CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Omgevingsvergunning met flora- en fauna-activiteit (DSO-kenmerk 2024020801481)

Raadsvergadering 12 maart 2026, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Budget monitoring Soortenmanagementplan (SMP) 2026-203517.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• Er wordt niet tegelijkertijd gewerkt aan 2 kraamverblijfplaatsen binnen dezelfde wijk; • Er wordt niet tegelijkertijd gewerkt aan 2 massawinterverblijfplaatsen.

ODBN Kenmerk Z/219126

24

2.16.3 Ongeschikt maken: Soort aanwezig, hoge of matige potentie: Vleermuizen: • Het ongeschikt maken wordt uitgevoerd onder ecologische begeleiding. De ecoloog bepaalt hierbij hoeveel en waar de exclusion flaps/tubes worden geplaatst. • De ecoloog documenteert altijd de uitgevoerde ecologische begeleiding in een logboek. • Voor vleermuizen geldt het volgende: o Open stootvoegen, gaten en kieren: op een deel van de open stootvoegen/gaten/kieren in de kopgevels, langs gevels en schoorstenen worden exclusion flaps/tubes geplaatst. De overige open stootvoegen/gaten/kieren worden dichtgemaakt met PU-rugvulling (of vergelijkbaar materiaal). o Hierbij wordt aan de volgende eisen voldaan: ▪ minimaal 50% van de op en stootvoegen/gaten/kieren moet worden voorzien van exclusion flaps/tubes. ▪ er mag maximaal 2 meter tussen exclusion flaps/tubes zitten. o Kantpannen: de onderzijde van de kantpannen (tussen gevel en pan) wordt afgesloten met rugvulling of ander materiaal als borstels, een brede lat of een ander materiaal geplaatst. Per circa 1,5 meter dakrand wordt de rugvulling/borstel/lat onderbroken en wordt een exclusion flap/ tube geplaatst.

o Daklijsten: tegen de onderzijde van daklijsten wordt een brede lat getimmerd die de daklijst afsluit, of daklijsten worden afgedicht met PU-rugvulling of borstels; op locaties waar de daklijst kiert wordt de lat onderbroken en wordt een exclusion flap/tube geplaatst. Is de gehele daklijst toegankelijk voor vleermuizen dan wordt per circa 1,5 meter dakrand rugvulling/borstel/lat onderbroken en wordt een exclusion flap/ tube geplaatst. o Alle loodslabben worden helemaal open gezet, tenzij dat toegang geeft tot de spouw; in dat geval worden de loodslabben helemaal dicht gezet, als onderdeel van methode voor kantpannen. o Overige kieren, zoals kieren langs lateien, dakgoten, windveren, kozijnen, houten betimmeringen, worden gedeeltelijk dichtgezet met PU-rugvulling, het overig deel wordt voorzien van een exclusion flap / tube, als deze breed genoeg is om dienst te doen als uitvliegopening. o Er wordt geen gebruik gemaakt van purschuim, glaswol of netten. Huismus: • Voor huismussen geld het volgende: o Methode 1: Bij start van de werkzaamheden in (september) oktober t/m februari: Vlak voordat de werkzaamheden plaatsvinden, moeten de panden ongeschikt gemaakt worden voor huismussen, door handmatig alle dakpannen en kantpannen te verwijderen (buiten de kwetsbare periode).

Wanneer de nestlocaties van huismussen zich achter houtwerk of goten (kunnen) bevinden, dient ook het houtwerk en/of de goten handmatig verwijderd te worden. Op deze manier wordt voorkomen dat huismussen zich tijdens de ingreep in het gebouw bevinden. o Methode 2: Bij start van de werkzaamheden in maart t/m augustus (september): Verblijfplaatsen moeten ongeschikt worden gemaakt tijdens de actieve periode van oktober t/m februari, (maar buiten de kwetsbare periode) van huismussen. Deze methode is ook het beste toepasbaar, wanneer bebouwing ook ongeschikt gemaakt moet worden voor vleermuizen.

ODBN Kenmerk Z/219126

25

o

o

o

o o

Bij alle te renoveren/slopen woningen wordt bij de onderste rij dakpannen vogelschroot aangebracht, zodat de huismussen niet onder de dakpannen kunnen komen. Er mogen geen gaten of kieren tussen het vogelschroot zitten. Bij het aanbrengen moet gecontroleerd worden dat huismussen niet ingesloten raken onder het dak. Weringsborstels kunnen eventueel ook gebruikt worden, maar moeten heel goed aansluiten en gecontroleerd worden. Alle kantpannen worden afgesloten. Dit gebeurt door onder een deel van de kantpannen een PU-rugvulling of houten lat te plaatsen, over de overgebleven openingen moeten exclusion flaps of -tubes geplaatst worden (deze maatregel is ook voor mogelijk aanwezige vleermuizen). Daarbij moet gecontroleerd worden of huismussen hierdoor niet onder het dak ingesloten raken. Bij werk in het broedseizoen: voorafgaand aan de werkzaamheden wordt gecontroleerd of er geen broedende huismussen in bebouwing aanwezig zijn. Worden er geen huismussen aangetroffen, dan wordt het gebouw officieel vrijgegeven door de ecoloog en kunnen werkzaamheden worden gestart. Aangezien deze maatregelen ook direct ongeschikt maken voor vleermuizen, wordt er ook een vleermuiscontrole uitgevoerd te worden. Als er toch broedende huismussen worden aangetroffen, worden de werkzaamheden uitgesteld tot na het broedseizoen.

Gierzwaluw: • Voor werkzaamheden in de periode half april tot en met half september, moet vooraf ongeschikt worden gemaakt in de niet kwetsbare periode van de gierzwaluw. Voor de methode van ongeschikt maken wordt dezelfde methode gehanteerd als voor vleermuizen, zoals eerder beschreven in dit hoofdstuk. • Voor werkzaamheden in de periode half september tot en met half april, is voor uitvoeren van de werkzaamheden ongeschikt maken voor gierzwaluwen niet noodzakelijk. Afwijken Kennisdocument werken binnen kwetsbare periode gierzwaluw: Veel van de werkzaamheden zijn niet mogelijk in de winterperiode vanwege de lage temperaturen en neerslag. Schilderwerk, voegwerk, dakwerk en in mindere mate ook metselwerk kunnen niet worden uitgevoerd bij regenachtig weer. Bij regulier onderhoud worden diverse werkzaamheden in een vaste volgorde uitgevoerd, waarbij het niet mogelijk is om een type werk veel later uit te voeren dan de rest. Bij regulier onderhoud wordt vaak een aantal grote werkzaamheden gecombineerd en gelijktijdig of direct na elkaar uitgevoerd. Woningcorporaties doen dit bewust om ervoor te zorgen dat de overlast aan bewoners beperkt is tot een overzichtelijke en aaneengesloten periode.

Daarnaast is het praktisch gezien onmogelijk om alle werkzaamheden uit het regulier onderhoud uit te voeren in de periode tussen (gierzwaluw)broedseizoen en de winterperiode van vleermuizen; daarvoor is deze periode te kort. Daarom is ervoor gekozen om werkzaamheden waarbij op voorhand negatieve effecten op broedende gierzwaluwen kunnen worden voorkomen, toe te staan in het broedseizoen. Lage potentie: Bij lage potentie wordt er voorafgaand aan de werkzaamheden niet ongeschikt gemaakt. Controleronde vleermuis: • Na het ongeschikt maken moet de bebouwing minimaal 5 nachten ongemoeid blijven staan met avondtemperaturen van < 10 ⁰C en geen regen rond uitvliegtijd. Hierbij geldt dat de avondtemperatuur op tenminste 3 aaneengesloten dagen < 10 ⁰C zijn en het niet regent rond uitvliegtiid.

ODBN Kenmerk Z/219126

26

•

•

Na de in het vorige punt beschreven periode, wordt door middel van een ochtend- of avondronde door een ecoloog gecontroleerd of de/het gebouw(en) vrij is/zijn van vleermuizen (de ecoloog besluit welke ronde wordt uitgevoerd). Worden er geen vleermuizen aangetroffen wordt het gebouw officieel vrijgegeven door de ecoloog en kunnen werkzaamheden worden gestart. Als er toch vleermuizen worden aangetroffen, moeten opnieuw maatregelen worden genomen om vleermuizen te weren, voordat wordt overgegaan op de ingreep. Vleermuizen weren wordt uitgevoerd door eerder beschreven werkwijze.

