CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Motivering Bedrijventerrein Koekoek II

Commissievergadering 29 augustus 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan Ontwikkelgebied Bedrijventerrein Koekoek II27.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

39 rekenresultaten blijkt dat als gevolg van het verkeer op de nieuwe wegen ter hoogte van de bestaande woningen de standaardwaarde uit het Bkl van 53 dB Lden op geen enkel waarneempunt wordt overschreden. De berekende geluidbelasting op de woningen varieert van 34 – 52 dB Lden. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet. 5.4.3 Conclusie Het aspect geluid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Geur

5.5.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. 5.5.2 Onderzoek Omdat voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw bedrijventerrein zijn er op voorhand niet direct activiteiten aanwezig die tot geurhinder kunnen leiden ter hoogte van binnen of buiten het plangebied gelegen geurgevoelige gebouwen. Om de omgeving van het nieuwe bedrijventerrein te beschermen wordt gebruiksruimte gegeven aan activiteiten op het bedrijventerrein. Die gebruiksruimte wordt gegeven door regels te stellen per locatie waar een activiteit wordt verricht.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van de publicatie milieuzonering nieuwe stijl (VNG), dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.9. De normen voor geur zijn gebaseerd op wat volgens veel in Nederland gehanteerd geurbeleid aanvaardbaar is. Deze normen zijn specifiek voor voorliggend plan vertaald zodat er ter plaatse van de bestaande woningen altijd kan worden voldaan aan deze normen. Hiermee wordt er voor gezorgd dat er ook voor de dichtstbijzijnde woningen een aanvaardbare situatie wordt geborgd. De waarden gelden op een afstand van 10 en 50 meter van de terreingrens van het bedrijf. 5.5.3 Conclusie Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Trillingen

5.6.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

40 hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 5.6.2 Onderzoek Trillingen door activiteiten Met de wijziging van het omgevingsplan worden verschillende mogelijk trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Door de verkeersbewegingen binnen het plangebied, bouw- en sloopactiviteiten, aanlegactiviteiten, beheer en onderhoud, maar ook de bedrijfsmatige activiteiten, kunnen trillingen worden veroorzaakt. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. Trillingen door wegverkeer Het verkeer wordt op behoorlijke afstand van de trillingsgevoelige gebouwen afgewikkeld. Binnen het plangebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zijn geen maatregelen in de vorm van drempels binnen het plangebied aanwezig, die ook bij deze rijsnelheden zodanige trillingsniveaus kunnen opleveren waardoor de standaardwaarden mogelijk worden overschreden. 5.6.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.7.2 Onderzoek Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 opgenomen bij deze motivering. De locatie heeft een oppervlakte van circa 107.000 m2 en betreft enkele agrarische percelen. Tot omstreeks 1900 is op de locatie een spoortracé aanwezig geweest. Voor het overige is de locatie altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Op de locatie hebben enkele sloten gelegen, welke gedempt zijn. Uit de veld- en analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de verhogingen in de grond de nadere onderzoekswaarden niet overschrijden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen ten aanzien van deze deellocatie worden derhalve niet noodzakelijk geacht.

De resultaten van het verrichte onderzoek vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie. De resultaten uit dit onderzoek zijn gebaseerd op voorgaande wetgeving. Voor het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen aan de bodemkwaliteit. In de Wet bodembescherming en onderliggende regelgeving waren er normen voor de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit en diverse normen voor het toepassen van

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

41 bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanwenden van meststoffen en andere stikstofhoudende verbindingen. Deze normen zijn ongewijzigd overgebracht naar de systematiek van de Omgevingswet. Op detailniveau zijn er enkele veranderingen, als gevolg waarvan de gemeente meer vrijheid heeft om strenger of juist minder streng te zijn ten aanzien van bepaalde stoffen. Voor deze wijziging van het omgevingsplan is dit echter niet van toepassing. De resultaten uit het verkennend bodemonderzoek geven voor deze wijziging voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse. 5.7.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat het aspect bodemkwaliteit geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. 5.8.2 Onderzoek Direct ten zuiden van bedrijventerrein Zevenbergen-Noord ligt de spoorlijn Zevenbergschenhoek aansl. – Roosendaal Oost (route 35).

Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is daarom door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een kwantitatieve risico-analyse (QRA) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 opgenomen bij deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogte van het groepsrisico in de huidige situatie voor de totale route door Zevenbergen berekend is op 0,614 * de oriënterende waarde. Uit de berekeningen blijkt dat het plangebied geen significant effect heeft op de hoogte van het groepsrisico van de totale route. Voor het plangebied is het groepsrisico voor een specifieke ongevalslocatie. Van de in het onderzoek onderzochte varianten heeft de variant die mogelijk wordt gemaakt met deze wijziging van het omgevingsplan de kleinste toename van het groepsrisico (van 0,069 naar 0,073). De ontwikkeling is daarmee passend binnen het beleid van de gemeente Moerdijk met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit vanwege het feit dat het groepsrisico met niet meer dan 10% stijgt ten opzichte van de huidige situatie en het groepsrisico de oriënterende waarde niet overschrijdt. Hiervoor wordt verwezen naar de standaard verantwoording en advies, welke als bijlage 11 en 12 bij deze motivering zijn opgenomen. Risicovolle activiteiten (bijlage VII Bkl) binnen het bedrijventerrein zijn uitgesloten.

In deze wijziging van het omgevingsplan is daarnaast een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied opgenomen.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

42 Binnen deze gebieden is geborgd dat bouwwerken moeten voldoen aan de eisen uit artikel 4.90 uit het Bbl. Het gebied zal daarnaast in het kader van brandveiligheid door hulpdiensten tweezijdig bereikbaar moeten zijn. De te realiseren wegenstructuur zal daarvoor voldoen aan de CROW-normering. Voor een goede bluswatervoorziening moeten in het gebied brandkranen met een capaciteit van 2x 60 m3 aangelegd worden middels projectering op een drinkwaterleiding. Indien dit niet haalbaar is, worden alternatieven aangebracht, zoals een innamepunt op open water met voldoende aanvoer en diepte waaruit de brandweer kan innemen. Om te voorzien van een constante toevoer van bluswater zal er waarschijnlijk een waterleiding met een hoog debiet aangelegd worden. 5.8.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9

Geluid door activiteiten

5.9.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf); - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen). De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen.

In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf.

Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

43 meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Hierop gelet is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.9.2 Onderzoek Voor voorgenomen ontwikkeling is aangesloten bij de systematiek conform ‘Milieuzonering nieuwe stijl’. De publicatie van de VNG wordt gebruikt om voor het aspect geluid en geur om erin te voorzien dat het geluid en de geur op gevoelige gebouwen aanvaardbaar is. De nieuwe systematiek gaat uit van het begrip ‘gebruiksruimte’. De gebruiksruimte van ieder bedrijf is gelimiteerd voor de aspecten geur en geluid. De hoeveelheid gebruiksruimte is afhankelijk van de zone van het bedrijventerrein waarbinnen het bedrijf ligt. De ligging van die zones is afhankelijk van in hoeverre sprake is van een gemengd gebied of rustige woonwijk.

Belangrijk is dat de opgenomen geluidnormen niet gelden op de gevel van een gevoelige functie zoals bijvoorbeeld in de huidige VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ of het huidige Activiteitenbesluit, maar gelden op een vaste afstand vanaf de grens waar de activiteiten plaatsvinden. In deze wijziging van het omgevingsplan is geluidruimte toebedeeld per locatie, met voor elk perceel eigen gebruiksruimte. Hiervoor zijn werkingsgebieden opgenomen. Binnen deze zones is een regeling opgenomen waar nieuwvestiging van bedrijven aan moet voldoen. Bij nieuwvestiging van een bedrijf zal - om te bepalen of de milieubelastende activiteiten passend zijn binnen deze regeling - afgewogen moeten worden of voldaan wordt aan de waardes, zoals opgenomen in de regels. De gemeente moet afwegen of het aannemelijk is dat een bepaalde activiteit in een zone) voldoet aan de gestelde geluidwaarden. In veel gevallen zal deze afweging niet te maken zijn zonder een akoestisch onderzoek. Het betekent dus in de praktijk dat een groot deel van de bedrijven bij nieuwvestiging gevraagd dient te worden om een akoestisch onderzoek te leveren, waarin wordt aangetoond wat de geluidbelasting is. Een voordeel van de systematiek is dat toetsing, bewaking en regulering van de cumulatieve geluidbelasting niet noodzakelijk is, omdat ieder perceel individueel getoetst wordt.

