CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Motivering Bedrijventerrein Koekoek II

Commissievergadering 29 augustus 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan Ontwikkelgebied Bedrijventerrein Koekoek II27.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

22 regels daarop van toepassing zijn en welke waarden (afdeling 3) gelden. De regels voor de activiteiten zelf zijn opgenomen in afdeling 4 t/m 7. Werkingsgebieden In deze wijziging van het omgevingsplan zijn verschillende typen werkingsgebieden onderscheiden. Allereerst zijn er zogenaamde ‘gebiedstypes’ aangewezen, waarvan de belangrijkste 'Bedrijventerrein Koekoek II‘ en ‘Woongebied’. Daarnaast zijn er verschillende aandachtsgebieden en restrictiegebieden bepaald. Tot slot zijn specifieke aanwijzingen opgenomen voor infrastructuur en een groene bufferzone, met bijbehorende gebiedstypes. Gebiedstypen Per gebiedstype kunnen verschillende afwegingen worden gemaakt in de te stellen regels. In afdeling 2 worden de doelstellingen voor het gebied benoemd en de waarden bepaald die voor het gebied gelden. Vervolgens is aangemerkt welke activiteiten in het gebied zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels. Deze regels zijn opgenomen in afdeling 4 t/m 7. Aandachtsgebieden en restrictiegebieden Aanvullend op de keuzes die voor het gebiedstype gemaakt zijn, kunnen ook extra afwegingen noodzakelijk of gewenst zijn. Het doel van een aandachtsgebied is om voor de gronden binnen dat gebied extra waarborgen of bescherming in het leven te roepen, ten opzichte van gronden daarbuiten. Voor dit gebied worden dus andere, aanvullende regels uit afdeling 4 t/m 7 ‘geactiveerd’.

Restrictiegebieden zijn ingegeven door de behoefte om onderdelen van de fysieke leefomgeving te beschermen tegen activiteiten die zich daarmee niet goed verhouden. Bijvoorbeeld (vaar)wegen en andere infrastructuur, maar ook monumenten en cultureel erfgoed. Zo kan voor bouwen binnen een restrictiegebied een vergunningplicht worden ingesteld, waarbij de bescherming van dat aspect bij het beoordelen van een aanvraag wordt betrokken. Van belang is dat door het aanwijzen van een aandachtsgebied een extra afweging op gang wordt gebracht. Met het opleggen van een restrictiegebied worden aanvullende (strengere) regels voor activiteiten gesteld bovenop het reguliere beoordelingskader. Aanwijzingen infrastructuur en openbare ruimte Naast de gebiedstypen en de aandachts- en restrictiegebieden zijn in deze wijziging van het omgevingsplan ook aanwijzingen opgenomen voor de infrastructuur en een zogenaamde ‘bufferzone’. Het gaat hier om aanwijzingen voor bestaande en toekomstige wegen en openbare ruimte. Binnen deze aanwijzingen is bepaald welke activiteiten mogen worden verricht. Deze zijn hoofdzakelijk gericht op het onderhoud, aanleggen en in stand houden van de infrastructurele voorzieningen.

4.3.2 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving Parkeren Voor het bouwen van een gebouw met parkeerbehoefte geldt dat er voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op eigen terrein, conform de ‘Nota Parkeernormen gemeente Moerdijk 2021’. Water en klimaatadaptatie In deze wijziging van het omgevingsplan is een specifieke zorgplicht opgenomen, waarmee is geborgd dat dient te worden voorzien in voldoende waterberging. Milieuzonering nieuwe stijl In het bestemmingsplan werd gewerkt met een zogenaamde inwaartse zonering op basis van de VNGbrochure 'bedrijven en milieuzonering'. Veel denkbare bedrijven en bedrijfsactiviteiten waren

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

23 opgenomen op een lijst en daarin ingedeeld in milieucategorieën. Daarin werd de ruimtelijke component van de bedrijvigheid gereguleerd, de milieucomponent werd in afzonderlijke wet- en regelgeving gereguleerd (zoals het Activiteitenbesluit). Onder de Ow wordt deze aanpak niet meer ondersteund, aangezien de milieuregels nu ook direct in het omgevingsplan moeten worden opgenomen en e.e.a. integraler moet worden beschouwd. De VNG heeft ter inspiratie een 'milieuzonering nieuwe stijl' ontwikkeld, waarbij in dit plan is aangesloten voor het toekomstige bedrijventerrein Koekoek II. In het gebiedstype gelden waarden voor activiteiten die geur en geluid veroorzaken, waarmee voor geluid en geur een zekere gebruiksruimte aan de bedrijven wordt toebedeeld. - Voor de geurruimte op het bedrijventerrein gelden regels voor het verrichten van een activiteit waarbij emissies naar de lucht plaatsvinden. Als deze activiteiten plaatsvinden in het gebiedstype moet voldaan worden aan de normen voor toelaatbare geur. De toegelaten waarden zijn vermeld in de tabel ‘waarden voor geur’ en worden gemeten in OUE/m3. De waarden gelden op een afstand van 10 respectievelijk 50 meter vanaf de grens van de plek waar de activiteit wordt verricht. Deze afstand is afhankelijk van de zone waarbinnen de activiteit plaatsvindt.

Voor het geval dat de plek waar de activiteit wordt verricht in meer dan één zone ligt geldt de strengste norm. De ligging van de zones is uitgemeten ten opzichte van het gebiedstype Woongebied, om te borgen dat de betreffende zone zich op een minimale afstand tot de woningen bevindt. In de publicatie ‘milieuzonering nieuwe stijl’ (mei 2019) is voor zone 1 een norm gegeven op 30 meter afstand. De waarden bij deze norm sluit aan bij de woonomgeving ‘rustig woongebied’. In de woonomgeving ‘gemengd gebied’, waar in deze situatie sprake van is, is een hogere geurbelasting aanvaardbaar. Dit is te vertalen in een hogere geurbelasting op een kortere afstand. Daarom is in de tabel een afstand van 10 meter opgenomen in plaats van 30 meter. Daarnaast is hiermee de geurbelasting bij omliggende woningen beter geborgd, omdat tussen de 10 en 30 meter rondom het terrein woningen kunnen liggen die slechts impliciet beschermd zouden zijn als een norm op 30 meter gesteld wordt. - Voor de geluidruimte gelden op het bedrijventerrein regels voor activiteiten die geluid veroorzaken (anders dan wonen). In de regels zijn de waarden uit de tabel voor geluid op een bedrijventerrein opgenomen.