2.16.4 Tijdelijke voorzieningen bij onvoldoende alternatieven: Voordat kan worden gestart met de werkzaamheden moet voor elk gebouw met een aangetroffen verblijfplaats en/of nestlocatie die verdwijnt of met een hoge potentie alternatieve verblijfplaatsen voor betreffende SMP-soort(en) gerealiseerd worden. Deze verblijfplaatsen en/of nestlocaties moeten worden gerealiseerd binnen een straal van 200 meter van de oorspronkelijke locatie. Zie voor de uitgebreide uitwerking de volgende werkprotocollen: • Werkprotocol 9 ‘Realiseren alternatieve verblijfplaatsen in bestaande gebouwen’; • Werkprotocol 10 ‘Realiseren alternatieve verblijfplaatsen in nieuwbouw’. • Werkprotocol 11 ‘Realiseren tijdelijke verblijfplaatsen’. Alternatieve verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor de start van het uitvoeren van de werkzaamheden. De volgende stappen worden doorlopen: 1. Voor vleermuizen: Controleer de salderingsboekhouding op de aanwezigheid van ongebruikte alternatieve verblijfplaatsen binnen 200 meter van voorgenomen ingreep. (alternatieve kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis moeten binnen 50 meter aanwezig zijn). Voor huismus: Controleer de salderingsboekhouding op de aanwezigheid van ongebruikte alternatieve nestlocaties binnen 50 à 200 meter van voorgenomen ingreep. 2.

Controleer de mitigatieopgave voor de voorgenomen ingreep en aanwezigheid van soorten/potentie in Werkprotocol 9 of Werkprotocol 11. 3. Zijn er voldoende ongebruikte alternatieve verblijfplaatsen/nestlocaties aanwezig EN er is aan de gewenningsperiode voldaan, dan is aan de mitigatieopgave voldaan. In dit geval kunnen werkzaamheden worden gestart, rekening houdend met de kwetsbare periodes van SMPsoorten, aangepaste planning en aangepaste werkwijze. 4. Zijn er niet voldoende alternatieve verblijfplaatsen in de buurt, dan moeten deze alsnog worden gerealiseerd. Het beste is om direct permanente verblijfplaatsen te realiseren. Zie daarvoor: Werkprotocol 9. Deze voorzieningen kunnen worden meegeteld als plussen in de salderingsboekhouding. 5. Is dit niet mogelijk realiseer dan tijdelijke verblijfplaatsen. Zie daarvoor: Werkprotocol 11. Deze verblijfplaatsen worden niet meegeteld als plussen in de salderingsboekhouding. 6. Voldoe aan de gewenningsperiode van permanente en/of tijdelijke verblijfplaatsen en/of nestlocaties, dit is weergegeven in Werkprotocol 9 of Werkprotocol 11. Voor gierzwaluw: Bij werkzaamheden van half september tot en met maart: Er hoeven geen alternatieve nestlocaties gerealiseerd te worden. Na de werkzaamheden moet het dak weer toegankelijk worden gemaakt voor gierzwaluwen. Kan dat niet, dan moeten permanente nestlocaties worden gerealiseerd.

Deze permanente nestlocaties moeten voor half april aanwezig zijn. In Werkprotocol 9 staat opgenomen hoe deze verblijfplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Neem alle gerealiseerde nestlocaties op in de salderingsboekhouding.

ODBN Kenmerk Z/219126

27

2.16.5 Werkwijze: Vleermuizen: • Wanneer werkzaamheden op grote schaal plaatsvinden (meer dan 5 woningblokken) en er zijn verblijfplaatsen aanwezig en/of de bebouwing heeft hoge potentie voor vleermuizen, dan wordt er gefaseerd in tijd en ruimte. Zo wordt voorkomen dat het functionele leefgebied en de verblijfplaatsen in één keer verdwijnen. Vleermuizen krijgen alternatieven geboden in de bestaande bebouwing, voordat een nieuw deel van de verblijfplaatsen verdwijnt. o Let op: wanneer 2 verschillende projecten in dezelfde wijk plaatsvinden, of elkaar grenzen, moet worden gefaseerd in tijd en ruimte. o Fasering vindt plaats door de bebouwing verspreid over 2 of meer jaar te renoveren, waarbij in fase 1 maximaal 50% van de verblijfplaatsen binnen de kolonie tegelijk verstoord of aangetast worden. o Na afloop van de werkzaamheden moet de gerenoveerde bebouwing weer geschikt worden gemaakt voor vleermuizen (Zie Werkprotocol 9). • Bij isolatiewerkzaamheden wordt altijd een ecoloog betrokken om te waarborgen dat alle maatregelen op de juiste wijze worden toegepast en om de uitvoering te begeleiden. Voor particulieren geldt dat de isolatie uitgevoerd wordt door een bedrijf dat gecertificeerd is in natuurvriendelijk isoleren. • Bebouwing wordt altijd voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt.

Bij werkzaamheden aan het kozijn in de maanden april tot oktober wordt voor aanvang van de werkzaamheden enkele malen met een hamer langs alle zijden van het kozijn geklopt. Daarna moeten de kozijnen ongeveer een kwartier ongemoeid worden gelaten. Eventueel aanwezige vleermuizen krijgen zo de tijd om wakker te worden en weg te kruipen van het lawaai. Na die tijd moet de aannemer visueel spleten en holtes onder het kozijn inspecteren op de aanwezigheid van vleermuizen. • Ongeschikt maken mag enkel plaatsvinden buiten de kwetsbare periode van vleermuizen. Huismus: Huismussen maken jaarrond gebruik van hun nestlocatie. Wanneer er huismusnesten aanwezig zijn en/of de bebouwing heeft hoge potentie voor huismussen, dan worden er maatregelen genomen om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen. • Wanneer na-isolatie plaatsvindt en er zijn meer dan 10 huismusnesten aangetroffen (er is sprake van een hotspot), dan mogen werkzaamheden niet in het broedseizoen plaatsvinden, maar enkel in de periode van (september) oktober – februari. • In de periode (september) oktober – februari: o Het nest moet altijd toegankelijk blijven tijdens de werkzaamheden. Er mogen geen obstakels voor de ingang van het nest worden geplaatst. o Tijdens de vorstperiodes (temperatuur ≤ 0 °C) mogen bij de werkprotocollen 2, 3, 6 en 8 tot een afstand van maximaal 2 meter onder de dakgoot plaatsvinden.

Als dit niet mogelijk is moet buiten de vorstperiode gewerkt worden. o Zijn op locatie bekende nesten van huismus aanwezig of heeft het gebouw een hoge potentie hiertoe en moeten werkzaamheden al in september worden gestart, dan moet er voorafgaand een broedvogelcheck plaatsvinden door een ecoloog. Wanneer geen broedende huismussen worden waargenomen, mogen werkzaamheden in september worden gestart. o Struiken en hagen moeten gehandhaafd blijven, zodat schuilgelegenheid voor huismussen beschikbaar blijft. • In de periode maart – augustus: o Voorafgaand aan de werkzaamheden moet bebouwing ongeschikt worden gemaakt voor huismussen.

ODBN Kenmerk Z/219126

28

o

Ongeschikt maken mag plaatsvinden, mits er voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar zijn. Zijn deze er niet, dan moeten deze alsnog gerealiseerd worden en moet er rekening gehouden worden met de gewenningsperiode.