De vestiging van het ene bedrijf is daarmee ook niet afhankelijk van de gebruiksruimte van andere bedrijven op het bedrijventerrein. Dit kan beschouwd worden als het efficiënt benutten van de geluidruimte. De regels met bijbehorende afstanden en waarden voor geluid zorgen ervoor dat het geluid van een activiteit, anders dan wonen op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde van artikel 5.65 Besluit kwaliteit leefomgeving. Gelet op artikel 5.65 vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar. 5.9.3 Conclusie Met het toepassen van de hierboven beschreven systematiek wordt erin voorzien dat het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Water en klimaatadaptatie 5.10.1 Kader Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

44 Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Hiermee is al in de geest van de Omgevingswet gewerkt.

Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid zichtbaar. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten.

De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

45 plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland.

Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. De openbare ruimte binnen het bedrijventerrein wordt zo ingericht dat het problemen als hittestress en wateroverlast tegengaat. Denk hierbij aan het realiseren van bomenrijen, wadi’s en waterpartijen. Er wordt op deze manier een soort ‘laan-structuur’ gecreëerd. Dit gaat niet alleen de hittestress en wateroverlast tegen, maar het zorgt er ook voor dat het terrein beter in de context past en daarnaast de uitstraling van een groen en duurzaam bedrijventerrein krijgt.

Op deze manier ontstaat een robuust watersysteem dat voldoet aan het uitgangspunt 'Water en Bodem Sturend'. Beleid waterbeheerder Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen de doelstelling van het Waterbeheerplan 2022-2027. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 gaat uit van 6 kerntaken: klimaatadaptatie, waterveiligheid, gezond water, voldoende water, vaarwegen en waterketen. Het Waterbeheerprogramma komt voort uit de Omgevingswet: er is rekening gehouden met diverse trends en ontwikkelingen en de inbreng van belanghebbenden is belangrijk. Water is immers een belangrijke factor bij ruimtelijke ontwikkeling en goed waterbeheer draagt bij aan duurzame ontwikkeling van het werkgebied (en daarbuiten).

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

46 Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur en de legger zijn onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: • het reduceren van overstromingsrisico's (kansen en gevolgen) • het verminderen van kwetsbaarheid • het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico's geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul. Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen wil het waterschap proberen om (de acceptatie van) deze risico's expliciet te maken. Beleid gemeente Eén van de randvoorwaarden is een voldoende robuust watersysteem met waterberging in het gebied. Hierbij worden de 'Klimaatstrategie Moerdijk' en het focusdocument 'Samen naar een groen, klimaat robuuste leefomgeving in 2025' gehanteerd. Binnen de gemeente Moerdijk geldt dat per 1 m2 verharding 60 mm waterberging gerealiseerd dient te worden binnen het plangebied. Hierbij worden tuinen meegerekend. Het bergen van deze hoeveelheid water is een lastige opgave in de gemeente Moerdijk vanwege de hoge waterstanden en klei in de ondergrond.

5.10.2 Onderzoek Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit onbebouwd agrarisch grasland. Rondom het plangebied zijn een aantal watergangen aanwezig welke zijn aangemerkt als een A-waterloop met diverse duikers (donkerblauw op afbeelding 5.1).

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

47

Afbeelding 5.1 Uitsnede leggerkaart waterschap Brabantse Delta.

Watercompensatie Er wordt ingezet op een duurzaam en relatief gezien groen bedrijventerrein, waarin er ruimte wordt gemaakt voor bomenrijen, groene daken, retentie en/of waterberging. Ook worden er kwaliteitseisen gesteld aan het inrichten van de desbetreffende bedrijfskavels. Zo wordt er voorkomen dat een kavel volledig kan worden verhard. Dit door bij de inrichting van de kavels een verdeling voor te schrijven tussen groen/water enerzijds, en bebouwing/verharding anderzijds van respectievelijk 25% en 75%. Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is op basis van deze uitgangspunten worst-case beoordeeld met welk oppervlak de verharding zal toenemen. Perceelsnummer

