Bijlage 2 Interregionale Adviesleidraad 6 regio's
Tekst van het document
Definitief – 29 juni 2022
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
VOORWOORD Voor u ligt de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2022 (hierna te noemen Regionale Leidraad) van de veiligheidsregio’s Brabant-Noord, Brabant-Zuidoost, Gelderland-Midden, Midden- en West-Brabant, Zeeland en Zuid-Limburg. Deze nieuwe Regionale Leidraad is een uitwerking van de Landelijke Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid uit 2019 (hierna te noemen Landelijke Handreiking). De aanleiding zijn veranderingen in de basisprincipes van brandbestrijding en veranderende wetgeving (waaronder de Omgevingswet en de geactualiseerde Landelijke Handreiking). Deze Regionale Leidraad is een dynamisch document, onder meer door de maatschappelijk-technologisch ontwikkelingen, de klimaatverandering en energietransitie. Deze Regionale Leidraad is met inbreng van veel brandweercollega’s geschreven vanuit de praktijk. Dank aan het projectteam en ieder ander die heeft meegeholpen. Er is veel werk verzet, met een mooi resultaat: een goede basis voor deskundigen van de brandweer om gemeenten en andere belanghebbenden van advies te voorzien.
29 juni 2022
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
2
INHOUDSOPGAVE VOORWOORD .....................................................................................................................................................2 INLEIDING ............................................................................................................................................................4 1 JURIDISCH KADER EN VERANTWOORDELIJKHEDEN ..............................................................................6 2 BLUSWATER: RAAMWERK, KADERS EN UITGANGSPUNTEN .............................................................. 11 3 BLUSWATER AAN DE HAND VAN ZEVEN THEMA’S ............................................................................... 19 4 BEREIKBAARHEID ....................................................................................................................................... 48 BIJLAGE 1A: BLUSWATERMATRIX, BRABANT, GELDERLAND-MIDDEN EN ZUID-LIMBURG .............. 66 BIJLAGE 1B: BLUSWATERMATRIX ZEELAND EN TOETSINGSKADERS ................................................. 67 BIJLAGE 2: ONDERHOUD BLUSWATERVOORZIENING EN LEVERING VAN BLUSWATER .................. 71 BIJLAGE 3 TECHNISCHE UITVOERING GEBOORDE PUTTEN................................................................... 75 BIJLAGE 4 MAATEENHEDEN EN VUISTREGELS BLUSWATER-VOORZIENING .....................................
82 BIJLAGE 5 SCENARIO’S VERKEER EN VERVOER ..................................................................................... 84 AFKORTINGENLIJST ....................................................................................................................................... 96 LITERATUURLIJST .......................................................................................................................................... 97 COLOFON ......................................................................................................................................................... 99
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
3
INLEIDING De Regionale Leidraad Randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding zijn een adequate bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie. Deze Regionale Leidraad geeft een regionale invulling op basis van de Landelijke Handreiking. De Regionale Leidraad biedt praktische handvatten en uitgangspunten op basis waarvan deskundigen van de brandweer bluswater- en bereikbaarheidsadviezen kunnen opstellen. Ondanks regionale verschillen is het zes regio’s gelukt een gezamenlijke leidraad op te stellen. Hierbij wordt recht gedaan aan de ‘eigen’ risicoprofielen en regionale interventiekenmerken.
Doel en doelgroep Voor brandweeradviseurs is deze Regionale Leidraad de basis voor de toetsing en advisering voor onder meer: • • • • •
ruimtelijke- en inrichtingsplannen; omgevingsvergunningen voor bijvoorbeeld bouwen, milieu en brandveilig gebruik (art. 2.1 Wabo); melding brandveilig gebruik; evenementenvergunning en -melding; en de beoordeling van aanleg-, verander- en saneringsvoorstellen van het drinkwaterbedrijf.
Deze Regionale Leidraad is niet bedoeld om alle bestaande situaties opnieuw te beoordelen; tenzij daar in specifieke gevallen aanleiding voor is. Het procesoverzicht voor gebruik van de Regionale Leidraad kan als volgt worden weergegeven:
Figuur 1.1: Procesoverzicht Regionale Leidraad. De informele lijnen zijn gestippeld weergegeven.
Risicogericht adviseren Meer regels leiden niet per definitie tot meer veiligheid. Een risicogerichte benadering, aanvullend op de regels, is de beste manier om in onze complexer wordende samenleving extra veiligheidswinst te boeken. Risicogericht adviseren vergt een andere benadering. Een passend advies vraagt maatwerk en dus deskundigheid en een goede onderbouwing. Deze Regionale Leidraad dient hiervoor als kapstok voor de adviseur. Ook kan de adviseur een beeld schetsen van de gevolgen bij het afwijken van het advies. INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
4
Totstandkoming en beheer Na regionale invoering vervangt deze Regionale Leidraad eerder regionaal bluswater- en bereikbaarheidsbeleid. Deze Regionale Leidraad is ingegeven door meerdere ontwikkelingen. De Landelijke Handreiking is vernieuwd. Wet- en regelgeving zijn veranderd, zoals de overgang van het Bouwbesluit 2012 naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de Omgevingswet. Met de Drinkwaterwet wordt het minder vanzelfsprekend dat de brandweer voldoende bluswater aan drinkwaterleidingen kan onttrekken. En er zijn ontwikkelingen die van invloed zijn op de wijze waarop brand wordt bestreden. De Regionale Leidraad is een samenwerkingsproduct van experts uit zes regio’s op het gebied van incidentbestrijding, operationele voorbereiding en risicobeheersing. Met als basis de Landelijke Handreiking is de Regionale Leidraad opgesteld met gebruikmaking van: > > > > > >
wet- en regelgeving; maatschappelijke thema’s uit het regionaal risicoprofiel; de basisprincipes van brandbestrijding; verschillende brandweermodellen (het kwadrantenmodel, het cascademodel, de sturingsdriehoek en het kenmerkenschema); (inter)nationale onderzoeken; expert judgement.
Door toekomstige en versnelde ontwikkelingen wordt deze Regionale Leidraad periodiek herzien. De betrokken regio’s zorgen voor het beheer en de periodieke actualisatie van de Regionale Leidraad.
Opzet van de Regionale Leidraad De Regionale Leidraad kent, net als de Landelijke Handreiking, een systematische opzet waarbij bluswatervraagstukken zijn gecategoriseerd aan de hand van zeven maatschappelijke thema’s. Ook de implicaties van de Omgevingswet en andere maatschappelijke ontwikkelingen zijn meegenomen. De gebruikte brandweermodellen vormen de verbinding tussen incidentbestrijding, risicobeheersing en crisis- en rampenbestrijding. Voor de gebouwde omgeving zijn de modellen uitgewerkt in scenario’s. Per scenario wordt een hoeveelheid bluswater voorgesteld; er is gezocht naar een minimaal toereikende bluswatervoorziening voor maatgevende incidenten. Deze zijn vertaald naar de bluswatermatrix (bijlage 1a). Ook als aan dit minimum wordt voldaan, kunnen door andere factoren nog steeds onbeheersbare branden ontstaan.
De uitgangspunten voor de overige 6 maatschappelijke thema’s (naast de gebouwde omgeving) zijn grotendeels overgenomen van de Landelijke Handreiking.
Leeswijzer In hoofdstuk 1 wordt het bijbehorende juridische kader uitgewerkt, inclusief de verdeling van verantwoordelijkheden.. De hoofdstukken 2 en 3 gaan in op de technisch-inhoudelijke aspecten rond de bluswaterbehoefte. In hoofdstuk 4 komt de bereikbaarheid aan bod.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
5
1 JURIDISCH KADER EN VERANTWOORDELIJKHEDEN Dit hoofdstuk beschrijft het juridische kader, de bestuurlijke verantwoordelijkheden, de adviesmogelijkheden van een veiligheidsregio en de leveranciers van bluswater. Ook worden de verantwoordelijkheden rondom de controle en informatievoorziening beschreven.
