Bijlage 2 Interregionale Adviesleidraad 6 regio's
Tekst van het document
In aanvulling op de SIKB-richtlijn, geeft dit document specifieke voorwaarden. De toepassing van brandputten is afhankelijk van het per regio beschikbare materieel. Op de volgende pagina’s worden hiervoor algemene voorwaarden gegeven voor alle uitvoeringen van geboorde putten en daarnaast specifieke voorwaarden per uitvoering.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
76
B 3.4 Algemene voorwaarden geboorde put (alle uitvoeringen)
1.
De kosten van een geboorde put (complete voorziening, inclusief eventuele nutsaansluiting en onderhoud) zijn voor rekening van de eigenaar. Brandweer/veiligheidsregio dragen niet bij aan de kosten hiervan.
2.
De vereiste capaciteit en uitvoering van de geboorde put dient te worden afgestemd met de brandweer. De capaciteit kan variëren van 60 m3/uur tot 120 m3 per uur.
3.
De locatie van de geboorde put dient in overleg met bevoegd gezag en brandweer bepaald te worden.
4.
Voor aanvang werkzaamheden wordt de technische uitvoering van de geboorde put ter goedkeuring voorgelegd aan de brandweer.
5.
Voor het boren van een put als bluswatervoorziening is een melding bij het waterschap noodzakelijk. Soms is ook een vergunning nodig. Hiervoor wordt contact opgenomen met het waterschap. Indien de put geboord gaat worden in een grondwaterbeschermingsgebied, kunnen mogelijk ook speciale provinciale regels gelden.
6.
Indien kans bestaat op aanrijdgevaar, dient aanrijbeveiliging rondom de geboorde put te worden aangebracht. Aanrijbeveiliging kan op verschillende wijzen worden gerealiseerd (paaltjes, metalen hekwerk, varkensruggen, etc.) De omgeving waarin de geboorde put wordt aangebracht kan bepalend zijn voor de uitvoering van de aanrijbeveiliging.
7.
Indien de geboorde put niet direct zichtbaar is, wordt een zogenoemde aanwijsplaat of markering op de weg aangebracht waaruit de juiste plaats van de put kan worden afgeleid.
8.
Alle te gebruiken materialen die in contact komen met water en buitenlucht zijn corrosiebestendig uitgevoerd.
9.
Van elke geboorde put worden bij oplevering de volgende gegevens overlegd:
-
een boorstaat; een beproevingsgrafiek; standaardcapaciteit bij afpomping van 2 meter en maximale capaciteit bij afpomping van 6,5 meter beneden het maaiveld; x-, y-coördinaten van de locatie van de geboorde put; foto’s van de afwerking.
10. Conform Bouwbesluit artikel 1.16 wordt de geboorde put adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd. De frequentie van onderhoud en controle past bij het soort bodem waarin de put geboord is. Het bedrijf dat de put aanlegt kan hier advies over geven. Het onderhoud wordt vastgelegd in een onderhoudsovereenkomst. Onderhoud en controle bevatten minimaal de volgende punten: -
Controle van locatie, bereikbaarheid en zichtbaarheid van de geboorde put en bijbehorende opstelplaats. Beproeving van de put op waterlevering. Van de meting wordt een testrapport opgesteld.
Na controle en onderhoud worden de bevindingen (inclusief testrapport waterlevering) overlegd met de brandweer. Indien er gebreken zijn geconstateerd, dan wel de waterlevering lager is dan waar de put voor ontworpen is, wordt een herstelplan overlegd. 11. Nabij een geboorde put is een opstelplaats voor een brandweervoertuig aanwezig. Voor een TS of klein watertransportsysteem kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (deze kan en zal vaak samenvallen met openbare weg): • • • • •
een minimale breedte van 4,5 meter; een minimale lengte van 10 meter; een vrije doorgangshoogte van 4,2 meter; bestand tegen een aslast van 11,5 ton; bestand tegen het maatgevende totaal gewicht van de voertuigen, dit is minimaal 15 ton.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
77
Opstelplaats brandweervoertuig (tankautospuit of klein watertransportsysteem).
B 3.5 Gesloten geboorde put met interne bronpomp, vaste bovengrondse aansluiting
1.
Bij een uitvoering zoals hieronder weergegeven, wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Awatervoorziening. Afhankelijk van de capaciteit kan deze, gebiedsgericht, ook als B- of C-watervoorziening worden gezien.
2.
De bronpomp is dusdanig ontworpen dat rekening is gehouden met het langdurig niet in gebruik zijn (met uitzondering van periodiek testen) en toch direct gebruik gereed zijn zonder enige controle vooraf.
3.
De bronpomp geeft op maaiveldniveau een minimale druk van 1,5 bar en een maximale druk van 4 bar.
4.
De bron heeft een overdrukventiel zodat er, op het moment dat er geen water wordt afgenomen, toch voldoende koeling van de pomp plaatsvindt. De overstort wordt bij voorkeur niet teruggevoerd in de bron, maar gewoon direct over het aansluitende maaiveld.
5.
De primaire energie moet worden geleverd middels openbare elektriciteit. Indien de geboorde put specifiek op eigen terrein voor een bouwwerk is bedoeld, wordt deze aangesloten op een stroomaansluiting. Deze aansluiting kan afzonderlijk van het bouwwerk blijven functioneren. Eventuele schakelaars waarmee de primaire energie kan worden onderbroken, zijn voorzien van de tekst “NIET UITSCHAKELEN BRANDPOMP”.
6.
De bedieningskast bevindt zich direct naast de locatie van de geboorde put.
7.
De bedieningskast moet voorzien zijn van een standaardslot welke te openen is met een driehoeksleutel:
Aanzichten standaardslot (afmetingen in mm).
8.