Aantal m2's Kenmerk

507

35843

Agrarisch

2180

30616

Agrarisch

2351

40427

Agrarisch

2820

1889

Perceel Koekoek I

2754

762

Perceel Koekoek I

518

150

Sloot Waterschap

1151

6256

Waterschap grond nabij spoor

515

48

Weg nabij sloot Waterschap

862

3294

Woonperceel

863

1455

Woonperceel

2262

623

Woonperceel

502

76

Zone Achterdijk

2260

552

Zone Achterdijk

2259

74

Zone Achterdijk

Totaal

122065

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

48

Uitgeefbaar (75% verhard)

Groen (excl. groene daken) Infra

Totale plangebied

Groen (bufferzone nabij Koekoek I)

84034

22694

122065

5597

9740

In totaal wordt er 72.765,5 m2 aan verharding wordt toegevoegd in het gebied. Met de waterbergingseis van 60 mm per m2 komt dit neer op een totale benodigde waterberging van 4.366 m3. In overleg met het waterschap wordt in de uitwerking van de plannen gekeken naar passende maatregelen, zoals het toepassen van halfverharding, waterbergende inrichting en wadi’s. Conform gemeentelijk beleid gaat de voorkeur uit naar het realiseren van voldoende waterberging op de eigen percelen, en pas wanneer dat niet mogelijk is de openbare ruimte hiervoor te benutten. De laatste mogelijkheid is om watergangen te verbreden. Het ligt voor de hand om bij het ontwerp van het waterstelsel te zoeken naar combinaties van waterhuishoudkundige eisen. De specifieke eisen die de verschillende bedrijven aan de kavel en het gebouw stellen, de positie en de randen van de kavel alsmede de waterhuishoudkundige eisen leiden per kavel wellicht tot verschillende oplossingen voor de waterbergingen. Het voorzien van groene daken op de bedrijfsgebouwen is bij deze ontwikkeling een harde eis. Riolering In het plangebied zal worden aangesloten op bestaande riolering. Daarnaast wordt een gescheiden rioolstelsel toegepast.

Dit betekent dat het schone hemelwater, dat valt op daken en (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk lokaal apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde huishoudelijke afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Waterkwaliteit Voor nieuwbouw gaan het waterschap en de gemeente daarnaast uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild.

Veiligheid In of in de nabijheid van het plangebied komt geen (regionale) waterkering voor. Door het gebied loopt wel een watertransportleiding, die ten behoeve van de ontwikkeling naar verwachting (deels) zal worden verlegd. Ten behoeve van het beschermen van het belang van de waterleiding is een werkingsgebied 'Restrictiegebied - Waterleiding' opgenomen, waarbinnen is het verboden om de aangewezen activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Dit betekent dat als er binnen dit gebied graafwerkzaamheden of andere activiteiten worden uitgevoerd die aan deze criteria voldoen, er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voordat de activiteit mag starten. Aan de aanvraag van deze omgevingsvergunning zijn voorwaarden gekoppeld. Dit is om ervoor te zorgen dat het leidingbelang beschermd wordt en dat er eventueel advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. Momenteel wordt de exacte ligging van de waterleiding nog verder uitgewerkt. 5.10.3 Conclusie De ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

49

5.11 Natuur en ecologie 5.11.1 Kader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is logischerwijs de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen.

In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.

De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen. 5.11.2 Onderzoek Soortenbescherming Ter voorbereiding van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is door Tritium Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 opgenomen bij deze motivering. Uit deze quickscan blijkt dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar steenuil, kerkuil, gierzwaluwen, huismussen, buizerd, bunzing, steenmarter, vleermuizen en de grote modderkruiper. Onderzoek naar deze soorten is uitgevoerd en opgenomen als bijlage 13. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies samengevat. Vleermuizen Het deel van het plangebied waar de vier woningen staan wordt door vleermuizen voornamelijk gebruikt als foerageergebied. Het foerageergebied van de vleermuizen hier bestaat uit de volwassen bomen en het struweel hieromheen. De bomenrij langs de Achterdijk vormt een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Bij het kappen van de bomen op het erf van Achterdijk 10 en het verwijderen van het struweel hier verdwijnt het foerageergebied van de vleermuizen. Voor deze soortgroep is géén ontheffing noodzakelijk. De waargenomen verblijfplaatsen bevinden zich niet in de woning Achterdijk 10. De bevindingen van deze verblijfplaatsen worden niet meer meegenomen, aangezien deze woningen in het nieuwe plan blijven bestaan.