1.1
Juridisch kader
Dit is het juridisch kader waarop de Regionale Leidraad is gestoeld: > Wet veiligheidsregio’s (Wvr); > Wet ruimtelijke ordening; > Wet milieubeheer; > Besluit externe veiligheid inrichtingen; > Besluit risico’s zware ongevallen; > Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-richtlijnen); > Bouwbesluit 2012; > Bouwverordening; > Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop). Ook de Drinkwaterwet en de Waterwet zijn relevant, omdat de leveranciers van drinkwater hieraan zijn gebonden en het leveren van bluswater geen wettelijke taak is.
1.2
De Omgevingswet
Wordt de Omgevingswet van kracht, dan wordt bovengenoemde wet- en regelgeving (met uitzondering van de PGSrichtlijnen en de Bgbop) daarin geïntegreerd. Onderdeel van de Omgevingswet is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
1.2.1 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Artikel 5.2 van het Bkl verplicht de gemeenteraad om bij het vaststellen van een omgevingsplan het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee te nemen in de belangenafweging. Het advies van de veiligheidsregio’s hierover is echter geen wettelijk adviesrecht. Maar uit de toelichting op dit artikel blijkt dat het advies van de veiligheidsregio’s wel moet worden ingewonnen. Het gaat dan om een niet-wettelijke adviestaak. Gemeenten moeten voor de uitvoering van dit artikel advies inwinnen bij de veiligheidsregio’s. Het advies moet worden betrokken bij de afweging van de toewijzing van functies aan locaties. Dit betekent dat de gemeenteraad onder meer rekening houdt met een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten bij (primaire) hulpverlening, de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen en de bestrijdbaarheid van het incident. Letterlijk staat er in de toelichting op het Bkl dat hierbij gebruik kan worden gemaakt van de Landelijke Handreiking. Artikel 2.49 van de Invoeringswet Omgevingswet betreft een wijziging van de Wvr, in verband met het gestelde in artikel 5.2 van het Bkl.
Het tweede lid, onderdeel e van artikel 14 Wvr komt als volgt te luiden: “Een beschrijving van de nietwettelijke adviesfunctie, bedoeld in artikel 10, onder b waaronder de adviesfunctie met betrekking tot omgevingsplannen, en van de wijze waarop de gemeenten het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid stellen haar adviesfunctie uit te oefenen met betrekking tot omgevingsplannen.” Deze wijziging in het beleidsplan van de veiligheidsregio moet een beschrijving van de omvang van de adviesfunctie bevatten. Daarbij kunnen bepaalde criteria worden opgenomen over het al dan niet betrekken van de veiligheidsregio bij het wijzigen en uitvoeren van een omgevingsplan. Daarnaast moet het beleidsplan beschrijven hoe gemeenten de veiligheidsregio in de gelegenheid stellen deze adviesfunctie met betrekking tot omgevingsplannen uit te oefenen.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
6
1.2.2 Het omgevingsplan De verwijzing in het Bkl naar art. 10, onder b Wvr, in combinatie met het benoemen van de adviesrol in het beleidsplan en de vaststelling van het omgevingsplan door gemeenteraden, maken dat de adviesrol van de veiligheidsregio’s formeel is geregeld. Het omgevingsplan is een van de belangrijkste instrumenten van de Omgevingswet. Het omgevingsplan wordt een allesomvattend juridisch kader voor de fysieke leefomgeving in gemeenten. Deze bevat bindende regels en toetsingskaders en waarden. Het omgevingsplan bevat niet alleen nieuwe regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Ook bestaande juridische regelingen zoals verordeningen, bestemmingsplanregels en beleidsregels moeten worden heroverwogen. Na vaststelling van de Regionale Leidraad in de veiligheidsregio's, kunnen gemeenten op basis daarvan hun eigen bluswaterbeleid en bereikbaarheid opstellen.
1.2.3 Het tijdelijke omgevingsplan Als de Omgevingswet in werking treedt (naar verwachting januari 2023), heeft iedere gemeente een tijdelijk omgevingsplan. Dit plan bestaat uit onder meer de vigerende bestemmingsplannen, beheerverordeningen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en exploitatieplannen. De huidige ruimtelijke regels vormen dus straks het tijdelijke omgevingsplan. In aanvulling hierop wordt de ‘bruidsschat’ automatisch opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan. Deze bruidsschat bevat regels over onderwerpen, die in de huidige situatie op rijksniveau zijn geregeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen deze landelijke regels te vervallen en kunnen deze onderwerpen worden geregeld in het omgevingsplan. Zolang er nog geen omgevingsplan is, zorgt de bruidsschat dat deze onderwerpen tijdelijk zijn geregeld, totdat de gemeente deze regels heeft opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten mogen zelf een afweging maken over de onderwerpen uit de bruidsschat die zij al dan niet willen opnemen in het omgevingsplan en over de manier waarop zij die willen opnemen. De wetgever wil dat gemeenten dit tijdelijke omgevingsplan voor 2029 omzetten naar een omgevingsplan. Met andere woorden: de regels uit het tijdelijke deel te vervangen door regels die voldoen aan de Omgevingswet. De regels uit het tijdelijke deel vervallen niet vanzelf.
Een gemeente moet hiertoe een expliciet besluit nemen. De bruidsschat bevat concrete bepalingen over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van een bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen. Voor deze onderwerpen zijn voorbeeld-planregels opgesteld. Van 2023 tot 2028 is er een overgangsperiode. De huidige regels (uit het Bouwbesluit 2012 en bestemmingsplannen) ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid worden automatisch van kracht voor gemeentelijke omgevingsplannen. In deze periode kunnen de veiligheidsregio’s bluswater in de omgevingsplannen adviseren op basis van de geactualiseerde Regionale Leidraad. Op die basis kunnen zij maatwerk leveren in het plangebied. De in deze Regionale Leidraad opgenomen verwijzingen naar huidige wet- en regelgeving (zoals het Bouwbesluit) blijven ook met het in werking treden van de Omgevingswet van kracht (tenzij expliciet anders aangegeven).
1.3
Bestuurlijke verantwoordelijkheid bluswater en bereikbaarheid
Gemeenten zijn eindverantwoordelijkheid voor openbare bluswatervoorziening en bereikbaarheid. In artikel 2 van de Wet veiligheidsregio’s staat dat het college van burgemeester en wethouders belast is met onder andere de brandweerzorg. In artikel 10 staat dat het college de veiligheidsregio belast met het instellen en in stand houden van een brandweer. In artikel 3 lid 1 onder a is vastgelegd welke taken tot de brandweerzorg behoren: “Het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt (…).” Bluswatervoorziening en bereikbaarheid vallen onder “al hetgeen daarmee verband houdt”. 1.3.1 De verhouding tussen de gemeente en de veiligheidsregio Gemeenten hebben een belangrijke rol in ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van fysieke veiligheid. In verschillende besluiten bepalen zij welke mate van (on)veiligheid wordt geaccepteerd en welke beheersmaatregelen risico’s moeten beperken. Gemeenten zijn aldus opdrachtgever als het gaat om de bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Veiligheidsregio’s zijn gebruiker en adviseur; zij hebben kennis, gebruikservaring en een landelijk netwerk. Om binnen het gekozen gemeentelijke kwaliteitsniveau optimaal te kunnen werken, adviseren zij de gemeenten over bluswater- en bereikbaarheidsvraagstukken.
Onderstaand schema is een voorbeeld van een bijbehorende beleidscyclus.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
7
Figuur 1.2: De bluswatercyclus.
De wetgever beoogt dat het bevoegd gezag zijn eigen afwegingen en keuzes kan maken op het gebied van bluswater en bereikbaarheid binnen het spanningsveld tussen risico, veiligheid en kosten. Voor een effectieve incidentbestrijding is het echter noodzakelijk dat het bevoegd gezag voor besluitvorming eerst advies vraagt aan de veiligheidsregio zoals dit ook wettelijk verplicht is bij het opstellen van omgevingsplannen. Wijkt de gemeente vervolgens af van het advies van de veiligheidsregio, dan heeft dat consequenties voor de kwaliteit van de brandweerzorg. 1.3.2 Mandateringsmogelijkheden Sommige gemeenten kiezen ervoor de uitvoering van bluswaterbeleid aan de veiligheidsregio te mandateren. De gemeente blijft echter altijd juridisch eindverantwoordelijk. Het eventueel regionaal mandateren van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het bluswaterbeleid kan daarom tot complexe situaties leiden.
