Bijlage 1a - 231206 BP30 MRD020 toelichting en regels
Tekst van het document
De 'Woonvisie' is grotendeels een bestendiging van de lijn die eerder is ingezet met onder andere de Strategische Visie Moerdijk 2030, de Structuurvisie Moerdijk 2030 en de Paraplunota Maatschappij 2020-2030. Wel zijn er wat accentverschuivingen en is een paar nieuwe onderwerpen toegevoegd. ln het Woonprogramma wordt op basis van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, het woningbehoefteonderzoek en ontwikkelingen op de woningmarkt weergegeven wat op de middellange termijn nodig is om op kernniveau invulling te geven aan onze ambities en doelstellingen uit de Woonvisie. Het Woonprogramma wordt naar verwachting in 2023 vastgesteld. Met het Woonplan stelt het college jaarlijks vast met welke projecten in dat jaar uitvoering gegeven wordt aan het woonprogramma. Het hoeft daarbij niet per definitie om woningbouwprojecten te gaan. Hierbij valt ook te denken aan de actualisatie van een bepaalde regeling of een communicatietraject over een bepaald onderwerp richting inwoners. Doelstellingen In de Woonvisie gemeente Moerdijk worden de volgende doelstellingen omschreven: 1. ln de gemeente Moerdijk zijn voldoende woningen om in de kwantitatieve woningbehoefte a. ln alle kernen is sprake van een evenwichtige woningvoorraad die aansluit op de demografische ontwikkelingen. 2.
Het aanbod aan woningen en woonmilieus in de gemeente Moerdijk sluit aan op de kwalitatieve woningbehoefte. a. Er is sprake van een aantrekkelijke menging van de verschillende groepen woonconsumenten, woningen en woonmilieus in de kernen; b. De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn duurzaam en klimaatadaptief; c. De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn levensloopbestendig; d. De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn veilig. 3. De woningen in de gemeente Moerdijk zijn betaalbaar.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
33
4.4.4 Verkeersveiligheidsplan Moerdijk 2018 - 2028 (Gemeente Moerdijk, 2018) Met het Verkeersveiligheidsplan Moerdijk 2018 - 2028 wordt ingezet op het nog veiliger maken van de wegen binnen de gemeente Moerdijk. Het plan bevat tientallen maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de verkeersveiligheid binnen de gemeente Moerdijk een extra impuls krijgt. De focus ligt daarbij op de doelgroepen kinderen (schoolgaande kinderen), ouderen, voetgangers, fietsers, automobilisten en zwaar verkeer. In het plan worden o.a. voorwaarden voor een veilige inrichting van nieuwbouwlocaties gegeven. Hiermee is in dit plan rekening gehouden. 4.4.5 Beleidsregels Nota Parkeernormen (Gemeente Moerdijk, 2021) De parkeeroplossing van ruimtelijke plannen wordt getoetst aan de hand van het gemeentelijk parkeernormenbeleid, zo ook in dit plan. 4.4.6 Conclusie Er is gekeken naar meerdere gemeentelijke beleidsdocumenten, de Structuurvisie, de paraplunota’s en de woonvisie. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de eerder genoemde beleidsdocumenten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling die bijdraagt aan een passende woningvoorraad en een verbetering en verbreding van het economische klimaat van de kern Fijnaart. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
34
Hoofdstuk 5
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding.
5.1
Milieu
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven. 5.1.1
Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie. 5.1.1.2 Analyse 5.1.1.2.1 Asbestinventarisatie Quick Scan Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft SGS Search een quickscan asbestinventarisatie uitgevoerd: rapport "Asbestinventarisatie Quick Scan" (17 mei 2022, 24.22.03760). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2. Geconcludeerd wordt dat er asbest is aangetroffen. Het materiaal is niet beschadigd en betreft een hechtgebonden toepassing. Bij dagelijks gebruik van de ruimtes is er geen risico. Voor sloop of rennovatie dient het materiaal verwijderd te worden. 5.1.1.2.2 Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek Naar aanleiding van bovenstaande conclusie heeft SGS Search een verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd: rapport ''Verkennend en aanvullend bodem- en asbest in grondonderzoek conform NEN5740 en NEN5707'' (10 juni 2022, 25.22.00174). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat: Milieuhygiënische situatie grond en grondwater Deellocatie 1: Spuiterij De bovengrond is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met PCB, minerale olie, kobalt, koper en lood.