Er zal eenzelfde oppervlak aan vegetatie van de juiste

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

50 kwaliteit moeten worden aangebracht in de nabije omgeving. De bomenrij langs de Achterdijk is een essentiële vliegroute en mag niet worden aangetast. Daarnaast is altijd de zorgplicht van kracht. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn er geen waarnemingen gedaan van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Voor de aangetroffen rode lijst-soorten (Huisspitsmuis, Rosse woelmuis, Egel en Bosmuis) geldt vrijstelling in alle provincies en is enkel de zorgplicht van kracht. Omdat de groenstrook waar de woningen zijn gebouwd wel geschikt is als verbindingszone en deze zal verdwijnen, worden er negatieve effecten verwacht op deze soortgroep. Omdat voor de rode lijst-soorten die aangetroffen zijn een vrijstelling geldt is voor deze soortgroep enkel de zorgplicht van kracht. Vogels met vaste verblijfplaats Binnen het plangebied zijn een aantal nesten aangetroffen en is vastgesteld dat er minimaal twee in gebruik waren op het moment van inventariseren (Ekster en Zwarte kraai). Het is onduidelijk welke functie het gebied heeft voor de Uil. Wel is deze gezien neerstrijkend in een boom binnen het plangebied in. Bij de kap van de bomen worden de nesten verwoest en is er geen rustplaats meer voor de waargenomen Uil en andere vogels. Vogels met een vaste verblijfplaats kunnen vervolgens geen gebruik meer maken van deze locatie.

Vogels met een vaste verblijfplaats en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Omdat de werkzaamheden een negatief effect zullen gaan hebben op deze soortgroep is er ontheffing noodzakelijk. Compensatiemogelijkheden moeten worden besproken met een expert op het gebied van vogels. Daarnaast is altijd de zorgplicht en meldingsplicht van kracht. Voorafgaand aan de kap zal een check uitgevoerd moeten worden om er zeker van te zijn dat de bomen vrij gekapt mogen gaan worden en deze niet in gebruik zijn door vogels. Vissen Bij compensatie van het oppervlak verloren watergang worden er geen negatieve effecten verwacht op deze soortgroep. Er geld enkel de zorgplicht voor deze soortgroep. Gebiedsbescherming Binnen het wettelijk vastgestelde kader omtrent stikstofdepositie liggen binnen 25 kilometer afstand verschillende Natura 2000-gebieden die enkele stikstofgevoelige habitattypen bevatten. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn: “Hollands Diep” op circa 5,5 kilometer afstand en “Biesbosch” op circa 7 kilometer afstand. Omdat op voorhand significante effecten niet zijn uit te sluiten, is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Antea Group en is opgenomen als bijlage 9. In de realisatiefase is geen sprake van toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden.

In de gebruiksfase is sprake van een maximale depositiebijdrage van 0,01 mol/ha/jr, op het Natura 2000-gebied Biesbosch, op enkele leefgebieden voor vogelsoorten waarvoor het gebied aangewezen is. Hierom is een ecologische voortoets uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 10 bij deze motivering. In een eerste stap heeft een generieke analyse plaatsgevonden, die geldt voor het betrokken Natura 2000-gebied. De projectbijdrage is miniem ten opzichte van de kritische depositiewaarden en achtergrondwaarden. Bovendien is de projectbijdrage lokaal. Daardoor beperkt de projectbijdrage het behalen van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Biesbosch niet. Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat voor het project, ook cumulatief, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hiermee kan uit deze voortoets worden geconcludeerd dat op basis van objectieve gegevens - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden – op voorhand de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

51 5.11.3 Conclusie Uit onderzoek blijkt dat voor vogels met een vaste verblijfplaats een ontheffing aangevraagd dient te worden. Voor de benodigde ontheffing zal een activiteitenplan opgesteld dienen te worden met daarin mitigerende maatregelen ten aanzien van de beschermde functies. De benodigde mitigerende maatregelen zullen worden meegenomen in de planuitwerking. Op basis van de conclusies uit bovenstaande onderzoek(en) blijkt dat de aspecten natuur en ecologie geen negatieve invloed hebben op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 5.12.1 Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Landschapskwaliteitsplan Het landschapskwaliteitsplan van de gemeente Moerdijk is op 19 mei 2016 vastgesteld. Het plan beschrijft de onderscheiden kwaliteiten per landschappelijk deelgebied en geeft ontwerprichtlijnen voor de wijze waarop ontwikkelingen hieraan bij kunnen dragen. Rijksbeleid De Erfgoedwet is op dit moment het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet gaat deels op in de Omgevingswet: in de Omgevingswet zullen de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd worden, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die nu in het overgangsrecht van de Erfgoedwet zijn opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd.

