CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Omgevingsvergunning met flora- en fauna-activiteit (DSO-kenmerk 2024020801481)

Raadsvergadering 12 maart 2026, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Budget monitoring Soortenmanagementplan (SMP) 2026-203517.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ons kenmerk Z/219126

BESCHIKKING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN NOORD-BRABANT

op de op 8 februari 2024 ontvangen aanvraag van de gemeente Moerdijk om een omgevingsvergunning met een flora- en faunaactiviteit, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet. De activiteiten gaan over veel voorkomende werkzaamheden aan gebouwen uitgevoerd binnen de gehele bebouwde kom van de gemeente Moerdijk.

Met vriendelijke groet, Gedeputeerde Staten van Provincie Noord-Brabant Namens dezen,

ValidSigned door Henrie Janssen op 11-03-2025

Teammanager Provincie Omgevingsdienst Brabant Noord

Dit document is digitaal ondertekend en bevat daardoor geen handtekening.

Plaats ‘s-Hertogenbosch

Besluit Onderwerp Op 8 februari 2024 hebben wij van de gemeente Moerdijk een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning met een flora- en fauna-activiteit, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, door het uitvoeren van veel voorkomende werkzaamheden aan gebouwen, binnen de bebouwde kom van de gemeente Moerdijk. Besluit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning, I. aan de gemeente Moerdijk, Pastoor van Kessellaan 15 te Zevenbergen, de gevraagde vergunning te verlenen, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, van de bepalingen als bedoeld in: • artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten en rustplaatsen van de: - huismus (Passer domesticus); - gierzwaluw (Apus apus) • artikel 11.46, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk verstoren van de: - gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); - ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); - laatvlieger (Eptesicus serotinus); - meervleermuis (Myotis dasycneme); • artikel 11.46, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het

beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de: - gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); - ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); - laatvlieger (Eptesicus serotinus); - meervleermuis (Myotis dasycneme); voor de periode vanaf de datum van bekendmaking van dit besluit tot en met 31 maart 2035; II. dat de beschrijving van de activiteiten in de aanvraag, voor zover deze gaat over de soorten binnen de reikwijdte zoals aangegeven in paragraaf 2.2 van deze vergunning en weergegeven in bijlage 1, als bedoeld onder I, onderdeel uitmaakt van deze vergunning; III. de gevraagde vergunning af te wijzen, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, van de bepalingen als bedoeld in: • artikel 11.46, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk verstoren van de: - kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus); - baardvleermuis (Myotis mystacinus); • artikel 11.46, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de: - kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus); - baardvleermuis (Myotis mystacinus); omdat er voor deze soorten geen verbodsbepalingen wordt overtreden; IV. aan de vergunning voorschriften te verbinden die zijn opgenomen onder onderdeel 2.20 ‘Voorschriften’; V.

dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van dit besluit: ODBN Kenmerk Z/219126

2

• • • • • • •

Soortenmanagementplan gebouwen Gemeente Moerdijk, RA22190-02, 8-12-2023 (hierna: het SMP). Aanvullende gegevens van 11 en 12 juni, 28 augustus, 29 november, 2 december 2024 en 8 en 29 januari 2025. Bijlage 1: overzichtstekening van de planlocatie Bijlage 2: Begeleidingsformulier bij indienen documenten Bijlage 3: In te vullen gegevens bij verzoek tot goedkeuring Bijlage 4: Vereisten voor goedkeuring maatwerkplan Bijlage 5: meldingsformulier start werkzaamheden (zie voorschrift 1)

ODBN Kenmerk Z/219126

3

Rechtsmiddelen Bezwaar Als u het niet eens bent met dit besluit en wordt u door dit besluit rechtstreeks in uw belang getroffen, dan kunt u een bezwaarschrift hiertegen indienen. Dit kan tot 6 weken na de dag van verzending van het besluit. De verzenddatum is terug te vinden in de kennisgeving. U kunt uw bezwaarschrift op 2 manieren indienen: • Digitaal. Op www.brabant.nl/bezwaar vindt u de link ‘Bezwaar indienen’. U heeft hiervoor een digitale handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig. • Per post. Stuur uw bezwaarschrift naar: Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Secretariaat van de hoor- en adviescommissie Postbus 90151 5200 MC 's-Hertogenbosch In het bezwaarschrift zet u: • uw naam en adres; • de datum, het kenmerk en een omschrijving van het besluit waarmee u het niet eens bent; • de reden waarom u het niet eens bent met ons besluit; • de datum van uw bezwaarschrift en uw handtekening; • maakt u namens iemand anders bezwaar? Stuur dan een machtiging mee. Voeg ook een kopie toe van het besluit waarmee u het niet eens bent. Op deze manier kunnen wij uw bezwaarschrift beter in behandeling nemen. U kunt het secretariaat van de hoor- en adviescommissie bereiken via telefoonnummer (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 80 en e-mailadres bezwaar@brabant.nl. Aan het indienen van een bezwaar zijn geen kosten verbonden.