De ondergrond is niet onderzocht. Het grondwater bevat licht verhoogde gehalten aan zink. Aanbevelingen De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter plaatsen van boringen 01-04 en 01-06. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink is bij deze boringen in zowel horizontaal als verticaal niet afgeperkt. Deellocatie 2: Werkplaats opslag binnen De bovengrond is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met nikkel, koper, lood en zink en licht verontreinigd met PCB, minerale olie, kobalt, molybdeen, cadmium en PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB, minerale olie, nikkel, zink, lood en PAK. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen ten opzichte van de detectiegrens.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
35
Aanbevelingen De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter plaatsen van 02-06 en 02-09. De aangetroffen sterke verontreiniging met lood welke is aangetroffen in de bovengrond van boring 02-06 moet horizontaal nog afgeperkt worden. Ter plaatsen van boring 02-09 moet de aangetroffen sterke verontreinigingen met nikkel, koper, lood en de matige verontreiniging met zink nog horizontaal en verticaal afgeperkt worden. Deellocatie 3: Verfafval De bovengrond is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd met PCB, minerale olie, nikkel, molybdeen, cadmium, lood en PAK. In de ondergrond is niet onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen, xylenen en naftaleen. Aanbevelingen De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter plaatsen van boring 03-02 en 03-03. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink en matige verontreiniging met lood welke zijn aangetroffen bij boring 03-02 bevinden zich in de bovengrond en moet horizontaal nog afgeperkt worden.
Ter plaatsen van boring 03-03 moet de aangetroffen sterke verontreiniging met zink welke zich in de bovengrond bevindt horizontaal afgeperkt worden. Deellocatie 4: Olieopslag magazijn In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen van de geanalyseerde parameters. Het grondwater is niet verontreinigd met een van de geanalyseerde parameters. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Deellocatie 5: Werkplaats / opslag gebouw 2 De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt. In de ondergrond is niet onderzocht. Het grondwater is niet verontreinigd met een van de geanalyseerde parameters. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q.
toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Deellocatie 6: Opslag olieproducten De ondergrond is niet verontreinigd met minerale olie en aromaten. Het grondwater is niet verontreinigd met een van de geanalyseerde parameters. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
36
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Deellocatie 7: Overig terrein De bovengrond is plaatselijk sterk verontreinigd met lood, matig verontreinigd met koper en zink en licht verontreinigd met PCB, kobalt, nikkel, cadmium, PAK en minerale olie. De ondergrond is lichte verontreiniging met minerale olie. Het grondwater is plaatselijk sterk verontreinigd met nikkel, koper, zink, cadmium, barium en lood en licht verontreinigd met kobalt, kwik, benzeen en xylenen. Aanbevelingen De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter plaatsen van boring 07-30. De aangetroffen sterke verontreiniging met lood moet zowel in horizontale als verticale richting afgeperkt worden. De aangetroffen matig verhoogde gehalte aan koper en zink bevinden zich in de bovengrond en moeten horizontaal worden afgeperkt. Tevens wordt geadviseerd de peilbuis opnieuw te bemonsteren om te bevestigen of er sprake is van een sterke verontreiniging in het grondwater. Deellocatie 8: Tank Er zijn geen verontreinigingen met minerale olie en aromaten aangetroffen.
Het grondwater is niet verontreinigd met een van de geanalyseerde parameters. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Deellocatie 9: Afval containers De bovengrond is plaatselijk sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met PCB, minerale olie, cadmium, kwik lood en PAK. In de ondergrond is niet onderzocht. Het grondwater is niet onderzocht. Aanbevelingen De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter plaatsen van boringen 07-18a. De aangetroffen sterke verontreiniging met zink welke in de bovengrond aanwezig is moet horizontaal afgeperkt worden.