1.4
De adviesmogelijkheden van een veiligheidsregio
De samenwerking tussen de gemeenten en de veiligheidsregio is bij voorkeur cyclisch. De wetgever beoogt dat het bevoegd gezag (de gemeente) zijn eigen afwegingen en keuzes kan maken op het gebied van bluswater en bereikbaarheid binnen het spanningsveld tussen risico, veiligheid en kosten. Door terugkoppeling hiervan aan de veiligheidsregio kan de inzet van de brandweer hierop aangepast worden en vice versa. In veel regio’s vragen de gemeenten bij vergunningaanvragen of het opstellen van structuurvisies om bluswater-, bereikbaarheids- en bestrijdbaarheidsadvies aan (de brandweer van) de veiligheidsregio. Op hoofdlijnen zijn er twee soorten advies. Enerzijds bestaat er een kaderstelling over de generieke bluswaterbehoefte (beleidsadvies) en anderzijds is er praktisch advies bij te ontwikkelen gebieden of objecten (inhoudelijk advies). 1.4.1 Beleidsplan Veiligheidsregio’s hebben op basis van de Omgevingswet de mogelijkheid om te adviseren over zaken rond fysieke veiligheid. Dit is vastgelegd in artikel 10, onderdeel b en artikel 25 Wvr. Het gaat hier om wettelijk en niet-wettelijk advies. Pas wanneer een adviesrecht is vastgelegd in een wettelijk voorschrift (zoals bv. In artikel 4.33 Omgevingsbesluit) is er sprake van een wettelijk advies. Een wettelijk advies is zwaarwegend maar het bevoegd gezag kan er gemotiveerd van afwijken.
In andere gevallen moet de adviesbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 10, onderdeel b Wvr worden vastgelegd in het beleidsplan van de veiligheidsregio. In artikel 14 Wvr is namelijk opgenomen dat het beleidsplan in ieder geval een omschrijving bevat van de niet-wettelijke adviesfunctie bedoeld in artikel 10, onderdeel b Wvr. De onderwerpen, zoals bluswater en bereikbaarheid, moeten worden geregeld in de gemeentelijke omgevingsplannen. Omgevingsplannen worden door gemeenten ontwikkeld en vastgesteld door de gemeenteraad. Betrokkenheid bij het opstellen van omgevingsplannen is voor de veiligheidsregio’s een belangrijke mogelijkheid om fysieke veiligheid en gezondheid in brede zin te waarborgen. De veiligheidsregio’s geven in hun beleidsplan op basis van de Wvr de omvang van de adviesfunctie aan. Zij kunnen niet-wettelijke adviestaken opnemen in het beleidsplan en van daaruit bestuursorganen ongevraagd adviseren ten aan zien van fysieke veiligheid.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
8
1.4.2 Inhoudelijke advisering De eisen aan bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid zijn vooralsnog vastgelegd in het huidige juridisch kader, besproken in paragraaf 1.1. Dit betekent dat vraagstukken rond bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid onderdeel zijn van de toetsing van ruimtelijke plannen, bouwplannen of andere vergunningen door de veiligheidsregio. Bij de invoering van de Omgevingswet behoudt de veiligheidsregio haar adviesfunctie. Deze functie op het gebied van bluswater en bereikbaarheid in omgevingsplannen is vastgelegd in artikel 5.2 van het Bkl (hierin is echter geen wettelijk adviesrecht voor de veiligheidsregio’s op genomen). Past het genomen initiatief in het plangebied niet in het vastgestelde omgevingsplan, dan is advies van de veiligheidsregio noodzakelijk. Het is belangrijk om hierover afspraken te maken met gemeenten. De invoering van de Wet kwaliteitsborging bouwen borgt dat private adviseurs advies moeten vragen aan de veiligheidsregio over bluswater en bereikbaarheid.
1.5
Wie kan bluswater leveren?
Bij bluswater wordt vaak gedacht aan bluswater dat beschikbaar is via de brandkranen van een drinkwaterbedrijf. Andere vormen van bluswater zijn open water, bluswaterriolen en geboorde putten. Kwaliteit, kwantiteit en manier van levering verschillen per leverancier. De leveranciers zijn op te delen in de volgende groepen: > > > > >
drinkwaterbedrijf; waterschap; gemeente; Rijkswaterstaat; particulieren, bedrijven en overige (onder andere ProRail en defensie).
Bijlage 2.2 Overzicht van bluswaterleveranciers bevat een nadere uitwerking van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van elk van deze partijen opgenomen. Hoewel voor leveranciers het leveren van bluswater over het algemeen geen wettelijke taak is, zien zij dit wel als hun (historisch gegroeide) maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is verstandig verplichtingen over de levering vast te leggen in contracten tussen de leverancier en de gemeente. Wat betreft drinkwaterbedrijven is dit over het algemeen ook gebeurd. Met andere leveranciers zijn tot op heden nauwelijks dergelijke afspraken gemaakt. Waterwagens of -transport van de brandweer maken van de brandweer geen leverancier van bluswater. De brandweer investeert dan namelijk alleen in haar eigen water-logistieke proces en is voor het water dat zij transporteert nog steeds afhankelijk van een leverancier.
1.6
Controle en informatievoorziening
1.6.1 Controle en onderhoud De gemeente is als verantwoordelijke partij altijd opdrachtgever voor controle van en onderhoud aan openbare bluswateren bereikbaarheidsvoorzieningen. De brandweer mag hooguit visuele inspecties uitvoeren (de zogenoemde schouw). Het is voor de gemeente en de veiligheidsregio (als adviseur van de gemeente en gebruiker van bluswater) van belang dat deze afspraken goed en gedetailleerd worden vastgelegd. Denk aan afspraken over storingen, gebreken en buitengebruik zijnde bluswatervoorzieningen en de communicatie hierover. Gemeenten worden geadviseerd om met leveranciers van bluswater percentages af te spreken waarbinnen bluswatervoorzieningen dienen te functioneren. De zes veiligheidsregio’s adviseren de volgende percentages: -
95,0% van alle bluswatervoorzieningen moet direct bruikbaar zijn; 4,7% van alle bluswatervoorzieningen is na kleine handeling (bijv. zandvrij maken) beschikbaar; 0,3% onbruikbare bluswatervoorziening (technisch defect).
Hiermee is een percentage van 99,7% van de bluswatervoorzieningen bruikbaar. Dit percentage wordt geadviseerd omdat de nieuwe ontwerprichtlijnen lijden tot minder bluswatervoorzieningen. Uitval van een enkele voorziening kan grotere gevolgen hebben. Bij de actualisering van deze leidraad moet hierboven geadviseerde percentages worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
9
Om deze percentages te halen, kan er een vertaling worden gemaakt naar de dan te monitoren onderhoudsfrequentie. Voor niet-openbare bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid ligt de verantwoordelijkheid met betrekking tot controle en onderhoud bij de eigenaar. De gemeente houdt toezicht.
