hierdoor is een directe aanvullende bluswatervoorziening nodig die onder druk staat, zodat de brandweer bij aankomst direct kan aansluiten (binnen 3 minuten). Een droge blusleiding zonder de daarbij behorende bluswatervoorziening zou zinloos zijn. De blusleiding en de slangen moeten immers eerst gevuld worden voordat er geblust kan worden. De tankinhoud van een TS is hiervoor niet voldoende. Zie bluswatermatrix (Bijlage 1). Zelfredzaam/verminderd zelfredzaam In beide gevallen zijn de voorzieningen erop gericht dat alle personen het bouwwerk veilig kunnen verlaten. Bij niet zelfredzame personen kan dit door middel van ondersteuning door een BHV-organisatie en/of preventieve maatregelen.

Dit stelt de brandweer in staat om te starten met brandbestrijding. Indien bij aankomst van de brandweer de ontruiming nog niet geslaagd is en ondersteund moet worden, is er sprake van redding. Redding kan plaatsvinden door mensen uit het bouwwerk te halen of door hen naar een veilige plek elders in het pand te brengen. Daarnaast kan door blussing het gevaar (de (beperkte) brandhaard) weggenomen en een redding gerealiseerd worden. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

26

Mens- en/of gebouwkenmerken kunnen ertoe leiden dat er voor een effectieve en snelle bestrijding en voorkoming van escalatie gekozen wordt voor een bluswatervoorziening die snel beschikbaar is; te denken valt hierbij aan de 3- of 6minutennorm zoals toegelicht in onderstaande paragraaf Kenmerken en soorten bluswater (zie ook Bijlage 4 Maateenheden en vuistregels bluswater-voorziening)(zie ook Bijlage 4 Maateenheden en vuistregels bluswatervoorziening).

3.2.2.3 Kenmerken en soorten bluswater (zie ook Bijlage 4 Maateenheden en vuistregels bluswater-voorziening) Er wordt onderscheid gemaakt in vier soorten van bluswater; Kenmerken waterwinning Type

Beschikbaarheid

Voorziening

Tank

Direct beschikbaar

A-water

Binnen 3 minuten beschikbaar met een minimale intrededruk van 0,5 bar

Watertankinhoud TS (uitgangspunt bedraagt minimaal 2.000 liter) Ondergrondse brandkraan (OBK) op max. 40 meter van min 60 m³/uur. Bovengrondse brandkraan (BBK) op max. 60 meter van min. 60 m³/uur. Geboorde put met interne bronpomp op max. 60 meter van min. 60 m³/uur. Maatwerkvoorzieningen zoals hogedrukstraal (HD-straal) met eigen watervoorziening of extra watervoorziening middels sprinklerinstallatie/bluswaterkelder etc. Deze voorziening heeft een leveringsduur van minimaal 1 uur.

AB-water (regio Zeeland en Zuid-Limburg)

Binnen 6 minuten beschikbaar met een minimale intrededruk van 0,5 bar

-

B-water

Binnen 15 minuten beschikbaar met een minimale intrededruk van 0,5 bar

-

-

C-water

Binnen 60 minuten beschikbaar met een minimale intrededruk van 0,5 bar

-

-

OBK op max. 100 meter vanaf opstelplaats van min. 30 m³/uur. BBK op max. 100 meter van min. 30 m³/uur. Geboorde put met interne bronpomp op max. 100 meter van min. 30 m³/uur. Deze voorziening heeft een leveringsduur van minimaal 1 uur. OBK, BBK, geboorde put met of zonder interne bronpomp, open water of bluswaterriool op max. 200 meter vanaf opstelplaats van min. 60m³/uur. Deze voorziening heeft een leveringsduur van minimaal 4 uur. Bereikbaar voor het regionale watertransportsysteem vanuit bijv. open water. Deze voorziening heeft een onbeperkte leveringsduur en een capaciteit van 90-240 m³/uur.

Tabel 3.1. Alle vermelde afstanden zijn gemeten over de openbare weg/openbaar toegankelijk terrein. Zie hiervoor afbeelding 3.1.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

27

Afbeelding 3.2: Afleggen over de openbare weg vanaf brandkraan.

Afbeelding 3.3: Afleggen over de openbare weg vanaf open water.

Daar waar combinaties van A/AB, B en of C-water worden geadviseerd, wordt opgemerkt dat deze complementair aan elkaar zijn. Dus: een advies waarin A-water en B-water met ieder een capaciteit van 60 m³/uur wordt geadviseerd, betekent in totaliteit 120 m³/uur.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

28

De soorten bluswater weergegeven in de sturingsdriehoek

Figuur 3.4: Weergave benodigde bluswaterbehoefte in relatie tot brandweerinzet.

Tankwagen als A- of B-water? De brandweer kan voor bluswatertransport gebruik maken van tankwagens. Tankwagens vormen in de basis het vangnet bij falende voorzieningen, of een aanvulling op bestaande voorzieningen, maar zijn geen vervanging ervan. Ze zijn inzetbaar om de blussende tankautospuit(en) te voeden. Deze tankwagens zijn zodanig uitgevoerd dat direct voeden van een blussende tankautospuit mogelijk is. Tevens is het met tankwagens mogelijk een (beperkt) pendelsysteem in te richten om bluswater te transporteren van een (op afstand gelegen) bluswatervoorziening naar de blussende eenheden. Dit pendelsysteem kan ook ingezet worden ter overbrugging naar de opbouw van een watertransportsysteem. De tankwagen kan in uitzonderlijke gevallen bedoeld zijn ter vervanging van A-water en/of B-water mits bestuurlijk is vastgelegd dat hiertoe voldoende tankwagens (middelen en mensen en de borging ervan) beschikbaar zijn gesteld door het bestuur. Voor nu en in de toekomst.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

29

3.2.4 Bluswaterscenario’s Er zijn 4 maatgevende inzetscenario’s geformuleerd, genaamd 10, 20, 30 en 40. Aan de hand van de maatgevende inzetscenario’s is de behoefte aan bluswater bepaald. Scenario 10 is het lichtste scenario, scenario 40 het zwaarste scenario met de grootste bluswaterbehoefte. Zie ook paragraaf Kenmerken en soorten bluswater (zie ook Bijlage 4 Maateenheden en vuistregels bluswater-voorziening). Ter illustratie zijn voor elk scenario foto’s bijgevoegd. Per scenario is het brandweerpotentieel beschreven wat benodigd is voor de daadwerkelijke incidentbestrijding. Brandweermaterieel wat noodzakelijk is voor de aanvoer van bluswater (zoals WTS-systemen en tankwagens) zijn hierin niet opgenomen, omdat zij alleen een watertransportfunctie hebben en geen blusacties uitvoeren. Middels scenario’s is een realistisch verloop van de ontwikkeling van een brand beschreven met hierbij een bijpassende brandweer inzet. De scenario’s zijn in de bluswatermatrix verwerkt. Deze matrix is opgenomen in bijlage 1. Naast scenario’s zijn er ook maatwerkoplossingen zoals weergegeven in de bluswatermatrix. Daarnaast kan het (in uitzonderlijke gevallen) zo zijn dat de bepaalde bouwwerken en gebieden of het gebruik daarvan vragen om een specifieke bluswaterbehoefte.