Gehele terrein Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond, bij toetsing aan het Tijdelijk Handelingskader PFAS (versie 2 juli 2020, bij toepassing boven grondwaterniveau), gekwalificeerd kan worden als klasse ‘Landbouw / Natuur’. Asbest in grond Asbesthoudende materialen op het maaiveld Uit de visuele inspectie blijkt dat op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Asbesthoudende materialen in de bodem Uit de visuele inspectie van het vrijgekomen bodemmateriaal blijkt dat zintuiglijk wel asbestverdacht materiaal in de bodem is aangetroffen. Het materiaal is aangetroffen in de proefgaten 17. Het betreft hechtgebonden plaatmateriaal welke asbest (chrysotiel) bevat. In de fijne fractie van mengmonsters
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
37
ASBMM01, ASBMM02, ASBMM03 en ASBMM06 is wel asbest aangetroffen. De hoogst gemeten concentratie aan asbest op de locatie is aangetroffen in proefgaten 01-04, 02-01, 02-02, 02-03 en 0401 en betreft 258,20 mg/kg d.s. Uit toetsing van de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat het gehalte aan asbest in de bodem groter is dan 50 mg/kg d.s. (toetsingscriterium nader onderzoek). Conclusies en aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is. Tevens kan gesteld worden dat de doelstelling van het onderzoek, om na te gaan of de verdenking met asbest terecht is, is behaald. Op de locatie is een concentratie asbest aangetroffen in een gehalte boven de 50 mg/kg d.s. (toetsingscriterium nader onderzoek). Aangezien deze waarde wordt overschreden is de bodem verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Geadviseerd wordt om een nader onderzoek asbest in grond conform NEN5707 uit te voeren om vast te stellen of sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. Door middel van het nader bodemonderzoek wordt vastgesteld of de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. wordt overschreden.
Enkel door middel van een nader onderzoek asbest in grond conform NEN5707 kan formeel worden vastgesteld of de interventiewaarde wordt overschreden en er derhalve sprake is van een verontreiniging van de grond met asbest. 5.1.1.2.3 Vervolgwerkzaamheden Naar aanleiding van de door SGS Search uitgevoerde bodemonderzoeken heeft Wematech bodemadviseurs b.v. een onderzoeksvoorstel ten aanzien van de noodzakelijke vervolgonderzoeken uitgevoerd. Het onderzoeksvoorstel is bijgevoegd als bijlage 4. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de omvang van de bij het eerder onderzoek aangetroffen matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen (nader onderzoek). Tevens is het verkrijgen van (aanvullend) inzicht in het gehalte VOCl in grond en grondwater ter plaatse van de hierop verdachte deellocaties 1 en 3 gewenst (verkennend bodemonderzoek) en is inzicht in het gehalte asbest gewenst op de locaties waar bij het eerdere onderzoek de nadere onderzoekswaarde werd overschreden. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan zal dit onderzoek (eventueel gevolgd door nadere onderzoeken) worden bijgevoegd aan dit bestemmingsplan. De financiële risico's welke verbonden zijn aan de mogelijke aanwezigheid van de bodemverontreiniging en de daarmee samenhangende saneringskosten maken onderdeel uit van de herontwikkelingskosten. Voorwaardelijke verplichting.
Onder voorbehoud van wettelijke bepalingen en in overeenstemming met de geldende milieuregelgeving, gaat de eigenaar van het betreffende perceel over tot sanering. De eigenaar verbindt zich ertoe om een saneringsplan op te stellen, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de bevoegde autoriteit. De sanering dient te worden uitgevoerd volgens de door het bevoegd gezag goedgekeurde plannen en binnen de gestelde termijnen. Het doel van de voorwaardelijk verplichting is het waarborgen van een gezonde en veilige leefomgeving, met name met oog op het realiseren van een woonlocatie met tuin. Door de opdrachtgever is aangegeven dat deze kosten gedragen kunnen worden door de verwachte revenuen van de herontwikkeling. De financiële risico's zijn hiermee verdisconteerd in de herontwikkelingskosten en daarmee onder controle. 5.1.1.3 Conclusie Indien de voorwaardelijke verplichting tot sanering wordt ingelost wordt voldaan aan de eis om de bodemkwalitieit in lijn te krijgen met de bestemming wonen met tuin.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
38
5.1.2
Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of: de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen; bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen. 5.1.2.2 Analyse Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Om het aspect 'invloed omliggende inrichtingen op het plan' inzichtelijk te maken heeft Kragten een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd, rapport: ''Bedrijven en milieuzonering; Ontwikkellocatie ZNS-terrein te Fijnaart'' (4 juli 2023, 20230704-MRD020-RAP-BMZ 3.0). Dit onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5. Geconcludeerd wordt dat uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de woningen (deels) gelegen zijn binnen (een deel van) de richtafstand van gronden met de bestemming Bedrijf (westelijk grenzend aan het plangebied).