De onderwaterpomp wordt bediend met een werkschakelaar. Het moet in één oogopslag duidelijk zijn welke schakelaar gebruikt moet worden en op welke wijze de schakelaar te bedienen is.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
78
9.
De geboorde put moet boven het maaiveld zijn afgewerkt met een haakse bocht met 2 x storzkoppeling 65 met nokafstand 81 mm (inclusief blinddeksels). De bocht dient ten minste 25 cm boven het maaiveld uit te steken.
10. Als uitzondering kan er in specifieke gevallen voor gekozen worden de geboorde put aan te sluiten op een bovengrondse brandkraan. De bovengrondse brandkraan dient hierbij voorzien te zijn van 2 aansluitingen met storzkoppeling 65 met nokafstand 81 mm (inclusief blinddeksels). 11. De afstand van de geboorde put met interne bronpomp tot een opstelplaats voor een brandweervoertuig bedraagt maximaal 35 meter (uitgaande van een maximale opbouwtijd van 3 minuten, 2 slanglengtes dubbel afleggen).
Voorbeeld geboorde put met interne bronpomp.
B 3.6 Gesloten geboorde put zonder bronpomp met vaste bovengrondse aansluiting of inhanger, grondwaterstand niet lager dan 7 meter
1.
Bij een uitvoering zoals hieronder weergegeven, wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Bwatervoorziening. Afhankelijk van de capaciteit kan deze, gebiedsgericht, ook als C-watervoorziening worden gezien.
2.
Is de geboorde put aangelegd op een afstand van meer dan 5 meter van de verharde weg (asbelasting minimaal 10 ton), dan dient een verharding (breedte 3,50 meter, asbelasting 10 ton) te worden aangelegd zodat de put tot minimaal 5 meter is te benaderen met een TS.
3.
Voor de afwerking van de geboorde put zijn er 2 keuzemogelijkheden: o
Afwerking met een bovengrondse aansluiting met een vast gemonteerde bocht van 90 graden boven het maaiveld. De richting van de haakse bocht wordt in overleg met de brandweer bepaald en is afhankelijk van de opstelplaats van het brandweervoertuig. Bij voorkeur houdt een TSchauffeur/pompbediener zicht op het object waar de calamiteit plaatsvindt.
o
Afwerking onder het maaiveld met een flexibele inhanger: ▪ Aan het eind van de inhanger is een vaste bocht van 90 graden gemonteerd. ▪ De inhanger is voorzien van uitschuifbare grepen. De uitschuifbare grepen worden zo uitgevoerd dat deze in uitgeschoven toestand en na optillen van de inhanger kunnen steunen op de putrand. De bocht steekt hierbij minimaal 25 cm boven het maaiveld. ▪ De bocht is in willekeurige richting te draaien. ▪ De betonnen putrand waarin de bron is aangebracht, moet zijn voorzien van een putdeksel met het opschrift “BRANDPUT”. ▪ Wordt de put wordt gesitueerd in de rijbaan, dan is het putdeksel geschikt voor ‘zwaar’ verkeer.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
79
4.
De 90 graden bocht moet worden voorzien worden van een storzkoppeling met blinddeksel. De storzkoppeling is uitgevoerd met een nokafstand van 133 mm (armatuur Q van de NEN3374). De storzkoppeling moet geborgd tegen losdraaien op de bocht te zijn gemonteerd.
Voorbeeld geboorde put met vaste bovengrondse aansluiting.
Voorbeeld geboorde put met flexibele inhanger.
B 3.7 Open geboorde put zonder vaste aansluiting bij een grondwaterstand lager dan 7 meter 1.
Bij een uitvoering zoals hieronder weergegeven, kan alleen worden voldaan aan de voorwaarden voor een Cwatervoorziening.
2.
De bron dient tot een diepte van tenminste 25 meter een binnendiameter van 400 mm te bezitten zodat deze geschikt is voor gebruik met mini dompelpompsysteem. Derhalve is deze put alleen toepasbaar in regio’s welke beschikking hebben over mini dompelpompsystemen.
3.
De betonnen putrand waarin de bron is aangebracht moet zijn voorzien van een putdeksel met het opschrift “BRANDPUT”. Indien de put wordt gesitueerd in de rijbaan dient het putdeksel geschikt te zijn voor ‘zwaar’ verkeer.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
80
4.
Indien de geboorde put is aangelegd op een afstand van meer dan 2 meter van de verharde weg (asbelasting minimaal 10 ton), dient een verharding (breedte 3,50 meter, asbelasting 10 ton) te worden aangelegd zodat de put tot minimaal 2 meter is te benaderen is met een brandweervoertuig.
Detailtekening open geboorde put, geschikt voor mini dompelpomp.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
81
BIJLAGE 4 MAATEENHEDEN EN VUISTREGELS BLUSWATERVOORZIENING (zie ook paragraaf 3.2.3.3) Definities soorten bluswater De termen primair, secundair en tertiair water worden door de brandweer en door de waterleidingmaatschappijen verschillend (omgekeerd) gebruikt. Voor de brandweer betekent primair water: snel beschikbaar, meestal middels een ondergrondse brandkraan. Secundair water betekent voor de brandweer: bluswater onafhankelijk van het primaire watersysteem. Tertiair betekent meestal open water met een oneindige levering. Voor drinkwaterbedrijven zijn de primaire leidingen de hoofdtransportleidingen, de secundaire de hierop aangesloten verdeelleidingen en de tertiaire leidingen zijn de (kleine) huisaansluitingen. In deze Regionale Leidraad is ervoor gekozen de begrippen primair, secundair en tertiair te herdefiniëren. In deze herdefiniëring is de behoefte aan bluswater gekoppeld aan tijdstippen vanaf de eerste inzet van de brandweer. Met de genoemde tijden worden de tijden bedoeld waarbinnen de brandweer de betreffende bluswatervoorziening moet kunnen opbouwen. In deze leidraad wordt uitgegaan van kubieke meter per uur (m 3/uur). Dit is eenvoudig om te rekenen naar liter per minuut (l/min). In tabel B3.1 is dit voor de meest gangbare debieten gedaan.