De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Provinciale verwachtingskaart Op de Cultuurhistorisch Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) van de provincie Noord-Brabant ligt het plangebied in de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Zeekleigebied’. Dat deel uitmaakt van het Zuidwest-Nederlandse deltagebied. De bodem bestaat uit zeeklei. Het gebied wordt doorsneden door Mark, Dintel en Vliet en diverse kreken, met name in de Biesbosch.

Buitendijks liggen slikken en gorzen die langs de Schelde schorren heten. Aanvankelijk was heel de regio een veengebied dat in de hoge middeleeuwen en late middeleeuwen in eerste instantie agrarisch ontgonnen werd en waarin men ook aan turfgraverij deed. In samenhang met de vorming van de Zeeuwse zeearmen en het Hollands

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

52 Diep overstroomde het gebied steeds verder, beginnen rond 1250 in het westen en culminerend in de St. Elisabethsvloed van 1421 in het oosten met de vorming van de Biesbosch. Dit oprukken van de zeeinvloed was mede mogelijk door het turfgraven voor de zoutproductie. Wanneer in de Noordwesthoek een gebied een eeuw of anderhalve eeuw overstroomd geweest was, kon het herdijkt worden als kleipolder. Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke verwachtingskaart van de gemeente Moerdijk is te zien dat het grootste deel van Zevenbergen-Noord een lage verwachting heeft. Enkel in het meest zuidelijke deel van Deelgebieden Schansdijk en Industrieel erfgoed geldt een middelhoge verwachting op dekzand. Het uiterste zuidelijke stukje van deze beide deelgebieden ligt in de oude dorpskern van Zevenbergen. Ook in de uiterste zuidwestelijk hoeken van Deelgebieden Bedrijventerrein Noord en – Zuid geldt een middelhoge verwachting op dekzand. Verspreid binnen het plangebied liggen ook enkele erven waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. Op basis waarvan bepaald is dat in de strook tussen de Langeweg en de Achterdijk geen archeologische verwachting geldt, is niet duidelijk. 5.12.2 Onderzoek Voor het gehele gebied ‘Zevenbergen-Noord’ is door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 opgenomen bij deze motivering.

Omdat er een reële kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied is geadviseerd om binnen enkele zones van het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen uit te voeren. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. Op basis van de onderzoeksresultaten is op een archeologische advieskaart (zie afbeelding 5.2) een voorstel tot een voor vervolgonderzoek te selecteren deel van het plangebied weergegeven. Dit selectiegebied omvat zowel de getoetste hoge verwachting op resten uit de vroege prehistorie als de verwachting op historische bebouwing uit de 16e eeuw zoals geformuleerd in het bureauonderzoek.

Afbeelding 5.2: Advieskaart archeologie. Bron: Antea Group

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

53 Een deel van het verkennend onderzoek kon niet plaatsvinden omdat terreinomstandigheden dit niet mogelijk maakten. Op grond van de verkregen ondergrondgegevens is echter te veronderstellen dat het dekzand in die richting verder daalt. De kans op lager gelegen, geïsoleerde dekzandkopjes is niet geheel uit te sluiten. Desondanks volgt uit het onderzoek één duidelijk kansrijke locatie: de dekzandkop nabij de bocht van de Achterdijk, met een gecombineerde verwachting voor vroege prehistorie en nieuwe tijd A. Voor die locatie wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Relevante niveaus zijn aanwezig direct onderzijde van de ploegvoor (nieuwe tijd A) en vanaf circa 1,2 m -mv (vroege prehistorie, dekzand). De zone heeft een omvang van 9000 m2 en omvat het hoge deel van de dekzandverhoging. Het proefsleuvenonderzoek is niet nodig als de geplande ontwikkeling (aantoonbaar) in dit deel van het terrein geen nieuwe verstoringen aan de bodem teweegbrengt. Het selectiebesluit van het bevoegd gezag d.d. 31-01-2023 is om in te stemmen met het advies van Antea Group om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de hierboven genoemde kansrijke locatie.