Er is derhalve voor deze locatie niet zonder meer sprake van voldoende ruimtelijke scheiding en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze conclusie is niet maatgevend omdat de huidige bestemming wordt opgeheven. Deze gronden maken onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure waarbij de bestemming wordt aangepast naar 'Verkeer'. De gronden zijn hiermee niet meer relevant voor de milieuzonering. De richtafstanden van de overige relevante bedrijfsmatige inrichtingen (Patrijsstraat 2 en 2a) vallen niet over de nieuw op te richten gevoelige objecten. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt voor de meeste bedrijven geen planologische belemmering voor het plan. Alleen bij het bedrijf aan de Kadedijk 79 wordt niet volledig voldaan aan de richtafstand. Omdat het hier een klein deel van een smalle onbebouwde strook (tuin) achter de huidige stal betreft, is er naar mening van het gemeentebestuur geen gevolg voor het creëren van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. 5.1.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.3
Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. 5.1.3.2 Beoordelingskader Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
39
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Transportroutes (Bevt)
Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
40
5.1.3.3 Analyse De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.
UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND
Om het aspect 'Externe veiligheid' inzichtelijk te maken heeft Kragten een quickscan externe veiligheid uitgevoerd: rapport "Quickscan Externe Veiligheid; ZNS-terrein, Fijnaart" (20 juni 2023, 20230620-MRD020-RAP-EV 3.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 6. Geconcludeerd wordt dat: Transport over het water en spoor Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een water of spoorweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en spoor vormen geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied grenst aan de Kadedijk. Deze weg kent geen PR 10-6 risicocontour en ook geen PAG. Aangezien het plan op minder dan 200 meter van deze weg is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Uit de “Rapportage vervoer gevaarlijke stoffen, actualisatie 20172018, gemeente Moerdijk” van de OMWB blijkt dat het groepsrisico lager is dan 0,1 * OW, waardoor ook de hoogte van het groepsrisico geen belemmering vormt voor de planvorming. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (GF3). De rijksweg A59 (wegvakken B98 en B14) ligt op een afstand van circa 800 meter ten noorden van het plangebied.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van stofcategorie toxische vloeistoffen (LT2). De rijksweg A17 (wegvak B13) ligt op een afstand van circa 2,7 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Deze weg is eveneens opgenomen in het Basisnet weg. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT3).
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
41
De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding geen belemmering vormt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied voor ammoniak (toxisch gas) van de inrichting Shell Nederland Chemie B.V. Gezien de grote omvang van het invloedsgebied is het niet aannemelijk dat het plangebied een relevante invloed zal hebben op de hoogte van het groepsrisico. De risico's als gevolg van inrichtingen (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft Kragten een verantwoording hoogte groepsrisico opgesteld, rapport ''Verantwoording Hoogte Groepsrisico; ZNS-terrein, Fijnaart'' (25 september 2023, 20230925-MRD020-NOT-VGR 4.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7. Geconcludeerd wordt dat: De gemeente Moerdijk heeft een Standaard Verantwoording Groepsrisico opgesteld. In deze Standaard Verantwoording is de gemeente in zones ingedeeld. Onderstaand is deze indeling weergegeven.
Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat het plangebied (rode cirkel) binnen de blauwe zone als gevolg van een weg is gelegen. Aangezien binnen het plan geen functies gerealiseerd worden specifiek bedoeld voor minder zelfredzame personen, kan volstaan worden met een standaard verantwoording. De standaardverantwoording is in bijlage B1 (van het onderzoek) bijgevoegd. 5.1.3.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
42
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan. 5.1.4.2 Analyse Het plan omvat nieuwe geurgevoelige objecten. Voor de in de bebouwde kom gelegen (toekomstige) geurgevoelige objecten geldt een vaste afstand van ten minste 100 meter. Daarnaast gelden geurcontouren voor agrarische bedrijven waarvoor de vaste afstand niet geldt. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Daarnaast volgt uit de geurbelastingkaart van de ODZOB (zie onderstaande afbeelding). Dat een 'zeer goed' woon- en leefklimaat (0 - 1,5), voor het aspect 'geurhinder veehouderijen' kan worden gegarandeerd.
Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde. 5.1.4.3 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd. 5.1.5.2 Analyse Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Verkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Kadedijk. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Kragten een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (13 juli 2023, 20230713-MRD020-AKO-WVL 3.0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
43
Geconcludeerd wordt dat: Wet geluidhinder Ten gevolge van de Kadedijk (wegvak 50 km/uur) wordt ter plaatse van het gehele plangebied voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Maatregelen hoeven niet te worden onderzocht en een Hogere waarde hoeft niet te worden aangevraagd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de Kadedijk (30 km/uur) en de Boomgaardstraat inzichtelijk gemaakt. Ten gevolge van de Kadedijk (30 km/uur) en de Boomgaardstraat wordt de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening ten gevolge van deze weg De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverkeer (inclusief 30 km/uur-wegen) bedraagt maximaal 53 dB. Ter plaatse van het gehele plangebied is de cumulatieve geluidbelasting volgens methode Miedema te beoordelen als goed of redelijke, daarmee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 57 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '719625, Rijkswaterstaat'.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
44
categorie jaargemiddelde concentratie NO2 jaargemiddelde concentratie PM10 jaargemiddelde concentratie PM2.5 overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10
grenswaarde 2021 2030 40 µg/m³ 15,6 12,6 40 µg/m³ 15,1 13,3 25 µg/m³ 8,2 6,5 35 6,0 6,0
Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst. 5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld.
Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn geen pluimveeveehouderijen actief. Bovendien liggen er geen overige veehouderijen binnen 250 meter van het plangebied. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van endotoxinen. Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
45
5.1.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Omdat direct ten oosten van het plangebied een agrarisch perceel is gelegen (Kadedijk 79), kan er sprake zijn van een "spuitzone" waarvoor een afstandsgrens van 50 meter wordt gehanteerd zoals aan de orde geweest in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2022 (Asdockterrein, ECLI:NL:RVS:2022:3023). Op de Kadedijk 79 geldt conform het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is een bedrijf, gericht op onder andere fruitteelt en sierteelt, toegestaan. Met de eigenaar van het perceel is overeengekomen om een spuitvrije zone op te nemen. De spuitvrije zone wordt gemeten vanaf de rand van het nieuwe gevoelige bouwvlak (Wonen). Deze spuitvrije zone is juridisch geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan (artikel 3.1).
5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 2,6 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig. 5.1.7.5 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.1.8
Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. 5.1.8.2 Analyse Het plan valt onder de activiteit 11.2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'zoals genoemd in de bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage, maar overschrijdt niet de daarin genoemde drempelwaarde. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig, maar er heeft wel een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden. De beoordeling is opgenomen als bijlage 9. 5.1.8.3 Conclusie Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
46
5.2
Waarden
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. 5.2.1.2 Analyse Onderhavig plangebied heeft, op basis van de 'archeologische beleidskaart' een lage archeologische verwachtingswaarde. Dit is vertaald in het ontbreken van een dubbelbestemming 'Archeologie' in het vigerende bestemmingsplan. Een archeologisch onderzoek is hierdoor niet aan de orde. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister. 5.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. 5.2.2.2 Analyse Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied is, conform de cultuurhistorische waardenkaart, één Rijksmonument gesitueerd (Kadedijk 79, monumentnummer: 15.884). Dit betreft een boerderij bestaande uit een afzonderlijk woonhuis met zadeldak tussen topgevels met jaarankers uit 1769. Deze boerderij/woonhuis is sinds 7 december 1971 aangewezen als Rijksmonument. Conform het Rijksmonumentenregister betreft de bescherming van dit Rijksmonument uitsluitend het woonhuis met aangebouwd zomerhuis en de grote schuur met rieten dak. Middels voorliggend planvoornemen worden deze waarden gerespecteerd en blijven de waarden instand gehouden. Het plan tast hiermee geen waardevolle elementen aan. 5.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.2.3
Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen: gebiedsbescherming; soortenbescherming; bescherming van houtopstanden. 5.2.3.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
47
geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Verstorende effecten Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland, heeft Kragten uit Herten een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport ''Hollandia Fijnaart; Verkennend flora- en faunaonderzoek'' (27 maart 2023, 20230327-MRD020-FnFRAP-2.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 10. Geconcludeerd wordt dat het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van het NNB valt. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom ook niet aan de orde. Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen heeft Kragten een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd (5 juli 2023, 20230705-MRD020-RAP-STD-2.2). Het onderzoeksrapport is als bijlage 12 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situatie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt.