Tabel 2 geeft een indicatie van de waterlevering van brandkranen zoals deze geplaatst worden op verschillende leidingdiameters. De opbrengst is mede afhankelijk van de druk in het leidingnet. m3/uur 7,5 15 30 60 90 120 150 180 210 240 270
l/min 125 250 500 1.000 1.500 2.000 2.500 3.000 3.500 4.000 4.500
Tabel B 3.1: Van kubieke meter per uur naar liter per minuut.
Het aansluiten op een ondergrondse brandkraan die 40 meter verwijderd is, kan binnen 3 minuten; 100 meter verwijderd binnen 6 minuten en 200 meter verwijderd binnen 15 minuten Voor het afleggen van de slangen van de TS naar de brandkraan is een tijdseenheid genomen. In onderstaande tabel zijn globale tijden voor de standaardtoepassingen opgenomen. Indien er gewerkt gaat worden met bijvoorbeeld tankwagens of andere watervoorzieningen, zijn deze tijden niet van toepassing en dienen er andere afstanden aangehouden te worden. De tijden waarin het bluswater beschikbaar moet zijn, blijven hetzelfde. Er wordt hier uitgegaan van dubbele aflegging. 3 minuten 6 minuten 15 minuten
40 meter 100 meter 200 meter
Tabel B 3.2: Globale tijden voor de standaardtoepassingen.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
82
Vuistregel18 leidingdiameter versus debiet versus toepasbaarheid (het drinkwaterbedrijf kan het daadwerkelijk te verwachten debiet berekenen)
Leidingdiameter
max. m3/uur
max. l/min
Toepasbaarheid
< 63 mm
30 m3/uur
500 l/min
Niet wenselijk
75 mm
45 m3/uur
750 l/min
Bij uitzondering
110 mm
60 m3/uur
1.000 l/min
Goed toepasbaar
> 150 mm
90 m3/uur
1.500 l/min
Goed toepasbaar (vanaf 150 mm is het debiet van de standpijp/opzetstuk de beperkende factor)
18 Betreft vuistregel, de opgegeven waarden geven slechts een globale indruk en zijn gebaseerd op een theoretische
formule: leidingdiameter * 10 => liters/min.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
83
BIJLAGE 5 SCENARIO’S VERKEER EN VERVOER Deze bijlage is ongewijzigd overgenomen vanuit de Landelijke Handreiking In hoofdstuk 3.5 wordt gesproken over de hoeveelheden bluswater die geadviseerd worden in relatie tot verkeer en vervoer. In deze bijlage zijn scenario’s met gevaarlijke stoffen uitgewerkt op basis van de uitgangspunten uit de Handleiding risicoanalyse transport (HART), zoals voorbeeldstoffen, plasgrootte, het gat van de diameter en tankinhoud. De scenario’s zijn onderverdeeld in de categorieën zoals die in hoofdstuk 3.5.1 en 3.5.3 zijn behandeld. Om de methodiek van het cascademodel te volgen, is er een scenario toegevoegd dat niet in de HART beschreven staat. De scenario’s zijn onderverdeeld in de categorieën brandbare vloeistof, brandbaar gas, toxische vloeistof en toxisch gas. De scenario’s voor het vervoer over het water met gevaarlijke stoffen zijn niet verder uitgewerkt, omdat het blussen op het water van een brandbare vloeistof of een gas niet maatgevend is voor de brandweer en niet kan worden bestreden. Langs drukke vaarwegen is het mogelijk preventieve maatregelen te nemen ten opzichte van de kade of specifieke afspraken te maken waardoor de brandweer wel mogelijkheden heeft om op te treden. Bij de berekeningen voor de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) is uitgegaan van een bijmengpercentage van 3%.
Indien er een ander soort schuim aanwezig is of een ander schuim wordt aangeschaft, moet gekeken worden of de berekeningen nog correct zijn.
B 5.1 Scenario’s wegvervoer B 5.1.1 Brandbare vloeistof Bij een incident met een tankwagen die een brandbare vloeistof bevat (voorbeeldstoffen: heptaan of pentaan), ontstaat het volgende cascademodel: 1. 2. 3.
Druppellekkage 20m2. Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m 2 waarbij een ontsteking (kan) plaatsvinden. Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2 waarbij een ontsteking (kan) plaatsvinden.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
84
Druppellekkage tot 20 m2
Interventiemoment
Plasbrand tot 300 m2 door vrijkomen van een deel van de inhoud Plasbrand tot 1.700 m2 door vrijkomen gehele inhoud (23 ton)
Uit/afgedekt
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit/afgedekt
Uit/afgedekt
DEFENSIEF 3.000 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur
Voor inzet op secundaire branden, bluswater bepalen op locatie
Figuur B 5.1: Uitwerking cascademodel voor brandbare vloeistof (weg).
Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Hierbij is waarschijnlijk geen bluswater nodig. Bij een plasbrand van 300 m2 wordt bij een blussing uitgegaan van het gebruik van schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/m2 min in 15 minuten, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten om bij te suppleren. Er is 2.100 l/min water nodig, evenals 1.417,5 liter SVM. Er wordt rekening gehouden met waterverlies, omdat niet alles terecht komt op de plas (bijvoorbeeld door lekkages). Daarom wordt er hier uitgegaan van 60% effectieve opbreng. In het totaal is dan een waterlevering van 3.000 l/min noodzakelijk. Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van de NFPA norm 11, met een schuimopbrengst van 7 l/min/m2. De plas is 300 m2. 300*7=2.100 l/min aan water dat nodig is voor een plas van 300 m2. Er wordt in de berekening uitgegaan van een blustijd van 15 minuten met een bijmengingspercentage van 3%. Indien het schuim een ander bijmengingspercentage heeft, dient de berekening opnieuw te worden gemaakt. Daarnaast zit er een reservefactor in die nodig is om de marge in te bouwen; niet alles komt op de plas terecht. De gebruikte marge bij het schuim is 1.5. 15 min.*2.100 l/min.*3%*1.5= 1.417,5 liter SVM
Bij een dergelijk incident dient bij blussen rekening gehouden te worden met de herkomst van het water: het is mogelijk dat open water is vervuild met het brandbare product en daarom niet bruikbaar is voor het blussen. Bij de derde cascadestap is uitgegaan van het instantaan falen van een tank, waarbij de gehele tankinhoud vrijkomt (uitgaande van een tankwagen met een inhoud van 23 ton vloeistof), hetgeen een oppervlakte oplevert van 1.700 m2. Deze plas zal snel verdampt en opgebrand zijn, omdat hij over een groot oppervlak verspreid is en een zeer dunne laag INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
85
vormt. De brand is met schuim niet af te dekken en zal naar alle waarschijnlijkheid andere branden veroorzaken. De omgeving is bepalend voor de hoeveelheid bluswater en de (preventieve) voorzieningen die nodig zijn.
B 5.1.2 Brandbaar gas Bij een incident met een tankwagen met een brandbaar gas (voorbeeldstoffen: ethyleenoxide, n-butaan of propaan) bestaan de volgende scenario’s: 1. 2.
3.
Het afblazen van het veiligheidsventiel. Een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 50 mm a. directe ontsteking: fakkel b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand. Het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 m3) a. directe ontsteking: koude Bleve b. indirecte ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand.
Interventiemoment
Afblazen van veiligheidsventiel
Fakkelbrand door continue uitstroom uit een gat Ø 50mm Koude Bleve door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50M3
Uit
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit
DEFENSIEF 1.120 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur
Bleve vindt direct plaats en hiervoor kan geen direct bluswater worden geadviseerd
Figuur B 5.2: Uitwerking cascademodel voor brandbaar gas (weg).
Bij de scenario’s 2b en 3b zullen na de explosie in de omgeving mogelijk secundaire branden zijn. De benodigde hoeveelheid bluswater voor deze secundaire branden zal afhangen van de omgeving. Deze scenario’s worden niet meegenomen in de onderstaande berekeningen. De eerste stap van het cascademodel is een tankwagen die de drukopbouw kwijt moet door het afblazen van het veiligheidsventiel. Dit is een standaard veiligheidsmiddel op een drukhouder van een brandbaar gas. De brandweer zal eventueel een nacontrole doen om te zien of het afblazen gestopt is en de druk genormaliseerd. Indien de uitstroom wordt ontstoken, kan worden uitgegaan van een fakkelbrand vanaf de tank. Hierbij zal de inzet vooral gericht zijn op het koelen van de tank en het gecontroleerd laten affakkelen tot de druk genormaliseerd is. Voor het gecontroleerd af laten fakkelen zal mogelijk bluswater nodig zijn om de tank te koelen. Voor het koelen van de omgeving is in deze cascade geen bluswater opgenomen, omdat de omgeving verschilt per regio. Voor het koelen van de tank is ervan uitgegaan dat de tank aan één zijde of gedeeltelijk gekoeld moet worden. Dit komt neer op 1.120 l/min, waarbij
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
86
gerekend is met 10 l/m2/min en de onderstaande getallen. Bij het opbrengen van het water wordt uitgegaan van een opbrengsteffectiviteit van 60%. Dit houdt in dat er minimaal 1.500 l/min aan bluswater aanwezig dient te zijn. Wegvervoer: de koeling van een tankwagen Voor het koelen van een tank bestaat een vuistregel: er is 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak nodig per minuut. Onderstaande berekening geeft weer in welke ordes van grootte er gedacht moet worden. Bij deze benadering wordt wel geredeneerd vanuit het bestrijden van het gevolg en niet het bestrijden van de oorzaak. Het aanstralen van een tank zal in veel gevallen een gevolg zijn van een plasbrand. Bij een plasbrand is de wijze van bestrijden het uitvoeren van een schuimblussing. Voor het wegnemen van de oorzaak van de opwarming zal het in veel gevallen dus van essentieel belang zijn om onmiddellijk voldoende SVM ter beschikking te hebben. Berekening koeling van de tankwagen Op basis van de richtlijnen rondom de maximum afmetingen van een vrachtwagen, kan gesteld worden dat de lengte van een tankwagen maximaal 13 meter is. De diameter kan maximaal 2,5 meter zijn. Voor het berekenen van de oppervlakte van een cilinder is de volgende wiskundige formule van toepassing: 2 π r (r + h).
Dit levert in het geval van een tankwagen met maximale omvang dus het volgende op: 2 * π * 1,25 * (1,25 +13) = 112 m2 oppervlakte. Dit komt neer op 1.120 liter water per minuut.
Een koude Bleve kan niet bestreden worden, alleen de secundaire branden die daarvan het gevolg zijn. De omgeving is bepalend voor de hoeveel bluswater die hiervoor nodig is. Wat is een Bleve? Veronderstel dat een tank met een tot vloeistof verdicht gas aangestraald wordt door vuur. Wat gebeurt er dan met de inhoud van die tank en met de tank zelf? Logischerwijs zal (de inhoud van de) tank opwarmen. In het begin (en bij een volle tank) zal de toegevoegde warmte vooral leiden tot opwarming van de vloeistof in de tank, waardoor de inwendige druk toeneemt. Het opwarmen van deze vloeistof kost veel energie, als gevolg waarvan de wand van de tank initieel relatief koel zal blijven (premisse is dat de tank in contact is met het vloeibaar gemaakte gas – indien er sprake is van uitsluitend gascontact, zal de wand veel sneller opwarmen). Als de interne druk van de tank als gevolg hiervan hoger wordt dan de druk die het overdrukventiel (indien aanwezig!) aan kan, zal de tank via het overdrukventiel gaan afblazen, om te voorkomen dat hij door de druk bezwijkt. De druk in de tank neemt door het afblazen af, of zal in ieder geval minder snel toenemen. In veel gevallen zal het afgeblazen gas vlam vatten (tenzij het niet brandbaar is), wat ervoor zorgt dat de tank met nog meer energie dan eerst aangestraald wordt.