Het bevoegd gezag heeft in aanvulling op het advies van Antea Group besloten dat naast het proefsleuvenonderzoek (onderzoek historische erf) eveneens een karterend booronderzoek in de kansrijke zone dient te worden uitgevoerd om eventuele steentijdvindplaatsen op te sporen. Het overige deel van het plangebied kan op basis van de onderzoeksresultaten worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.12.3 Conclusie Op basis van bovengenoemde onderzoeksresultaten is in het omgevingsplan een restrictiegebied archeologie opgenomen, waarvoor geldt dat wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,3m -mv, een archeologisch rapport dient te worden overlegd. Vanuit dit aspect is tevens sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Duurzaamheid 5.13.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO 2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.

Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

54 ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Energieprogramma Moerdijk 0.9 Het Energieprogramma Moerdijk omvat de visie en ambities voor de lokale energietransitie. Het schetst het pad naar een CO2-neutrale toekomst in Moerdijk. Aansluitend op het Klimaatakkoord zijn vijf sectoren onderscheiden: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik, en Mobiliteit. Met de geschetste opgaven in het Energieprogramma draagt Moerdijk evenredig bij aan de nationale en mondiale klimaatdoelen. De gemeente zet zich in voor maximaal haalbare energiebesparing, zodat lokale duurzame energieproductie zo min mogelijk ruimte in beslag neemt. Daarbij worden de volgende leidende principes gehanteerd: 1. We zetten in op een haalbare en betaalbare energietransitie; 2. We werken aan de energietransitie vanuit lokaal draagvlak en initiatief, zonder daarbij de noodzaak van klimaatactie uit het oog te verliezen; 3. We zetten in op bewezen technologieën en bieden ruimte voor innovatie; 4. We benaderen de energietransitie als onderdeel van een maatschappelijke transitie; 5. We doen het samen en geven zelf het goede voorbeeld. Het is een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om de energietransitie te doen slagen.

Iedereen levert daaraan een eigen bijdrage. De gemeente biedt daarbij een helpende hand door te informeren, waar mogelijk te ontzorgen, initiatieven aan elkaar te koppelen en ruimtelijke kaders te scheppen om de nodige fysieke maatregelen te kunnen doorvoeren. 5.13.2 Onderzoek De gemeente heeft in het Energieprogramma Moerdijk haar ambitie vastgelegd. Het is aan toekomstige initiatiefnemers om in de verdere uitwerking van de bedrijfskavels zoveel mogelijk hierbij aan te sluiten, waarbij de bedrijven zoveel mogelijk voorzien in de eigen (of collectieve) energiebehoefte. In deze wijziging van het omgevingsplan zijn hier echter geen regels voor opgenomen. 5.13.3 Conclusie Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders.

5.14 Mobiliteit 5.14.1 Kader De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid dient te worden onderbouwd. Parkeernormen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen voor auto's en fietsen nodig zijn bij nieuw- en verbouwinitiatieven. Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Moerdijk de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen’, die onderdeel uitmaakt van het ‘Parkeerbeleid 2021’, zoals vastgesteld op 30 september 2021. Het 'Parkeerbeleid 2021’ is een actualisering van het vorige parkeerbeleid en biedt onder andere nieuwe inzichten over parkeernormen voor zowel auto's als fietsers en een verduidelijking van toetsingseisen voor ontwikkelingen en aanpassingen met het oog op duurzaamheid. 5.14.2 Verkeersstructuur en ontsluiting Door de ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk en uitbreidingsplannen van Zevenbergen zal het drukker worden op de provinciale weg N285. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken en Zevenbergen leefbaar te houden, leggen de provincie en de gemeente Moerdijk een noordelijke randweg aan. De noordelijke randweg vormt de verbindingsweg tussen de Langeweg (provinciale weg