Voorlopige voorziening Als u een bezwaarschrift indient, dan heeft dit geen schorsende werking. Het besluit treedt in werking de dag na verzending van het besluit. Dat betekent dat het besluit geldt zolang uw bezwaarschrift in behandeling is. Het kan zijn dat u dit niet wilt. Bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen voor u heeft. U kunt gelijktijdig met of na het indienen van een beroepschrift een verzoek om een voorlopige voorziening vragen bij de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. De rechter besluit dan of het besluit wordt geschorst. U kunt ook digitaal verzoeken om een voorlopige voorziening. Zie daarvoor: http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. U heeft hiervoor een digitale handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig. Er zijn kosten verbonden aan het vragen van een voorlopige voorziening (griffierecht) en/of het indienen van een beroepschrift.

ODBN Kenmerk Z/219126

4

INHOUDSOPGAVE BESLUIT ...........................................................................................................................................2 INHOUDSOPGAVE............................................................................................................................5 PROCEDURELE OVERWEGINGEN ......................................................................................................6 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN......................................................................................................7 1. WETTELIJK KADER - OMGEVINGSWET ...................................................................................................7 1.1 BESCHERMINGSREGIMES ................................................................................................................7 1.2 OMGEVINGSVERORDENING NOORD-BRABANT ...................................................................................7 2.

TOETSING EFFECTEN RUIMTELIJKE INGREEP ............................................................................................8 2.1 AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN ........................................................................................................8 2.2 REIKWIJDTE .................................................................................................................................9 2.3 DOORMACHTIGEN .........................................................................................................................9 2.4 ONDERZOEK SOORTEN .................................................................................................................10 2.5 RESULTATEN INVENTARISATIE ........................................................................................................13 2.6 POTENTIE ANALYSE......................................................................................................................15 2.7 MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................16 2.8 ALTERNATIEVENAFWEGING ...........................................................................................................17 2.9 BELANG VAN DE AANVRAAG..........................................................................................................18 2.10 WERKWIJZE OP BASIS VAN HET

SOORTENMANAGEMENTPLAN .............................................................19 2.11 TUSSENTIJDSE- EN EINDEVALUATIE .................................................................................................20 2.12 GOEDKEURINGSBESLUITEN ...........................................................................................................20 2.13 SALDERINGSBOEKHOUDING ..........................................................................................................21 2.14 ECOLOGISCHE PLUS .....................................................................................................................22 2.15 WEBGIS-VIEWER ........................................................................................................................22 2.16 MAATREGELEN ...........................................................................................................................23 2.16.1 WERKEN BUITEN KWETSBARE PERIODE:.......................................................................................23 2.16.2 FASEREN IN RUIMTE EN TIJD: .....................................................................................................24 2.16.3 ONGESCHIKT MAKEN: ..............................................................................................................25 2.16.4 TIJDELIJKE VOORZIENINGEN BIJ ONVOLDOENDE ALTERNATIEVEN:

.....................................................27 2.16.5 WERKWIJZE: ..........................................................................................................................28 2.16.6 PERMANENTE VOORZIENINGEN..................................................................................................29 2.17 MAATWERK BIJ BIJZONDERE VERBLIJFPLAATSEN OF SOORTEN ..............................................................37 2.18 MONITORING .............................................................................................................................38 2.19 ZORGPLICHT...............................................................................................................................39 2.20 VOORSCHRIFTEN .........................................................................................................................40 3. CONCLUSIE ....................................................................................................................................50 BIJLAGE 1. OVERZICHTSTEKENING VAN DE PLANLOCATIE...............................................................51 BIJLAGE 2. BEGELEIDINGSFORMULIER BIJ INDIENEN DOCUMENTEN...............................................52 BIJLAGE 3. IN TE VULLEN GEGEVENS BIJ VERZOEK TOT GOEDKEURING...........................................53 BIJLAGE 4.

VEREISTEN VOOR GOEDKEURING MAATWERKPLAN .....................................................54 BIJLAGE 5. MELDINGSFORMULIER START HANDELINGEN BESCHERMDE SOORTEN .........................55

ODBN Kenmerk Z/219126

5

Procedurele overwegingen Aanvraag Op 8 februari 2024 hebben wij van de gemeente Moerdijk een aanvraag voor een omgevingsvergunning met een flora- en fauna-activiteit, op grond van de Omgevingswet (artikel 5.1, tweede lid, onder g) ontvangen. De aanvraag is op 11 en 12 juni, 28 augustus, 29 november, 2 december 2024 en 8 en 29 januari 2025 aangevuld. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag en het SMP. De aanvraag is geregistreerd onder nummer Z/219126. Gedragscode Er wordt geen gebruik gemaakt van een gedragscode. Bevoegd gezag Omdat de activiteit wordt verricht in de provincie Noord-Brabant zijn Gedeputeerde Staten (verder: GS) volgens artikel 5.10, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Als het aan de orde is betrekken wij tevens de gevolgen van de activiteit voor de soorten buiten onze provinciegrens bij ons besluit. Reguliere voorbereidingsprocedure In deze procedure wordt de reguliere voorbereidingsprocedure overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast. Ontvankelijkheid De aanvraag bevat voldoende informatie voor een goede beoordeling van die aspecten waarvoor een omgevingsvergunning met flora- en fauna- activiteit is gevraagd.