De vloeistofinhoud in de tank wordt hierdoor nog sneller gasvormig, de tank zal nog sneller gaan afblazen, en als gevolg hiervan zal steeds minder vloeistof in de tank aanwezig zijn. De druk binnen de tank zal toenemen door het opwarmen van de vloeistof (en het hierdoor toenemen van de dampdruk). Uiteindelijk zal een eventueel aanwezig afblaasventiel niet meer in staat zijn al het nieuw gevormde gas tijdig af te blazen. Omdat er steeds minder vloeistof aanwezig is, zal een steeds groter deel van de tankwand niet meer met de vloeistof in contact zijn; vooral dit deel van de tank zal steeds sneller warm worden. Bij het warmer worden van de tankwand neemt de mechanische sterkte zeer snel af. De door de toegenomen warmte sterk verzwakte tank bezwijkt als de inwendige druk groter wordt dan de resterende bezwijkdruk van de verzwakte wand. Bij het bezwijken van de tank daalt de druk plotseling sterk, waardoor een groot deel van de resterende vloeistof in hoog tempo (explosief) gasvormig wordt. Er ontstaat plotseling een enorme hoeveelheid gas die ontstoken kan worden door het omringende vuur. Er kan een vuurbal ontstaan van tussen enkele meters groot tot circa 200 meter. Het bezwijken van de tank en het explosieve koken wordt ook wel een Bleve (boiling liquid expanding vapour explosion) genoemd.
Wat is een koude Bleve? Een koude Bleve wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open, waardoor de brandbare stof vrijkomt en direct ontsteekt. Er ontstaan een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude Bleve zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
87
B 5.1.3 Toxische vloeistof Voor een incident met een tankwagen met een (voorbeeldstoffen: acrylnitril, propylamine, acroleine of methylisocyanaat) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2. 3.
druppellekkage; het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m 2 met een toxische wolk; het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2 met een toxische wolk.
Druppellekkage tot 20 m2
Interventiemoment
Plas tot 300 m2 (met toxische wolk) door vrijkomen van een deel van de inhoud Plas tot 1.700 m2 (met toxische wolk) door vrijkomen gehele inhoud (23 ton)
Uit/afgedekt
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit/afgedekt
500 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur voor afdekken van de plas
Uit/afgedekt
DEFENSIEF 2.500 l/min Binnen 15 min. gedurende 60 minuten
Figuur B 5.3: Uitwerking cascademodel voor toxische vloeistof (weg).
Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede stap wordt ervan uitgegaan van een plas van 300 m2 is er 135 liter schuimvormend middel nodig, uitgaande van 3% bijmenging. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat water nodig is voor het afschermen of sturen van de vrijgekomen wolk. De minimale hoeveelheid bluswater dient 500 l/min te zijn voor het uitvoeren van de bovengenoemde werkzaamheden, het effectief opbrengen van het schuim en het sturen van een eventuele toxische wolk. Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van expert judgement en een afdektijd van 10 minuten. De plas is 300 m2. Dit maakt dat er 300 l/min water nodig is voor het afdekken van de toxische plas met SVM. Uitgaande van een schuimgetal van 3% en een inzettijd van 10 minuten betekent dit dat er 90 liter SVM nodig is. Daarnaast is uitgegaan van een 1.5 reservefactor waardoor de totale hoeveelheid schuim op 135 liter uitkomt. Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2, waarvoor 765 liter schuimvormend middel nodig is, uitgaande van een bijmenging van 3%.
Voor het sturen of opmengen van een gaswolk kan ook nog water nodig zijn; dit is afhankelijk van de omgeving. Hier wordt uitgegaan van 60% effectief opbrengen van bluswater; daarom is minimaal 2.500 l/min aan bluswater noodzakelijk voor dit scenario.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
88
B 5.1.4 Toxisch gas Door een incident met een gastank met een toxisch gas (voorbeeldstoffen: methylmercaptaan, ammoniak of chloor) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2. 3.
druppellekkage; een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 50 mm waarbij een toxische wolk ontstaat; het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (16 ton) waarbij een toxische wolk ontstaat.
Interventiemoment
Druppellekkage
Toxische wolk door continue uitstroom uit een gat Ø 50 mm
Toxische wolk door vrijkomen van de gehele inhoud (16 ton)
Wolk beheerst
Wolk beheerst
OFFENSIEF 500 l/min.
1.500 l/min.
Tank TS
DEFENSIEF Geen bluswater nodig
Binnen 3 minuten voor 1 uur
Figuur B 5.4: Uitwerking cascademodel voor toxisch gas (weg).
Bij de eerste cascadestap, de druklekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascadestap ontstaat een klein gat waaruit een toxisch gas ontsnapt. Hiervoor zal de inzet zijn om de gaswolk te sturen, dan wel op te mengen met lucht of neer te slaan. Hiervoor wordt één straatwaterkanon van 1.500 l/min ingezet. De derde cascadestap is het instantaan falen van de tank. Hierbij komt het gas in één keer vrij en kan de brandweer geen actie meer ondernemen met bluswater.