Zowel de hoeveelheid bluswater, het tijdsbestek waarin dit geleverd moet kunnen worden als de uitvoering dienen bij deze bouwwerken/gebieden nader gedefinieerd te worden. Voor Zeeland geldt de Zeeuwse bluswatermatrix in verband met afwijkende interventiekenmerken.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

30

3.2.2.1

Scenario 10

SCENARIO 10 Toepassingsgebied

Bijlage 1a: Bluswatermatrix, Brabant, Gelderland-Midden en Zuid-Limburg

Beeld

Gebruiksfuncties en gebouwtypes zijn relatief klein en overzichtelijk met een relatief lage vuurbelasting. Maximaal één (beschermd sub)brandcompartiment in brand. Verdere uitbreiding naar aangrenzend (beschermd sub)brandcompartiment voorkomen.

Maatgevende cascade Beoogd doel

2x TS + 1x RV (= HW of LW). De eerste blusactie en eventuele redding gebeurt met het aanwezige water in de watertank van de eerste TS. De tweede TS zorgt voor ondersteuning van het eerste voertuig en/of eventueel voeding van het redvoertuig.

Maatgevende inzet • •

Eenheden: Praktijk:

Geschat benodigd debiet voor maatgevend scenario Geschatte omvang escalatie Onderbouwing bluswaterbehoefte

60 m³/uur.

Uitbreiding naar één of meerdere aangrenzende (beschermd sub)brandcompartimenten. De eerste 15 minuten wordt gebruik gemaakt van het in de tank aanwezige water. Om deze reden, en vanwege de verhoudingsgewijs beperkte vuurlasten, is er geen noodzaak voor A-water. Na 15 minuten dient extern water beschikbaar te zijn (= Bwater). Het uitgangspunt is dat de brand binnen 60 minuten brandmeester is. Mocht er sprake zijn van (dreigende) escalatie dan ontstaat de behoefte aan aanvullend C-water. Het totaal bedraagt dan minimaal 150 m³/uur.5

Grafiek bluswater in m³/uur Tank A-water B-water C-water

420 390 360 330 300 270 240 210 180 150 120 90 60 30 0 0

3

6

aanvangen

5

15

60

blussen

controleren

Het totaal is de som van B-water en C-water.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

31

Referentiekader scenario 10

Woonfunctie max. 4 bouwlagen na 1945

Portiekwoning na 1945

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

32

3.2.2.2

Scenario 20

SCENARIO 20 Toepassingsgebied Beeld

Bijlage 1a: Bluswatermatrix, Brabant, Gelderland-Midden en Zuid-Limburg Gebruiksfuncties en gebouwtypen zijn veelal complexer van aard dan scenario 10. Door de te verwachten uitbreidingssnelheid en/of hogere vuurlast en/of grotere complexiteit is er minder tijd beschikbaar om bluswater op te bouwen. Er moet rekening worden gehouden met een langere verkenningstijd, en de mogelijkheid dat de brandweer (beperkte) ontruimingstaken heeft. Indien er sprake is van preparatieve voorzieningen in een gebouw moet de aanwezige bluswatervoorziening hierop afgestemd zijn. Maximaal één (beschermd sub)brandcompartiment in brand. Verdere uitbreiding naar aangrenzend (beschermd sub)brandcompartiment voorkomen.

Maatgevende cascade Beoogd doel Maatgevende inzet • •

Eenheden: Praktijk:

Geschat benodigd debiet voor maatgevend scenario Geschatte omvang escalatie Onderbouwing bluswaterbehoefte

2x TS + 1x RV. De eerste blusactie en eventuele redding gebeurt met het aanwezige water in de watertank van de eerste TS gecombineerd met A-water na 3 minuten. De tweede TS zorgt voor ondersteuning van de eerste TS en/of eventueel voeding van het redvoertuig. 60 m³/uur.

Uitbreiding naar één of meerdere aangrenzende (beschermd sub)brandcompartimenten. De eerste 3 minuten is het water in de tank beschikbaar. Na 3 minuten is er een aansluiting op een voorziening met een capaciteit van 60 m³/uur gerealiseerd (Awater). Het uitgangspunt is dat de brand binnen 60 minuten brandmeester is. Mocht er sprake zijn van (dreigende) escalatie, dan ontstaat behoefte aan aanvullend C-water. Het totaal bedraagt dan minimaal 180 m³/uur.6

Grafiek bluswater in m³/uur Tank A-water B-water C-water

420 390 360 330 300 270 240 210 180 150 120 90 60 30 0 0

3

6

aanvangen

6

15

60

blussen

controleren

Het totaal is de som van B-water en C-water.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

33

Referentiekader scenario 20

Woonfunctie ≥ 5 bouwlagen

Mocht er toch sprake zijn van escalatie dan ontstaat de behoefte aan aanvullend Cwater. Het totaal bedraagt dan minimaal 390 m3/uur (6.500 l/min)1

Woonfunctie van voor 1945

Onderwijsfunctie

Woonfunctie met droge blusleiding

Woonfunctie met 24-uurszorg

Woonfunctie voor 1945 in buitengebied

Logiesfunctie van voor 1945

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

34

Sportfunctie (sporthal) binnen bebouwde kom

Sportfunctie (zwembad) binnen bebouwde kom

Kantoorfunctie van voor 1945

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

35

3.2.2.3

Scenario 30

SCENARIO 30 Toepassingsgebied Beeld

Bijlage 1a: Bluswatermatrix, Brabant, Gelderland-Midden en Zuid-Limburg Grotere gebouwen/brandcompartimenten, mogelijk hogere vuurlast. Complexere inzet, mogelijk brandoverslag in meerdere richtingen. Maximaal één (beschermd sub)brandcompartiment in brand. Verdere uitbreiding naar aangrenzend (beschermd sub) brandcompartiment voorkomen.

Maatgevende cascade Beoogd doel Maatgevende inzet • •

Eenheden: Praktijk:

Geschat benodigd debiet voor maatgevend scenario Geschatte omvang escalatie Onderbouwing bluswaterbehoefte

3x TS + 1x RV De eerste blusactie en eventuele redding gebeurt met het aanwezige water in de watertank van de eerste TS gecombineerd met A-water na 3 minuten. De tweede en/of derde TS zorgen voor ondersteuning en/of eventueel voeding van het redvoertuig of de tweede TS vanaf B-water. 60 + 90 = 150 m³/uur.