Overige regelgeving Een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving of activiteit onder de Omgevingswet kan aan de orde zijn, onder andere voor ruimtelijke ordening of bouwen. Bij de beoordeling van deze aanvraag zijn andere aspecten dan de flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet niet betrokken.

ODBN Kenmerk Z/219126

6

Inhoudelijke overwegingen 1.

Wettelijk kader - Omgevingswet

1.1 Beschermingsregimes Op basis van de Omgevingswet (hierna: Ow) zijn er drie beschermingsregimes. Het eerste regime geldt voor vogels op grond van de Vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor vogelsoorten, waarvoor GS een vergunning kunnen verlenen. Artikel 8.74j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) geeft de voorwaarden voor het kunnen verlenen van de vergunning. Het tweede beschermingsregime geldt voor planten en dieren op basis van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Paragraaf 11.2.3 van het Bal heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten, waarvoor GS een vergunning kunnen verlenen. Artikel 8.74k van het Bkl geeft de voorwaarden voor het kunnen verlenen van een vergunning. Het derde regime beschrijft de bepalingen voor andere (nationaal beschermde) soorten. Paragraaf 11.2.4 van het Bal heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten, waarvoor GS een vergunning kunnen verlenen. Artikel 8.74l van het Bkl geeft de voorwaarden voor het kunnen verlenen van een vergunning. Voor alle inheemse soorten geldt in alle gevallen de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 van het Bal). Het gaat dan zowel om beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten.

De zorgplicht geldt ongeacht of er een vrijstelling geldt of een vergunning is verleend. In de specifieke zorgplicht wordt bepaald dat eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan deze soorten dient te voorkomen. In onder andere artikel 5.40 en artikel 18.10 van de Ow zijn gronden opgenomen op grond waarvan een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. De vergunning kan in elk geval worden ingetrokken indien blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de vergunning. 1.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Verordening) vastgesteld. Voor een flora- en fauna-activiteit zijn aanvullende kaders vastgelegd. Zo zijn voor bepaalde soorten en handelingen vrijstellingen opgenomen. Deze zijn neergelegd in paragraaf 3.8.2 van de Verordening.

ODBN Kenmerk Z/219126

7

2.

Toetsing effecten ruimtelijke ingreep

2.1 Aangevraagde activiteiten Een uitgebreide omschrijving van de activiteiten is opgenomen in het SMP. De aangevraagde activiteiten gaan over veelvoorkomende ingrepen welke gerelateerd zijn aan de verduurzamingsopgave (tabel 1). Per ingreep is er een werkprotocol uitgewerkt welke nader worden beschreven in paragraaf 2.16 van dit besluit. Voor andere ingrepen geldt het SMP niet. Voor ingrepen anders dan beschreven in tabel 1 dient het reguliere traject van onderzoek, effectenbeoordeling en indien nodig vergunningsaanvraag doorlopen te worden. Tabel 1 Ingrepen die vallen onder het SMP (en de gebiedsbrede ontheffing).

ODBN Kenmerk Z/219126

8

2.2 Reikwijdte De activiteiten vinden plaats binnen de woonkernen en een aantal lintbebouwing langs dijken binnen de bebouwde kom van de gemeente Moerdijk. Hieronder vallen de kernen: Moerdijk, Fijnaart, Helwijk, Heijningen, Klundert, Langeweg, Noordhoek, Standdaarbuiten, Willemstad, Zevenbergen en Zevenbergschen Hoek (bijlage 1). Het SMP is van toepassing op alle bebouwingen binnen deze gebieden, met uitzondering van de forten binnen de gemeente en gebouwen binnen hetzelfde gebied waarvoor voor dezelfde activiteiten en soorten een vergunning en/of doormachtiging van een vergunning geldig is. 2.3 Doormachtigen De vergunning wordt verleend aan de gemeente Moerdijk. De gemeente kan op haar beurt machtigingen verstrekken aan of overeenkomsten afsluiten met derden. De vergunninghouder en gemachtigden kunnen binnen de reikwijdte van het SMP en de vergunning werkzaamheden uitvoeren en houden zich daarbij altijd aan de voorwaarden uit de vergunning. De gemeente kan woningcorporaties, (zakelijke) initiatiefnemers, inwoners van de gemeente, huiseigenaren of andere gerechtigden, machtigen voor het gebruik van de vergunning. Indien de vergunninghouder van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient de doormachtiging privaatrechtelijk vastgelegd te worden.