B 5.2 Scenario’s spoor (doorgaande spoorlijnen) B 5.2.1 Brandbare vloeistof (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een brandbare vloeistof (voorbeeldstof pentaan) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2. 3.
druppellekkage; het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m2 waarbij een ontsteking (kan) plaats vinden; het vrijkomen van de gehele inhoud (80 m3) levert een plas op van 600 m2 waarbij een ontsteking (kan) plaats vinden.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
89
Druppellekkage tot 20 m2
Interventiemoment
Plasbrand tot 300 m2 door vrijkomen van een deel van de inhoud Plasbrand tot 600 m2 door vrijkomen gehele inhoud (80m3)
Uit/afgedekt
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit/afgedekt
Uit/afgedekt
3.000 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur
DEFENSIEF 6.000 l/min Binnen 3 min. gedurende 60 min
Figuur B 5.5: Uitwerking cascademodel voor brandbare vloeistof (spoor).
Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij een plasbrand van 300 m2 wordt uitgegaan van een blussing met schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/m2 min in een tijd van 15 minuten na aankomst op te brengen, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten zijn om bij te suppleren. Er is 2.100 l/min water nodig, evenals 1.417,5 liter SVM. Er wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 3.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is. Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van de NFPA norm 11, met een schuimopbrengst van 7 l/min/m2. De plas is 300 m2. 300*7= 2.100 l/min aan water dat nodig is voor een plas van 300m2. Uitgaande van een blustijd van 15 minuten levert uiteindelijk de hoeveelheid schuimvormend middel wat hierbij nodig is, uitgaande van 3% bijmenging. Daarnaast zit er een reservefactor in van 1,5 welke nodig is om een marge in te bouwen, omdat niet alles op de plas terecht komt. 15 min * 2.100 l/min * 3% * 1.5= 1.417,5 liter SVM Bij een dergelijk incident dient men bij het blussen rekening te houden met de herkomst van het water.
Het is mogelijk dat open water is vervuild met het brandbare product en daarom niet bruikbaar is voor het blussen van de brand. Bij de derde cascadestap is uitgegaan van het instantaan falen van een tank, waarbij de gehele tankinhoud (80 m 3) vrijkomt, wat een oppervlakte oplevert van 600 m2 (conform het HART). Bij een plasbrand van 600 m2 wordt bij een blussing uitgegaan van een blussing met schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/m2 min in een tijd van 15 minuten, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten zijn om bij te suppleren. Er is 4.200 l/min water nodig, evenals 2.835 liter SVM. Er wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 6.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
90
B 5.2.2 Brandbaar gas (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een brandbaar gas (voorbeeldstof propaan) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2.
3.
4.
Het afblazen van het veiligheidsventiel. Een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 75 mm a. directe ontsteking: fakkel b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand. Het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton) a. directe ontsteking: koude Bleve b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand. Het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton) bij verhoogde temperatuur en druk, zodat een warme Bleve ontstaat.
Bij de scenario’s 2b en 3b zullen na het incident mogelijk in de omgeving secundaire branden zijn; de hiervoor benodigde hoeveelheid bluswater zal afhangen van de omgeving. Deze scenario’s worden dan ook niet meegenomen in onderstaande cascade.
Interventiemoment
Afblazen van veiligheidsventiel
Fakkelbrand door continue uitstroom uit een gat Ø 75mm
0Koude Bleve door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50 ton Warme Bleve door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50 ton bij verhoogde temperatuur en druk
Uit
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit
3.000 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur
Bluswater bepalen op locatie voor secundaire branden
DEFENSIEF 6.000 l/min Binnen 15 min. gedurende 4 uur
Figuur B 5.6: Uitwerking cascademodel voor brandbaar gas (spoor)
In de eerste stap van het cascademodel wordt uitgegaan van een spoorketelwagon die de drukopbouw kwijt moet via afblazen door het veiligheidsventiel. Dit is een standaard veiligheidsmiddel op een drukhouder van een brandbaar gas. De brandweer zal eventueel een nacontrole doen om te bepalen of het afblazen gestopt is en de druk genormaliseerd. Voor het bestrijden van een fakkelbrand (cascadestap 2) zal de inzet vooral gericht zijn op het koelen van de ketelwagon en het gecontroleerd laten affakkelen tot de druk genormaliseerd is. Tijdens het gecontroleerd af laten fakkelen van de INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
91
ketelwagon zal mogelijk bluswater benodigd zijn voor het koelen van de ketelwagon. Voor het koelen van de omgeving is hier geen indicatie voor bluswater opgenomen, omdat dit bepaald zal moeten worden per regio. Voor het koelen van de ketelwagon wordt ervan uitgegaan dat de spoorketelwagon aan één zijde of gedeeltelijk gekoeld moet worden. Dit komt neer op 2.060 l/min, waarbij gerekend is met 10 l/m2/min en onderstaande getallen. Hier wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 3.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is. Spoorvervoer: de koeling van een ketelwagon Voor het koelen van een tank bestaat de vuistregel dat er 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut nodig is. Onderstaande berekening geeft weer in welke ordes van grootte er gedacht moet worden. Bij deze benadering wordt geredeneerd vanuit het bestrijden van het gevolg en niet van de oorzaak. Het aanstralen van een tank zal in veel gevallen een gevolg zijn van een plasbrand. Bij een plasbrand is de wijze van bestrijden het uitvoeren van een schuimblussing. Voor het wegnemen van de oorzaak van de opwarming zal het in veel gevallen dus van essentieel belang zijn om onmiddellijk voldoende SVM ter beschikking te hebben. Uitgaande dat ketelwagens inmiddels 25 meter lang kunnen zijn, zijn er spoorvervoerincidenten denkbaar waarbij veel bluswater nodig is.