Uitbreiding naar één of meerdere aangrenzende brandcompartimenten. Vanwege de veelal complexe inzet (lange aanvalswegen, moeilijk te oriënteren en/of hoge vuurlast) met hierdoor minder tijd om bluswater op te bouwen, is Awater vereist. Door de veelal hogere brandvermogens zal sneller ingezet worden op lage druk blussing waarvoor A-water eveneens noodzakelijk is. Na 15 minuten dient aanvullend water beschikbaar te zijn (= B-water). Het uitgangspunt is dat de brand binnen 60 minuten brandmeester is. Mocht er toch sprake zijn van (dreigende) escalatie, dan ontstaat de behoefte aan aanvullend C-water. Het totaal bedraagt dan minimaal 390 m³/uur.7

Grafiek bluswater in m³/uur Tank A-water B-water C-water

420 390 360 330 300 270 240 210 180 150 120 90 60 30 0 0

3

6

aanvangen

7

15

60

blussen

controleren

Het totaal is de som van A-, B- en C-water.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

36

Referentiekader scenario 30

Winkelfunctie

Industrie Agrarisch

Parkeerkelder

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

37

3.2.2.4

Scenario 40

SCENARIO 40 Toepassingsgebied Beeld

Maatgevende cascade Beoogd doel

Bijlage 1a: Bluswatermatrix, Brabant, Gelderland-Midden en Zuid-Limburg 3.2.5.4.1.1.1 Hogere vuurlasten, grotere brandcompartimenten, complexe bebouwing en/of slechtere bereikbaarheid, en gebruik en opslag van gevaarlijke goederen en/of stoffen. Hierdoor is er een vergroot risico op een volledige compartimentsbrand. Indien er sprake is van preparatieve voorzieningen in een gebouw, moet de aanwezige bluswatervoorziening (minimaal) hierop afgestemd zijn. Max. één (beschermd sub)brandcompartiment in brand. Verdere uitbreiding naar aangrenzend (beschermd sub)brandcompartiment voorkomen.

Maatgevende inzet • •

Eenheden: Praktijk:

Geschat benodigd debiet voor maatgevend scenario Geschatte omvang escalatie Onderbouwing bluswaterbehoefte

4x TS + 1x RV. De eerste blusactie en eventuele redding gebeurt met het aanwezige water in de watertank van de eerste TS gecombineerd met A-water na 3 minuten. De overige TS’en zullen ingezet worden om uitbreiding naar aangrenzende brandcompartimenten te voorkomen in combinatie met eventuele voeding van redvoertuigen. 60 + 120 = 180 m³/uur.

Uitbreiding naar één of meerdere aangrenzende (beschermd sub)brandcompartimenten. Binnen 3 minuten moet er 60 m³/uur aanwezig zijn. Binnen 15 minuten moet er 120 m³/uur beschikbaar zijn. Het uitgangspunt is dat er een volledig compartiment in brand staat. Mocht er toch sprake zijn van (dreigende) escalatie, dan ontstaat de behoefte aan aanvullend C-water. Het totaal bedraagt dan minimaal 420 m³/uur.8

Grafiek bluswater in m³/uur

8

Het totaal is de som van A-, B- en C-water.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

38

Referentiekader scenario 40

Oude binnenstad

Industrie

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

39

3.3 Technologische omgeving Het thema Technologische omgeving omvat alle activiteiten met gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen worden op grote schaal voor met name industriële activiteiten gebruikt en komen voor in objecten en infrastructuur. Thema 5 Verkeer en Vervoer beschrijft de scenario’s met gevaarlijke stoffen op de weg, het spoor en het water; daarom wordt er hier niet nader op ingegaan. Gevaarlijke stoffen bij inrichtingen vragen maatwerk, omdat de hoeveelheid in een insluitingssysteem (alle vormen van opslag) sterk varieert en er sprake is van regelgeving die leidt tot bepaalde beheersmaatregelen. Dit is vooral van toepassing op activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor de bepaling van de bluswaterbehoefte kan gebruik gemaakt worden van het BrandweerBRZOscenarioboek (Landelijk Expertise Centrum Brandweer BRZO, 2009).

3.4 Vitale infrastructuur en voorzieningen Onder de vitale infrastructuur en voorzieningen vallen alle processen die zo essentieel zijn voor de Nederlandse samenleving dat bij uitval of verstoring ervan sprake is van een ernstige maatschappelijke ontwrichting. Veel voorkomend zijn bijvoorbeeld branden in verdeelstations in het elektriciteitsnet, waardoor uitval van de elektriciteitsvoorziening optreedt. In de Handreiking Regionaal Risicoprofiel wordt uitgegaan van de volgende crisistypen: > > > > > >

verstoring energievoorziening (olie, gas, elektriciteit); verstoring drinkwatervoorziening (kan effecten hebben voor de bluswatervoorziening); verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering; verstoring telecommunicatie en ICT; verstoring afvalverwerking; verstoring voedselvoorziening.

De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) maakt onderscheid tussen een groot aantal processen die vitaal zijn voor Nederland. Omdat deze processen op een of andere wijze in de fysieke omgeving kunnen voorkomen, bijvoorbeeld doordat zij in een bouwwerk gevestigd zijn, hebben zij vanuit brandveiligheidsperspectief gezien een koppeling met één van de andere thema’s. Het gaat dan vooral om de gebouwde omgeving, technologische omgeving en verkeer en vervoer. Daarmee wordt de bluswaterbehoefte vaak vanuit die fysieke component bepaald en moet daarvoor het betreffende hoofdstuk van deze Regionale Leidraad worden geraadpleegd. De continuïteit wordt allereerst door proactieve en preventieve maatregelen beheerst vanuit de sector zelf, maar ook vanuit de overheid. Het belang van de continuïteit kan een extra argument zijn om aanvullende beheersmaatregelen te treffen. Proactieve en preventieve maatregelen liggen het meest voor de hand, maar ook de bluswatervoorziening is te optimaliseren. Dit kan bijvoorbeeld door de bluswatervoorziening op een volgende stap in het cascademodel in te richten (boven maatgevend scenario), voor zover brand het vitale belang kan schaden en voor zover dit vitale belang op grote (bovenlokale) schaal kan uitvallen.

Ondanks dat dit niet vanuit wetgeving kan worden afgedwongen, is het ten zeerste aan te bevelen om boven het maatgevende scenario aan het bevoegd gezag te adviseren. Overigens zal het voor de brandweer niet altijd op voorhand duidelijk zijn dat een object een vitaal belang herbergt.

3.5 Verkeer en vervoer Dit hoofdstuk is ongewijzigd overgenomen uit de landelijke handreiking. Er zijn bij het thema verkeer en vervoer vijf soorten hoofdvervoer te onderscheiden: > > > > >

vervoer over de weg; vervoer over het water; vervoer over het spoor; vervoer door de lucht; vervoer door buisleidingen.