Dit dient te gebeuren door middel van een door beide partijen (digitaal) ondertekende overeenkomst waarin in ieder geval de volgende onderdelen worden opgenomen: • NAW-gegevens van beide partijen; • (digitale) Ondertekening door beide partijen; • Overeenkomstdatum van de doormachtiging; • Voor welke locatie/adres(sen) de doormachtiging geldt; • Voor welke activiteiten de doormachtiging geldt; • Voor welke periode de doormachtiging geldt; • Een vermelding van het kenmerk van deze vergunning, • De instandhoudingsverplichting van de geplaatste faunavoorzieningen. I. Tijdens de werkzaamheden dient een kopie van de privaatrechtelijke overeenkomst op locatie aanwezig te zijn en te allen tijde aan daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar overhandigd te kunnen worden. II. Elke doormachtiging wordt telkens aan ons doorgegeven via info@odbn.nl, onder vermelding van het zaaknummer. De gemeente Moerdijk is als vergunninghouder het eerste aanspreekpunt hierbij en dient toezicht te houden op het op de juiste manier uitvoeren van de werkzaamheden en het plaatsen van de voorzieningen. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor de naleving van de voorschriften in deze vergunning. Dat houdt onder meer in dat de vergunninghouder op afdoende wijze informatie overdraagt over de te volgen werkwijzen en werkprotocollen.

Indien door derden gebruik wordt gemaakt van de doormachtiging conformeren zij zich aan dit SMP. Dit betekent onder andere dat zij invulling dienen te geven aan de maatregelen zoals in dit SMP beschreven. Er kan voor het overtreden van 1 verbodsbepaling niet gebruik worden gemaakt van 2 verschillende vergunningen. Hierdoor zou namelijk aan de maatregelen en voorschriften van 1 van de vergunningen niet kunnen worden voldaan. Dit betekent dat het voor gemachtigden niet mogelijk is om voor eenzelfde ingreep, soort en verbodsbepaling als waarvoor zij gemachtigd zijn, een vergunning aan te vragen. Dit dient vastgelegd te worden in de overeenkomst van de doormachtiging. ODBN Kenmerk Z/219126

9

Soortenmanagementplan (SMP) Naast het behouden van voldoende verblijfplaatsen bij ingrepen wordt ook proactief ingezet op het verbeteren van functioneel leefgebied en voorzieningen voor verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen. Met andere woorden: er worden ecologische ‘plussen’ gecreëerd. Het doel is om bij te dragen aan het versterken van biodiversiteit in het algemeen en van de lokale populaties in het bijzonder. 2.4 Onderzoek soorten Het uitgevoerde onderzoek naar beschermde soorten is beschreven in hoofdstuk 3 van het SMP. Verdeling in deelgebieden Voor het uitvoeren van het veldwerk is het onderzoeksgebied opgedeeld in deelgebieden. Een deelgebied beslaat ongeveer circa 7,5 kilometer weg en is in de regel 30 tot 40 hectare groot. De woonkernen zijn daarbij opgedeeld in totaal 54 deelgebieden. Afgesloten en niet openbare terreinen behoren niet tot het onderzoeksgebied. Hotspots: Tijdens het onderzoek is er gelet op hotspots van de huismus en gierzwaluw. Met een hotspot wordt het volgende bedoelt: • Huismus: meer dan 10 nesten binnen een straal van 50 meter, gemeten vanaf het midden van de kolonie. Ieder nest binnen 50 meter van een nest in de hotspot wordt meegeteld als onderdeel van de hotspot. • Gierzwaluw: meer dan 5 nesten binnen een straal van 50 meter, gemeten vanaf het midden van de kolonie.

Ieder nest binnen 50 meter van een nest in de hotspot wordt meegeteld als onderdeel van de hotspot. Huismus Nestplaatsen De populatie van de huismus is in kaart gebracht door de nestlocaties te inventariseren, volgens het kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). De onderzoeksperiode voor de huismus loopt van 1 april tot en met 15 mei. In deze periode zijn per deelgebied 2 bezoeken uitgevoerd. Deze bezoeken startten 1 uur na zonsopkomst en duurden minimaal 2 uur per deelgebied. Tussen de 2 bezoeken zat ten minste 10 dagen. Per bezoek zijn 3 deelgebieden door 1 persoon per fiets met een verrekijker geïnventariseerd. Essentieel leefgebied Tijdens het huismusonderzoek zijn ook de locaties van essentieel leefgebied van de huismus ingetekend. Hierbij is gelet op plekken waar huismussen in grotere aantallen, of langere tijd foerageren, of sociaal gedrag (kwetteren, zandbaden) laten zien.