1.6.2 Informatievoorziening operationele eenheden De veiligheidsregio moet beschikken over actuele gegevens met betrekking tot bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid. 1.6.2.1 Bluswatervoorziening De gemeente, de eigenaar en de veiligheidsregio maken afspraken over de aanlevering van relevante gegevens, zoals de capaciteit en beschikbaarheid van de bluswatervoorziening en de locatiegegevens. Een bruikbare en bereikbare bluswatervoorziening is immers ook een vindbare voorziening. Gegevens van bijvoorbeeld brandkranen, geboorde putten en opstelplaatsen open water zijn beschikbaar voor de repressieve eenheden. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanleveren van deze gegevens, maar het is aan de veiligheidsregio om deze gegevens zichtbaar te maken voor hun brandweereenheden. Namens de veligheidsregio’s sloot in 2017 het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) Diensten Niveau Overeenkomsten (DNO) af met de drinkwaterbedrijven.1 Hierin staat dat de drinkwaterbedrijven locatiegegevens van brandkranen rechtstreeks en volgens een landelijk (digitaal) gegevensformat aan het NIPV leveren. Deze gegevens worden opgenomen op de landelijke GEO4OOV-server. De veiligheidsregio’s beschikken over toegang tot deze gegevens en ontsluiten deze voor hun operationele eenheden.
1.6.2.2 Bereikbaarheid Voor wat betreft bereikbaarheid is het van belang dat de veiligheidsregio informatielijnen met de gemeente heeft en onderhoudt. De veiligheidsregio wordt door de wegbeheerder ten minste geïnformeerd over veranderingen in en werkzaamheden aan het (openbare) wegennet. In de ene gemeente is het voldoende om louter informatie te ontvangen, in de andere gemeente zal het noodzakelijk zijn om aan verschillende gemeentelijke infrastructurele planningsbijeenkomsten deel te nemen. Alles tussen deze twee uitersten is ook denkbaar.
1
Brief IFV ‘Diensten Niveau Overeenkomst’ aan de veiligheidsregio’s d.d. 1 november 2017.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
10
2 BLUSWATER: RAAMWERK, KADERS EN UITGANGSPUNTEN Dit hoofdstuk voorziet in een raamwerk en uitgangspunten rondom bluswater. Dit raamwerk wordt gevormd door landelijk geaccepteerde modellen binnen de brandweer. Voor deze Regionale Leidraad dienen deze modellen als kennisbasis en gemeenschappelijk referentiekader. De modellen zijn daarmee ook een ordeningsprincipe en de figuurlijke kapstok waaraan bluswaterbeleid kan worden opgehangen. De brandweer hanteert verschillende modellen om maatschappelijke, organisatorische, preventieve en repressieve uitgangspunten weer te geven. Deze modellen helpen met het uitwerken van vraag en aanbod van bluswater en vormen zo de kennisbasis onder deze Regionale Leidraad. Modellen die worden gebruikt: > de sturingsdriehoek; > het cascademodel 3.0; > het kenmerkenschema; > het kwadrantenmodel. De zeven maatschappelijke thema’s uit de Handreiking Regionaal Risicoprofiel gelden als een beproefd ordeningsprincipe. Dit leent zich goed voor toepassing in de voorliggende Regionale Leidraad. 2.1 Toegepaste modellen zet de kern van elk van de modellen kort uiteen. Vervolgens worden de onderlinge relatie tussen de modellen en de duidelijke kaders toegelicht in 2.2 Koppeling van de modellen en kaders. Tot slot licht 2.3 Generieke uitgangspunten enkele repressieve uitgangspunten van de brandweer toe.
2.1 Toegepaste modellen Hieronder worden achtereenvolgens de sturingsdriehoek, het cascademodel, het kenmerkenschema en het kwadrantenmodel besproken. 2.1.1 De sturingsdriehoek De sturingsdriehoek is een model voor onderscheid tussen incidentniveaus en de kenmerken daarvan. De driehoek bestaat uit drie niveaus: standaard, standaardafwijking en afwijking. >
>
>
Een standaard(taak) betreft incidenten die relatief veel voorkomen en waarvoor een zekere standaard inzetmethodiek is te hanteren. Deze incidenten kunnen in veel gevallen worden bestreden met water uit de tank van een tankautospuit. Standaardafwijkingen komen minder vaak voor. Ze zijn voorspelbaar (ze doen zich voor, we weten alleen niet waar en wanneer), zijn realistisch en daarmee maatgevend. In de rest van de tekst wordt voor het niveau ‘standaardafwijking’ de term ‘maatgevend (scenario)’ gehanteerd. De afwijking, ofwel de escalatie, betreft incidenten die wel voorzienbaar zijn maar dusdanig onvoorspelbaar dat er nauwelijks een standaard inzetmethodiek voor is op te stellen. Ook incidenten die de brandweer niet heeft voorzien, de onbekende rampen, vallen onder de afwijking.
Figuur 2.1: De sturingsdriehoek (afkomstig uit lectorale rede Ed Oomes).
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
11
In relatie tot de bluswaterbehoefte ziet de sturingsdriehoek er in tabelvorm als volgt uit: Incidentniveaus Standaard = inzet met water uit de tank
Standaardafwijking = maatgevend bluswaterscenario
Afwijking = escalatiescenario voor bluswater
Kenmerken • Routinematig • Snelle oplossing • Bekende oplossingsmogelijkheden • Minder voorspelbaar • Complexer • Extra inspanning, materieel, protocollen en procedures vereist • Realistisch • Geen routine • Complex, groot en langdurig • Niet met routinehandelingen te bestrijden
Tabel 2.2: Sturingsdriehoek in tabelvorm.
De sturingsdriehoek toegespitst op de bluswaterbehoefte
Figuur 2.3: De sturingsdriehoek gecombineerd met bovenstaande tabel.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
12
2.1.2 Cascademodel brandontwikkeling De bluswaterbehoefte is sterk afhankelijk van de mate waarin een brand zich qua omvang en intensiteit ontwikkelt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de fase waarin een brand zich bevindt op het moment dat de brandweer een interventie pleegt, met de omgeving en met de preventieve voorzieningen. Het verloop van een brand en de betreffende interventie is weergegeven in het cascademodel (figuur 2.4). In het model doorloopt een brand diverse, van elkaar te onderscheiden, ruimtelijke fasen: van voorwerp naar ruimte en naar de wijdere omgeving (bouwlaag, compartiment). In iedere fase bestaan twee mogelijkheden: de brand gaat uit of de brand gaat over naar een volgende fase. Of de brand naar een volgende fase overgaat, is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals preventieve voorzieningen of voldoende bluswater voor repressieve inzet. Het model biedt in combinatie met de sturingsdriehoek mogelijkheden om gestructureerd keuzes te maken voor de mate van bluswatervoorziening (zie ook 2.2 Koppeling van de modellen en kaders).
Figuur 2.4: Het cascademodel 3.0.
2.1.2.1 Cascademodel in relatie tot afwijken van het (brandweer)advies door de gemeente Met het cascademodel is de benodigde hoeveelheid bluswater bepaald. Dit geeft het verloop aan in een aantal stappen van voorwerp, ruimte, verdieping/bouwlaag naar compartiment en uiteindelijk escalatie. De bluswatermatrix geeft weer wat de benodigde hoeveelheid bluswater per gebruiksfunctie en omgeving waarin deze staat is voor het maatgevend scenario van de gebruiksfunctie. Dit komt in de meeste gevallen ook terug in de adviezen richting gemeente. De gemeente kan aangeven niet te kunnen voldoen aan die hoeveelheid bluswater. Ditzelfde cascademodel is ook te gebruiken om de mogelijkheden van de brandweer bij een mindere hoeveelheid bluswater ten opzichte van het advies weer te geven. Zo kan een beeld worden geschetst van de gevolgen van het niet opvolgen van het advies. De knoop in de vlinderdas is de gebeurtenis dat de betreffende ruimtelijke cascade betrokken is bij de brand. De warmte uit een cascade kan een volgende cascade aansteken. De voorliggende cascade is dus de oorzaak en de cascade erna het gevolg. Onderstaand figuur geeft het interventiemoment in de vlinderdas weer.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
13
Fig. 2.5: Het vlinderdasmodel.
2.1.3 Het kenmerkenschema Het kenmerkenschema is een centraal model binnen de brandweer en voor deze Regionale Leidraad. Dit schema geeft inzicht in de mate van brandveiligheid van een bouwwerk. Deze is afhankelijk van: 1. 2. 3. 4. 5.