Het onderhavige plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Soortenbescherming Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft Kragten een quickscan flora- en fauna uitgevoerd: rapport ''Hollandia Fijnaart; Verkennend flora- en faunaonderzoek'' (28 juni 2023, 20230628-MRD020-FnF-RAP-2.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 10. Geconcludeerd wordt dat: Algemene broedvogels – rekening houden met broedseizoen Het verdwijnen van gebouwen, graslanden en begroeiing binnen het onderzoeksgebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.).
Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het gehele onderzoeksgebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels buiten het broedseizoen niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Er dient derhalve gerooid te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de aanwezige vegetatie. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen en/of terreinen vrijgegeven worden voor de kap/graafwerkzaamheden. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
48
Kerkuil – nader soortenonderzoek In de oude schuur (C) zijn sporen van kerkuil aangetroffen. Mogelijke essentiële verblijf,-rust-, roest-, en /of broedplaatsen kunnen niet worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied. Tijdens de werkzaamheden en met name het verdwijnen van de oude schuur kunnen nesten en/of roestplaatsen van de kerkuil worden verstoord en/of vernield. Het uitvoeren van de werkzaamheden leidt hiermee mogelijk tot het verstoren/doden van broedende vogels (Wnb artikel 3.1 lid 4). In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van werkzaamheden. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden in het onderzoeksgebied. Met een nader soortenonderzoek wordt geïnventariseerd of de soort tot broeden komt binnen het onderzoeksgebied en hoe het onderzoeksgebied fungeert als leefgebied voor de kerkuil. Steenuil – nader soortenonderzoek In de fabriekspand (B) en de oude schuur (C) zijn sporen van steenuil aangetroffen. Mogelijke essentiële verblijf,-rust-, roest-, en /of broedplaatsen kunnen niet worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied. Tijdens de werkzaamheden en met name het verdwijnen van de fabriekspand en oude schuur kunnen nesten en/of roestplaatsen van de steenuil worden verstoord en/of vernield.
Het uitvoeren van de werkzaamheden leidt hiermee mogelijk tot het verstoren/doden van broedende vogels (Wnb artikel 3.1 lid 4). In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van werkzaamheden. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Met een nader soortenonderzoek wordt geïnventariseerd of de soort tot broeden komt binnen het onderzoeksgebied en hoe het onderzoeksgebied fungeert als leefgebied voor de steenuil. Huismus – nader soortenonderzoek In de oude schuur (C) zijn mogelijk nesten van de huismus aangetroffen. Ook vormt de fabriekshal (B) geschikt broedbiotoop voor de huismus. Mogelijke essentiële broedplaatsen kunnen niet worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied. Tijdens de werkzaamheden en met name het verdwijnen van de oude schuur kunnen mogelijk nesten van de huismus worden verstoord en/of vernield. Het uitvoeren van de werkzaamheden leidt hiermee mogelijk tot het verstoren/doden van broedende vogels (Wnb artikel 3.1 lid 2 en 4). In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van werkzaamheden. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk.
Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Met een nader soortenonderzoek wordt geïnventariseerd of de soort tot broeden komt binnen het onderzoeksgebied en hoe het onderzoeksgebied fungeert als leefgebied voor de huismus. Vleermuizen – vermijden aanvullende lichtverstrooiing binnen en vanuit het onderzoeksgebied Uit de resultaten blijkt dat er mogelijke foerageergebied en vliegroutes aanwezig zijn binnen het gehele onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied vormt marginaal geschikte foerageergebieden/vliegroutes voor vleermuizen, waardoor vleermuizen sporadisch worden verwacht binnen het onderzoeksgebied (langs de gebouwen foeragerend/overvliegend). Binnen het gehele onderzoeksgebied en in de omgeving zijn meer dan voldoende alternatief vliegroutes en foerageergebied aanwezig. Indien er tijdens de werkzaamheden verlichting wordt gebruikt, dient voorkomen te worden dat de verlichting uitstraalt richting de naastgelegen bomen/heesters en opgaande groenstructuren, waardoor lichthinder kan plaatsvinden op de beschermde functies van de vleermuizen rondom het onderzoeksgebied.