ODBN Kenmerk Z/219126

10

Gierzwaluw De populatie van de gierzwaluw is in kaart gebracht door de aanwezigheid van (mogelijke) broedgevallen van gierzwaluw vast te stellen, volgens het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2023). De onderzoeksperiode voor de gierzwaluw loopt van 1 juni tot en met 15 juli (waarvan 1 bezoek tussen 20 juni en 7 juli). In deze periode zijn per deelgebied 3 bezoeken uitgevoerd. De bezoeken startten om ongeveer 20:30 uur en duurden tot een half uur na zonsondergang (minimaal 2 uur). Tussen de bezoeken zat ten minste 10 dagen. Per bezoek zijn 3 deelgebieden door 1 persoon per fiets met verrekijker geïnventariseerd. Tijdens het eerste bezoek lag de focus op het in kaart brengen van hotspots tijdens het tweede en derde bezoek lag de focus op het in beeld brengen van exacte nestlocaties. Vanaf strategisch gekozen plekken is gepost om de daadwerkelijke nestlocaties in beeld te kunnen brengen. Inventarisatie vleermuizen Batdetector onderzoek naar kraamverblijfplaatsen In de periode van 15 mei tot 22 juli is naar gebouw bewonende vleermuizen gezocht om de aanwezigheid van kraamverblijfplaatsen vast te stellen. De deelgebieden zijn met de batdetector op de fiets onderzocht en zijn meerdere keren doorkruist. In elk deelgebied heeft 1 persoon 2 keer een avondbezoek uitgevoerd met daarop aansluitend direct een ochtendronde. Tussen de nachten zat tenminste 20 dagen.

De avonden startten met zonsondergang en duurden tot ongeveer 0.00 uur, of bij veel activiteit tot ongeveer 1.00 uur. Bij het vermoeden van een kraamverblijfplaats is het aantal uitvliegers bepaald. In situaties waar het niet mogelijk was een uitvliegtelling te doen, is op basis van het ochtend-zwermgedrag beoordeeld of het om een kraamverblijfplaats gaat. Telemetrisch onderzoek (kraam)verblijven laatvlieger en meervleermuis In de periode 15 juni – 30 augustus is telemetrisch onderzoek gedaan naar laatvlieger en meervleermuis. Van deze 2 soorten zijn de kraamverblijfplaatsen met detectoronderzoek lastig te vinden. Dit heeft onder andere te maken met beperkt zwermgedrag bij invliegen, tijdstip van invliegen en een lage trefkans door zeldzaamheid. Op van tevoren geselecteerde locaties zijn vleermuizen met mistnetten gevangen, van een zender voorzien en vervolgens met een radioontvanger met antenne terug gevolgd naar de verblijfplaats. Aanvullend onderzoek naar vliegroutes meervleermuis Tijdens het telemetrieonderzoek is de meervleermuis niet aangetroffen. Daarom is in de periode juni-juli aanvullend onderzoek uitgevoerd naar vliegroutes van de meervleermuis. Op 5 juni is er vanaf zonsondergang tot middernacht gepost op 4 bruggen over brede watergangen, welke in potentie geschikt zijn als vliegroute voor meervleermuis.

Tijdens dit bezoek is onderzoek uitgevoerd door 4 ecologen (1 per brug) met batdetectors in combinatie met recorders. Aanvullend zijn 10 luisterkasten geplaatst om de activiteit van de meervleermuis over een langere tijd te monitoren. Deze luisterkasten zijn geplaatst langs potentieel geschikte waterwegen. De luisterkasten zijn op 2 verschillende momenten geplaatst op éénzelfde locatie voor een periode van 4 nachten. De kasten hebben zowel vóór als na 1 juli gehangen en er zat ongeveer 2-3 weken tussen de plaatsingsperioden. Deze periode is gekozen omdat kraamkolonies van meervleermuizen rond 1 juli uit elkaar vallen. Hierdoor kan het gebruik van vliegroutes veranderen.

ODBN Kenmerk Z/219126

11

Zwermgedrag bij winterverblijfplaatsen (middernachtzwermen) In de periode 1 augustus- 10 september is onderzoek gedaan naar massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen. Vleermuizen lijken vooral te zwermen bij grote winterverblijfplaatsen welke met name voorkomen in gebouwen met specifieke kenmerken, zoals hoogbouw van tenminste 4 bouwlagen en gebouwen met dikke muren zoals kastelen, kerken en oude industriegebouwen. Om het onderzoek efficiënt uit te voeren is gefocust op gebouwen met geschikte kenmerken. De gebouwen zijn op de volgende manier geselecteerd: • Met behulp van gis-software is op gebouwkenmerken uit het BAG-register een analyse voor potentiële winterverblijfplaatsen uitgevoerd. Dit resulteerde in een selectie van gebouwen in het plangebied. • Op basis van expert judgement zijn met behulp van satellietfoto’s nog enkele potentieel geschikte gebouwen aan de selectie toegevoegd. • Tijdens het veldwerk zijn nog enkele gebouwen aan de selectie toegevoegd. Het plangebied is voor het veldonderzoek opgedeeld in clusters. In de periode 1 augustus - 10 september is elk cluster 2 keer onderzocht met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Van 22.00 uur tot 00.00 uur heeft de veldmedewerker het gehele plangebied bekeken en extra gebouwen toegevoegd aan de vooraf geselecteerde lijst op basis van expert judgement.