Gierzwaluw: Bij werkzaamheden van half september tot en met maart: Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden zonder restricties voor gierzwaluw. Werkzaamheden moeten zijn afgerond voor half april. De periode half april tot eind augustus is een gesloten periode, tenzij de werkzaamheden vallen onder werkprotocol 4 tot en met 6 of er buiten het broedseizoen ongeschikt is gemaakt. Matige potentie Vooraf aan de werkzaamheden worden er geen tijdelijke (alternatieve) verblijfplaatsen/nestlocaties gerealiseerd. Na afloop van de werkzaamheden: Voor elk gebouw met een matige potentie moeten permanente alternatieve verblijfplaatsen/nestlocaties voor betreffende SMP-soort(en) met matige potentie gerealiseerd worden. De mitigatieopgave voor bebouwing met matige potentie is lager dan de mitigatieopgave voor hoge potentie gebouwen. Deze verblijfplaatsen/nestlocaties moeten zoveel mogelijk op de locatie zelf gerealiseerd worden. Uitwijken naar andere locaties is in het uiterste geval mogelijk, bijvoorbeeld in het geval bij sloop zonder nieuwbouw, of bij de afwezigheid van voldoende kopgevels of geschikte daken. Zie voor de uitgebreide uitwerking hiervan werkprotocol 9. De gerealiseerde verblijfplaatsen/nestlocaties worden opgenomen in de salderingsboekhouding. Lage potentie: Vooraf aan de werkzaamheden worden er geen (alternatieve) verblijfplaatsen/nestlocaties gerealiseerd.

Na afloop van de werkzaamheden: Voor elk gebouw met een lage potentie moet na afloop van de werkzaamheden het gebouw geschikt worden gemaakt voor SMP-soorten, zover de gebouweigenschappen dat toelaten. Zie voor de uitgebreide uitwerking hiervan werkprotocol 9 ‘Realiseren alternatieve verblijfplaatsen in bestaande gebouwen’. De gerealiseerde verblijfplaatsen/nestlocaties worden opgenomen in de salderingsboekhouding. 2.16.6 Permanente voorzieningen In de werkprotocollen 9 en 10 van bijlage 8 van het SMP staat uitgelegd hoe permanente verblijfplaatsen gerealiseerd worden onder het SMP. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het realiseren van verblijfplaatsen in bestaande woningen en in nieuwbouw. Bestaande bebouwing: Het is verplicht om permanente alternatieve verblijfplaatsen/nestlocaties in bestaande bebouwing te realiseren, als compensatie voor bestaande verblijfplaatsen die aangetast worden bij een ingreep. Dit is de minimale taakstelling. Maar ook als in bestaande bebouwing met hoge potentie geen beschermde soorten zijn aangetroffen, of er is sprake van bebouwing met matige of lage potentie, is het noodzakelijk om bij een ingreep permanente voorzieningen voor beschermde soorten te realiseren. Dit is nodig om een positieve salderings-boekhouding te realiseren en te behouden en daarmee ecologische plussen te creëren. ODBN Kenmerk Z/219126

29

In werkprotocol 9 wordt per soort uitgelegd welke voorzieningen getroffen moeten worden. Bij grootschalige ingrepen wordt de mitigatieopgave in overleg met een ter zake kundig ecoloog opgesteld, volgens de voorwaarden die in werkprotocol 9 staan beschreven. Om ervoor te zorgen dat de getroffen maatregelen effectief zijn, is het zaak om standaarden en richtlijnen te volgen voor maatregelen waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bekend is dat ze werken voor de soort(en). In werkprotocol 9 worden deze standaarden en richtlijnen per soortgroep behandeld. De minimale taakstelling die hierbij in ieder geval wordt aangehouden wanneer het om hoge, matige of lage potentie gaat, is weergegeven in de tabellen 4, 5 en 6. Alles wat boven op de minimale taakstelling wordt gerealiseerd telt als plussen in de salderingsboekhouding. Het uitgangspunt bij het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen/nestlocaties is om altijd eerst te proberen om de bestaande bebouwing zo geschikt mogelijk te maken voor beschermde soorten. Dit geeft een goede plus omdat zo in één gebouw meerdere voorzieningen voor vleermuizen en broedvogels aanwezig zijn. Daarmee worden meerdere verschillende verblijfplaatsen aangeboden (denk hierbij aan toegang tot onder de dakpannen, ruimte achter boeiborden, een toegankelijke spouwmuur en dergelijke).

Dit voorkomt ook een grote hoeveelheid aan inbouwkasten op een kopgevel en het bijkomende ruimtegebrek om de mitigatie te realiseren. Mocht het toch niet mogelijk zijn om bestaande bebouwing geschikt te maken voor beschermde soorten door de aard van de ingreep en de eigenschappen van het gebouw, dan wordt er gekeken naar de toepassing van inbouwkasten. Vleermuizen Voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen verschillende voorzieningen gerealiseerd worden. Het succes van een verblijfplaats wordt bepaald door onder andere temperatuureigenschappen, de afmetingen en de bereikbaarheid. Per plangebied moeten meerdere voorzieningen getroffen worden om een positieve salderingsboekhouding te maken of behouden. De keuze van mitigatie wordt bepaald volgens onderstaand stappenplan. Zie hoofdstuk 9.1 van bijlage 8 van het SMP voor de verdere uitwerking van iedere stap. Stappenplan: 1. Kan de spouwmuur (bij delen) van het gebouw over de gehele lengte worden opengehouden? Wanneer dit leidt tot koudebruggen of te veel vocht ophoping niet kan worden voorkomen, of andere zwaarwegende redenen, onderzoek optie 2. 2. Kan met voorzetgevels of isolerende buitenschil worden gewerkt waarbij de verblijfplaats intact blijft? Wanneer de constructie van de gevel dit niet aan kan of er geen ruimte voor in de constructie is of andere zwaarwegende redenen onderzoek optie 3. 3.

Kan de spouwmuur voor een deel worden opengehouden met een minimale afmeting van 1 m2? Wanneer dit nog steeds leidt tot koudebruggen of te veel vocht ophoping niet kan worden voorkomen, onderzoek optie 4. 4. Er moet een inbouwkast worden toegepast. Kan er een meerlaagse inbouwkast geplaatst worden met tenminste 4 geschakelde delen of een andere kast die is goedgekeurd als kraamkast? Kan dit niet, onderzoek optie 5. 5. Kan er met behulp van extra gevelbetimmering een extra buffer laag over de kraamkast worden aangebracht om zo een gradiënt te creëren van de buitengevel naar de binnengevel. Dit geeft een grote meerwaarde aan een vleermuisverblijf. Kan dit niet, onderzoek optie 6. 6. Kunnen boeiboorden worden toegepast die extra ruimte verschaffen voor zomer- en/of paarverblijfplaatsen. Kan dit niet, onderzoek optie 7. 7. Kunnen door de constructie van het gebouw (veel ramen/deuren/uitstaande balkons etc.) onverhoopt niet alle voorgeschreven mitigatie geplaats worden op de gebouwen waar renovatie plaatsvindt, mag in dit uiterste geval uitgeweken worden naar een aangrenzende locatie. Let op dat de alle mitigatie binnen 200 meter moeten worden geplaatst. ODBN Kenmerk Z/219126

30

Tabel 4 Vleermuizen: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in bestaande bouw.

ODBN Kenmerk Z/219126

31

Gierzwaluw Voor de gierzwaluw kunnen vervangende nestkasten of geïntegreerde nestgelegenheden worden geplaatst. Het succes van een verblijfplaats wordt bepaald door temperatuureigenschappen, de afmetingen en de bereikbaarheid. Per plangebied worden meerdere voorzieningen getroffen om een positieve salderingsboekhouding te maken of te behouden. Zie hoofdstuk 9.2 van bijlage 8 van het SMP voor de verdere uitwerking van iedere maatregel. Tabel 5 Gierzwaluw: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in bestaande bouw.

ODBN Kenmerk Z/219126

32

Huismus Voor de huismus kunnen vervangende nestkasten of geïntegreerde nestgelegenheden worden geplaatst. Het succes van een verblijfplaats wordt bepaald door temperatuureigenschappen, de afmetingen en de bereikbaarheid. Per plangebied moeten meerdere voorzieningen getroffen worden om een positieve salderingsboekhouding te maken of behouden. Zie hoofdstuk 9.3 van bijlage 8 van het SMP voor de verdere uitwerking van iedere maatregel. Tabel 6 Huismus: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in bestaande bouw

Naast de maatregelen genoemd in tabel 6, wordt voor de huismus ook bij de toepassing van het beschikbaar houden van het dakvlak ook 1 inbouwnestkast per kopgevel geplaatst. Leefgebied huismus In werkprotocol 9 wordt uitgebreid omschreven hoe er omgegaan wordt met functioneel leefgebied van de huismus. Indien er functioneel leefgebied van de huismus verwijderd wordt dat aanwezig is op het perceel waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Worden in grote lijnen de volgende maatregelen getroffen: • Groenstructuren worden gerealiseerd in de buurt van broed- en foerageerplekken, bij voorkeur binnen 2,5 meter maar in ieder geval binnen 5 tot 10 meter. • Groenstructuren moeten een hoogte van 2 á 3 meter hebben.