De waarden geven het maximale geluid dat een activiteit mag emitteren op een afstand van respectievelijk 10, 30 en 50 meter vanaf de grens van de plek waar de activiteit plaatsvindt op een bepaald tijdstip gedurende de dag. In de VNG publicatie wordt uitsluitend ingegaan op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Aanvullend zijn in deze omgevingsplanwijziging ook voorschriften voor het maximale geluidsniveau gesteld. Hiermee wordt de gebruiksruimte voor dit aspect ook begrensd en vastgelegd. Wanneer de maximale geluidsniveaus uitsluitend bij de woningen vastgelegd zouden zijn, wordt aan de bedrijven op grote afstand teveel gebruiksruimte toegekend. 4.3.3 Activiteiten In een omgevingsplan worden regels gesteld aan activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze zijn voor deze wijziging opgenomen in afdeling 4 t/m 7 van de regels. Hieronder wordt beknopt toegelicht om welke activiteiten het gaat. Gebruiksactiviteit Naast de bouwactiviteiten en aanlegactiviteiten zijn er ‘gebruiksactiviteiten’. Deze kunnen min of meer worden vergeleken met de bestemmingen in bestemmingsplannen. Deze activiteiten bepalen waarvoor en hoe bouwwerken en gronden gebruikt mogen worden. De systematiek voor de gebruiksactiviteiten in de regels van deze omgevingsplanwijziging is als volgt vormgegeven.

Binnen elke gebruiksactiviteit in afdeling 4 is een aanwijzing van de activiteiten opgenomen. Hierin is gedetailleerder bepaald welke activiteiten allemaal onder de hoofdactiviteit worden verstaan. Dit is te vergelijken met de bestemmingsomschrijvingen uit bestemmingsplannen. Soms zijn hier verschillende categorieën opgenomen. Gebruiksactiviteiten die niet zijn opgenomen in deze omgevingsplanwijziging, zijn ook niet toegestaan. Hierna worden de gebruiksactiviteiten in het algemeen toegelicht:

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

24 -

-

-

-

-

-

Woonactiviteiten: Voor de bestaande woningen aan de rand van het toekomstige bedrijventerrein is de ‘woonactiviteit’ opgenomen. Deze activiteit sluit aan bij de bestaande gebruiksmogelijkheden voor de woningen. Tuinactiviteit: Voor een deel van de particuliere percelen die in het voorgaande bestemmingsplan een tuinbestemming kenden, is een tuinactiviteit opgenomen. Deze activiteit sluit aan bij de bestaande gebruiksmogelijkheden. Bedrijfsactiviteit: Bedrijfsmatige activiteiten zijn binnen het gebiedstype generiek toegestaan. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen bedrijvigheid: ‘reguliere bedrijvigheid’ en bedrijvigheid gericht op logistieke diensten. De maximale kavelgrootte voor bedrijven bedraagt 5.000 m2, waarmee grootschalige logistiek wordt uitgesloten. Voor nieuwe bedrijvigheid geldt een meldingsplicht. Kantooractiviteit: Voor deze activiteit geldt dat kantoorfuncties zonder vergunningplicht zijn toegestaan, mits deze een activiteit op dezelfde locatie ondersteunen en tot ten hoogste 25% van het totale bedrijfsoppervlak; Detailhandelsactiviteit: Voor deze activiteit is onderscheid gemaakt in drie typen detailhandel: reguliere detailhandel, volumineuze detailhandel en functioneel ondersteunende detailhandel. Op het bedrijventerrein is in principe enkel ondergeschikte detailhandel toegestaan, conform provinciaal beleid.

Volumineuze detailhandel is ook toegestaan wanneer het om een verplaatsingsopgave gaat. Hier is een vergunningplicht voor opgenomen. Recreatieve activiteiten: Onder recreatieve activiteiten worden activiteiten verstaan op het gebied van sport, wellness en amusement. Deze zijn niet gewenst en dus ook uitgesloten op het bedrijventerrein.

Bouwactiviteiten In de Ow wordt het bouwen opgedeeld in twee afzonderlijke activiteiten: de technische bouwactiviteit en de ruimtelijke bouwactiviteit. Om een bouwwerk te kunnen bouwen moet worden voldaan aan de regels die voor de technische bouwactiviteit gelden en de regels die voor de ruimtelijke bouwactiviteit gelden. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit wordt getoetst aan de bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl – de opvolger van het Bouwbesluit 2012). Voorliggende wijziging van het omgevingsplan stelt geen aanvullende eisen ten opzichte van de eisen uit het Bbl, waardoor de technische bouwactiviteit verder buiten beschouwing wordt gelaten. De ruimtelijke bouwactiviteit wordt beheerst door wat er in het omgevingsplan staat. Het omgevingsplan bepaalt wat er waar mag worden gebouwd. Als het omgevingsplan een vergunning eist voor een bouwactiviteit, wordt gesproken van een omgevingsplanactiviteit. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit ‘ruimtelijke bouwactiviteit’ wordt getoetst aan het omgevingsplan. Via artikel 22.26 van de bruidsschat is tijdens de overgangsperiode in het omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten (binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit). Voor het bouwen en uitbreiden van gebouwen, is dus een vergunning vereist.

Hiervoor zijn per gebiedstype en werkingsgebied regels opgenomen, waarbij voor het bedrijventerrein tevens wordt getoetst aan het als bijlage opgenomen beeldkwaliteits-, klimaat- en duurzaamheidsplan. Uitvoeren van werken en werkzaamheden (aanlegactiviteit) Deze activiteit is enigszins te vergelijken met de ‘werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden’ zoals in bestemmingsplannen voorkwam. Het gaat onder meer om regels voor graven en breken. De regels voor deze activiteiten zijn met name gesteld om een extra bescherming in te stellen binnen bepaalde restrictiegebieden. In de regels voor deze activiteiten is bepaald welke activiteiten mogen worden uitgevoerd (bijvoorbeeld beheer en onderhoud); voor alle overige activiteiten geldt dan een vergunningplicht. Deze vergunning wordt alleen verleend als de oogmerken (doelen waarvoor de bescherming ingesteld is) niet onevenredig worden geschaad. TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

25

Milieubelastende activiteit Met het in werking treden van de Omgevingswet komen veel rijksregels die in onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit en Woningwet te vervallen. Als deze vervallen regels toch nodig zijn om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen, moeten gemeenten deze opnemen in het omgevingsplan. Om er voor te zorgen dat hierdoor geen regelhiaat ontstaat, worden deze vervallen rijksregels van rechtswege als 'bruidsschat' aan het omgevingsplan van rechtswege gehecht. Deze bruidsschatregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels) van het omgevingsplan. Hoewel deze bruidsschat onderdeel uitmaakt van het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan, blijft deze van kracht tot het moment dat de gemeente deze regels met een besluit tot wijzigen van het omgevingsplan wijzigt of laat vervallen. De bruidsschat bevat milieuregels voor activiteiten die lokaal geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld over geluidshinder of geurhinder bij een horecagelegenheid, sportinrichting of een winkel. Ook bevat de bruidsschat regels over immissies van geluid, geur en trillingen.

Bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk in verband met de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein Koekoek II worden de milieubelastende activiteiten voor het merendeel onder het overgangsrecht geplaatst. Op deze milieubelastende activiteiten blijven de regels uit de bruidsschat van toepassing. Voor wat betreft het onderdeel ‘bedrijven en milieuzonering’ wordt hiervan afgeweken door aan te sluiten bij de nieuwe systematiek ‘milieuzonering nieuwe stijl’. Hiervoor worden in afdeling 3 waarden opgenomen voor geluid en geur door activiteiten. Omdat het onderdeel ‘stof’ uit de oude systematiek hierin geen plek heeft gekregen, zijn in afdeling 6 aanvullende regels met betrekking tot het veroorzaken van stof door bedrijfsmatige activiteiten opgenomen. 4.4

Artikelsgewijze toelichting

4.4.1 Afdeling 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Voorrangsregels Belangrijke kernvereisten van een TAM-IMRO zijn de verhouding met het gehele omgevingsplan, tijdelijke deel en Bruidsschat. Om die verhouding te bepalen zijn een preambule en Voorrangsregels geschreven. Voor de exacte inhoud van de preambule en de voorrangsregels is per genoemd besluit in artikel 4.6 eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet gekeken of dit aanwezig is in het plangebied. Vervolgens is gekeken of dit besluit buiten toepassing moet worden verklaard. Omdat wordt gewerkt met 'milieuzonering nieuwe stijl' moeten een aantal regels voor geluid door activiteiten uit de Bruidsschat buiten toepassing worden verklaard. Daartoe is de Bruidsschat geanalyseerd op dit punt. Paragraaf 1.2 Algemeen Normadressaat In dit artikel is voor het hele hoofdstuk de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever.

Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

26 rechtstreeks worden aangesproken. In specifieke artikelen van dit hoofdstuk kan een andere normadressaat zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel. Begripsbepalingen De begripsbepalingen zijn ondergebracht in bijlage 1 van de regels. Het is niet verplicht om ook de definities uit de algemene maatregelen van bestuur en de ministeriele regelingen over te nemen. In deze wijziging van het omgevingsplan wordt dit wel gedaan, ter voorkoming van verwarring over de betekenis van een begrip. De landelijke terminologie wordt daarom gevolgd. De begripsbepalingen volgen steeds de nieuwste geldende versie van de genoemde regelingen. Het gaat om de begrippen in de volgende documenten: • bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving;

• • • •

bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving; bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving; bijlage I van het Omgevingsbesluit; bijlage I van de Omgevingsregeling. De landelijke wetgeving blijft in ontwikkeling. En dus kunnen in de loop van de tijd ook de definities veranderen. Of er komen definities bij. Op deze manier volgt deze wijziging van het omgevingsplan deze wijzigingen automatisch. 4.4.2 Afdeling 2 Gebieden De centrale rol voor activiteiten en werkingsgebieden komt terug in de opzet van het omgevingsplan. In afdeling 2 worden verschillende soorten (werkings)gebieden benoemd en aangewezen. Daarbij wordt per gebied bepaald welke activiteiten zijn toegestaan, welke (varianten) regels daarop van toepassing zijn en welke waarden gelden. De regels voor de activiteiten zelf zijn opgenomen in afdeling 4 t/m 7. Paragraaf 2.1 Bedrijventerrein Koekoek II Het grootste gedeelte van het plangebied valt binnen het gebiedstype 'Bedrijventerrein Koekoek II'. Voor dit gebiedstype is een werkingsgebied opgenomen. In deze paragraaf wordt het gebiedstype en het bijbehorende werkingsgebied aangewezen en geometrisch begrensd. Daarnaast worden de doelen van de regels in dit 'deel' van het omgevingsplan benoemd. Verder is in deze paragraaf opgenomen welke waarden gelden en welke gebruiks-, bouw- en milieubelastende activiteiten wel (en niet) zijn toegestaan.

Voor de inhoud van de activiteiten wordt vervolgens verwezen naar afdeling 4 t/m 7. Paragraaf 2.2 Woongebied Voor de bestaande woningen aan de westzijde van het plangebied is het gebiedstype 'Woongebied' opgenomen. Voor dit gebiedstype is een werkingsgebied opgenomen. In deze paragraaf wordt het gebiedstype en het bijbehorende werkingsgebied aangewezen en geometrisch begrensd. Daarnaast worden de doelen van de regels in dit 'deel' van het omgevingsplan benoemd. Verder is in deze paragraaf opgenomen welke waarden gelden en welke gebruiks-, bouw- en milieubelastende activiteiten wel (en niet) zijn toegestaan. Voor de inhoud van de activiteiten wordt vervolgens verwezen naar afdeling 4 t/m 7. Paragraaf 2.3 Aandachtsgebieden In deze paragraaf zijn een tweetal aandachtsgebieden opgenomen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de naast het plangebied gelegen spoorlijn. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

27 Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. In paragraaf 2.3 van de regels wordt het 'Brandaandachtsgebied' en 'Explosieaandachtsgebied' aangewezen, geometrisch begrensd en is opgenomen aan welke voorwaarden moet worden voldaan, waarbij verwezen wordt naar de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf 5.7 van de regels. Paragraaf 2.4 Infrastructuur en openbare ruimte Tuin Voor een deel van de particuliere percelen die in het voorgaande bestemmingsplan een tuinbestemming kenden is het werkingsgebied 'Tuin' opgenomen. Infrastructuur Voor de aansluiting van het bedrijventerrein op het bestaande bedrijventerrein Koekoek I is het werkingsgebied 'Infrastructuur' opgenomen. De overige, interne wegenstructuur is mogelijk binnen het gebiedstype 'Bedrijventerrein Koekoek II'. Bufferzone (groen en water) Het bedrijventerrein komt tussen het spoor, de nieuwe noordelijke randweg en de Achterdijk. Een groenbuffer (met water) tussen het bedrijventerrein en de Achterdijk, moet het aanzicht vanaf de Achterdijk ten goede komen.