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

55 N285) en rijksweg A17/A59. Ter hoogte van het plangebied is een aansluiting voorzien richting bedrijventerrein De Koekoek I. Het is de ambitie om een efficiënt en duurzaam bedrijventerrein in te richten. Er worden daarom binnen het bedrijventerrein zo min mogelijk wegen aangelegd. Er loopt één hoofdweg door het gebied, die als een soort ringweg alle kavels bereikbaar maakt. De wegstructuur loopt rond en kent 2 lanen waar er gewerkt kan worden met bomen in het straatprofiel. De hoofdontsluiting geschiedt via de nieuwe rotonde die door de provincie wordt aangelegd in het kader van de realisatie van de noordelijke randweg. Als tweede ontsluiting wordt een doorsteek gemaakt vanaf de doodlopende weg op bedrijventerrein De Koekoek richting het nieuwe terrein. 5.14.3 Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernota dient het totale aantal te realiseren parkeerplaatsen te worden bepaald. Als basis voor haar autoparkeernormen kiest de gemeente Moerdijk voor de parkeerkencijfers van het CROW. Deze kencijfers zijn opgenomen in de publicatie 381: ‘toekomstbestendig parkeren’. Op basis van autobezit en autogebruik in de gemeente Moerdijk geldt de gemiddelde bandbreedte binnen de CROW parkeerkencijfers als uitgangspunt voor de te hanteren parkeernormen. Bij de stedenbouwkundige uitwerking van de locatie dient aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat aan de gestelde parkeernormen van de gemeente Moerdijk kan worden voldaan. Om dit te borgen zijn regels opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. 5.14.4 Conclusie Het aspect mobiliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.15 Overige aspecten Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen, beschermingszones en dergelijke. 5.15.1 Conventionele explosieven Door onderzoeksbureau Leemans is een vooronderzoek naar conventionele explosieven (CE) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 opgenomen bij deze motivering. Op basis van de beoordeling en evaluatie van het bronnenmateriaal moet worden geconcludeerd dat de vermoedelijke aanwezigheid van explosieven in een klein deel van het onderzoeksgebied aannemelijk is. Uit oogpunt van veiligheid is het van essentieel belang dat de verdachte gebieden worden onderzocht op de aanwezigheid van explosieven, alvorens binnen deze gebieden aan te vangen met enige vorm van (grondroerende) werkzaamheden. Dit onderzoek kan geschieden door oppervlaktedetectie waarbij verdachte objecten worden gedetecteerd en gelokaliseerd. De bij het detectieonderzoek gedetecteerde en gelokaliseerde verdachte objecten dienen vervolgens benaderd en geïdentificeerd te worden. De hierbij aangetroffen explosieven dienen door de EODD te worden geruimd alvorens aan te vangen met de geplande werkzaamheden.

Voor de rest van het onderzoeksgebied geldt de volgende aanbeveling. De kans op het aantreffen van explosieven is niet anders dan op elke ander plaats in Nederland onder gelijke omstandigheden. De voorgenomen werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven. Indien tijdens het uitvoeren van deze werkzaamheden onverhoopt toch een of meerdere explosieven worden aangetroffen, dienen deze direct gemeld te worden bij de plaatselijke politie. Deze TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

56 zal melding van het aantreffen van explosieven doen bij de EODD, die alsdan voor de ruiming van de explosieven zorg zal dragen. Op basis van de bodembelastingkaart valt slechts een klein deel van het verdachte gebied binnen het plangebied. Hier zijn geen grondwerkzaamheden voorzien. Het aspect conventionele explosieven vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan Bedrijventerrein Koekoek II, Zevenbergen Motivering

57

6

Kostenverhaal

Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. In het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden (in de motivering). Als er gekozen wordt voor het opnemen van regels kostenverhaal, dienen deze op maat te worden gemaakt voor elke ontwikkeling met kostenverhaalplichtige activiteiten. Moerdijk staat, zoals alle Nederlandse gemeenten, voor grote opgaven waarvoor in de fysieke leefomgeving ruimte moet worden gecreëerd. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, klimaatadaptatie, wonen en leefbaarheid. De gemeente kiest voor het toepassen van sturend grondbeleid. Dit houdt in dat er niet één vaste vorm van grondbeleid is, maar op basis van regie per situatie en locatie wordt beoordeeld welke strategie het meest geschikt is in dat specifieke geval om de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen of doelstellingen te realiseren. Om slagvaardiger te kunnen acteren bij gewenste aankopen is de reserve strategische verwerving verhoogd, is een nieuw nota grondbeleid vastgesteld en wordt in 2024 een nieuwe nota kostenverhaal vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=794cd40b-5302-4f83-8926-4e2e678517da