Voor bluswater bij tunnels geldt aparte wet- en regelgeving. Deze is onder andere opgenomen in het Bouwbesluit (2012). In de Omgevingswet (2023) zal straks deze eis zijn overgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (2022). Bij de bluswateradvisering met betrekking tot het thema verkeer en vervoer dient rekening gehouden te worden met de omgeving. Ter illustratie: de eisen aan een bluswaterinrichting voor het bestrijden van een spoorincident op een station in het centrum van een stad zijn anders dan bij eenzelfde spoorincident in een weiland.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

40

3.5.1 Vervoer over de weg Vervoer over de weg is een complex onderwerp. Er zijn wegen binnen een woonwijk, grotere doorgaande wegen binnen een stad of dorp, provinciale wegen, snelwegen, etc. Op al deze wegen kan een ongeluk gebeuren met een voertuig en/of kan er brand ontstaan. De ernst of het effect van een brand zijn afhankelijk van het soort voertuig en de lading. In de gebouwde omgeving wordt er bij een voertuigbrand van uitgegaan dat er voldoende bluswater is. Dit zal niet automatisch inhouden dat er bij elke verkeersader in een gemeente bluswater aanwezig dient te zijn, maar wel langs of bij wegen die langs/door risicolocaties, kwetsbare gebieden of gebieden die van belang zijn voor een gemeente/provincie lopen. Denk hierbij aan woonwijken, cruciale wegen voor de economie of een weg die langs een school loopt. Op dergelijke locaties is misschien zelfs extra bluswater nodig. Een weg in het gemeentelijk buitengebied zal niet altijd bluswater in de buurt hebben. Er is voor vervoer één cascademodel ontwikkeld dat zowel het ‘gewone vervoer’ over de weg bevat als het vervoer van gevaarlijke stoffen. In bijlage 5 zijn op basis van het HART (Handleiding Risicoanalyse Transport) de scenario’s voor ruimtelijke veiligheid uitgewerkt. Onderstaande scenario’s zijn richtlijnen voor incidenten op de weg.

De omgeving, de drukte op de weg en de vervoerde soorten stoffen maken dat een advies kan afwijken van de onderstaande getallen.

Interventiemoment

Autobrand

Cabine- of ladingbrand Vrachtwagen gevaarlijke stoffen/ voorkomen Bleve/ emissie sturen plasbrand

Uit

OFFENSIEF 500 l/min Tank

Uit

Uit

1.000 l/min Binnen 6 min gedurende 1 uur

DEFENSIEF 4.000 l/min Voorkomen Bleve: binnen 6 minuten Bij gevaarlijke stoffen: binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Figuur 3.10: Uitwerking cascademodel voor vervoer over de weg.

Voor het blussen van een autobrand van niet-elektrische voertuigen zal in eerste instantie binnen de regio geen aanvullend water nodig zijn. De brand zal worden bestreden met het water of schuim dat aanwezig is in de tank van de TS. Bij het blussen van een brand in een cabine of lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen) zal bij een inzet gebruik worden gemaakt van extern bluswater dat binnen 6 minuten beschikbaar moet zijn. Dit uitgangspunt is opgesteld aangezien ladingen divers kunnen zijn. Is er binnen deze tijd geen bluswater aanwezig, dan zal gekeken moeten worden naar een alternatieve manier om bluswater ter plaatse te krijgen. De laatste stap van dit cascademodel heeft vooral betrekking op incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betreft een mogelijke plasbrand, het voorkomen van een Bleve of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van een Bleve hebben het wegnemen van de brand en het koelen van de tank prioriteit. Voor het

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

41

wegnemen van de (plas)brand is meestal schuimvormend materiaal nodig. Voor het advies 6.000 l/min is de achtergrond te vinden in bijlage 5. Het maatgevende scenario is bij verkeer en vervoer niet één van de stappen in het cascademodel, maar is afhankelijk van het soort verkeer dat over de weg plaatsvindt. Het maatgevende scenario wordt hier, in tegenstelling tot bij andere thema’s, bepaald door het effect van een incident en niet door de kans dat een incident zal plaatsvinden. Uiteraard kan er naar aanleiding van de omgeving gekozen worden om minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit over deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag. De energietransitie heeft invloed op het hiervoor weergegeven cascademodel. Het is bekend dat branden van voertuigen met bijvoorbeeld lithium-accupakketten een ander brandverloop kennen en daarmee een andere bluscapaciteit vereisen. Het is nog niet duidelijk op welke wijze de energietransitie leidt tot andere incidentbestrijding op de weg en de behoefte aan het type bestrijdingsmiddel. Bij actualisatie van de Regionale Leidraad zal deze worden aangevuld. Nieuwe inzichten kunnen tussentijds regionaal toegepast worden.

3.5.2 Vervoer over het water Bij vervoer over water wordt ervan uitgegaan dat een schip, in geval van een incident, naar de wal komt, waar de bluswatervoorzieningen van de kade kunnen worden gebruikt. Voldoende bluswater op kades wil zeggen: 10 liter per minuut per m2. Indien een schip niet naar de wal kan komen, zal het incident op het schip zelf bestreden moeten worden. Dit valt niet onder het adviesbeleid bluswater en bereikbaarheid. De scenario’s die nodig zijn voor ruimtelijke veiligheid gebaseerd op het HART zijn te vinden in bijlage 5. Essentieel is dat er wordt gekeken naar de opstelplaatsen van brandweervoertuigen en de hoogteverschillen van water bij eb en vloed. Water moet door een brandweervoertuig ook bij de laagste waterstand nog omhooggehaald kunnen worden. Een opstelplaats moet voldoen aan het gestelde in het bereikbaarheidsgedeelte (hoofdstuk 4). In de winter worden plezierjachten vaak gestald en/of onderhouden in of nabij jachthavens. Voor de bestrijding van incidenten met dergelijke jachten kan gebruik worden gemaakt van open water, indien de afstand die overbrugd moet worden niet langer is dan 100 meter en er rekening wordt gehouden met het bovengenoemde hoogteverschil bij eb en vloed. Maatwerk is vaak nodig.