Gedurende de rest van het onderzoek (tussen 00.00 uur tot 02.00 uur) heeft de veldmedewerker zich voornamelijk gericht op de geselecteerde gebouwen waarbij elk gebouw minimaal 2 keer is bezocht. Vorstzwermen Het vorstzwermenonderzoek wordt uitgevoerd door in de winterperiode, rond de tweede en derde nacht met de eerste vorst van het seizoen, te zoeken naar zwermende gewone dwergvleermuizen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij alle locaties waar gedurende middernachtzwermen activiteit is waargenomen. Een onderzoeker fietst met een warmtebeeldcamera langs de gebouwen in een cluster, vanaf zonsondergang tot 2,5 uur daarna. Overwegingen afwijking van het Kennisdocument/vleermuisprotocol De onderzoeksperiode van het massawinterzwermen valt samen met de paarperiode van gewone en ruige dwergvleermuis. Er is echter niet specifiek onderzoek uitgevoerd naar paarverblijfplaatsen omdat bekend is dat gewone en ruige dwergvleermuizen uiteenlopende ruimten in gebouwen als paarverblijfplaats kunnen gebruiken en regelmatig verhuizen. Onderzoek levert daarom in de regel zoveel waarnemingen op, verspreid over alle bebouwde gebieden, dat ervoor is gekozen om ervanuit te gaan dat paarverblijfplaatsen overal kunnen zitten. Daarnaast is de potentieanalyse geschikt om de potentiële paarverblijfplaatsen voor deze soorten in kaart te brengen.

ODBN Kenmerk Z/219126

12

2.5 Resultaten inventarisatie Huismus: Nestplaatsen In totaal zijn in de gemeente 1907 nesten aangetroffen van huismus. Daarnaast zijn op 109 locaties baltsende mannetjes aangetroffen. Dit zijn waarnemingen van baltsende mannetjes in struiken en bomen waarbij de mogelijke nestlocatie in het gebouw niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Daardoor kunnen er nog eens 109 nestlocaties aanwezig zijn. Nestlocaties zijn over het algemeen in grote delen van de bebouwde kom aanwezig. Op een aantal locaties zijn nestlocaties in hotspots aangetroffen. De meeste hotspots worden aangetroffen in de kleinere dorpen of buurtschappen. De bebouwde kom van Fijnaart, Langeweg, Willemstad en Zevenbergschen Hoek springen eruit, maar ook in Moerdijk-dorp komt huismus in grote aantallen voor. In Klundert en vooral in Zevenbergen zijn kleinere dichtheden aan nestlocaties aangetroffen. Het beeld vertekent wel iets doordat hier relatief meer waarnemingen van huismus met nestindicerend gedrag zijn gedaan. Er is mogelijk sprake van een waarnemerseffect, maar vooral het beeld in Zevenbergen is wel dat dichtheden aan huismus hier kleiner zijn dan in de andere kernen. Hotspots betreffen vooral wijken met (oudere) woningen met toegankelijke ruimtes onder dakpannen en voldoende functioneel leefgebied in de directe omgeving.

In nieuwbouwwijken zijn over het algemeen lagere aantallen nestlocaties aangetroffen, maar bijvoorbeeld in Zevenbergschen Hoek lijkt het erop dat huismus ook een relatief jongere buurt begint te koloniseren. Essentieel leefgebied Bij het essentieel leefgebied komt het beeld grotendeels overeen met de verspreiding van aangetroffen hotspots van nestlocaties. Vooral in de kleinere kernen is relatief gezien meer essentieel leefgebied aangetroffen, in de kernen Klundert en Zevenbergen minder. In het totaal zijn 376 locaties aangewezen als essentieel leefgebied van de huismuis. Gierzwaluw: In totaal zijn 752 nestlocaties aangetroffen van gierzwaluw. Daarnaast is op locaties nestindicerend gedrag van groepjes van in totaal 1012 gierzwaluwen waargenomen. Daardoor kunnen nog eens 1012 nestlocaties aanwezig zijn. De meeste nestlocaties van gierzwaluwen zijn in hotspots aangetroffen. In Fijnaart, Klundert, Moerdijk en Zevenbergen liggen hoge dichtheden aan nestlocaties vooral rond het centrum en in het westelijke deel van de kernen. In Standdaarbuiten en Willemstad vooral rond het centrum en straten met oudere woningen. Hotspots betreffen vooral wijken met oudere woningen met toegankelijke nok- en kantpannen. In nieuwbouwwijken zijn over het algemeen lagere aantallen nestlocaties of geen nestlocaties aangetroffen.

Verspreid over alle kernen in de gemeente zijn nestlocaties in hotspots aangetroffen. De grootste dichtheid aan hotspots ligt in de oudere centra en wijken van deze kernen. In nieuwbouwwijken zijn over het algemeen lagere aantallen nestlocaties aangetroffen.