In die gevallen wordt gerekend met wederom een diameter van ongeveer 2,5 meter en een lengte van 25 meter. Dit komt neer op 2 * π * 1,25 * (1,25 +25) = 206 m 2 , of 2.060 liter. Bij cascadestap 3 is sprake van een koude Bleve. Een koude Bleve kan niet bestreden worden; alleen de secundaire branden die daarvan het gevolg zijn. De omgeving is bepalend voor de hoeveel bluswater die hiervoor nodig is. Bij de vierde cascadestap wordt ingezet op het voorkomen van een warme Bleve. Het is hierbij essentieel om zo snel mogelijk de oorzaak van de opwarming weg te nemen en zo snel mogelijk de koeling te starten. Het is hiervoor noodzakelijk zoveel mogelijk bluswater te organiseren. Immers, de problemen nemen bij een aangestraalde tank gevuld met tot vloeistof verdichte gassen exponentieel toe. Het is raadzaam de watervoorziening primair te organiseren met water uit een tankwagen of schuimblusvoertuig en direct aanvullende bluswatervoorzieningen beschikbaar te hebben om de continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Hierbij wordt uitgegaan van tweezijdig koelen van de tank. In het totaal is hier 6.000 l/min voor noodzakelijk. B 5.2.3 Toxische vloeistof (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een toxische vloeistof (voorbeeldstoffen: acrylnitril of acroleine) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2. 3.
druppellekkage; het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m 2 met een toxische wolk; het vrijkomen van de gehele inhoud (80 m3) levert een plas op van 600 m2 met een toxische wolk.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
92
Druppellekkage tot 20 m2
Interventiemoment
Plas tot 300 m2 (met toxische wolk) door vrijkomen van een deel van de inhoud Plas tot 600 m2 (met toxische wolk) door vrijkomen gehele inhoud (80 m3)
Uit/afgedekt
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Uit/afgedekt
Uit/afgedekt
500 l/min. Binnen 15 minuten voor 1 uur
DEFENSIEF 1.000 l/min Binnen 15 min. gedurende 60 minuten
Figuur B 5.7: Uitwerking cascademodel voor toxische vloeistof (spoor).
Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden en dat er geen extra water nodig is anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascadestap wordt er uitgegaan van een plas van 300 m2 en is er 135 liter schuimvormend middel uitgaande van 3% bijmenging noodzakelijk. Voor het eventueel afschermen of sturen van de toxische wolk is geen bluswater opgenomen. De benodigde hoeveelheid is afhankelijk van de omgeving en dient per locatie bepaald te worden (voor berekeningen van het SVM: zie scenario’s wegvervoer). Bij de derde stap komt de gehele inhoud (80 m3) vrij en ontstaat een plas van 600 m2. Hiervoor is 600 l/min water noodzakelijk, evenals 270 liter SVM, uitgaande van een bijmenging van 3%. Hier wordt uitgegaan van een effectiviteit van 60% van het bluswater, zodat 1.000 l/min noodzakelijk is. Voor het eventueel afschermen of sturen van de toxische wolk is geen bluswater opgenomen. De hoeveelheid daarvan is afhankelijk van de omgeving en dient per locatie bepaald te worden (voor berekeningen van bluswater en SVM: zie scenario’s wegvervoer).
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
93
B 5.2.4 Toxisch gas (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een toxisch gas (voorbeeldstoffen: ammoniak of chloor) ontstaan de volgende scenario’s: 1. 2. 3. 4.
druklekkage (ammoniak/chloor); een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 75 mm (ammoniak/chloor) met als gevolg een toxische wolk; het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton ammoniak/55 ton chloor) met als gevolg een toxische wolk; het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton ammoniak) bij verhoogde temperatuur en druk met als gevolg een toxische wolk.
Interventiemoment
Druklekkage
Toxische wolk door continue uitstroom uit een gat Ø 75 mm Toxische wolk door instantaan vrijkomen van de gehele inhoud Toxische wolk door instantaan vrijkomen van de gehele inhoud bij verhoogde temperatuur en druk
Wolk beheerst
OFFENSIEF 500 l/min. Tank TS
Wolk beheerst
3.000 l/min. Binnen 3 minuten voor 1 uur
Geen bluswater nodig
DEFENSIEF 6.000 l/min Binnen 15 min. gedurende 4 uur, ter voorkoming van de verhoogde druk en temp koelen met 10 l/min/m2
Figuur B 5.8: Uitwerking cascademodel voor toxisch gas (spoor).
Bij de eerste cascadestap, de druklekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden en dat er geen water nodig is anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascade, toxische wolk, ontstaat een klein gat waaruit een toxisch gas ontsnapt. Hiervoor zal de inzet zijn om de gaswolk te sturen, dan wel op te mengen met lucht of neer te slaan. Hiervoor kan één straatwaterkanon worden ingezet van 1.500 l/min.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
94
De derde cascadestap is het instantaan falen van de tank. Hierbij komt het gas in één keer vrij en door de toxische wolk die hierdoor ontstaat, kan de brandweer geen actie meer ondernemen met behulp van bluswater. In de vierde cascadestap zal geprobeerd worden het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud te voorkomen door een brand in de omgeving van de ketelwagon te blussen en/of de ketelwagon te koelen. Mocht de ketelwagon door de verhoogde druk en temperatuur tóch instantaan falen, dan kan de brandweer geen actie meer ondernemen in het kader de vrijgekomen toxische wolk met betrekking tot bluswater. Om dit scenario te voorkomen is 6.000 l/min water noodzakelijk voor koeling van de tank (zie voor uitleg paragraaf 7.2.2 van deze bijlage).