3.5.3 Vervoer over het spoor Het vervoer over het spoor is in te delen in personenvervoer per trein/metro, personenvervoer per tram en vervoer van goederen over het spoor. Deze onderverdeling is gebaseerd op de vuurlast van de soorten voertuigen en de bereikbaarheid van de voertuigen. Hier geldt wederom dat het bluswater dat wordt geadviseerd afhankelijk is van de omgeving. Bluswater is nodig voor het blussen van het vervoersmiddel en de eventuele lading. Het is goed denkbaar dat het bevoegd gezag, indien er geen kwetsbare objecten of andere belangrijke wegen of objecten in het effect gebied liggen, accepteert dat er daar beperkt kan worden ingezet. Emplacementen zijn behandeld bij de technologische omgeving (paragraaf 3.3.2) omdat ze worden gezien als inrichting.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

42

3.5.3.1 Personenvervoer per trein/metro Hierbij is in de wagons een relatieve hoge vuurlast en sprake van relatief grote ruimten die betrokken kunnen worden bij een brand. Interventiemoment

Kleine brand/ prullenbak

Coupé volledig in brand Meerdere coupés in brand en/of omgeving in brand

Uit

Uit

Uit

Figuur 3.11: Uitwerking

500 l/min Tank

2.000 l/min Binnen 6 min gedurende 1 uur

4.000 l/min binnen 15 min voor minimaal 4 uur

cascademodel voor personenvervoer per trein of metro.

Voor het blussen van een kleine brand of een brand in een prullenbak in de trein is geen aanvullend water nodig, ervan uitgaande dat de trein of metro op een plek staat waar de brandweer kan komen om de brand uit te maken. Bij de tweede stap van het cascademodel wordt ervan uitgegaan dat een bluswaterhoeveelheid nodig is van 2.000 l/min. Dit water is nodig om de twee naastgelegen treinstellen te koelen en de brand te bestrijden. Dit scenario wordt gezien als maatgevend scenario. De derde stap in het cascademodel betreft het in brand staan van de gehele trein (meerdere coupés) en/of de omgeving. Hiervoor is langdurig veel water nodig (minimaal 4 uur). Dit scenario is niet maatgevend en zit in de afwijking van de sturingsdriehoek.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

43

3.5.3.2 Personenvervoer per tram Bij een tram is er sprake van een vuurlast die lager is dan in een treinstel of metrostel en die tijdens gebruik snel ontdekt zal worden. De bestuurder zit immers in hetzelfde compartiment en heeft hier goed zicht op. Daarnaast rijdt een tram door dichtbevolkt gebied. Het maatgevende scenario is dan ook het gedeeltelijk in brand staan van een tramstel. Er mag van worden uitgegaan dat het bluswater dat in de gebouwde omgeving beschikbaar is, voldoet voor de brandbestrijding. Interventiemoment

Kleine brand/ prullenbak

Deel tramstel in brand Hele tram in brand en/of omgeving in brand

Uit

Uit

Uit

500 l/min Tank

1.000 l/min Binnen 6 min gedurende 1 uur

2.000 l/min binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Figuur 3.12: Uitwerking cascademodel voor personenvervoer per tram.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

44

3.5.3.3 Goederenvervoer per spoor Bij het goederenvervoer is er één cascademodel voor zowel gevaarlijke stoffen als niet-gevaarlijke stoffen, net zoals bij vervoer over de weg. De beschreven scenario’s gaan alleen over de brand van het goederenvervoer zelf; vanuit het omgevingsperspectief kan het noodzakelijk zijn de bluswaterbehoefte bij te stellen. Interventiemoment

Kleine brand/ prullenbak

Locomotief/ wagon zonder gevaarlijke stoffen Brand met gevaarlijke stoffen/Bleve/ gaswolk

Uit

Uit

Uit

500 l/min Tank

2.000 l/min Binnen 15 min gedurende 1 uur

6.000 l/min Binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Figuur 3.13: Uitwerking cascademodel voor vervoer per spoor.

Voor het blussen van een kleine brand zal in eerste instantie geen aanvullend water nodig zijn. De brand kan worden bestreden met het water of schuim dat aanwezig is in tank van de TS. Bij het blussen van een brand van een gehele locomotief of lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen) zal bij een inzet gebruik gemaakt moeten worden van extern bluswater dat binnen 15 minuten beschikbaar moet zijn. De laatste stap van het cascademodel gaat vooral om incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betreft een mogelijke plasbrand, het voorkomen van een Bleve of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van een Bleve is het handelingsperspectief in eerste instantie het wegnemen van de brand en het koelen van de tank. Voor het wegnemen van de (plas)brand is meestal een schuimvormend middel nodig. Voor een nadere uitwerking van de scenario’s en achtergrondinformatie zie bijlage 5. Het maatgevende scenario bij vervoer op het spoor is in dit geval niet één van de stappen in het cascademodel, maar afhankelijk van het soort vervoer over het spoor. Hier is het maatgevende scenario, net als bij vervoer over de weg, bepaald door het effect van een incident en niet door de kans dat een incident zal plaatsvinden. Uiteraard kan er gekozen worden om minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit van deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag.

In bijlage 5 zijn op basis van het HART de scenario’s voor ruimtelijke veiligheid nader uitgewerkt.

3.5.4 Vervoer door de lucht Vervoer door de lucht valt onder de richtlijnen van luchthavens. Hoewel een vliegtuig overal kan neerstorten, zijn luchthavens de risicolocaties. Hier zijn op basis van wetgeving specifieke voorzieningen aangelegd, zodat dit thema in deze Regionale Leidraad niet verder zal worden uitgewerkt. Voor de bouwwerken of de industrie op een luchthaventerrein staan de bepalingen voor bluswater en bereikbaarheid in de paragrafen over gebouwde omgeving (3.2) en technologische omgeving (3.3).

3.5.5 Vervoer door buisleidingen Buisleidingen maken deel uit van het thema Verkeer en Vervoer. Voor aardgastransportleidingen is een directe bronbestrijding door de brandweer niet wenselijk, dit vanwege de aanhoudende toevoer van aardgas uit het kapotte leidingdeel. Een brand zal zich manifesteren in de vorm van een fakkelbrand. De brandweer zal zich richten op de

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

45

secundaire branden die kunnen ontstaan. Bluswatervoorzieningen hebben alleen nut voor het afschermen van de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. Voor de bluswatervoorziening wordt teruggevallen op de voorziening die al voor de aanwezige bouwwerken en omgeving is gerealiseerd. Voor buisleidingen voor transport van andere gevaarlijke stoffen wordt voor de bluswatervoorziening verwezen naar de vereiste hoeveelheden water die bij het betreffende scenario onder het thema Technologische omgeving zijn beschreven. Hoofdzakelijk zal hierbij ook gelden dat de werkwijze identiek is aan de bovenbeschreven werkwijze bij aardgastransportleidingen. Bluswateradvies is hier afhankelijk van de omgeving en waar de leidingen liggen en is maatwerk.

3.6 Gezondheid Dit thema brengt geen bluswaterbehoefte met zich mee. De crisistypen Bedreiging volksgezondheid en Ziektegolf worden hier toch kort omschreven, omdat zij wel in verband staan met een andersoortige waterbehoefte.

3.6.1 Bedreiging volksgezondheid Bij het crisistype Bedreiging volksgezondheid gaat het over plotselinge gebeurtenissen, inzichten in of vermoedens over een directe bedreiging voor de gezondheid van een grote groep personen, echter (nog) zonder (veel) ziektegevallen. Het gaat hierbij namelijk om het dreigen van gezondheidseffecten, waaronder speciaal gezondheidseffecten op langere termijn.