ODBN Kenmerk Z/219126

33

• • • • •

Compensatie en mitigatie van huismusleefgebied is maatwerk. Overleg met een deskundig ecoloog is in deze gevallen altijd noodzakelijk. Het is aan de deskundig ecoloog om te bepalen welke maatregelen minimaal noodzakelijk zijn. Er worden voldoende dekkingsmogelijkheden behouden of ontwikkeld door het aanplanten van doornige struiken, groenblijvende heesters en klimplanten binnen 10 meter van waar gefoerageerd wordt. Foerageer gebieden worden behouden of ontwikkeld door het in stand houden of ontwikkelen van overhoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron voor voedsel. Voldoende drinkwater wordt behouden of ontwikkeld door aanleg van vijvers en natuurvriendelijke oevers. Voldoende mogelijkheden tot het nemen van stofbaden worden behouden of ontwikkeld door zandige plekken te handhaven/realiseren.

Nieuwbouw: Bij nieuwbouw na sloop is het verplicht om permanente alternatieve verblijfplaatsen/nestlocaties in nieuwbouw te realiseren. Dit dient als compensatie voor bestaande verblijfplaatsen die worden weggenomen bij sloop van de oude bebouwing. Maar ook als in gesloopte bebouwing met hoge potentie geen beschermde soorten zijn aangetroffen, of er is sprake van bebouwing met matige of lage potentie, is het noodzakelijk om na de sloop nieuwe permanente voorzieningen voor beschermde soorten te realiseren. Dit is nodig om het aanbod van verblijfplaatsen te borgen. Daarbij draag dit bij om een positieve salderingsboekhouding te realiseren en te behouden en daarmee ecologische plussen te creëren. Om ervoor te zorgen dat de getroffen maatregelen effectief zijn, is het zaak om standaarden en richtlijnen te volgen voor maatregelen waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bekend is dat ze werken voor de soort(en). In bijlage 10 van het SMP worden deze standaarden en richtlijnen per soortgroep behandeld. In tabel 8, 9 en 10 wordt aangegeven welke maatregelen er genomen worden bij natuur inclusief bouwen. In tabel 7 staat aangegeven wat er met de voetnoten bedoeld wordt. Tabel 7 betekenis voetnoten tabel 4, 5, 6, 8, 9 en 10.

ODBN Kenmerk Z/219126

34

Vleermuizen Tabel 8 Vleermuizen: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in nieuwbouw.

ODBN Kenmerk Z/219126

35

Tabel 9 Gierzwaluw: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in nieuwbouw.

ODBN Kenmerk Z/219126

36

Tabel 10 Huismus: Minimale taakstelling bij realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in nieuwbouw.

2.17 Maatwerk bij bijzondere verblijfplaatsen of soorten Maatwerk houdt in dat voor bijzondere soorten en/of functies het inbouwen van kasten onvoldoende mitigatie is. In deze gevallen moet altijd gekeken worden naar mogelijkheden om de verblijfplaats te behouden. Wanneer dat niet mogelijk is, moet een specifiek ontwerp plaatsvinden voor de vervangende verblijfplaatsen en is gerichte monitoring van belang. Daarom wordt er in deze situaties altijd een ecoloog ingeschakeld. Voor de concrete werkwijze voor maatwerk voor laatvlieger en meervleermuis, zie het opgestelde procesdocument (bijlage 9 van het SMP). Ook bij hoge potentie voor laatvlieger en meervleermuis dient het procesdocument te worden gevolgd. In de volgende situaties is maatwerk altijd van toepassing: • Kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen worden bij voorkeur behouden. Bij aanwezigheid van kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis moeten werkzaamheden altijd uitgesteld worden tot na het kraamseizoen. Ook ongeschikt maken mag niet in het kraamseizoen. Werkzaamheden aan kraamverblijfplaatsen vallen onder maatwerk, schakel een ecoloog in. • Massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis mogen nooit worden verstoord, aangetast of vernield. Bij werkzaamheden dient om de verblijfplaatsen heen gewerkt te worden. Waar dat aantoonbaar absoluut niet mogelijk is, is maatwerk nodig.

• Verblijfplaatsen van laatvlieger en meervleermuis mogen nooit worden verstoord, aangetast of vernield. Bij werkzaamheden dient om de verblijfplaatsen heen gewerkt te worden. Waar dat absoluut niet mogelijk is, is maatwerk nodig. Indien er maatwerk van toepassing is zal de ecoloog hiervoor een maatwerkplan opstellen. Dit maatwerkplan wordt altijd ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

ODBN Kenmerk Z/219126

37

Particulieren In werkprotocol 2 ‘Isoleren spouwmuur’ staan enkele uitzonderingen op bovenstaande maatregelen voor particulieren. Deze uitzonderingen zijn alleen van toepassing indien een particulier gebruik maakt van een gecertificeerd bedrijf in het natuurvriendelijk isoleren van muren. Zie voor de afwijkingen werkprotocol 2 van bijlage 8 van het SMP. 2.18 Monitoring Een uitgebreide omschrijving van de monitoringsopzet is te vinden in hoofdstuk 6.3 van het SMP. De monitoring bestaat uit de volgende onderdelen: • Periodiek wordt het volledige plangebied geïnventariseerd op vleermuizen, gierzwaluw en huismus. o De gebruikte methodiek hiervoor is in de basis hetzelfde als de uitgevoerde onderzoeksmethodiek voor de 0-meting (zie hoofdstuk 2.2 van dit besluit en hoofdstuk 3 van het SMP). o De monitoring van de voorzieningen wordt in de herhaling van de 0-meting meegenomen. Hierbij wordt gecontroleerd of activiteit bij gerenoveerde en gemitigeerde gebouwen, inbouwkasten en inbouwnestlocaties wordt waargenomen. • De aantallen nest- en verblijfplaatsen die verdwijnen bij het uitvoeren van werkzaamheden, de aantallen verblijfplaatsen die worden gerealiseerd ter compensatie na de werkzaamheden en de plussen die worden gerealiseerd, worden bijgehouden in de salderingsboekhouding van verblijfplaatsen.

In de wintermaanden van elk jaar (december-maart) bekijkt een ecoloog de salderingsboekhouding van verblijfplaatsen en geeft een ecologische interpretatie aan de hoeveelheid en kwaliteit plussen die in dat jaar zijn gerealiseerd. • De meest kwetsbare vleermuisverblijfplaatsen worden extra gemonitord. o Kraamverblijfplaatsen: jaarlijks worden de eerder aangetroffen kraamverblijfplaatsen onderzocht. Omdat kraamkolonies regelmatig verhuizen binnen een netwerk wordt er gezocht binnen de gemiddelde verhuisstraal van de soort. Vervolgens worden er uitvliegtellingen gedaan op de locaties waar kolonies op dat moment worden aangetroffen. Wanneer niet alle kolonies binnen 1 onderzoeksronde worden teruggevonden, wordt een tweede onderzoeksronde uitgevoerd. Het onderzoek wordt uitgevoerd gedurende een avond- of ochtendronde. ▪ Bij de gewone dwergvleermuis en meervleermuis in de ochtend. ▪ Bij de laatvlieger in de avond. o Massawinterverblijfplaats gewone dwergvleermuis: Jaarlijks wordt het gebruik van de eerder aangetroffen massawinterverblijfplaatsen onderzocht. Omdat gewone dwergvleermuizen generaties lang dezelfde massawinterverblijfplaatsen gebruiken, richt het onderzoek zich enkel op de eerder aangetroffen verblijfplaatsen binnen het SMP-gebied. Het onderzoek wordt uitgevoerd als beschreven in hoofdstuk 2.2 van dit besluit en hoofdstuk 3.5.4 van het SMP.