De werkzaamheden worden daarom bij voorkeur tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd of verlichting dient op zijn minst zo gepositioneerd te worden dat geen sprake is van een aanvullende verlichting van de omliggende structuren. Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met zorgplicht Het onderzoeksgebied fungeert als leefgebied voor algemeen voorkomende soorten, zoals egel, konijn en algemene muizensoorten. Met name de kort gemaaide graslanden grenzend aan de deelgebieden. De omgeving van de deelgebieden biedt ruim voldoende alternatief leefgebied tijdens de werkzaamheden ter behoud van een gunstige staat van instandhouding van de algemene
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
49
zoogdiersoorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden niet verwacht op de algemene zoogdiersoorten. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Individuen worden mogelijk gedood (Wnb artikel 3.10.a.) of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.b.). De mogelijk voorkomende zoogdiersoorten en algemene, zwervende amfibieën zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant (zie bijlage 4) vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden. Steenmarter – nader soortenonderzoek Het onderzoeksgebied vormt mogelijk geschikte verblijfplaatsen en leefgebieden voor de steenmarter.
Om uitsluitsel te kunnen geven over het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter in de te slopen bebouwing en groenstroken, dient nader soortenonderzoek uitgevoerd te worden. Aanbevelingen – boerenzwaluw mogelijk nestkasten ophangen Rondom het onderzoeksgebied is meer dan voldoende alternatief broedbiotoop en leefgebied aanwezig voor de boerenzwaluw in de vorm van o.a. boerenerven ten zuiden van het onderzoeksgebied. De boerenzwaluw hoeft niet jaarrond beschermd beschouw te worden maar kan hier gezien worden als algemene broedvogel. Bij de nieuwbouw kunnen nieuwe nestgelegenheden worden gecreëerd, zodat de al aanwezige boerenzwaluw geholpen kunnen worden. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft De Vos Ecologie een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd, rapport: ''Notitie Staalmeesters aan de Kadedijk te Fijnaart'' (26 mei 2023, 23010/n01). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 11. Geconcludeerd wordt dat: Vleermuizen Reeds eerder aangegeven is dat er in het kantoor en de schuur wel geschikte ruimten zijn voor vleermuizen. De loods werd grotendeels niet als geschikt beoordeeld, aangezien het voornamelijk uit enkelwandig metaal bestaat. Het nader onderzoek naar vleermuizen is ondertussen gestart waarbij het kantoor vanwege de smalle spleten alleen wordt onderzocht op dwergvleermuizen (twee ronden in de zomer).
Eén gevel van de loods wordt tegelijk met het kantoor onderzocht (ook alleen dwergvleermuizen), aangezien deze gevel bestaat uit een gemetselde muur met een paar kieren tegen de dakrand. De schuur is ook geschikt voor grotere vleermuissoorten zoals de laatvlieger, dus hier vindt uitgebreider onderzoek plaats (drie ronden in de zomer). Het planvoornemen is om de bebouwing te amoveren. Ter mitigatie van de verloren verblijfplaatsen, moeten vleermuiskasten aan bebouwing of losstaande vleermuispalen binnen 200 meter in de directe omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden worden geplaatst. Om de vleermuizen voldoende tijd te geven om deze kasten te ontdekken, moeten ze idealiter in de zomer 2023 worden geplaatst. Hieraan is gevolg gegeven. In augustus 2023 zijn deze vleermuiskasten reeds geplaatst (zie onderstaande tekening). Een ontheffing van de Wet natuurbescherming wordt nog aangevraagd.
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
50
Amfibieën en vissen De Gemeente Moerdijk heeft aangegeven dat grote modderkruiper en amfibieën onderzocht dienen te worden. Raadpleging van de NDFF leverde een waarneming op van een grote modderkruiper (in 2013) aan de andere kant van de A59. Het is onduidelijk of dat watersysteem direct is verbonden met het watersysteem naast het plangebied, waardoor de aanwezigheid van grote modderkruipers binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (heien) inderdaad niet op voorhand kan worden uitgesloten. Er is daarom nu ingezet op eDNA-onderzoek naar grote modderkruiper. Het nader ecologisch onderzoek, bijgevoegd als bijlage 11, heeft middels eDNA-onderzoek aangetoond dat het negatief effect op de grote modderkruiper op voorhand wordt uitgesloten. Deze komt niet voor binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden. In 2020 is bij tuintellingen een rugstreeppad in Helwijk aangetroffen. Volgens RAVON en NDFF zijn er verder geen waarnemingen van rugstreeppadden bekend. Tijdens het uilen- en vleermuizenonderzoek zijn bij drie bezoeken (28 april, 22 en 28 mei) geen rugstreeppadden gehoord. Feitelijk moet voor rugstreeppadden nog één bezoek in juni of juli worden uitgevoerd om te voldoen aan de gewenste onderzoeksinspanning conform Kennisdocument Rugstreeppad. Van andere strikt beschermde amfibieën zijn geen waarnemingen bekend (RAVON, NDFFF).