3.6.2 Ziektegolf Het crisistype Ziektegolf betreft een (feitelijke) golf van gezondheidsklachten. Bij beide thema’s kan er behoefte zijn aan schoon (drink)water voor de ontsmetting van (grote) groepen mensen. Brandweer Nederland heeft hiervoor 6 grootschalige ontsmettingseenheden. De individuele veiligheidsregio’s beschikken daarnaast (al dan niet gezamenlijk) over basis-ontsmettingseenheden. Deze eenheden gebruiken 25 tot 50 liter water per minuut. Een brandkraan met een capaciteit van 500 l/min, dan wel 30 m³/uur, is dus ruimschoots voldoende om in deze waterbehoefte te voorzien. Wel is het van belang om bij de keuze van de locatie voor het opstellen van de eenheid, rekening te houden met de aanwezigheid van een brandkraan.

3.7 Sociaal-maatschappelijke omgeving Voor dit maatschappelijke thema is er enkel bij evenementen een bluswaterbehoefte. Deze behoefte is uitgewerkt in de bluswatermatrix. Overige aspecten zoals paniek in de menigten en verstoringen van de openbare orde vragen geen bluswater en worden daarom niet nader beschreven. Onder dit thema valt de bluswaterbehoefte op grote evenemententerreinen en in tijdelijke bouwsels zoals tenten en podia. Dit zijn dus geen evenementen die in een bouwwerk plaatsvinden, maar in de open lucht. De evenementen in bouwwerken worden beoordeeld conform het thema beschreven in ‘gebouwde omgeving’. Het kan dat het gebruik van een pand voor een evenement kan zorgen voor een bijstelling van de hoeveelheid bluswater naar boven. Voor evenemententerreinen ligt de focus op categorie B- en Cevenementen. Bij evenementen in een straat of wijk kan voor de bluswaterbehoefte gekeken worden naar het thema gebouwde omgeving. Hier wordt specifiek ingegaan op evenementen op de volgende terreinen: > > > > >

groot veld; natuurgebied; parkeerterrein; incidenteel gebruik van een grote ruimte in een stad of dorp; specifieke locaties.

3.7.1 Evenemententerrein Bij brand op een evenemententerrein wordt uitgegaan van een brand waarbij meerdere objecten in brand staan of potentieel worden bedreigd. Dit is aannemelijk, omdat er op evenemententerreinen vaak clusters van objecten zijn, zoals eetgelegenheden of verkoopkramen. Indien er bij een incident meerdere van deze objecten branden, wordt ervan uitgegaan dat de mensen op het terrein zich op een veilige afstand van deze brand bevinden, dan wel het terrein verlaten via de nooduitgangen. Het is daarom niet noodzakelijk om op korte afstand direct bluswater beschikbaar te hebben. De waterwinning mag daardoor langer duren, maar moet dan wel gelijk een hoeveelheid leveren die noodzakelijk is om een brand van meerdere objecten te kunnen bestrijden.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

46

Bij evenementen kunnen preventieve maatregelen worden genomen of andere blusmiddelen aanwezig zijn, zodat er minder behoefte is aan bluswater. Hierdoor is de bluswaterbehoefte naar beneden bij te stellen. Daarnaast kan de omgeving aanleiding zijn voor bijstelling van de bluswaterbehoefte. Bij de scenario’s wordt immers uitgegaan van een bluswaterbehoefte voor het blussen van de brand en niet om de omgeving te beschermen en/of om uitbreiding te voorkomen.

3.7.2 Tijdelijke bouwsels Bij tijdelijke bouwsels (tent, tribune of podium) wordt ervan uitgegaan dat deze vaak opzichzelfstaande objecten zijn met in de directe nabijheid objecten zoals een generator, opslag of eetkraam. Voor deze objecten is een beperkte hoeveelheid bluswater nodig. Voor het bepalen van het bluswater in het maatgevende scenario is niet de omgeving van de objecten van het evenement meegenomen. De omgeving kan zorgen voor een bijstelling van de hoeveelheid bluswater naar boven of naar beneden. Het maatgevende scenario hier is bijvoorbeeld een brandende patatkraam, inclusief de bijbehorende gasflessen (object in brand). Bij dit scenario is het van belang om snel te kunnen beschikken over water, zodat eventuele gasflessen of andere energievoorzieningen kunnen worden gekoeld of afgeschermd.

3.7.3 Energietransitie bij evenementen en tijdelijke bouwsels De energietransitie die tijdens het schrijven van deze Regionale Leidraad plaatsvindt, beïnvloedt de energievoorziening op de evenemententerreinen. Zo worden er generatoren geplaatst die kunnen bestaan uit grote hoeveelheden batterijen, al dan niet met zonnepanelen of ander voorzieningen om stroom op te wekken. In de behoeftestelling van het bluswater is met deze ontwikkelingen nog geen rekening gehouden. Hierom is het essentieel dat deze Regionale Leidraad regelmatig wordt geactualiseerd.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

47

4 BEREIKBAARHEID In dit gedeelte van de Regionale Leidraad wordt beschreven welke voorwaarden gesteld (moeten) worden aan wegen om de bereikbaarheid zo veel mogelijk te garanderen. Hier wordt - in aansluiting op de terminologie van het programma Duurzaam Veilig (SWOV, 1992) en het vervolgprogramma Door met Duurzaam Veilig (SWOV, 2005) - bereikbaarheid als volgt gedefinieerd: “De mate waarin een bepaald doel snel en zonder hinder te bereiken is” (de terminologie Bereikbaarheid wordt in de SWOV 2019 niet meer genoemd). Naast het programma Duurzaam Veilig kennen we ook CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek en de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek). CROW is eveneens algemeen in gebruik bij gemeenten. In deze Regionale Leidraad sluiten we aan bij de terminologie van de Landelijke Handreiking. De brandweer is hierin adviserend aan het bevoegd gezag. Gemeenten, provincie en rijk zijn en blijven verantwoordelijk. Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en personeel cruciaal. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde doorgang bieden. Deze Regionale Leidraad beschrijft welke eisen worden gesteld aan een goede bereikbaarheid. Deze eisen vormen condities om de bereikbaarheid voor hulpdiensten zo veel mogelijk te vergroten en zijn hiermee een zwaarwegend advies.

Zij staan niet gelijk aan wet -en regelgeving, hoewel zij wel zijn opgesteld binnen de kaders daarvan. De eisen, weergegeven in afbeelding 4.1, worden van ‘grof naar fijn’ behandeld: > > > > > >

paragraaf 4.1: de gestelde eisen betreffende de weg van de uitrukpost tot de incidentlocatie (de gehele route) in relatie tot het hulpdienstvoertuig; paragraaf 4.2: de bereikbaarheid en inrichting van de verkeersaders; paragraaf 4.3: de bereikbaarheid en inrichting van het verblijfsgebied; paragraaf 4.4: de bereikbaarheid van een incidentlocatie (ofwel een specifiek adres); paragraaf 4.5: de bereikbaarheid op eigen terrein; paragraaf 4.6: overige (speciale situaties).