• Bij uitvoering van werkzaamheden aan de meest kwetsbare functies wordt extra monitoring toegepast. o Hotspots huismus en gierzwaluw: het eerstvolgende veldseizoen, na het uitvoeren van de werkzaamheden, wordt een extra monitoringsronde uitgevoerd. Aanvullend wordt ook in jaar 3 en 5 na de werkzaamheden monitoring uitgevoerd, om te kijken hoe de populatie op de werkzaamheden heeft gereageerd. De monitoring bestaat uit een herhaling van het SMP-onderzoek voor die soort.

ODBN Kenmerk Z/219126

38

Vleermuizen kraamverblijf of massawinterverblijf: in jaar 1, 3, 5 en 7, tellend vanaf het eerste gebruiksseizoen van de voorzieningen na afronding van de werkzaamheden vindt extra monitoring plaats. Het is mogelijk dat extra of afwijkende monitoring vereist is bij werkzaamheden aan verblijfplaatsen van laatvlieger en meervleermuis. De monitoring voor verblijfplaatsen van laatvlieger is beschreven in het ‘procesdocument laatvlieger’ in bijlage 9 van het SMP. Na uitvoering van de monitoring wordt de geschiktheidsanalyse opnieuw uitgevoerd (met behulp van de nieuwste methode en modellen) en in de verlengingsaanvraag verwerkt. Hierbij worden de nieuwe verblijfplaatsen die zijn opgenomen in de salderingsboekhouding meegenomen in de analyse, evenals potentiële verblijfplaatsen die als gevolg van ruimtelijke ingrepen verdwenen zijn. Factoren die buiten de scope van het SMP liggen kunnen van invloed zijn op de functionaliteit van voorzieningen, zoals kwaliteit en omvang van groen binnen de gemeente, natuurgebieden rondom de gemeente of bomenlanen. Inspanning voor ecologische plussen kunnen positieve effecten hebben op populaties, maar er kunnen ook factoren zijn die negatieve effecten hebben.

Wanneer de analyse van de monitoringsresultaten daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld afname broedsucces of succes kraamkolonies) dient uitgesloten te worden dat dit veroorzaakt wordt door het SMP. Dit kan bijvoorbeeld een specifiek veldonderzoek en/of een nadere veld- of bureaustudie zijn. o

•

•

2.19 Zorgplicht •

•

•

Werkzaamheden waarbij vegetatie moet worden verwijderd, of in/nabij vegetatie wordt gewerkt, worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Het broedseizoen van vogels loopt globaal van 15 maart tot en met 15 juli, maar deze datumgrenzen zijn variabel en afhankelijk van het weer. Wanneer een nest gevonden wordt, wordt het werk uitgesteld totdat de vogel is uitgebroed en de jongen zijn uitgevlogen. o Bij werk dat niet kan worden uitgesteld: Voor aanvang van het werk wordt een broedvogelcheck uitgevoerd. Werk mag worden uitgevoerd als er geen broedvogels worden aangetroffen. o Bij lagere vegetatie kan ook worden gekozen om deze voor 15 maart te verwijderen om broedgevallen te voorkomen. Wanneer er tijdens de werkzaamheden onverhoopt soorten, zowel verleende, geweigerde als niet aangevraagde soorten, worden aangetroffen, worden de werkzaamheden stilgelegd. Werkzaamheden mogen pas worden uitgevoerd wanneer de dieren vrijwillig en zelfstandig het plangebied hebben verlaten. Indien dat niet mogelijk is, dient er contact opgenomen te worden met een ecoloog om te bepalen wat de vervolgstappen zijn. Werkzaamheden worden altijd vanaf een zijde, en naar een open einde uitgevoerd, zodat dieren altijd kunnen vluchten.

ODBN Kenmerk Z/219126

39

2.20 Voorschriften Wij nemen in aanvulling op voorgestelde maatregelen de volgende voorschriften op om de staat van instandhouding te kunnen borgen voor de aangevraagde soorten: Algemene voorschriften 1. De vergunninghouder/gemachtigde dient minimaal 2 weken voor de aanvang van het ongeschikt maken/ontmoedigen een startmelding per project in te dienen. Bij een startmelding dient (volledig ingevuld) bijgevoegd te worden: a. Meldingsformulier start handelingen beschermde soorten (zie bijlage 4); b. Afschrift van het ecologisch werkprotocol; c. Begeleidingsformulier indienen document ter kennisgeving/EWP (zie bijlage 2); d. Als er sprake is van maatwerk bij bijzondere verblijfplaatsen of soorten als bedoeld in paragraaf 2.11: het goedkeuringsbesluit; e. Als er sprake is van doormachtiging: de machtiging of overeenkomst, waarin in ieder geval alle onderdelen zijn opgenomen die benoemd zijn in paragraaf 2.3 2. Deze vergunning kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de vergunninghouder, haar rechtsopvolgers, in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts-)personen of gemachtigde(n). De vergunninghouder of haar rechtsopvolgers blijven daarbij verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften. 3. Goedkeuringsbesluiten met bijbehorende voorschriften, maken deel uit van dit besluit. 4.

De genoemde (rechts)personen en doorgemachtigden dienen aantoonbaar voorafgaand aan de start van de werkzaamheden door de vergunninghouder op de hoogte te worden gebracht van de inhoud en het doel van deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven. 5. De maatregelen zoals uitgewerkt in het SMP (en vervolgens EWP) dienen strikt gevolgd te worden. Afwijkingen hiervan dienen middels een wijzigingsverzoek bij ons te worden voorgelegd via het Omgevingsloket (DSO). 6. De activiteiten en hier genoemde voorschriften dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige (hierna “de ecoloog”) op het gebied van de soorten waarvoor vergunning is verleend en het betreffende (deel)project betrekking op heeft. 7. De salderingsboekhouding en de resultaten van de monitoring dienen actueel te zijn en te worden bijgehouden in een digitale (GIS)kaart en te allen tijde voor de daartoe bevoegde toezichthouder beschikbaar te zijn. 8. Per project dienen alle handelingen en bevindingen, alsmede goedkeuringen door een ecoloog, door de vergunninghouder of door de gemachtigde te worden bijgehouden in een logboek. Met handelingen worden alle handelingen bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals ongeschikt maken en het plaatsen van de tijdelijke en permanente voorzieningen per project.

Ook dienen er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen te worden opgenomen in het logboek. Dit logboek dient op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd. In het logboek moet per project/ activiteit worden opgenomen: • Locatie en planning; • Geplande activiteiten; • Initiatiefnemer en uitvoerende partij • Borging dat tijdig geschikte en voldoende alternatieven beschikbaar en aanwezig zijn voor de betreffende soort en functie inclusief locaties. • Ecologische begeleiding en ondernomen acties tijdens de werkzaamheden. • Begeleidende partij (ecologisch deskundige);

ODBN Kenmerk Z/219126

40

•

Alle voorzorgsmaatregelen om doden en verwonden van aanwezige (beschermde) soorten te voorkomen; • Controle op natuurinclusieve maatregelen die nodig zijn conform het SMP en de vastlegging hiervan. 9. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een (digitaal) afschrift van deze vergunning alsmede alle relevante bijbehorende documenten (ecologische werkprotocollen, maatwerkplannen, goedkeuringsbesluiten, logboeken, doormachtigingen) op verzoek ter plaatse te kunnen worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar. 10. Een jaarlijkse uitdraai van salderingsboekhouding dient, inclusief de korte notitie van de ecoloog over de hoeveelheid ‘plussen’ die bij elk project dat jaar zijn gerealiseerd, vanaf 1 maart van het daaropvolgende jaar voor de daartoe bevoegde toezichthouder beschikbaar te zijn. De algemene voorschriften zijn opgenomen voor een juiste toepassing en naleving van de vergunning door de vergunninghouder en gemachtigde(n).