Ook rondom de bestaande woonactiviteiten moet bij de invulling van het bedrijventerrein nadrukkelijk rekening worden gehouden met het behouden van een bepaalde afstand, waardoor deze zone als apart werkingsgebied is opgenomen in deze omgevingsplanwijziging. Paragraaf 2.5 Restrictiegebieden, beperkingengebieden en vrijwaringsgebieden In deze paragraaf worden de restrictiegebieden 'Restrictiegebied - Waterleiding' en 'Restrictiegebied Archeologie' aangewezen, geometrisch begrensd en is opgenomen aan welke voorwaarden moet worden voldaan, waarbij verwezen wordt naar de voorwaarden zoals opgenomen in afdeling 7. 4.4.3 Afdeling 3 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving In afdeling 3 zijn normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving opgenomen die zowel betrekking hebben op de ontwikkeling als de bescherming van de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij om normen die in een kwantitatieve of kwalitatieve waarde kunnen worden uitgedrukt en die geen omgevingswaarde zijn. Voorbeeld hiervan zijn waarden of normen voor externe veiligheid, geluid, geur, parkeernormen of trillingen. De normen moeten worden gekwalificeerd als algemene regels die van toepassing zijn op de volgende activiteiten: • Het bouwen van een hoofdgebouw.

•

Het aanvragen of intensiveren van een activiteit, waarbij afhankelijk van het onderwerp een ondergrens zal worden ingebouwd. Door de regels op deze plaats op te nemen hoeven ze niet per activiteit herhaald te worden. Paragraaf 3.1 Algemeen Omdat het omgevingsplan alle regels voor de fysieke leefomgeving integreert, zullen niet bij elke individuele regel, alle belangen een rol spelen. Bij de regels over activiteiten zijn daarom steeds uitdrukkelijk de oogmerken opgenomen van waaruit de regels voor de betreffende activiteit zijn gesteld. Deze oogmerken kunnen een of meer van de gemeentelijke doelen zijn, of een nuancering daarvan. Paragraaf 3.2 Parkeren Paragraaf 3.2 gaat over parkeernormen van auto's en fietsen die ontstaan bij het bouwen van een gebouw met parkeerbehoefte. Dit artikel bepaalt dat er in voldoende parkeergelegenheid voor auto en TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

28 fiets op eigen terrein moet worden voorzien. Onder voldoende parkeergelegenheid wordt datgene verstaan dat is opgenomen in de 'Nota Parkeernormen gemeente Moerdijk 2021', of diens rechtsopvolger. Paragraaf 3.3 Water en klimaatadaptatie Paragraaf 3.3 bevat een specifieke zorgplicht waterberging, waarin wordt bepaald dat degene die een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit verricht verplicht is om te voorzien in voldoende waterberging, waarbij geldt dat de wateroppervlakte in verbinding moet staan met het oppervlaktewater in hetzelfde werkingsgebied van een peilbesluit. Paragraaf 3.4 Geur door activiteiten bedrijventerrein type I Deze paragraaf gaat over de geurruimte op het bedrijventerrein, waarbij de voorschriften en waarden gelden zoals opgenomen in deze paragraaf. Paragraaf 3.5 Geluid door activiteiten bedrijventerrein type I Paragraaf 3.5 gaat over geluid door activiteiten en bepaalt standaardwaarden die van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. 4.4.4 Afdeling 4 Gebruiksactiviteiten Paragraaf 4.1 Woonactiviteiten Voor de bestaande woningen aan de rand van het toekomstige bedrijventerrein is de 'Woonactiviteit' opgenomen. Deze activiteit sluit aan bij de bestaande gebruiksmogelijkheden voor de woningen, waaronder het uitoefenen van beroep en bedrijf aan huis.

Paragraaf 4.2 Tuinactiviteiten Voor een deel van de particuliere percelen die in het voorgaande bestemmingsplan een tuinbestemming kenden, is een 'Tuinactiviteit’ opgenomen. Deze activiteit sluit aan bij de bestaande gebruiksmogelijkheden van de particuliere tuinen. Paragraaf 4.3 Bedrijfsmatige activiteiten Voor Bedrijfsmatige activiteiten wordt onderscheid gemaakt wordt tussen twee typen bedrijvigheid: 'reguliere bedrijvigheid' en bedrijvigheid gericht op vervoer, de opslag, de oppervlakkige bewerking of de afzet van het producten, zoals distributiecentra, transport- en opslagbedrijven, pak- en koelhuizen en dergelijke. De maximale kavelgrootte voor bedrijven bedraagt 5.000 m2, waarmee grootschalige logistiek wordt uitgesloten. Ook bedrijfsverzamelgebouwen zijn niet toegestaan. Voor nieuwe bedrijvigheid geldt een meldingsplicht. Paragraaf 4.4 Kantooractiviteiten Onder Kantooractiviteiten worden kantoorfuncties verstaan, mits deze een activiteit op dezelfde locatie ondersteunen en tot ten hoogste 25% van het totale bedrijfsoppervlak. Paragraaf 4.5 Detailhandelsactiviteiten Voor Detailhandelsactiviteiten is onderscheid gemaakt in drie typen detailhandel: Reguliere detailhandel, volumineuze detailhandel en functioneel ondersteunende detailhandel. Op het bedrijventerrein is in principe enkel ondergeschikte detailhandel toegestaan (functiemenging), conform provinciaal beleid.

Volumineuze detailhandel is enkel toegestaan wanneer het om een verplaatsingsopgave gaat. Hier is een vergunningplicht voor opgenomen. Paragraaf 4.6 Recreatieve activiteiten Onder Recreatieve activiteiten worden activiteiten verstaan op het gebied van sport, wellness en amusement. Zoals hiervoor benoemd, zijn deze activiteiten uitgesloten op het bedrijventerrein.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

29 4.4.5 Afdeling 5 Bouwactiviteiten Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten In paragraaf 5.1 is bepaald dat deze afdeling uitsluitend gaat over de activiteit bouwen en in stand houden van bouwwerken. Daarnaast bevat deze paragraaf de oogmerken van de in deze afdeling opgenomen regels. Tevens zijn meetbepalingen opgenomen die niet voorkomen in de Omgevingswet of de hierop gebaseerde regelgeving, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving, maar die wel relevant zijn bij de toepassing van de regels. Daarnaast is het college van burgemeester en wethouders voor onderstaande bouwregels bevoegd om maatwerkvoorschriften op te leggen met betrekking tot de opgenomen activiteiten. Met een maatwerkvoorschrift kan ook afgeweken worden van de algemene regels. Een maatwerkvoorschrift moet door de initiatiefnemer worden aangevraagd. Paragraaf 5.2 Bouwregels Bedrijventerrein Koekoek II Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde op het toekomstige bedrijventerrein zijn specifieke bouwregels opgenomen. Via artikel 22.26 van de bruidsschat is tijdens de overgangsperiode in het omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten (binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit). Het is dus op het bedrijventerrein verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen en bouwwerken te bouwen.