Brandkenmerken: het ontstaan, de ontwikkeling en effecten van brand. Gebouwkenmerken: het architectonische, bouwkundige en installatietechnische gebouwontwerp in relatie tot het ontstaan, de ontwikkeling en de effecten van brand en het vluchten bij brand. Menskenmerken: de interactie tussen de omgeving en het gedrag van mensen in deze omgeving. Interventiekenmerken: de interventie bij brand door de respons van de brandweer en een eventuele BHVorganisatie. Omgevingskenmerken: de ligging van het bouwwerk in relatie tot de omgeving.
Het kenmerkenschema komt tegemoet aan regionale verschillen. De eerste drie kenmerken zijn van toepassing op elk bouwwerk. De interventie- en omgevingskenmerken kunnen per regio verschillen.
Figuur 2.6: Het kenmerkenschema.
2.1.4 Het kwadrantenmodel Met het kwadrantenmodel bepaalt de repressief leidinggevende zijn of haar inzettactiek. Het is dus vooral een overwegingsmodel voorafgaand aan een daadwerkelijke inzet. De lijnen tussen de kwadranten bij de brandbestrijding symboliseren de noodzaak tot heroverweging van de inzettactiek (het ‘schakelmoment’). Het kwadrantenmodel is opgezet vanuit twee assen: > >
buiten tegenover binnen; defensief tegenover offensief.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
14
De keuze voor een van de vier kwadranten bepaalt dus dus de inzettactiek en daarmee de hoeveelheid te gebruiken. bluswater.
Figuur 2.7: Het kwadrantenmodel.
2.1.5 Relatie met basisprincipes brandbestrijding2 In de basisprincipes wordt gekeken naar de totale mogelijke omvang van de brand die kan ontstaan (het brandvermogen). Dit betekent dat, afhankelijk van de situatie, kan worden gekozen voor lage, (midden) of hoge druk. Dit heeft te maken met de tijd van inzet ten opzichte van de ontwikkeling van de brand. De basisprincipes gaan over branden van maximaal 10MW die met een grotere en veiligere slagkracht met 1 lage drukstraal te blussen zijn. Theoretisch is dan zelfs minder water nodig omdat meer koelend vermogen per tijdseenheid wordt ingezet. Een tank zou dan genoeg moeten zijn. Is er meer nodig, dan is de benodigde slagkracht sowieso te groot voor 1 TS. Bij een binneninzet met deurmanagement is immers niet meer dan 1 straal af te leggen. Het is een wijd verbreid misverstand dat bij het afleggen met lage druk altijd eerst waterwinning in orde moet zijn. Er wordt in de regel niet continu geblust. De tankinhoud van een TS geeft in eerste aanleg behoorlijk wat slagkracht. Dat betekent overigens niet dat er geen scenario’s zijn die meer slagkracht vragen. Dank aan branden in bedrijfspanden of bij een woning met overslag of doorslag. In die gevallen heb je meer slagkracht nodig en moet je afleggen. Daarom is het standaard uitgangspunt 60m3/uur.
2
De basisprincipes brandbestrijding in relatie tot de bluswaterbehoefte is afgestemd met dhr. Dr. Ir. R. Weewer (lector brandweerkunde)
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
15
Fig. 2.8: Basisprincipes.
2.2 Koppeling van de modellen en kaders Het cascademodel biedt, in combinatie met de sturingsdriehoek, mogelijkheden om gestructureerd keuzes te maken voor een toereikende bluswatervoorziening. Door de sturingsdriehoek 90o te kantelen en deze onder het cascademodel te plaatsen, wordt de samenhang tussen deze twee modellen gevisualiseerd. Voorbeeldfiguur 2.9 geeft dit weer. STANDAARD MAATGEVEND
ESCALATIE
Figuur 2.9: Het cascademodel gekoppeld aan de sturingsdriehoek.
Zolang een brand beperkt blijft tot een ruimte, kan deze worden bestreden als een standaardsituatie. Is de brand uitgebreid tot een (beschermd sub)brandcompartiment, dan spreken we van de standaard afwijking. Deze is maatgevend voor de behoefte aan bluswater. Een brand buiten een (beschermd sub)brandcompartiment is dermate afwijkend dat standaardprocedures en hoeveelheden bluswater niet meer toereikend zijn. Vanuit het perspectief van het kenmerkenschema gaat deze Regionale Leidraad uit van een brand die volledig is ontwikkeld binnen de cascade.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
16
De combinatie van voorgaande modellen maakt duidelijk waarop de brandweer zich kan voorbereiden. Hieruit valt het repressief maatgevende scenario voor de brandweer te bepalen. Dit is noodzakelijk omdat dit in sterke mate de bluswaterbehoefte bepaalt. Deze Regionale Leidraad richt zich op de brand-, gebouw- en menskenmerken en generiek bepaalde interventie- en omgevingskenmerken. De wijze waarop de bluswaterbehoefte wordt onderbouwd, is aan de hand van het cascademodel voor de verschillende maatschappelijke thema’s bepaald. Woningen zijn in heel Nederland hetzelfde voor wat betreft brand-, gebouw- en menskenmerken. Het verschil in brandbestrijding zit in de interventie- en omgevingskenmerken. Bijvoorbeeld: het verschil tussen een TS4 of een TS6 (interventiekenmerk) of het verschil tussen een stedelijke of natuurlijke omgeving (omgevingskenmerk).
Voor de advisering van bluswater voor de gebouwde omgeving is het van belang om, naast de gebruiksfunctie en de bouwperiode, te kijken naar de omgevings- en de interventiekenmerken. Deze zijn belangrijk voor de benodigde hoeveelheid bluswater. Daarnaast is het van belang om te kijken of woningen zijn gecombineerd met andere functies (zoals een woning boven een winkel of bij een bedrijf op het terrein).
Een woning boven een winkel met een bouwperiode tussen 1945-2003 vraagt een grotere hoeveelheid bluswater dan eenzelfde soort woning die is gebouwd als rijtjeswoning in een woonwijk. Dit zit vooral in de hogere vuurlast van de winkel onder de woning. Bij combinatie van functies telt de zwaarste bluswaterbehoefte.
2.3 Generieke uitgangspunten Voor het toepassen van de modellen in deze Regionale Leidraad is het noodzakelijk een aantal generieke uitgangspunten te formuleren. Onderstaande punten zijn niet uitputtend. 2.3.1 Algemene uitgangspunten > Objecten en bouwwerken worden gebruikt waarvoor zij zijn bestemd en voldoen aan geldende wet- en regelgeving. > De in en om het pand aanwezige preventieve voorzieningen functioneren goed. > Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit onvoldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/uur. De veiligheidsregio’s Zuid-Limburg en Zeeland kennen op basis van hun omgevings- en interventiekenmerken een absoluut minimum van 30 m3/uur. > Advisering vanuit de veiligheidsregio’s is risicogericht. Hierdoor kan het bevoegd gezag een afweging maken of het risico (kans x effect) in verhouding staat tot de maatschappelijke kosten en baten. > Iedere plaats-incident is ongehinderd bereikbaar voor de juiste brandweervoertuigen. Zo niet, dan geldt een afwijkend scenario. Een verminderde bereikbaarheid heeft invloed op de incidentbestrijding. > Afbrandscenario: het is nooit het doel van de brandweer om een bouwwerk gecontroleerd af te laten branden. Soms rest de brandweer echter geen andere keuze dan te focussen op het beschermen van de omgeving.