ODBN Kenmerk Z/219126

41

Specifieke voorschriften Ongeschikt maken 11. Het ongeschikt maken dient plaats te vinden buiten de kwetsbare periodes van de soorten. Voor vleermuizen betekent dit dat er ongeschikt gemaakt dient te worden in de actieve periode (globaal van 1 april tot eind oktober, voor laatvlieger eind september) en buiten de kraamperiode (globaal lopend van 1 mei tot en met 1 augustus). Voor huismus en gierzwaluw geldt de broedperiode als kwetsbare periode, de broedperiode loopt globaal van 1 maart tot 1 oktober. De kwetsbare periodes kunnen eerder starten of langer doorlopen als gevolg van de weersomstandigheden en het seizoensverloop. Dit voorschrift is opgenomen omdat er in het SMP verschillende definities worden gegeven van de kwetsbare periode welke afwijken van de kennisdocumenten. Met dit voorschrift wordt verduidelijkt wat de kwetsbare periodes zijn. 12. Als een dak ongeschikt wordt gemaakt dient er met behulp van weeringsborstels voor gezorgd te worden dat het dak ook niet meer toegankelijk is via aangrenzende daken van woningen die niet ongeschikt worden gemaakt. Als dit niet mogelijk is dient het volledige woningblok ongeschikt gemaakt te worden conform de voorwaarden uit het besluit en SMP. Dit voorschrift is opgenomen om ervoor te zorgen dat soorten zich niet via de ruimte onder het dak alsnog naar een ongeschikt gemaakt dak kunnen verplaatsen. 13.

Bij het ongeschikt maken van de kantpannen/kopgevels voor gierzwaluw en/of huismus dient voorkomen te worden dat vleermuizen worden opgesloten. Daarom dient er elke 2 meter een exclusion voorziening geplaatst te worden. Dit voorschrift is opgenomen omdat vleermuizen ook via de kantpannen in- en uit een verblijfplaats kunnen vliegen. Wanneer deze ongeschikt gemaakt worden voor huismus en/of gierzwaluw, kunnen vleermuizen worden opgesloten in de verblijfplaats en daardoor kunnen ze worden gedood als er geen andere uitvliegopeningen meer beschikbaar zijn. 14. Indien er bij het ongeschikt maken voor vleermuizen gebruik wordt gemaakt van exclusion flaps, dan dienen deze altijd groot genoeg te zijn zodat ook de laatvlieger er gebruik van kan maken. Dit geldt ook voor panden met een matige of lage potentie voor de laatvlieger. Dit voorschrift is opgenomen omdat er niet is aangegeven welk type exclusion flaps gebruikt worden. Niet alle exclusion flaps zijn geschikt voor de laatvlieger, omdat deze te klein zijn. De laatvlieger heeft exclusion flaps met bredere openingen nodig. 15. Op het moment van ongeschikt maken en de 3 daaropvolgende nachten moeten de weersomstandigheden tijdens de eerste 2 uur na zonsondergang overeenkomen met de eisen die het vleermuisprotocol stelt voor de weersomstandigheden tijdens het onderzoek doen naar zomerverblijfplaatsen voor de soort.

Dit voorschrift is opgenomen omdat in het SMP verschillende eisen worden genoemd, waaraan de temperatuur dient te voldoen na ongeschikt maken. Met dit voorschrift wordt geborgd dat de omstandigheden voor het uitvliegen optimaal zullen zijn na het ongeschikt maken en dat de soorten onder gunstige weersomstandigheden een andere verblijfplaats kunnen zoeken.

ODBN Kenmerk Z/219126

42

16. Indien steigers om een gebouw ook tussen zonsondergang en zonsopgang aanwezig zijn, dient het gebouw ongeschikt gemaakt te worden volgens het bijhorende werkprotocol. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met de salderingsopgave. Dit voorschrift is opgenomen omdat vleermuizen door het plaatsen van steigers mogelijk hun verblijf niet terug in kunnen. Ook bestaat het risico dat door het plaatsen van de steiger voor een opening, vleermuizen opgesloten raken in het gebouw. 17. Indien tijdens de werkzaamheden (niet zijnde ongeschikt maken) toch soorten waarvoor de vergunning is verleend worden aangetroffen, dient het werk direct stopgezet te worden. Vervolgens dient de ecoloog geraadpleegd te worden om een plan op te stellen hoe hiermee wordt omgegaan. De werkzaamheden mogen pas hervat worden als de soort uit het gebouw verdwenen is. In het logboek dient te worden vastgelegd hoe er wordt omgegaan met de aanwezige soort. Dit voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat individuen van deze soorten gewond of gedood worden wanneer deze onverwacht nog aanwezig zijn. 18. De kleine werkzaamheden aan maximaal 1 tot 3 woningblokken die ook mogen starten in december tot en met februari, mogen alleen uitgevoerd worden als de gebouwen voor de kwetsbare periode (zie voorschrift 11) ongeschikt zijn gemaakt voor vleermuizen.

Dit voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat individuen van deze soorten opgesloten raken door het uitvoeren van de werkzaamheden. 19. Alle gebouwen/woningen binnen het plangebied waaraan werkzaamheden worden uitgevoerd en waar geschikte invliegopeningen voor vleermuizen in aanwezig zijn, dienen voorafgaand aan de werkzaamheden dusdanig ongeschikt gemaakt te worden dat vleermuizen hierin nergens meer kunnen verblijven. Dit voorschrift is opgenomen, omdat de vleermuizen zich kunnen verplaatsen naar nieuwe verblijfplaatsen binnen het plangebied, nadat hun huidige verblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt. 20. Wanneer goten, boeiborden en windveren niet volledig te inspecteren zijn dienen deze bij het vervangen van goten, boeiborden en windveren ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen. Dit voorschrift is opgenomen, omdat vleermuizen verblijfplaatsen kunnen hebben achter goten, boeiborden en windveren. Met behulp van een endoscoop kunnen deze verblijfplaatsen niet altijd volledig gecontroleerd worden. Hierdoor ontstaat de kans dat een verblijfplaats wordt vernietigd terwijl de soort aanwezig is.

ODBN Kenmerk Z/219126

43

21. Inspectie gebouwen met ‘lage potentie’: Gebouwen met een lage potentie dienen voorafgaand aan werkzaamheden ongeschikt te worden gemaakt (ontmoedigd), tenzij uit inspectie blijkt dat het gebouw door de bouwkenmerken geen gebouwbewonende soorten kan herbergen. Dit voorschrift wordt opgenomen om te voorkomen dat soorten ingesloten kunnen raken in de bebouwing. Controle ronde 22. Voorafgaand aan de werkzaamheden, na het ongeschikt maken, dient een controleronde te worden uitgevoerd. Hieraan worden de volgende eisen gesteld: a. Er dient ten minste 1 veldbezoek te worden uitgevoerd conform de richtlijnen voor zomerverblijfplaatsen van het Vleermuisprotocol 2021. Met uitzondering van de neerslag. Tijdens de gehele controleronde moet het droog zijn. In het logboek dient te worden aangegeven hoe is voldaan aan de richtlijnen uit het vleermuisprotocol 2021. Daarbij dient ook te worden ingegaan op personele inzet en overzichtelijkheid van het plangebied. Indien er meerdere vleermuissoorten aanwezig zijn in de bebouwing dient in het Vleermuisprotocol de soort aangehouden te worden met de meest kritische eisen. b. De vleermuizen mogen na de controleronde geen toegangsmogelijkheden meer hebben tot de bebouwing. c. In het logboek dient te worden vastgelegd op welke wijze de controleronde is uitgevoerd en wat de resultaten van de controleronde waren.

De datum, tijd, aantal onderzoekers en de weersomstandigheden tijdens de controleronde dient in het logboek beschreven te staan. d. In het logboek dient te worden opgenomen wanneer de bebouwing natuurvrij is verklaard. De bovenstaande voorschriften over de controleronde zijn opgenomen om te voorkomen dat het gebouw onterecht vleermuisvrij wordt verklaard en dat er nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing ten tijde van de werkzaamheden. Tijdelijke voorzieningen Gierzwaluw 23. Tijdelijke gierzwaluwvoorzieningen die op een andere locatie aangeboden worden ter overbrugging van tijdelijk onbruikbaar geraakte broedplaatsen (en/of als permanente voorzieningen niet tijdig gerealiseerd kunnen worden) dienen permanent gehandhaafd te worden. Dit voorschrift is opgenomen omdat een ecologische onderbouwing waarom het niet mogelijk is om de tijdelijke voorzieningen permanent te handhaven ontbreekt. In het Kennisdocument van de Gierzwaluw (BIJ12, 2023) staat dat vervangende nestgelegenheid ook permanente nestgelegenheid is en dat de tijdelijke voorzieningen dus niet zonder meer verwijderd mogen worden.