In paragraaf 5.2 is opgenomen in welke gevallen de omgevingsvergunning kan worden verleend. Denk hierbij aan bouwhoogtes, bebouwingspercentages e.d. Daarnaast dient bij het beoordelen van de aanvraag rekening te worden gehouden met het als bijlage opgenomen beeldkwaliteits-, klimaat- en duurzaamheidsplan. Paragraaf 5.3 Bouwregels Woongebied Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het woongebied zijn specifieke bouwregels opgenomen. Ook hier is het verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen en bouwwerken te bouwen. In paragraaf 5.3 is opgenomen in welke gevallen de omgevingsvergunning kan worden verleend. Denk hierbij aan bouwhoogtes, bebouwingspercentages e.d. Paragraaf 5.4 Bouwregels Tuin Voor het werkingsgebied 'Tuin' zijn in paragraaf 5.4 bouwregels opgenomen. Hiervoor geldt dat er binnen het werkingsgebied uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Paragraaf 5.5 Bouwregels Infrastructuur Voor het werkingsgebied 'Infrastructuur' zijn in Paragraaf 5.5 bouwregels opgenomen. Hiervoor geldt dat er binnen het werkingsgebied uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Paragraaf 5.6 Bouwregels Bufferzone Voor het werkingsgebied 'Bufferzone (groen en water)' zijn in paragraaf 5.6 bouwregels opgenomen.

Hiervoor geldt dat er binnen het werkingsgebied uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Paragraaf 5.7 Eisen aan bouwwerken In deze wijziging van het omgevingsplan zijn twee aandachtsgebieden aangewezen met betrekking tot externe veiligheid, te weten: • Brandaandachtsgebied • Explosieaandachtsgebied In paragraaf 5.7 is opgenomen aan welke regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden getoetst bij het bouwen van bouwwerken binnen een van deze aandachtsgebieden.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

30 4.4.6 Afdeling 6 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 6.1 Milieubelastende activiteiten bij bedrijfsmatige activiteiten Voor deze wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de nieuwe systematiek 'milieuzonering nieuwe stijl'. Hiervoor worden in Afdeling 3 waarden opgenomen voor geluid en geur door activiteiten. Omdat het onderdeel 'stof' uit de oude systematiek hierin geen plek heeft gekregen, zijn in subparagraaf 6.1.1 aanvullende regels met betrekking tot het veroorzaken van stof door bedrijfsmatige activiteiten opgenomen. 4.4.7 Afdeling 7 Uitvoeren van werken en werkzaamheden Paragraaf 7.1 Activiteiten met betrekking tot het aanleggen en in stand houden van infrastructuur Paragraaf 7.1 bevat regels voor het aanleggen en in stand houden van gemeentewegen. Paragraaf 7.2 Activiteiten met betrekking tot het aanleggen en in stand houden van een bufferzone Paragraaf 7.2 bevat regels voor het aanleggen en in stand houden van een 'bufferzone', bestaande uit groen en water(berging).

Paragraaf 7.3 Activiteiten op of in de bodem (aanlegactiviteiten) Restrictiegebied - Archeologie Ten behoeve van het beschermen van archeologische waarden is een werkingsgebied 'Restrictiegebied - Archeologie' opgenomen, waarbinnen is het verboden om de aangewezen activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning, indien de activiteit dieper reikt dan 0,3 meter onder het maaiveld én een grondoppervlakte bestrijkt van 100 m2 of meer. Dit betekent dat als je binnen dit gebied graafwerkzaamheden of andere activiteiten wilt uitvoeren die aan deze criteria voldoen, je een omgevingsvergunning moet aanvragen voordat je de activiteit mag starten. Aan de aanvraag van deze omgevingsvergunning zijn voorwaarden gekoppeld. Dit is om ervoor te zorgen dat archeologische waarden in dit gebied beschermd worden en dat er eventueel archeologisch onderzoek kan plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Restrictiegebied - Waterleiding Door het gebied loopt een watertransportleiding. Ten behoeve van het beschermen van het belang van de waterleiding is een werkingsgebied 'Restrictiegebied - Waterleiding' opgenomen, waarbinnen is het verboden om de aangewezen activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning.

Dit betekent dat als je binnen dit gebied graafwerkzaamheden of andere activiteiten wilt uitvoeren die aan deze criteria voldoen, je een omgevingsvergunning moet aanvragen voordat je de activiteit mag starten. Aan de aanvraag van deze omgevingsvergunning zijn voorwaarden gekoppeld. Dit is om ervoor te zorgen dat het leidingbelang beschermd wordt en dat er eventueel advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. 4.4.8 Afdeling 8 Overgangsrecht Paragraaf 8.1 Overgangsrecht bestaande omgevingsbelastingen Voor bestaande bedrijfsmatige activiteiten, bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten is in Paragraaf 8.1 een overgangsregeling opgenomen. De regeling voor bedrijfsmatige activiteiten houdt in dat activiteiten die waren toegestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan, nog drie jaar mogen worden voortgezet. Bestaande (nietillegale) bouwwerken mogen blijven bestaan, en gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Ook bestaande gebruiksactiviteiten mogen worden voorgezet.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

31 4.4.9 Afdeling 9 Kostenverhaal Paragraaf 9.1 Algemene regels kostenverhaal Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal worden verzekerd. Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn daarom regels opgenomen over de wijze waarop verdeling van kosten over activiteiten plaats vindt, raming van plankosten (eigen berekening of scan), raming inbrengwaarde (WOZ of taxatie), eisen kostenverhaalsbeschikking, eindafrekening, indexering en rente. Paragraaf 9.2 Regels voor kostenverhaalsgebieden Het omgevingsplan wijst het kostenverhaalsgebied aan. Het kostenverhaalgebied is het gebied waarin de kosten worden gemaakt. Voor voorliggende wijziging van het omgevingsplan is gekozen voor kostenverhaal met tijdvak. Hiervoor is in deze paragraaf is dan ook een kostenverhaalsgebied (Koekoek II) en een kostenraming opgenomen. Onderdelen van deze raming zijn de inbrengwaarde, verhaalbare kosten, opbrengsten en de verdeling van de verhaalbare kosten over de activiteiten. 4.4.10 Afdeling 10 Instandhoudingsverplichtingen Paragraaf 10.1 Normadressaat In afdeling 9 is, naast de regels voor het kostenverhaal, ook een locatie-eis opgenomen voor het realiseren van een aarden wal binnen het plangebied. In deze afdeling wordt geregeld dat deze aarden wal na realisatie van het bedrijventerrein in stand wordt gehouden.