Figuur 4.1 Schematische weergave van de voorwaarden.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

48

Onderstaande figuur (4.2.) geeft het verschil in soorten wegen weer, waarbij van boven naar beneden gezien de stroomfunctie steeds kleiner wordt en de verkeersbewegingen in meerdere richtingen steeds groter worden.

Figuur 4.2: Schematische weergave van verschillende soorten wegen.

4.1 Voorwaarden aan de weg in relatie tot de hulpdienstvoertuigen Eerste voorwaarde: een weg is alleen door hulpdienstvoertuigen te gebruiken wanneer deze recht doet aan de specifieke kenmerken van die hulpdienstvoertuigen. Een incidentlocatie is bereikbaar als deze aan twee zaken voldoet: >

>

Er is een beschikbare route vanaf een uitrukpost tot een bij de incidentlocatie gelegen opstelplaats (een bepaalde opstelplaats of een opstelplaats samenvallend met de openbare weg). Voor uitrukposten geldt dat deze altijd ontsloten dienen te zijn door een gebiedsontsluitingsweg. De normtijden9 zoals gesteld in het Besluit veiligheidsregio’s of bestuurlijk vastgesteld voor een basis brandweereenheid worden gehaald.

Hulpdienstvoertuigen kennen specifieke afmetingen, waardoor wegen aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. We kennen brandweer- politie - en ambulancevoertuigen. In dit stuk is het brandweervoertuig maatgevend, omdat dit onder de hulpdienstvoertuigen het grootst en het zwaarst is. De geformuleerde voorwaarden aan de wegen zijn voor de hulpdienstvoertuigen het minimum. Om te kunnen spreken van een goede bereikbaarheid, worden in de meeste gevallen aanvullende eisen gesteld. Lokaal kan er maatwerk plaatsvinden als er bijvoorbeeld, passend op het regionaal risicoprofiel, met specifieke voertuigen (bijvoorbeeld waterwagens en schuimblusvoertuigen) wordt gewerkt. Aan de volgende aspecten moeten voorwaarden worden gesteld (zie ook afbeelding 4.3): > >

De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan variëren per wegkenmerk, maar dient minimaal voor 3,25 meter te worden verhard en een vrije ruimte met een breedte van 3,5 meter. Hierna genoemd 3,5 meter rijbaanbreedte. De doorgangshoogte moet minimaal 4,20 meter zijn.

9

Indien de wet aangaande de normtijden komt te veranderen, dient uitgegaan te worden van de meest recente versie van de wet. Een wijziging kan eventueel vragen om een maatwerkoplossing. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

49

> > >

Er dient rekening gehouden te worden met de draaicirkel10 van de voertuigen en de hiermee gepaarde rijcurve en sleeplijn. Als richtlijn voor verharding geldt een totaal gewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. Voor het dimensioneren van wegverhardingen wordt niet meer gebruik gemaakt van verkeersklassen. Bij bruggen en viaducten worden wel verkeersklassen gebruikt, in combinatie met de cijfers 30, 45, 60 (of 300, 450, 600).

>

>

Verkeersklasse

Aslast (kN)

30 (of 300)

100

45 (of 450)

150

60 (of 600)

200

Voor bruggen en viaducten is, voor gebruik door hulpdienstvoertuigen, minimaal verkeersklasse 45 van toepassing.

Figuur 4.3: Specifieke kenmerken van hulpdienstvoertuigen.

Regionaal kunnen voertuigen een kleinere bochtstraal hebben dan hierboven genoemd. Bij aanbestedingen van nieuwe voertuigen wordt echter de (Europees) genormeerde bochtstraal aangehouden waardoor nieuwe aanbestede voertuigen een andere bochtstraal kunnen krijgen dan huidige voertuigen. Derhalve is het advies de hierboven genoemde bochtstraal aan te houden.

10

Een bochtstraal moet berijdbaar zijn voor de hulpdienstvoertuigen (bijvoorbeeld door het intekenen van rijcurves of sleeplijnen). Hierbij zijn sleeplijnen gebaseerd op snelheid en bochtstralen de minimale eisen om een bocht te kunnen nemen. Rijcurves dienen locatieafhankelijk getest en bepaald te worden op basis van de mogelijk in te zetten hulpdienstvoertuigen. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

50

4.2 Bereikbaarheid via verkeersaders Tweede voorwaarde: verkeersaders bieden aan de hulpdienstvoertuigen een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Verkeersaders worden onderverdeeld in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen.

Figuur 4.4: Categorisering van wegen: stroomwegen en gebieds-ontsluitingswegen.

Stroomwegen hebben een primaire verkeersfunctie, waarbij de doorstroming centraal staat. Zij zijn daarom niet toegankelijk voor langzaam verkeer en landbouwverkeer. Stroomwegen kennen in de Duurzaam Veilig-visie geen gelijkvloerse kruisingen en er is een fysieke scheiding, bijvoorbeeld in de vorm van een middenberm. In de praktijk betreft het hier veelal de zogenoemde A-wegen (snelwegen) en N-wegen (veelal provinciale wegen en autowegen). De meest intensief gebruikte fysieke infrastructuur is de auto(snel)weg. Lokale stroomwegen zullen in de meeste gevallen onder de eerder genoemde eisen vallen en zodoende voldoende bereikbaar zijn. Auto(snel)wegen hebben echter gescheiden rijbanen en zijn maar vanaf enkele toe- en afritten bereikbaar, die soms ver uit elkaar liggen. Voldoende toegang tot de wegvlakken van auto(snel)wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld: > > >

calamiteitendoorsteken; calamiteitentoegangen; deuren in geluidschermen.

Voldoende doorgang op de auto(snel)wegen is te realiseren door bijvoorbeeld: > > > > >

gebruik calamiteitendoorsteek (CADO); gebruik vrije vluchtstrook; halfverharding; het middendoor rijden door hulpdiensten; incident management afstemming.