ODBN Kenmerk Z/219126

13

Gewone dwergvleermuis Zomerverblijfplaats In totaal zijn er 207 zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld verspreid over alle kernen binnen de gemeente. Kraamverblijfplaats In het totaal zijn er 47 kraamverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld verspreid door de gemeente. Het aantal gewone dwergvleermuizen varieerde van 5 tot 144 dieren per aangetroffen en/of uitgetelde kraamverblijfplaats: • Op 2 locaties zijn 120 dieren of meer geteld; • Op 4 locaties zijn 80 tot 119 dieren geteld; • Op 5 locaties zijn 40 tot 79 dieren geteld; • Op 12 locaties zijn 20 tot 39 dieren aangetroffen en/of geteld; • Op 8 locaties zijn 10 tot 19 dieren aangetroffen en/of geteld; • Op 16 locaties zijn 5 tot 9 dieren aangetroffen en/of geteld. Winterverblijfplaatsen Gedurende het onderzoek naar middernachtzwermen is binnen de gemeente op 9 locaties middernachtzwermgedrag waargenomen. De massawinterverblijfplaatsen bevinden zich in Fijnaart (1), Klundert (1), en Willemstad (1), Zevenbergen (4), Zevenbergschen Hoek (1) en Zwingelspaan (1). Op 1 december 2023 is het onderzoek naar vorstzwermen uitgevoerd. Hierbij zijn alle locaties bezocht waar tijdens de middernachtzwermrondes massawinterzwermen is geconstateerd. Bij de zuidwestgevel van de Sint-Bartholomeuskerk in Zevenbergen zijn toen 10 zwermende dieren geteld.

Op de overige locaties is geen zwerm- of ander gedrag van vleermuizen waargenomen. Ruige dwergvleermuis Zomerverblijfplaats Er zijn 23 zomerverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis aangetroffen. Het gaat om 21 zomerverblijfplaatsen in gebouwen en 2 zomerverblijfplaatsen in bomen. Paarverblijfplaats Tijdens het middernachtzwerm onderzoek zijn 54 paarverblijfplaatsen in een gebouw aangetroffen en 1 paarverblijfplaats in een boom. Zowel de meeste zomer- als paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis bevinden zich in de kernen in het westen van de gemeente. Kraamverblijfplaats In het kraamseizoen (mei – juli) is 1 mogelijke kraamverblijfplaats van ruige dwergvleermuis aangetroffen, in Heijningen. Tijdens het onderzoek zijn hier 12 dieren zwermend waargenomen. Tijdens een uit-vliegtelling zijn hier echter geen uitvliegers geteld. Deze mogelijke kraamverblijfplaats bevindt zich in een woning in Heijningen.

ODBN Kenmerk Z/219126

14

Laatvlieger Zomerverblijfplaats In het totaal zijn er 17 zomerverblijfplaatsen van de laatvlieger aangetroffen in de gemeente Moerdijk. Mogelijk zijn er in Klundert, Langeweg en Zevenbergen kolonies van laatvlieger aanwezig, omdat in deze kernen meerdere zomerverblijfplaatsen van deze soort zijn aangetroffen Kraamverblijfplaatsen In het totaal zijn er 5 kraamverblijfplaatsen van de laatvlieger aangetroffen. Deze bevinden zich in de volgend kernen: • 3 in Willemstad; • 1 in Oudemolen; • 1 in Klundert; Meervleermuis Tijdens de onderzoeken is er 1 zomerverblijfplaats van de meervleermuis aangetroffen in Helwijk. 2.6 Potentie analyse In bijlage 6 van het SMP is een volledige beschrijving van de potentie analyse opgenomen. Met het veldonderzoek zijn soorten en functies in kaart gebracht op populatieniveau, waarbij de focus lag op de meest kwetsbare functies. Met de gebiedsbrede aanpak is er ondanks grote inspanning, kans op het missen van soort-functies op individueel niveau. Daarbij komt dat vleermuizen regelmatig verhuizen binnen een netwerk van verblijfplaatsen tussen verschillende gebouwen. Voor alle inventarisaties geldt dat het momentopnamen zijn en ondanks de grote inspanning onvolledig. Om deze onvolledigheid te compenseren is naast het gebiedsbrede onderzoek ook een potentieanalyse uitgevoerd.

Habitatgeschiktheidsmodellen voorspellen de geschiktheid van habitats op basis van biotische en/of abiotische parameters. Hoe beter de parameters verklaren hoe geschikt een bepaalde habitat is, hoe nauwkeuriger de voorspellende waarde van het model. De mate van geschiktheid van een locatie voor bepaalde soorten (en een functie voor die soort) wordt aangeduid met de habitatgeschiktheidsindex (HGI). Voor de potentieanalyse voor het SMP is als basis het habitatgeschiktheidsmodel gebruikt dat is ontwikkeld door Regelink Ecologie & Landschap. Met behulp van een database met verblijfplaatsen, gebouwparameters en omgevingsparameters is voor elk gebouw in Nederland een habitatgeschiktheidsindex waarde (HGI-waarde) berekend. Na afloop van het gebiedsbrede veldonderzoek is met behulp van de reeds beschikbare gegevens (onder andere NDFF) en gegevens uit het veldonderzoek, het voorkomen van (functies van) soorten in kaart gebracht. Met behulp van het habitatgeschiktheidsmodel gebouw bewonende soorten clusteranalyse en expert judgement is de potentieanalyse uitgevoerd. Per woning zijn 3 scores mogelijk: • Hoge score: ‘hoge potentie op aanwezigheid’; • Matige score: ‘matige potentie op aanwezigheid’; • Lage score: ‘lage potentie op aanwezigheid’.