Hiervoor is in paragraaf 10.1 een (afwijkende) normadressaat opgenomen. Paragraaf 10.2 Maatregelen in de fysieke leefomgeving Deze paragraaf regelt dat de hiervoor genoemde aarden wal in stand wordt gehouden. 4.5

Omgevingsplan Moerdijk Met de regels is zoveel mogelijk aangesloten op het omgevingsplan voor Zevenbergen dat momenteel door de gemeente wordt voorbereid en die de basis vormt voor het complete omgevingsplan. Hierin wordt een structuur van de regels die ook toepasbaar is voor voorliggende ontwikkeling. In het omgevingsplan gaat de gemeente uit van de activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft, zoals gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Gedurende de procedure zal ook het gemeentebrede omgevingsplan verder worden doorontwikkeld, mogelijk worden ondertussen ook andere wijzigingen van het omgevingsplan voorbereid. Uiteindelijk komen al deze wijzigingen samen in één omgevingsplan Moerdijk dat verder wordt uitgerold over het gemeentelijk grondgebied.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

32

5 5.1

Aspecten van de fysieke leefomgeving

Milieueffectrapportage

5.1.1 Kader Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voorgenomen ontwikkeling valt als nieuw bedrijventerrein onder categorie J10. De wijziging van het omgevingsplan vormt het kader voor een vergunning voor een project. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft een kleine wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn.

De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit. 5.1.2 Kenmerken van het plan De ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Koekoek I in oostelijke richting. De bestaande agrarische gronden worden getransformeerd naar een duurzaam en efficiënt bedrijventerrein, waarbij gestreefd wordt naar een gedifferentieerd aanbod aan bedrijfskavels en bedrijfscategorieën. Cumulatie met andere projecten Voor de ontsluiting van het toekomstige bedrijventerrein is de aanleg van de noordelijke randweg in Zevenbergen noodzakelijk (zie ook paragraaf 5.14). Het bestemmingsplan hiervoor is reeds vastgesteld en de opening van deze weg is gepland voor 2027. Door de komst van de Noordelijke randweg ontstaan er mogelijkheden om het gebied rondom de oude suikerfabriek te herontwikkelen. Hiervoor zijn momenteel plannen in voorbereiding. Voorliggende ontwikkeling staat hier echter planologisch en beleidsmatig los van. Ook is de financiering van het project niet afhankelijk van andere projecten. Bouwkundige samenhang is voorts niet aan de orde. Er wordt dan ook geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden reguliere materialen en hulpbronnen gebruikt. De bedrijven die zich kunnen gaan vestigen binnen het plangebied betreffen bedrijven met een relatief lichte milieucategorie. Bij deze categorie bedrijven is doorgaans geen sprake van intensief en/of grootschalig gebruik van natuurlijk hulpbronnen. De gemeente Moerdijk stimuleert initiatiefnemers bovendien tot het realiseren van duurzame maatregelen, gericht op energiebesparing en duurzaamheid en circulariteit. Het gebruik van natuurlijk hulpbronnen vormt naar aard en omvang derhalve geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

33 Productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is tijdens de realisatie van onderhavig plan beperkt tot de bouwafvalstoffen. De bedrijven die zich kunnen gaan vestigen binnen het plangebied betreffen bedrijven met een relatief lichte milieucategorie. Bij deze categorie bedrijven is doorgaans geen sprake van grootschalige productie van afvalstoffen. Voor zover het de productie van afvalstoffen en/of andere vormen van verontreiniging en hinder betreft zullen toekomstige bedrijven moeten voldoen aan de vigerende milieuwet- en regelgeving en best beschikbare technieken. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. De gemeente Moerdijk stimuleert circulaire bedrijfsprocessen. Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het plan ligt tegen de bebouwde kom van Zevenbergen. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het plangebied.

Gelet op de aard en omvang van het plan zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid. 5.1.3 Kenmerken van de effecten Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van de in voorbereiding zijnde planologische procedure reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Bodem Potentiële effecten ten aanzien van de bodemkwaliteit zijn vooral gerelateerd aan bodembedreigende activiteiten en grondverzet. Op het bedrijventerrein kunnen zich mogelijk bedrijven vestigen die bodembedreigende activiteiten uitvoeren. Op basis van de bekende informatie is het niet te verwachten dat er noemenswaardige knelpunten zijn op het gebied van bodemverontreiniging. De bodemkwaliteitskaart en het geldende stand-still principe vereisen dat bij grondverzet minimaal grond wordt toegepast binnen het plangebied die gelijkwaardig of beter is dan de huidige bodemkwaliteit. Daarmee wordt verslechtering van de bodemkwaliteit voorkomen.

Indien er zich bedrijven vestigen die bodembedreigende activiteiten uitvoeren dan dienen deze voorafgaand een nulsituatie bodemonderzoek uit te voeren. Tussentijds en/of na beëindiging van de bodembedreigende activiteit dient de bodemkwaliteit wederom worden vastgesteld. Indien dan sprake is van verslechtering dan dient de veroorzaker de bodemkwaliteit te herstellen naar de oorspronkelijk bodemkwaliteit. Bedrijven die bodembedreigende activiteiten uitvoeren zijn bovendien genoodzaakt om bodembeschermende maatregelen te treffen. Op deze manier wordt verslechtering van de bodemkwaliteit voorkomen. Indien noodzakelijk is er een wettelijk verplichting om verslechtering van de bodemkwaliteit ongedaan te maken. Geluid De geluidsbelasting van het bedrijventerrein op bestaande woningen is onderzocht. De (cumulatieve) geluidsbelasting leidt niet tot een overschrijding van de standaardwaarde. In deze omgevingsplanwijziging is daarnaast geluidruimte toebedeeld per locatie, met voor elk perceel eigen gebruiksruimte. Hiervoor zijn werkingsgebieden opgenomen. Binnen deze zones is een regeling opgenomen waar bij nieuwvestiging van bedrijven aan moet worden voldaan. Bij nieuwvestiging van een bedrijf zal - om te bepalen of de milieubelastende activiteiten passend zijn binnen deze regeling afgewogen moeten worden of voldaan wordt aan de waardes.