ODBN Kenmerk Z/219126

44

Permanente voorzieningen Algemeen 24. Permanente vervangende verblijfplaatsen mogen enkel gerealiseerd worden in woningen of gebouwen die deel uitmaken van deze vergunning en het onderliggende SMP. Of wanneer aantoonbaar toestemming is verkregen om de permanente verblijfplaatsen op de betreffende locatie te realiseren. Wij nemen dit voorschrift op om te borgen dat vervangende voorzieningen duurzaam functioneel zullen blijven. 25. Alle tijdelijke en permanente verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw die gerealiseerd worden ter mitigatie of compensatie van een aangetroffen verblijfplaats dienen conform het meest actuele soort specifieke kennisdocument van BIJ12 gerealiseerd te worden. Dit voorschrift wordt opgenomen omdat onduidelijk is of de voorzieningen voldoen aan de eisen uit het Kennisdocument. Daardoor kan niet beoordeeld worden of deze functioneel zijn. 26. Het is toegestaan om vervangende verblijfplaatsen ‘te clusteren’ binnen de betrokken woningen en/of gebouwen, mits de totale mitigatietaakstelling wordt bereikt en er een ruimtelijke spreiding is van voorzieningen door het gehele projectgebied én indien de voorzieningen op geschikte locaties worden aangebracht. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de ecologie van de betreffende soort(en).

Clustering van verblijfplaatsen is enkel mogelijk voor de soorten waarvan het bekend is dat deze in kolonies of met grotere groepen bij elkaar leven. Voor de clustering geldt een maximaal aantal verblijfplaatsen per woning/gebouw: a. Vleermuizen: 3 verblijfplaatsen per separaat geveldeel; b. Gierzwaluw: 6 verblijfplaatsen per separaat geveldeel; c. Huismus: 6 verblijfplaatsen per separaat geveldeel. Bij grotere gebouwen zoals appartementen complexen kan van deze maximale aantallen afgeweken worden. Hierbij dient de ecoloog in het logboek te onderbouwen dat het gekozen aantal voorzieningen per gevel geen invloed heeft op de effectiviteit van de voorziening. Wij nemen dit voorschrift op om de effectiviteit van de geplaatste voorzieningen te borgen en te voorkomen dat er een teveel aan voorzieningen in elkaars nabijheid wordt geplaatst, waarmee de effectiviteit per voorziening afneemt. 27. Tijdelijke vervangende verblijfplaatsen (anders dan die voor de gierzwaluw) dienen ten minste in stand te worden gehouden totdat de permanente voorzieningen gerealiseerd en beschikbaar zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de gewenningsperiodes conform de betreffende Kennisdocumenten en aangetroffen functie(s). Daarnaast mogen de tijdelijke voorzieningen pas verwijderd worden op het moment dat deze aantoonbaar niet in gebruik zijn door beschermde soorten.

Het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen vindt plaats buiten de meest kwetsbare periodes van de betreffende soort(en). De kasten mogen enkel verwijderd worden onder begeleiding van een ecologisch deskundige/ecoloog. Wij nemen dit voorschrift op om te borgen dat er te allen tijde voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn en er bij het verwijderen niet alsnog een overtreding van de omgevingswet plaatsvindt.

ODBN Kenmerk Z/219126

45

28. Voorzieningen dienen altijd zo hoog mogelijk geplaats te worden, maar altijd op minimaal de hoogte zoals beschreven in het meest actuele kennisdocument (BIJ12) van de soort. Dit voorschrift wordt opgenomen om de kans van ingebruikname van de voorziening te vergroten. Vleermuizen 29. Voor elk individu van de meervleermuis dat is aangetroffen tijdens het nader soorten onderzoek of tijdens de monitoring, welke niet herleid kan worden tot een verblijfplaats, dient ten minste 1 woning geschikt gemaakt te worden volgens de eisen zoals beschreven in Haarsma1. Het gaat hierbij om de volgende eisen: a. Voldoende warmtegradiënt, vooral tijdens de kritische periode, met zowel plekken met 35-40 °C als 15-20 °C en een gradiënt om deze optimale temperatuur te kunnen vinden. b. Ten minste 12 m3 aan leefruimte; horizontaal en verticaal voor voldoende warmtegradiënt. c. In de verblijfplaats zijn plekken die snel kunnen opwarmen of afkoelen en zones die dat traag doen. d. Uitvliegopeningen met meer dan twee windoriëntaties. e. Muisvrij De woning die geschikt gemaakt wordt dient te liggen binnen de woonkern waar het individu is aangetroffen en langs een bekende vliegroute van de meervleermuis of brede watergang. Deze verblijven dienen binnen de looptijd van de vergunning gerealiseerd te worden. In het logboek dient opgenomen te worden hoe de verblijfplaats is gerealiseerd.

Wanneer bij monitoring aanvullende verblijven toch nog worden aangetroffen kunnen de onder dit voorschrift gerealiseerde verblijfplaatsen voorgedragen worden ter goedkeuring als compensatie. De in dit voorschrift beschreven methode van geschikt maken blijft van toepassing totdat uit nieuwe wetenschappelijke literatuur of de publicatie van een Kennisdocument over de meervleermuis door BIJ12, andere effectieve methode van gebouwen geschikt maken bekend worden. Dergelijke nieuwe methoden dienen ter goedkeuring aan de ODBN te worden voorgelegd. Dit voorschrift wordt opgenomen om te borgen dat er altijd voldoende verblijfplaatsen voor de meervleermuis aanwezig zijn binnen het plangebied. Omdat er tijdens het naderonderzoek maar 1 zomerverblijfplaats van de meervleermuis is aangetroffen, terwijl er wel meerdere individuen overvliegend of foeragerend zijn waargenomen. Op basis hiervan is het zeer aannemelijk dat er meer verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan er tijdens het onderzoek zijn waargenomen.

1 Haarsma, A. J., & Janssen, R. (2022). Woningisolatie bedreigt de meervleermuis met uitsterven1 [House

insulations threaten pond bats]. Levende natuur, 123(1), 13-17 ODBN Kenmerk Z/219126

46

Huismus en gierzwaluw 30. Indien als permanente maatregel het dak geschikt wordt gehouden na isolatie van het dak, dienen ook de volgende voorzieningen gerealiseerd te worden. a. Gierzwaluw: i. per weggenomen nestplaats dienen 3 inbouwvoorzieningen geplaatst te worden conform de afmetings- en plaatsingseisen van het meest actuele Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12). ii. Voor elke woning met een hoge potentie voor gierzwaluwen die ook getroffen wordt door hetzelfde project dienen 2 inbouwvoorzieningen gerealiseerd te worden. Wanneer het meerdere woningen binnen een bouwwerk betreft, bijvoorbeeld één woonblok of appartementencomplex die worden geraakt door het project dan geldt 1 inbouwvoorziening per geraakte woning. b. Huismus: i. per weggenomen nestplaats dienen 2 inbouwvoorzieningen geplaatst te worden conform de afmetings- en plaatsingseisen van het meest actuele kennisdocument Huismus (BIJ12). ii. Voor elke woning met een hoge potentie voor huismussen die ook getroffen wordt door hetzelfde project dienen 2 inbouwvoorzieningen gerealiseerd te worden. Wanneer het meerdere woningen binnen een bouwwerk betreft, bijvoorbeeld één woonblok of appartementencomplex die worden geraakt door het project dan geldt 1 inbouwvoorziening per geraakte woning. iii. Indien de betrokken gebouwen ook hoog geschikt zijn voor de gierzwaluw, hoeft alleen de taakstelling zoals beschreven onder a.