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
95
AFKORTINGENLIJST AMvB BBK Bbl Bgbop BiZa Bkl Bleve BRZO CADO DNO DPH GWT HART HD HSL IFV KW LD LTO NCTV NEN NIPV NFPA OBK PGS RIN RV RVV SVM SWOV TMM TS VBNE Vewin Wvr
Algemene Maatregel van Bestuur Bovengrondse brandkraan Besluit bouwwerken leefomgeving Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen Ministerie van Binnenlandse Zaken Besluit kwaliteit leefomgeving Boiling liquid expanding vapour explosion Besluit risico’s zware ongevallen Calamiteitendoorsteek Diensten Niveau Overeenkomsten Dompelpomp Haakarmbak Grootwatertransport Handleiding Risicoanalyse Transport Hoge druk Hogesnelheidslijn Instituut Fysieke Veiligheid (inmiddels NIPV) Klein Watertransport Lage druk Land- en Tuinbouworganisatie Nederland Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Nederlandse Norm Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid National Fire Protection Association Ondergrondse brandkraan Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen Risico Index Natuurbranden Redvoertuig Reglement van Verkeersregels en Verkeerstekens Schuimvormend middel Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid toegestane maximum massa (ledig gewicht plus laadvermogen) Tankautospuit Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren Vereniging van drinkwaterbedrijven Wet veiligheidsregio’s
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
96
LITERATUURLIJST Hoofdstuk 1 Brandweeracademie (2018). De hernieuwde kijk op brandbestrijding. Voorheen de ‘theorie van de voorspelbare afloop’. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. Brandweer Nederland (2018). Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden. Visie 2.0. Arnhem: Brandweer Nederland. Inspectie van Justitie en Veiligheid (2019). Bluswatervoorziening brand Sint Urbanuskerk Amstelveen. Den Haag: Inspectie Justitie en Veiligheid Ministerie van Justitie en Veiligheid. Politie, NVBR, GHOR Nederland en Coördinerend Gemeentesecretarissen (2009). Handreiking Regionaal Risicoprofiel.
Hoofdstuk 2 Veiligheidsregio Brabant-Noord, Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (2016) Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Brandweer Nederland (2013). Classificeren van risicovolle bouwwerken Bepalen van complexe bouwwerken aan de hand van eenvoudige grenswaarden. Dikkenberg, R. van den, Post, J., Schaaf, J van der en Tonnaer, C. (2012). Verbeteren brandveiligheid. Proof of concept Cascademodel 2.0. Arnhem: Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid. Hagen, R., Hendriks, A., & Molenaar, J. (2014). Kwadrantenmodel voor gebouwbrandbestrijding. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. Hagen, R., & Witloks, L. (2017; 2e gewijzigde druk). Basis voor brandveiligheid. De onderbouwing van brandbeveiliging in gebouwen. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. http://www.rizoomes.nl. Oomes, E. (2006). De vanzelfsprekendheid van alledag. Een beschouwing in drie delen over de gewoonten in het brandweervak. Arnhem: Nibra.
Hoofdstuk 3 Dikkenberg, R. van den en Tonnaer, C. (2009). Verbetering brandveiligheid: gebruik brandkrommen in Nederland. Arnhem: Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra. Handleiding PREVAP 2009 Deskundigenadvies (herziene uitgave 2009). Arnhem: Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra. Handreiking brandveiligheid hoge gebouwen (2014). Landelijk Expertisecentrum BrandweerBRZO (2009). Scenarioboek. Lemaire A.D. en Mierlo, R.J.M. van (2014). Onderzoek benodigde hoeveelheid bluswater voor natuurbrandbestrijding: eindrapport. Bleiswijk: Efectis.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
97
Hoofdstuk 4 Arcadis, Grontmij BV en RoyalHaskoningDHV (2013). Handboek wegontwerp 2013. Ede: CROW. Dijk, C.J. van et al. (2015). Handboek Incidentbestrijding op het Water. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. Kenniscentrum Voorrangsvoertuigen (IFV) en Brandweer Nederland (2017). Brancherichtlijn optische en geluidsignalen brandweer. Arnhem: Kenniscentrum Voorrangsvoertuigen (IFV) en Brandweer Nederland. . ProRail, Brandweer Nederland en GGD-GHOR Nederland (2018). Fout! De hyperlinkverwijzing is ongeldig.. RDW (2012). Overzicht maten en gewichten in Nederland. Geraadpleegd op 20-11-2018. Rijkswaterstaat (2013). Handboek calamiteit- en verkeersdoorsteken. Afwegingskader, toepassing en ontwerp.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
98
COLOFON Opdrachtgever De veiligheidsregio’s • Brabant-Noord; • Brabant-Zuidoost; • Gelderland-Midden; • Midden- en West-Brabant; • Zeeland; • Zuid-Limburg. Leden projectgroep Arga Rikken Bram de Vries Dirk Suchy Eefke Kweens Guido Conings Hans Maters Hans Peters Harry Eijkemans Jean-Pierre van Wanrooij Martin van Eeten Martijn Janson Rachel Jacobs
Brabant-Zuidoost Gelderland-Midden Midden- en West-Brabant Brabant-Zuidoost Zuid-Limburg Gelderland-Midden Zuid-Limburg Brabant-Noord Midden- en West-Brabant Midden- en West-Brabant Brabant-Zuidoost Zeeland
In samenwerking met - Diverse deskundigen uit de zes veiligheidsregio’s - Brandweeracademie - Vereniging van drinkwaterbedrijven in Nederland (Vewin) Foto’s Alle foto’s in deze Regionale Leidraad zijn gemaakt door leden van de projectgroep. De rechten op de foto’s rusten daarmee bij de veiligheidsregio’s. De beelden mogen vrij door andere overheidsinstanties worden gebruikt. Eindredactie Veiligheidsregio’s Brabant-Noord, Brabant-Zuidoost, Gelderland-Midden, Midden- en West-Brabant, Zeeland en ZuidLimburg. Tilburg, juni 2022. Versie 1.0 vastgesteld op: -
dd mmmm 2022 door de directie VRBZO dd mmmm 2022 door de directie VRZL dd mmmm 2022 door de directie VRzeeland dd mmmm 2022 door de directie VGGM 29 juni 2022 door de directie VRMWB
Voor vragen kunt u terecht bij een van de leden van de projectgroep.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
99