Er zijn daarom geen negatieve effecten die verplichten tot een m.e.r-beoordeling.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

34 Geur Omdat voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw bedrijventerrein zijn er op voorhand niet direct activiteiten aanwezig die tot geurhinder kunnen leiden ter hoogte van binnen of buiten het plangebied gelegen geurgevoelige gebouwen. Om toekomstige geurhinder te voorkomen zijn er regels gesteld ten aanzien van geur. Vanuit geur zijn er dan ook geen negatieve effecten. Externe veiligheid Risicovolle activiteiten (bijlage VII Bkl) binnen het bedrijventerrein zijn uitgesloten. In deze wijziging van het omgevingsplan is daarnaast een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied opgenomen. Binnen deze gebieden is geborgd dat bouwwerken moeten voldoen aan de eisen uit artikel 4.90 uit het Bbl. Op de toekomstige bedrijfskavels kan op kleinschalig niveau sprake zijn van handelingen met en/of opslag van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten hebben echter geen significante invloed op de externe veiligheid in het gebied. Luchtkwaliteit Uit een beschouwing van de gecumuleerde concentraties (inclusief het planeffect) blijkt dat de concentraties ruimschoots zullen voldoen aan de grenswaarden. Archeologie Uit onderzoeksresultaten blijkt dat er voor een klein deel van het plangebied nog nader onderzoek moet plaatsvinden, indien hier werkzaamheden plaatsvinden.

Hiervoor is een restrictiegebied archeologie opgenomen, waarvoor geldt dat wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden, een archeologisch rapport dient te worden overlegd. De potentiële effecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn daarmee met name gerelateerd aan verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden en aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied en verplichten niet tot een m.e.r-beoordeling. Natuur en ecologie Uit onderzoek blijkt dat voor vogels met een vaste verblijfplaats een ontheffing aangevraagd dient te worden. Voor de benodigde ontheffing zal een activiteitenplan opgesteld dienen te worden met daarin mitigerende maatregelen ten aanzien van de beschermde functies. De benodigde mitigerende maatregelen zullen worden meegenomen in de planuitwerking. In algemene zin leidt dit aspect echter niet tot een grensoverschrijdend effect. Uit de ecologische voortoets blijkt dat op basis van objectieve gegevens - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden – op voorhand de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. 5.1.4 Conclusie Bovenstaande effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Het voornemen om het bedrijventerrein uit te breiden leidt in beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving.

Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. De mogelijke effecten worden daarnaast voorkomen door adequate regels in deze wijziging van het omgevingsplan en in vergunningen voor individuele bedrijven. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

35

5.2

Laddertoets

5.2.1 Kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.2.2 Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Koekoek I in Zevenbergen, waarbij het de ambitie is om een efficiënt en duurzaam bedrijventerrein in te richten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is sprake van een stedelijke ontwikkeling waarvan de behoefte moet worden beschreven. Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Hierna worden de behoefte en de locatiekeuze onderbouwd.

Voorliggend plangebied vormt een driehoek tussen het spoor, de Langeweg en de nieuwe Noordelijke Randweg. De locatie is zichtbaar, goed bereikbaar vanaf de Langeweg en ligt op voldoende afstand van woningbouw. De Achterdijk blijft als dijk zichtbaar door rondom de dijk een brede groenzone vrij te houden van bebouwing. De ontwikkeling hangt samen met de aanleg van de nieuwe randweg rond Zevenbergen (N285). De randweg zal in 2027 (in opdracht van de provincie Noord-Brabant) gerealiseerd zijn. De provincie legt ook een rotonde aan, die als hoofdontsluiting gaat fungeren voor het bedrijventerrein. Al in de Structuurvisie 2030 uit 2011 zijn de gronden aan weerszijden van het spoor tussen bestaand N285, de nieuwe beoogde randweg en de Achterdijk bestempeld voor de uitrol van bedrijventerrein. Ook het gebied aan de andere zijde van het spoor binnen de randweg, dat grenst aan het bedrijventerrein Zwanengat (met een vergelijkbaar oppervlak), is op termijn beoogd te transformeren tot bedrijventerrein.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

36 Het noordelijke deel wat de gemeente nu actief ter hand heeft genomen betreft een ontwikkeling van 10,5ha bruto en 8,5ha netto toevoeging. Het huidige bedrijventerrein Koekoek transformeert naar een bedrijventerrein met een meer specifiek profiel. In het centrum van Zevenbergen heeft de afgelopen jaren een kwaliteitsslag plaatsgevonden, wat nieuwe ondernemers heeft aangetrokken en er zijn bestaande ondernemingen die willen groeien. Het bestaande vastgoed in het historische centrum biedt beperkte mogelijkheden voor functies met een flinke ruimtevraag. Regelmatig wijken functies daardoor uit naar de randen van het centrum. Het concentreren hiervan op bedrijventerrein Koekoek 1 biedt kansen om dit gebied te transformeren en opnieuw op de kaart te zetten. Bedrijven die passen bij het thema ‘Food’ en een relatie hebben met de (binnen)stad zorgen voor meer publiek en levendigheid in het gebied. Ook bedrijven die een combinatie vormen met wonen kunnen hier terecht. Alleen nieuwe bedrijven tot categorie 2 worden hier toegestaan. Er blijft echter behoefte aan ruimte voor ‘traditionele bedrijvigheid’ (milieucategorie 2 t/m 3.2). Dit blijkt ook uit de ‘Behoefteraming bedrijventerreinen Noord-Brabant’ (Stec groep - 1 september 2022). In de behoefteraming Noord-Brabant wordt gewerkt met diverse deelregio’s. Moerdijk valt hierbij binnen de regio West-Brabant.

De bandbreedte van de uitbreidingsvraag in West-Brabant in de periode 2022 tot en met 2030 is 282 tot 380 hectare bedrijventerrein. Dit betekent een jaarlijkse vraag van circa 31 tot 42 hectare in de periode 2022 tot en met 2030. Na 2031 wordt bovendien nog aanzienlijke doorgroei van de ruimtevraag voorzien (35 tot 122 hectare t/m 2040). Op schaal van de gehele regio West-Brabant ontstaan vooral in het reguliere (MKB) segment en in het segment grootschalige distributie tekorten. De beoogde bedrijvigheid (en kavelomvang) op Koekoek II, is het best passend binnen de werkmilieus ‘regulier’ en ‘gemengd stedelijk’ vanuit de provinciale prognose. Hiermee is binnen de regio WestBrabant een totale ruimtevraag naar deze relevante werkmilieus in de periode 2022 t/m 2030 van 66 tot 100 hectare. Door transformatie van bestaande bedrijventerreinen wordt daarnaast een vervangingsvraag verwacht van maximaal circa 48 hectare in West-Brabant tot en met 2030.