Het nader ecologisch onderzoek, bijgevoegd als bijlage 11, heeft aangetoond dat de rugstreeppad niet aanwezig is in het gebied. Huismus Afgezien van de ruimtes boven de schuifdeuren (die worden gebruikt door kauwen), zijn in het plangebied geen geschikte broedplaatsen voor huismussen aanwezig. Verder zijn er ook geen huismussen waargenomen. Een functie van het plangebied voor huismussen wordt daarom uitgesloten en nader onderzoek naar huismussen is volgens De Vos Ecologie niet nodig. Uilen Inmiddels is het nader onderzoek naar uilen afgerond. Uit dit onderzoek bleek dat in de schuur een kerkuilennest en een steenuilennest aanwezig zijn. De drie jonge kerkuilen vliegen inmiddels al door de schuur. Tijdens de eerste ronde uilenonderzoek op 21 maart 2023 werd een roepende steenuil (man) naast de schuur waargenomen. Tijdens de tweede ronde op 9 april werd één steenuil en tijdens de derde ronde op 28 april werden twee steenuilen in de schuur waargenomen. Het nest van de steenuilen kon echter niet worden ontdekt vanwege het risico op wezenlijke verstoring, maar het gedrag (roepend mannetje en constante aanwezigheid van minstens één steenuil gedurende het
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
51
broedseizoen) geven aan dat een steenuilennest in de schuur aanwezig is. Het terrein rondom de schuur is essentieel foerageergebied van het koppeltje steenuilen. De kerkuilen foerageren echter binnen een groot gebied, waardoor het plangebied geen essentieel foerageergebied voor de kerkuilen is. Het planvoornemen is om de schuur te amoveren. Ter compensatie van de verloren nestplaatsen, moeten 2 steenuilenkasten en twee kerkuilenkasten binnen 300 meter in de directe omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden worden geplaatst. Bij voorkeur worden deze uilenkasten bij naburige boerderijen in een schuur geplaatst. In één schuur kunnen voor beide uilensoorten een aparte kast worden geplaatst. Om de uilen voldoende tijd te geven om deze kasten te ontdekken, moeten ze idealiter in september 2023 worden geplaatst. Hieraan is gevolg gegeven middels overleg met de locale uilenvereniging en in augustus 2023 zijn de benodigde nestkasten voor uilen geplaatst. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is reeds aangevraagd. Steenmarter De opstallen in het plangebied zijn allemaal nagenoeg leeg opgeleverd, waardoor geen schuilmogelijkheden voor een steenmarterverblijfplaats aanwezig zijn. Verder zijn tijdens drie veldbezoeken geen sporen (prooiresten, latrines) van marterachtigen aangetroffen.
Mogelijk is het plangebied onderdeel van een territorium van een steenmarter, maar het zou dan hooguit om sporadische aanwezigheid gaan en geen essentieel foerageergebied. Een negatief effect op steenmarters door de geplande ingreep wordt op voorhand uitgesloten, waardoor nader onderzoek niet nodig is. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Bescherming van houtopstanden Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. 5.2.3.3 Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan, mits: een nader onderzoek naar vleermuizen, de modderkruiper en rugstreeppad uitwijst dat deze soorten niet aanwezig zijn in het gebied; of als eventuele noodzakelijke mitigerende maatregelen (waaronder die voor uilen) zijn getroffen om de aanwezige beschermde diersoorten te beschermen. Er is een omgevingsstelsel voor het slopen opgenomen op basis waarvan de sloop van gebouwen pas is toegestaan nadat een goedgekeurd mitigatie- en compensatieplan is opgesteld en een eventueel benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming is verleend.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1 Inleiding Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Brabantse Delta. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
bestemmingsplan De Staalmeesters, Fijnaart ontwerp
52
5.3.2 Beleid In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen. 5.3.2.1 Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. 5.3.2.2 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Op 3 december 2021 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie zijn van belang voor vrijwel alle provinciale opgaven. De ambitie in het RWP is daarom dat Brabant in 2050 een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem heeft dat bestand is tegen extremen. Deze ambitie vergt een nieuwe manier van denken en handelen, waarbij de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend is voor het gebruik van gronden. 5.3.2.3 Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.