Gebiedsontsluitingswegen zijn wegen die zowel doorstroming als uitwisseling tot doel hebben. Zij zorgen ervoor dat bijvoorbeeld woonwijken, bedrijfsterreinen en winkelcentra bereikbaar blijven. Ook zorgen ze voor het verdelen en verzamelen van verkeer. In de praktijk gaat het hier veelal om doorgaande wegen tussen dorpskernen en hoofdroutes in en rondom stadskernen, dorpskernen, wijken en buurten.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

51

4.2.1 Snelheid op verkeeraders Op de verkeersaders (stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen) is de snelheid van hulpverleningsdiensten meestal vergelijkbaar en soms zelfs hoger dan de snelheid van het overige verkeer. Volgens de brancherichtlijn Optische en Geluidsignalering 2017 (IFV, 2017) is het aan brandweerchauffeurs op grotere voertuigen (> 5.000 kg TMM) toegestaan om tot 20 km/uur harder te rijden dan de toegestane snelheid. Met kleinere voertuigen (≤ 5.000 kg TMM) mag sinds 2017 ook door brandweerchauffeurs tot 40 km/uur harder gereden worden dan de geldende maximumsnelheid. Dit is gelijk aan hoe het voor bijvoorbeeld politie, ambulance en defensie al geregeld was. De ervaring leert dat het overige verkeer snelheid terugneemt om plaats te maken voor hulpdienstvoertuigen. Dit houdt in dat er voor de hulpverleningsdiensten de ruimte moet zijn om het verkeer op dezelfde baan te kunnen passeren en het eventueel tegemoetkomende verkeer te kunnen ontwijken.

4.2.2 Doorgang op verkeersaders Op verkeersaders met tweerichtingsverkeer dient voldoende ruimte te zijn om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale verharde breedte van 8 meter nodig is. Voertuigen in beide richtingen dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig in het midden ruimte te geven, zie onderstaande afbeeldingen.

Figuur 4.5a: Minimale verharde breedte van een verkeersader met tweerichtingsverkeer.

Figuur 4.5b: Minimale verharde breedte van een verkeersader met tweerichtingsverkeer.

INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

52

Op verkeersaders met eenrichtingsverkeer (ook wegen met gescheiden rijbanen) moet voldoende ruimte zijn voor hulpdienstvoertuigen. Dit vraagt een minimale verharde breedte van 5,50 meter. Verkeersdeelnemers dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig passeerruimte te geven; zie afbeelding 4.6.

Figuur 4.6: Minimale verharde breedte van een verkeersader met eenrichtingsverkeer.

Verkeeraders zijn altijd bruikbaar – of er wordt naar ten minste een alternatief gezocht. Gebeurt dit niet, dan kan een deel van verzorgingsgebied niet worden bereikt. Een onbelemmerde doorgang kan overigens worden bevorderd door verkeersmanagement, bijvoorbeeld door het toepassen van verkeerslichtbeïnvloeding of het aangeven van gewenst gedrag middels borden. Belemmeringen op verkeersaders Wegwerkzaamheden, snelheidsremmende of verkeerswerende elementen en afsluitingen vormen een belemmering op de weg. Wegwerkzaamheden kunnen een reden zijn voor het zoeken naar een alternatief. Vormen van alternatieven kunnen zijn: > > >

wegomleidingen; parallelbaan; route door het werkvak.

Snelheidsremmende en verkeerswerende elementen zijn in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang. Deze worden in overleg geplaatst om te voorkomen dat de opkomsttijd onevenredig lang wordt. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het totaal aantal snelheidsremmende en verkeerswerende elementen op de gehele route beperkt moet blijven. Tevens dienen er goede zichtlijnen voor de bestuurder te zijn nabij kruisingen om snel en veilig het kruispunt te kunnen oversteken. Het Handboek wegontwerp 2013 biedt verschillende alternatieven om een onbelemmerde doorgang voor de hulpdiensten te bevorderen. 4.2.2.1 Hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel In veel gemeenten zal de vastgestelde categorisering (Duurzaam Veilig) niet voldoen aan bovenstaande eisen. Een optie is om in dergelijke gevallen een gemeentelijk convenant voor ‘hulpverleningsroutes’ (zie Handboek wegontwerp 2013) vast te stellen en daaraan inrichtingseisen te verbinden. Dergelijke hulpverleningsroutes zijn vaak de grotere wegen binnen een verblijfsgebied waarvoor een 30 km/uur regime geldt. In een dergelijk document kunnen afspraken worden gemaakt over hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting de uitrukpost.

>

Hoofdrijroutes

Met een gemeente zijn zogenoemde hoofdrijroutes te bepalen. Dit zijn de belangrijkste verbindingswegen in een stad of gebied. De hulpdiensten maken hier over het algemeen altijd gebruik van voordat zij het omliggende fijnmaziger wegennet opgaan om een specifieke incidentlocatie te bereiken. Door het maken van deze afspraken is het voor de gemeente helder op welke locatie de hulpdiensten strenger zullen adviseren bij werkzaamheden en kan bijvoorbeeld vooraf al meer aandacht besteed worden aan planning, doorrijdmogelijkheden of het zoeken naar een acceptabele alternatieve route.

>

Calamiteitenroutes

Naast de hoofdrijroutes zijn, met een gemeente, ook calamiteitenroutes aan te wijzen. Deze routes vormen een robuust basisnetwerk voor een minimale bereikbaarheid. Ze lopen bij voorkeur over brede wegen voor de aan- en afvoer van groot materieel, evacuatie en het inrichten van gewondennesten. Voorbeelden zijn routes van en naar een brandweer- of INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022

53

ambulancepost, ziekenhuis of politiebureau, of routes tussen ziekenhuizen. Het gezamenlijk vaststellen van deze routes zorgt dat er, zeker bij werkzaamheden en evenementen, zorgvuldig wordt gekeken naar de risico’s die het blokkeren van een calamiteitenroute met zich mee brengt.

>

Aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting de uitrukpost

Vrijwillig brandweerpersoneel komt na alarmering in de regel vanuit hun werk- of huisadres richting uitrukpost. Het is onmogelijk om voor alle medewerkers een route te faciliteren die aan de hoogste eisen voldoet. Wanneer de brandweer advies geeft over bereikbaarheid bij werkzaamheden en evenementen kan ook gewezen worden op eventuele verstoringen in de routes die vrijwilligers nemen om de kazerne (snel) te bereiken. Omrijden kan de uitruktijd - en daarmee de opkomsttijd - van een vrijwillige eenheid verhogen en in het uiterste geval zelfs de paraatheid verminderen.

1.2.2.2 Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden in de verkeersaders, gebiedsontsluitingswegen en vastgestelde hoofd- en calamiteitenroutes mogen enkel worden toegepast als zij regionaal zijn afgestemd en uniform vormgegeven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan uniforme sleutels, digitale toegangssystemen en dergelijke.

4.3 Bereikbaarheid in verblijfsgebieden Derde voorwaarde: verblijfsgebieden kennen een zodanige samenhang dat een willekeurig adres in een verblijfsgebied binnen een gestelde tijd bereikbaar is.

4.3.1 Snelheidsremmende verkeersmaatregelen Binnen verblijfsgebieden is sprake van erftoegangswegen die bedoeld zijn voor het veilig toegankelijk maken van percelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=fa7dd21e-ab71-474f-9cd5-496c7944146a