Tabel 1: Uitbreidingsvraag naar werkmilieu in West-Brabant in netto hectare, 2022 t/m 2030. Bron: Stec Groep

Tabel 2: Vervangingsvraag West-Brabant. Bron: Stec Groep (2022), op basis van inventarisatie transformatieplannen onder gemeenten. Afgerond op hele hectaren.

Uit de ‘Analyse leegstandscijfers gemeente Moerdijk’ (Stec Groep - 20 april 2023) blijkt daarnaast dat het leegstandspercentage op de bedrijventerreinen in Moerdijk op circa 2% ligt. Dit percentage neemt de afgelopen vijf jaar gestaag af. De totale leegstand op de bedrijventerrein in Moerdijk is hiermee (zeer) laag en ver onder frictieniveau. Een frictieleegstand van circa 5% betekent een gezonde leegstand: bedrijven met een acute ruimtevraag of bedrijven die een ander pand zoeken, hebben bij frictieleegstand enige schuifruimte. In de huidige situatie in zitten bedrijven ‘klem’: er is nauwelijks mogelijkheid om uit te breiden door bijvoorbeeld het pand van de buren of elders op het terrein aan te kopen. Voorliggend plangebied biedt de ruimte voor deze bedrijven. Het bedrijventerrein is bedoeld voor primair lokale MKB-bedrijven met een kavelgrootte tussen de 2.000 en 5.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

37 Grootschalig (logistiek) bedrijfsvastgoed is niet gewenst. De gemeente heeft daarnaast de wens om de ruimte op Koekoek II ook in te zetten voor verplaatsingsopgaven van bedrijven in de perifere en grootschalige detailhandel vanuit transformatielocaties uit de hele gemeente Moerdijk, waarbij het uitgangspunt is dat het totale aantal m2 detailhandel binnen de gemeente niet mag uitbreiden. Supermarkten en reguliere detailhandel zijn niet gewenst op het bedrijventerrein. Dat soort functies horen thuis in de kernen. Het bedrijventerrein richt zich ook niet op bedrijfsverzamelgebouwen, hier is voldoende ruimte voor op de andere terreinen binnen de gemeente. Daarnaast ziet de gemeente Moerdijk graag dat kleine bedrijfjes zich vestigen in leegkomende panden in het centrum of de centrumrandzone. De reden waarom de gemeente ook inzet op de verplaatsingsopgave van detailhandel binnen de gemeente is omdat er op bestaande bedrijventerreinen in Zevenbergen ruimte wordt ingeleverd. Verschillende bestaande (delen van) bedrijventerrein in Zevenbergen zijn in de afgelopen tijd van functie veranderd of er wordt een transformatie voorbereid. Deze worden hieronder benoemd: Huizersdijk Bestaand bedrijventerrein aan de Huizersdijk transformeert deels naar een woningbouwlocatie. Hiermee wordt netto 1 hectare aan bedrijventerrein omgezet naar bovengenoemde functies.

Voor deze ontwikkelingen zijn inmiddels bestemmingsplannen in werking getreden: bestemmingsplannen Oevers Roode Vaart Zuid en Kop Roode Vaart. De Koekoek Een gedeelte van het bedrijventerrein De Koekoek wordt woningbouwlocatie (oude suikerfabriekspanden) als onderdeel van project Zevenbergen Noord, mede op basis van de Gebiedsvisie Zevenbergen-Noord die op 30 maart 2017 is vastgesteld. Hiermee wordt netto 0,5 hectare aan bedrijventerrein omgezet naar bovengenoemde functies. Deze transformatie wordt momenteel voorbereid, maar moet nog in een wijziging omgevingsplan verankerd worden. Het onderzoek naar de haalbaarheid van deze grootschalige ontwikkeling is complex van aard en mede afhankelijk van de komst van de noordelijke randweg, die naar verwachting in 2027 door de provincie wordt opgeleverd. In 2024 wordt er helderheid geboden over de concrete planvorming rond Zevenbergen Noord. De Hil Bestaand bedrijventerrein de Hil wordt deels getransformeerd naar andere functies i.r.t. de ontwikkeling van Zevenbergen Oost. Hiermee wordt netto 1 hectare aan bedrijventerrein omgezet naar bovengenoemde functies. Deze transformatie wordt momenteel voorbereid, maar moet nog in een wijziging omgevingsplan verankerd worden. De plannen worden in 2024 verder uitgewerkt waarna een concrete planning kan worden gegeven.

5.2.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet gezien bovenstaande zowel in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het planvoornemen sluit zodoende aan bij het toekomstbestendig maken van het bestaande bedrijventerrein en het vraaggericht oppakken van nieuwe bedrijvigheid. Er wordt daarnaast ingezet op het tegengaan van hittestress en wateroverlast. Het planvoornemen voorziet in een gezondere leef- en werkomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Kader Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan onderzocht worden.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

38 Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. In het geval van voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een van deze omstandigheden. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. 5.3.2 Onderzoek Het plan is niet gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Een toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is daarom in principe niet nodig.

Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is echter door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in en rond het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 2 opgenomen bij deze motivering. De planontwikkeling draagt meer dan 1,2 μg/m3 bij aan de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2). Het effect op de luchtkwaliteit wordt daarmee beschouwd als ‘mogelijk in betekende mate’. De bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) bedraagt minder dan 1,2 μg/m3, hetgeen als ‘niet in betekende mate’ geldt. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een omgevingswaarde. Uit een beschouwing van de gecumuleerde concentraties (inclusief het planeffect) blijkt dat de concentraties ruimschoots zullen voldoen aan de grenswaarden. De wijziging van het omgevingsplan leidt niet tot een toename van gevoelige gebouwen in het gebied. Daardoor is er geen sprake van een toename van personen die worden blootgesteld aan een slechte luchtkwaliteit. 5.3.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.4.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. 5.4.2 Onderzoek Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelastingen ter plaatse van verschillende bestaande woningen als gevolg van wegverkeerslawaai als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 14 bij deze motivering. Uit de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=794cd40b-5302-4f83-8926-4e2e678517da