Dit is in lijn met het uitgangspunt van de bouwregelgeving dat één brandcompartiment mag afbranden. > De panden waarin voorzieningen (zoals automatische blusinstallaties) zijn aangebracht in het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel, kennen in de basis geen lagere bluswaterbehoefte. 2.3.2 Uitgangspunten incidentbestrijding Deze Regionale Leidraad gaat uit van een standaard wijze van optreden met de volgende uitgangspunten:
> >
> > > >
Voor het redden van personen is de brandweer niet afhankelijk van extern bluswater. Moet bij een brand een redding worden uitgevoerd, dan is het water in de tank van de TS in de regel voldoende. Een standaard manier van optreden, in principe met de volgende middelen (middels enkel of samengestelde eenheden): o standaard bepakte TS inclusief waterkanon; o standaard bezetting van 6 mensen; o tank van minimaal 2.000 liter voor een reguliere TS. Een inzet conform de Basisprincipes voor brandbestrijding afgestemd op de regionale interventiekenmerken. Brandweerpersoneel is opgeleid en vakbekwaam conform geldende normen. Een intrededruk van minimaal 0,5 bar op de TS. De bluswatermatrix gebruikt de tijdsgroepen 3, 63, 15 minuten en 60 minuten. Voorheen zijn deze tijdsgroepen ook wel geordend als primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorziening. Het staat de regio’s vrij deze terminologie te
3 Toelichting AB-water (6 min. tijdscategorie): Indien 60 m³/uur binnen 15 minuten niet in 1 keer te realiseren is kan er een tussenstap gebruikt worden van 30 m³/uur
binnen 6 min. om de brand te beheersen totdat er 60 m³/uur beschikbaar is. In regio’s waar de eerste slagkracht afwijkt van een standaard TS dan kan deze tussenstap nodig zijn.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
17
>
blijven gebruiken, maar in deze Regionale Leidraad is dit losgelaten: de termen primair, secundair en tertiair kunnen verbonden zijn met vaste denkbeelden en het risicogerichte denken niet stimuleren. Daarnaast hanteren de drinkwaterbedrijven deze termen in omgekeerde volgorde. In deze Regionale Leidraad wordt daarom een ordening gebruikt met de termen A-, AB3-, B- en C-water. Deze termen corresponderen met de hiervoor genoemde tijdsgroepen. De uitleg van deze termen vindt u in paragraaf 3.2.2.3. Bij de advisering van de locatie van de bluswatervoorziening wordt rekening gehouden met de bereikbaarheid, de opstelplaats en de valschaduw van het pand en geadviseerde (aanvullende) preparatieve voorzieningen.
2.3.3 Verwachtingen ten aanzien van het optreden van de brandweer De brandweer geeft in deze Regionale Leidraad op basis van algemene uitgangspunten en de huidige inzichten een verwachting aan ten aanzien van het optreden zoals dat onder normale omstandigheden wordt gedaan. In een aantal gevallen vragen de omstandigheden een andere – en voor de brandweermensen veiliger - manier van optreden. Vaak heeft dat gevolgen voor het schadebeeld dat kan ontstaan. De in deze tekst aangegeven doelstellingen en verwachtingen ten aanzien van de inzet zijn bedoeld om beeld te geven en interne duiding te geven aan de opgenomen tekst en getallen. Het is dus geen resultaatverplichting die de brandweer in alle gevallen kan hanteren. Het is bedoeld om het bluswateradvies te kunnen onderbouwen en desnoods in maatwerk om te kunnen zetten.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
18
3 BLUSWATER AAN DE HAND VAN ZEVEN THEMA’S In dit hoofdstuk worden de bluswaterbehoeften voor verschillende scenario’s gepresenteerd. De volgende zeven maatschappelijke thema’s vormen het ordeningsprincipe voor de bluswateradvisering van deze Regionale Leidraad: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Natuurlijke omgeving (paragraaf 3.1 Natuurlijke omgeving) Gebouwde omgeving (paragraaf 3.2 Gebouwde omgeving) Technologische omgeving (paragraaf 3.3 Technologische omgeving) Vitale infrastructuur en voorzieningen (paragraaf 3.4 Vitale infrastructuur en voorzieningen) Verkeer en vervoer (paragraaf 3.5 Verkeer en vervoer) Gezondheid (paragraaf 3.6 Gezondheid) Sociaal-maatschappelijke omgeving (paragraaf 3.7 Sociaal-maatschappelijke omgeving)
Deze thema’s worden gebruikt voor het opstellen van het regionale risicoprofiel van de veiligheidsregio’s. Dit is wettelijk verplicht voor iedere veiligheidsregio. Door de bluswaterbehoefte te beschrijven aan de hand van de zeven thema’s, wordt het volledige scala aan incidenten gedekt. Ook de minder voor de hand liggende scenario’s belicht. De thema’s hebben een multidisciplinaire insteek maar zijn ook monodisciplinair bruikbaar om de bluswaterbehoefte in beeld te brengen. Dit zorgt voor een bredere scope en faciliteert het risicogericht denken en adviseren bij gemeenten, veiligheidsregio’s en de brandweer zelf. Risicogericht adviseren Deze Regionale Richtlijn biedt aanwijzingen voor die situaties waarbij een brand niet kan worden bestreden met alleen het water in de tank van de eerste eenheid (of eenheden) en er dus aanvullend water nodig is. Er zijn namelijk twee beïnvloedbare factoren waarmee de adviseur rekening kan houden: debiet (de hoeveelheid water) en tijd (de snelheid waarmee het water beschikbaar is). Debiet en tijd beïnvloeden elkaar als volgt: door een langere tijd te stellen voordat extern water beschikbaar moet zijn, is het denkbaar dat de brand zich verder kan ontwikkelen. Dit vraagt om een hoger debiet voor de bestrijding dan het referentiedebiet in het model. Andersom geldt dit ook.
Bij eerder beschikbaar debiet wordt de ontwikkeling geremd en kan er mogelijk met minder debiet worden volstaan. Gezien de (maatschappelijke) kosten en eventuele onmogelijkheden die dit met zich meebrengt, kan of zal de adviseur van de regio daarom maatwerk toepassen. Het thema Gebouwde omgeving is in deze Regionale Leidraad uitgewerkt aan de hand van regionale interventiekenmerken. Deze zijn vertaald naar scenario’s en een passende bluswatermatrix. Energietransitie De energietransitie is bij het schrijven van deze Regionale Leidraad volop in ontwikkeling. De verwachting is dat het gebruik van fossiele brandstoffen wordt uitgefaseerd. Hoe dit gaat gebeuren, is nog niet uitgekristalliseerd. Maar in hoofdlijnen betekent het beleid van ‘nul op de meter’ dat de centrale energievoorraden kleiner worden en de lokale groter. Het is nog niet duidelijk wat dit precies gaat betekenen voor de hoeveelheid bluswater. Wellicht is in de toekomst op bepaalde plekken meer of misschien wel minder water nodig. Voortschrijdend inzicht zal verder vorm geven aan het bepalen van de bluswaterbehoefte. Vooralsnog is maatwerk vereist. Hierbij zullen eventueel toekomstige landelijke handreikingen en dergelijke worden meegewogen.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
19
3.1 Natuurlijke omgeving4 Onder natuurlijke omgeving worden de volgende soorten (natuur)gebieden verstaan: loof- en naaldbos, heide, duingebied en veengebied.
3.1.1 Verantwoordelijkheden en achtergrond Het beheersen van het natuurbrandrisico is een primaire verantwoordelijkheid van de betreffende natuurbeheerder. Hierbij horen ook de verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Gemeenten zijn overeenkomstig de Wet veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor een adequate bluswatervoorziening in de openbare ruimte. Hierbij kunnen gemeenten, in geval van vergunningverlening. bij een hoger brandrisico zwaardere eisen stellen aan bluswater en bereikbaarheid. Ook kunnen gemeenten een adequate bluswatervoorziening als voorwaarde stellen voor het vergunnen van nieuwe activiteiten. Voor natuurgebieden stelt de wetgeving (nog) geen eisen aan een duiding voor een adequate bluswatervoorziening. Wel kan het bevoegd gezag voorwaarden aan natuurbeheerders stellen. De meeste natuurgebieden krijgen niet te maken met grootschalige veranderingen. Wel worden nieuwe natuurgebieden aangelegd en worden nieuwe activiteiten binnen of aan de rand van natuurgebieden gevestigd. Gezien het groter wordende natuurbrandrisico is het noodzakelijk dat ook hiervoor een adequate bluswatervoorziening beschikbaar is. De vraag is hierbij hoeveel bluswater nodig is en binnen welke tijd dit beschikbaar moet zijn.