Gierzwaluw gerealiseerd te worden. Dit voorschrift blijft van kracht totdat uit monitoringsgegevens blijkt dat de invloed van isolatie op de temperatuur onder het dak geen negatief effect heeft op het broedsucces van de huismus en gierzwaluw. Dergelijke monitoringsgegevens dienen ter goedkeuring aan de ODBN te worden voorgelegd. Dit voorschrift wordt opgelegd omdat er onvoldoende is onderbouwd dat de ruimtes onder de dakpannen in de toekomstige situatie geschikt zijn voor de huismus. De daken worden geïsoleerd hetgeen invloed heeft op het (micro)klimaat onder het dak. Het kan te heet worden onder het dak, wat een negatief effect kan hebben op het broedsucces van de huismus. 31. Uitwijken naar een andere locatie dan de oorspronkelijke locatie voor het realiseren van verblijfplaatsen van de gierzwaluw is uitsluitend toegestaan wanneer op de oorspronkelijke locatie geen geschikte voorzieningen gerealiseerd kunnen worden wegens bouwkundige beperkingen. In het logboek dient onderbouwd te worden waarom de realisatie op de oorspronkelijke locatie niet mogelijk was. Dit voorschrift wordt opgenomen omdat gierzwaluwen honkvast zijn en een nestplaats niet vinden als die te ver van de huidige locatie is geplaatst. 32.

Bij het creëren van verblijfplaatsen in dak(rand)ombouw voor de gierzwaluw dient de onderkant van de invliegopening 2 à 3 centimeter, maar maximaal 5 centimeter vanaf de bodem van de binnenzijde van de kast te bevinden, Kennisdocument Gierzwaluw (Bij12, 2023). Dit voorschrift wordt opgenomen om te voorkomen dat eieren of nog niet vliegklare jongen uit het nest kunnen vallen doordat de invliegopening zich te laag in de kast bevindt. ODBN Kenmerk Z/219126

47

33. Verblijfplaatsen in dak(rand)ombouw dienen tussen 09:00 en 19:00 uur in de schaduw te hangen, of op een noord- of oostgevel gerealiseerd te worden. Dit voorschrift wordt opgenomen om te voorkomen dat de nestkasten te heet worden, waardoor de eieren niet uit kunnen komen en jongen dood kunnen gaan. 34. Het werken in de kwetsbare periode van de gierzwaluw en het gebruik van tijdelijke voorzieningen hierbij, is alleen toegestaan bij renovatiewerkzaamheden die niet binnen 1 broedseizoen kunnen worden uitgevoerd (wegens schaal ingreep). Hierbij dienen de woningen/woonblokken met het grootste aandeel nesten zoveel mogelijk buiten het broedseizoen aangepakt te worden. Dit voorschrift is opgenomen omdat voor particulieren en kleinschalige projecten niet is onderbouwd wat de zwaarwegende redenen zijn om in het broedseizoen te werken (zie paragraaf 3.1 Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023). 35. Opbouwkasten kunnen niet gebruikt worden als permanente voorzieningen. Als het bouwtechnisch niet mogelijk is om voorzieningen op locatie in te bouwen, dient hiervoor gesaldeerd te worden. Dit voorschrift is opgenomen ter borging van de duurzaamheid van de permanente voorzieningen. Monitoring 36. In tegenstelling tot wat in het SMP staat aangegeven dient de voorgestelde monitoring in ieder geval in de jaren 2, 4, 7 en 9 na afgifte van dit besluit uitgevoerd te worden.

Dit voorschrift wordt opgenomen om te borgen dat er op de juiste momenten een monitoring wordt uitgevoerd, zodat de effecten van deze vergunning meetbaar zijn. 37. Uiterlijk op 1 april het jaar na het uitvoeren van een monitoring dient een rapportage aan het bevoegd gezag (ODBN) te worden aangeleverd met daarin de resultaten van het voorgaande monitoringsjaar. Wij nemen dit voorschrift op om te borgen dat we de monitoringsresultaten op tijd krijgen. 38. De monitoringsrapportage die betrekking heeft op het vierde en negende loopjaar van de vergunning dienen als evaluatie en zijn belangrijk bij een eventuele verlengingsaanvraag of bijsturing van de vergunning. De evaluatierapportage dient minimaal het onderstaande te bevatten: a. Beschrijving van de nulsituatie, waaronder de aantallen per soort en de aangetroffen functies in het plangebied; b. Beschrijving van de ontwikkeling van de aantallen per soort en de aangetroffen functies in het plangebied c. Analyse en beoordeling van de ontwikkeling van de aantallen per soort en de aangetroffen functies in het plangebied. Bij een achteruitgang in aantallen of functies binnen het plangebied dient de oorzaak hiervan onderzocht te worden;

ODBN Kenmerk Z/219126

48

d. Analyse en beoordeling van de functionaliteit van elk type voorzieningen, zowel de generieke alsook de maatwerk-voorzieningen. Uit de analyse dient te blijken of de typen toegepaste voorzieningen geschikt zijn voor de functie die zij beogen te vervangen en of er een gelijkwaardig aantal individuen van gebruik kan maken. Per nest/verblijfsfunctie moet naast bezetting het volgende worden inzichtelijk gemaakt: i. Kraamverblijven: aantal individuen en bij afname aantal individuen het voortplantingssucces en de temperatuur en luchtvochtigheid van het verblijf; ii. Jaarrond geschikte kleine verblijven voor enkele individuen: bezetting van voorzieningen in verschillende weersomstandigheden (zowel bij hitte in de zomer als bij koude in de (milde)winterperiode. Wanneer in hete of koude perioden structureel geen individuen in een voorziening worden aangetroffen moeten klimatologische omstandigheden inzichtelijk worden gemaakt; iii. Massawinterverblijven: aanwezigheid van winterverblijf. Plus eventuele aanvullende eisen op basis van een goedkeuringsbesluit; e. Nesten: bezetting van voorzieningen en bij afname van de aantallen in een kolonie dient het broedsucces van voorzieningen inzichtelijk gemaakt te worden gemaakt. Als het broedsucces afneemt moet achterhaald worden welke oorzaak hieraan ten grondslag ligt.

Analyse van de gerealiseerde meerwaarde voor de beschermde soorten ten aanzien van de aantallen per soort en de aangetroffen functies in het plangebied en de werkwijze op basis van het SMP. f. Indien nodig een update van de werkprotocollen op basis van de kennisdocumenten van BIJ12 en indien relevante monitoringsgegevens. De evaluatierapportage voor jaar 4 dient uiterlijk 1 april 2029 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag (ODBN) te worden aangeleverd de evaluatierapportage voor jaar 9 dient uiterlijk 1 april 2034 aan het bevoegd gezag (ODBN) te worden aangeleverd. Wij nemen dit voorschrift op om te borgen dat we het evaluatierapport op tijd in ons bezit hebben en op tijd kunnen beoordelen ten behoeve van een eventuele aanvraag tot verlenging van de vergunning. 39. Wanneer de analyse van de monitoringsresultaten een verandering in de populatietrend laat zien, dient onderzocht te worden of en zo ja welke externe factoren hier een rol bij spelen. De resultaten hiervan dienen gedeeld te worden met het bevoegd gezag (ODBN). Dit voorschrift wordt op genomen om de effecten van het SMP op de populatietrend beter te monitoren.

Door het nemen van maatregelen en de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, huismus en gierzwaluw niet in het geding, door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden.

ODBN Kenmerk Z/219126

49

3.

Conclusie

De gevraagde omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet, voor een flora- en faunaactiviteit, wordt voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, huismus en gierzwaluw en beschreven activiteiten verleend. Aan deze omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. De gevraagde omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet, voor een flora- en faunaactiviteit, wordt voor de kleine dwergvleermuis en de baardvleermuis en beschreven activiteiten afgewezen. Dit omdat deze soorten wel voldoende onderzocht zijn, maar er geen verblijfplaatsen van zijn aangetroffen binnen de reikwijdte van dit besluit. Dit betekent dat het is toegestaan de voorgenomen handelingen voor deze beschermde soorten zonder omgevingsvergunning uit te voeren. Zolang de werkwijze en de maatregelen volgens de stukken van de aanvraag gevolgd wordt, is een overtreding van een verbodsbepaling niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=059dfe84-414e-4d20-a5d4-52045e819fdf