Dit is bij natuurbranden afhankelijk van het brandvermogen (dit hangt af van de soort vegetatie) en de ontwikkelsnelheid. Over deze grootheden is nog weinig bekend. Zij zijn immers afhankelijk van een groot aantal variabelen. Bovendien zijn praktijkproeven in Nederland bijna onmogelijk. 3.1.2 Complexiteit en bestrijding van natuurbranden Binnen de brandgevoelige natuurgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen natuurbranden in bos, op heide/grasland, in veengebied, duinen en rietkragen. Recent kwamen daar door het droge, warme weer ook akkerlandbranden (koren) bij. Voor het bestrijden van natuurbranden moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden. De ontwikkeling van een natuurbrand is afhankelijk van een groot aantal factoren: de soort vegetatie, windsterkte, luchtvochtigheid, de vochtigheid in vegetatie, temperatuur en het jaargetijde. Voor de bestrijding komen daar, net als bij de bestrijding van andere branden, nog een aantal variabelen bij. Denk aan de ontdekkings- en de opkomsttijd, de bereikbaar- en bestrijdbaarheid van de brand en de beschikbaarheid van voldoende, al dan niet specifiek, brandweermaterieel en personeel en bluswater. De natuurbrandbestrijding maakt ten aanzien van de tactiek onderscheid in toegankelijk en ontoegankelijk terrein en een offensieve of defensieve aanpak.
De strategie is om daar waar mogelijk en verantwoord zo snel mogelijk de kop van het vuurfront te beheersen. Daarnaast is het gebruikelijk te werken met flanken. Afhankelijk van de grootte van de natuurgebieden in een veiligheidsregio moet hiermee bij de materieelkeuze en de toepassing van diverse soorten watertransportsystemen rekening worden gehouden. 3.1.3 Bluswatercapaciteit De hoeveelheid bluswater is vooral afhankelijk van de soort vegetatie die brandt, het vrijkomende brandvermogen, de omvang van de brand, de uitbreidingssnelheid en de tactische keuzes. Bij een kleine, bereikbare brand wordt de brand wellicht als een oppervlaktebrand bestreden. Bij meer ontwikkelde branden bestrijdt men in eerste instantie vooral het voortschrijdende vuurfront. Een cascade is daarbij moeilijk aan te geven omdat in natuurgebieden compartimenteringen zoals in de gebouwde omgeving grotendeels ontbreken; een compartiment kan een groot aantal hectaren beslaan en de compartimentsgrenzen kunnen kilometers lang zijn.
Op basis van beperkt (experimenteel) onderzoek (Lemaire en Van Mierlo, 2014) kan, in combinatie met professionele ervaringen, de volgende gemiddelde bluswatervraag worden bepaald: Voor een defensieve bestrijding (het aanbrengen van natte stoplijnen) bij heide- en grasbranden naast een zandpad of verharde weg, is een te organiseren bluswatercapaciteit nodig van circa 4 l/m2 met een diepte van 5 meter. Deze moet periodiek worden onderhouden (15-30 minuten). De noodzakelijke hoeveelheid water is dan vooral afhankelijk van de lengte van de te maken stoplijnen en het tijdverloop. De benodigde bluscapaciteit moet worden gerealiseerd via de tankinhoud van de eigen TS’en en via de aanwezige bluswatervoorzieningen in combinatie met de hierbij binnen de brandweer gebruikelijk toegepaste water-logistieke systemen: watertransportsystemen, waterwagens en/of het pendelen met TS’en. Veiligheidsregio’s hebben, afhankelijk van de omvang en het natuurbrandrisico’s, geïnvesteerd in specifiek blusmaterieel en water-logistieke systemen. Zo zijn 4
Dit maatschappelijke thema is opgesteld door de landelijke vakgroep natuurbrandbeheersing.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
20
bijvoorbeeld natuurbrandbestrijdingsvoertuigen uitgerust met een minimale tankinhoud van 3.000 liter en worden 4x4 aangedreven. 3.1.4 Inventarisatie Een eenvoudige methode is het trekken van cirkels met een diameter van 2 km om bluswatervoorzieningen van circa 90 m3/uur en groter. Hiermee zijn lacunes in de bluswatervoorziening op te sporen. Hierbij is ook een relatie gelegd met het instrument Risico-Index Natuurbranden (RIN), waarin bij onderlinge afstanden van bluswatervoorzieningen van meer dan 2 km op dit onderdeel de hoogste risicoscore wordt toegekend. Bij de positionering en realisatie van bluswatervoorzieningen in en rond natuurgebieden is het goed om met het volgende rekening te houden: >
>
Een groot aantal bluswaterbronnen (brandkranen, geboorde putten en open water) bevindt zich in de gebouwde omgeving van de natuurgebieden, zoals bij recreatieondernemingen, bedrijven, zorginstellingen en woningen. Daarnaast worden bij steeds meer infrastructurele kunstwerken bluswaterbronnen aangelegd. Op basis van de aanwezige bluswaterbronnen in de gebouwde omgeving en het als bluswater beschikbare open water in een natuurgebied, moet beoordeeld worden of er binnen een afstand van 2 km voldoende bluswater te operationaliseren is. Het is belangrijk dat de bluswatervoorzieningen op logische punten worden aangebracht. Hierbij moet rekening gehouden worden met de opstelplaatsen, met de mogelijkheid van meerdere rijrichtingen en met een zo veilig mogelijke opstelling met betrekking tot de brandbaarheid van de omliggende vegetatie. Dit gaat altijd in overleg met de eigenaar/beheerder en het bevoegd gezag.
Advies De aanwezigheid van bluswater moet integraal worden beschouwd met alle andere voor natuurbrandbeheersing relevante parameters, zoals vegetatie en geografie. Zo’n beschouwing is specialistisch werk en neem daarom altijd contact op met de specialisten natuurbrand.
3.2 Gebouwde omgeving 3.2.1. Bluswater voor gebouwen De bluswaterbehoefte voor de gebouwde omgeving bij maatgevende incidenten is in beeld gebracht in de Bluswatermatrix Bijlage 1a: Bluswatermatrix) waarin gebruiksfuncties en gebiedstypes zijn gecombineerd. Door de koppeling van gebiedstypes (omgevingskenmerken) en gebruiksfuncties is er voor de brandweeradviseurs een raamwerk gemaakt. Op basis daarvan is een vertaling van de regels naar de risico’s te maken. Aan de hand van vier bluswaterscenario’s is in de bluswatermatrix de bluswaterbehoefte beschreven. Voor Zeeland geldt een andere matrix die aansluit bij de Zeeuwse interventiekenmerken. De geadviseerde hoeveelheden kunnen afwijken van de in de Landelijke Handreiking genoemde generieke hoeveelheden. Ze sluiten aan op de interventie- en omgevingskenmerken van de betreffende regio’s, zoals bedoeld in de Landelijke Handreiking. Voor Zeeland geldt dat de in de landelijke matrix gebruikte indeling in tijdperiodes (voor 1945, 1945 tot 2003 en vanaf 2003) aansluiten bij de interventiekenmerken en de hierbij geadviseerde bluswaterbehoefte. Voor de overige regio’s is de bluswatermatrix verdeeld in de categorieën na en vóór 1945. 3.2.2 Generieke beschrijvingen In onderstaande tekst worden generiek de meest voorkomende gebruiksfuncties en gebiedstypen toegelicht. Het betreft hier een denkkader.
Het is de expertise van de adviseur om de genoemde aantallen - in individuele gevallen en daar waar mogelijk - naar beneden bij te stellen. Bijstelling naar boven kan ook, daar waar noodzakelijk en rekening houdend met de risico’s op onbeheersbare brand (escalatie). Deze bijstelling kan door de adviseurs worden voorzien van toelichting die recht doet aan de uitgangspunten van dit document. De adviseur zal hierbij onder andere het kenmerken schema, het cascademodel 3.0 etc. gebruiken zoals weergegeven in hoofdstuk 2. 3.2.3 Uitleg bluswatermatrix De bluswatermatrix kent een verband met het regionale dekkings- en spreidingsplan (de interventiekenmerken). Zo ook kennen de bluswaterbehoefte en de mogelijkheden van bluswatertransport van de brandweer een onderling verband. Deze matrix is gebaseerd op de huidige stand van de techniek en de huidige inzichten van brandbestrijding. Het afwijken van de matrix is mogelijk, zo lang dit aansluit bij de huidige stand van zaken voor wat betreft mensen, middelen en materieel, die als basis hebben gediend voor deze matrix. De tijden geven aan hoe snel bluswater gewenst is na aankomst van de eerste TS. De bluswatermatrix bestaat uit gebiedstypen en gebruiksfuncties en wordt hieronder toegelicht. Daarna volgt de uitleg over de kenmerken en de soorten van bluswater.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
21
3.2.2.1 Gebiedstypen De gebiedstypen komen uit de wereld van de ruimtelijke ordening en sluiten hiermee aan bij de gemeentelijke taal en ordening van de openbare ruimte. Hierbij onderscheiden we de volgende gebiedstypen: Oude binnenstad
Bebouwde kom (inclusief bedrijventerrein)
Buitengebied Natuurgebied
Kenmerkt zich door aaneengesloten bouwwerken, een cluster van bouwwerken, voornamelijk van voor 1945. Branddoorslag en -overslag kunnen wegens minder adequate preventieve voorzieningen naar meerdere richtingen snel plaatsvinden. Het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. Bedrijventerrein, bedrijvenpark of handelspark is een gebied dat in eerste instantie bedoeld is voor de vestiging van commerciële bedrijven. Het gebied niet zijnde bebouwde kom. Een aaneengesloten natuurgebied van minimaal 1.000 hectare of aangewezen als dusdanig.
Er wordt onderscheid gemaakt in bouwwerken met een bouwjaar van vóór en na 1945. Bouwwerken van vóór 1945 kennen een groter risico van (snelle) branddoorslag en/of overslag naar meerdere richtingen. Bij panden van vóór 1945 moet per wijk gekeken worden of de tijd van 3 minuten noodzakelijk is. Dit zal vooral gelden voor oude binnensteden en moeilijk bereikbare bouwwerken.
3.2.2.2 Gebruiksfuncties De gebruiksfuncties zijn zoveel mogelijk ontleend uit het Bouwbesluit 2012. Hieraan zijn voor de toepasbaarheid op bluswater de functies evenementen en verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld campings of jachthavens) uit Bgbop toegevoegd. Om de bluswaterbehoefte te bepalen, is er behoefte aan een verdere onderverdeling binnen de bestaande gebruiksfuncties c.q. functies uit de Bgbop. Om tegemoet te komen aan het uitgangspunt ‘voldoende bluswater tegen de laagste maatschappelijke’ kosten moet een goede afweging gemaakt worden wanneer A-water of B-water gevraagd wordt. De bluswatermatrix is het uitgangspunt voor het bepalen van de behoefte. De adviseur bepaalt of de bluswatermatrix voldoende passend is bij het bepalen van zijn definitieve advies. De bluswatermatrix gaat uit van een basisvoorziening. Afhankelijk van specifieke gebouw- en omgevingskenmerken kan naar boven of naar beneden worden bijgesteld. Regionale interventie- en omgevingskenmerken zijn bepalend voor de uitkomst van het advies. De bluswatermatrix is verdeeld in kolommen. Deze kolommen worden hierna toegelicht. De toelichting beschrijft de gebouwkenmerken en daarbij de gehanteerde uitgangspunten voor het bepalen van de bluswaterbehoefte. Het uitgangspunt voor de bouwwerken/gebruiksfuncties is dat deze voldoen aan het Bouwbesluit.
Daar waar gelijkwaardige oplossingen zijn toegepast (bijvoorbeeld grote brandcompartimenten), geldt in de basis geen lagere bluswaterbehoefte dan in de matrix wordt weergegeven. •
(droge) blusleiding o Indien een (droge) blusleiding aanwezig is, dan dient er ook in A-water voorzien te worden. o Vanuit het Bouwbesluit is een droge blusleiding verplicht bij bouwwerken met een verblijfsvloer hoger dan 20 meter (zie verder toelichting hoogbouw). o Als voor een bouwwerk de inzetdiepte vanaf de opstelplaats brandweervoertuig meer dan 60 meter bedraagt, en niet voorzien kan worden in alternatieve brandweeringangen (met opstelplaats), is tevens een (droge) blusleiding vereist.
INTERREGIONALE ADVIESLEIDRAAD BLUSWATERVOORZIENING EN BEREIKBAARHEID 2022
22
Met maximaal 4 bouwlagen
Met 5 of meer bouwlagen
Met 24-uurszorg
Woonfunctie
Portiekwoningen
Kamerverhuur
Onderwijsfunctie
Met maximaal 4 bouwlagen Kantoorfunctie Met 5 of meer bouwlagen
Rijtjeswoningen, vrijstaande woningen of kleinschalige appartementencomplexen. Gebouwen zijn overzichtelijk. Over het algemeen is een snelle inzet mogelijk. B-water is voldoende. Bij 5 of meer bouwlagen kennen we langere aanvalswegen waardoor een brand zich langer kan ontwikkelen alvorens daarop ingezet zal worden. Beschikbaarheid van A-water wordt geadviseerd. Er is een toename van deze woonvormen. Bouwwerken zijn veelal voorzien van beschermde sub-brandcompartimentering en een brandmeldinstallatie met automatische bewaking. In de basis is er een snelle branddetectie en alarmering. De aanwezigheid van verminderd of niet zelfredzame personen zorgt er veelal in de praktijk voor dat een eerste taak van de brandweer ligt in het ondersteunen van redding en ontruiming waardoor een brand zich verder kan ontwikkelen voordat hierop ingezet kan worden. De beschikbaarheid van A-water wordt hierdoor geadviseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de maatschappelijke impact van branden in deze woonvormen. Kenmerk van een portiekwoning is dat deze beschikken over slechts één vluchtroute, die ook de aanvalsroute voor de brandweer is. Het is aannemelijk dat er rook in de vluchtroute terecht komt, wat vluchten en de inzet van de brandweer belemmert. De brandweer zal hier eerst inzetten op redding, met als gevolg dat de brand zich mogelijk verder zal kunnen ontwikkelen.
Portiekwoningen gebouwd na 2012 zijn voorzien van zelfsluitende voordeuren waardoor minder snel de vluchtroute en aanvalsroute vol met rook zal staan. De verplichte aanwezigheid van rookmelders zorgt voor een snellere alarmering. In de basis gaan we uit van aanwezigheid van B-water, voor bestaande portiekwoningen kan maatwerk vereist zijn. Woningen waarvoor een gedeelte van de woning bestemd is voor afzonderlijke bewoning met daarbij minimaal 5 afzonderlijke wooneenheden. Deze vorm van wonen is qua bluswaterbehoefte vergelijkbaar met andere woonfuncties. Vaak bouwwerken met grotere brandcompartimenten (tot 1.000 m2). Op basis van wetgeving is veelal geen brandmeldinstallatie met automatische bewaking noodzakelijk en ook veelal niet aanwezig. Buiten openingstijden zal een brand later ontdekt worden en zal de brandweer in moeten zetten op het beperken van de brand tot één brandcompartiment en het voorkomen van branddoorslag naar een naastgelegen brandcompartiment, dan wel brandoverslag naar naastgelegen gebouwen. Voor deze eerste inzet wordt A-water geadviseerd, ook bij scholen tot 4 bouwlagen. Gezien de functie wordt rekening gehouden met maatschappelijke impact en verwachtingen. Dit betreft kleinschalige kantoorgebouwen. Gebouwen zijn overzichtelijk en over het algemeen is een snelle inzet mogelijk. Beschikbaarheid van Bwater is voldoende.