ODBN Kenmerk Z/219126

15

Lage potentie betekent dat een gebouw weinig geschikt is voor de aanwezigheid van vleermuizen. Gebouwen die vaak worden aangewezen als lage potentie zijn gebouwen met gevels zonder spouw of gevels opgebouwd uit ongeschikt materiaal (zoals metalen of glazen wanden) Andere gebouwen die als laag worden aangewezen zijn vaak kleine schuurtjes, ook vaak met muurtjes zonder luchtspouw en bitumen platte daken met daklijst. Om bij ruimtelijke ingrepen zicht te hebben op de mogelijkheid dat beschermde soorten aanwezig zijn, is het van belang te weten welke gebouwen in de gemeente in potentie geschikt zijn. Dit is een extra maatregel om meer gebouwen te beschermen en zo verblijfplaatsen of nestlocaties die mogelijk tijdens de onderzoeken gemist zijn (door verhuizing van de soorten) toch te beschermen. Daarnaast is het een extra opgave om te werken aan het realiseren van plussen, door gebouwen geschikt te maken en/of geschikt te houden, ook als er geen beschermde soorten zijn aangetroffen. De potentie van gebouwen als verblijfplaats voor beschermde soorten kan met een geautomatiseerde beoordeling worden bepaald. Dit gebeurt op basis van een potentieanalyse voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze potentieanalyse helpt vervolgens om bij elke ingreep aan gebouwen op woningniveau rekening te houden met beschermde soorten.

Voor de potentie inschatting van verblijfplaatsen van laatvlieger is het habitatgeschiktheidsmodel als uitgangspunt gebruikt. Vanuit de validatie van het model blijkt dat gebouwen met een HGI waarde tussen 0.5 – 1 geen voldoende voorspellende waarde hebben om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van laatvlieger aan te tonen. Daarom is er naast het habitatgeschiktheidsmodel ook een clusteranalyse van de waarnemingen van laatvlieger gebruikt. Het is bekend dat kraamkolonies van laatvliegers regelmatig verhuizen van kraamverblijf binnen een netwerk. De gemiddelde afstand tussen kraamverblijfplaatsen van deze soort is 100 meter. Voor zomerverblijfplaatsen is het niet bekend wat de gemiddelde afstand is tussen de verschillende verblijfplaatsen. Voor de zekerheid is hierom dezelfde straal gehanteerd bij zomerverblijfplaatsen als voor kraamverblijfplaatsen. Op basis van deze kennis is om de waarnemingen van zomer- en kraamverblijfplaatsen van laatvlieger een buffer getekend van 100 meter. Deze buffer (clusteranalyse) is berekend met de Kernel Density functie in QGIS. Alle geschikte panden binnen de cluster rond de bekende zomer- en kraamverblijfplaatsen zijn met een hoge potentie beoordeeld en alle geschikte panden buiten de straal beoordeeld met een matige en lage potentie. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in een GIS-viewer.

Deze gegevens zijn openbaar beschikbaar, zie de link: https://regelink.webgispublisher.nl/Choosemap.aspx, kies de kaart SMP Moerdijk. 2.7 Mogelijke effecten op beschermde soorten De aanvrager geeft aan dat er door het uitvoeren van de werkzaamheden aan de woningen en de overige gebouwen (tabel 1) nesten, rust- en voortplantingsplaatsen van de aangevraagde soorten beschadigd of vernield kunnen worden en vleermuizen verstoort. Door het nemen van de juiste maatregelen kan het doden en verwonden van vogels in alle gevallen worden voorkomen. Hierom is een vergunning voor het overtreden van artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteit leefomgeving niet aangevraagd.

ODBN Kenmerk Z/219126

16

Ook het opzettelijk doden en verwonden van vleermuizen kan door het nemen van maatregelen worden voorkomen. Echter is het niet volledig uit te sluiten dat, ondanks de maatregelen, het onbedoeld doden of verwonden van een vleermuis kan plaatsvinden. In dit geval ontbreekt echter de opzettelijkheid: uitgangspunt is dat door de te nemen maatregelen het doden en verwonden van vleermuizen dient te worden voorkomen. Hierom is een vergunning voor het overtreden van artikel 11.46, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving niet aangevraagd. Tijdens de onderzoeken naar gebouw bewonende vleermuizen zijn er binnen de reikwijdte van deze vergunning geen verblijfplaatsen van de kleine dwergvleermuis en baardvleermuis aangetroffen. Van deze soorten worden er geen verblijfplaatsen vernield of beschadigd en worden deze soorten niet verstoord. 2.8 Alternatievenafweging Er zijn geen redelijke alternatieven mogelijk die zullen leiden tot een kwalitatief gelijkwaardig resultaat. De alternatievenafweging is hiermee voldoende onderbouwd om een omgevingsvergunning met een flora- en fauna-activiteit voor de aangevraagde soorten te verlenen. Locaties en inrichting: De generieke ontheffing wordt aangevraagd voor de eerder beschreven ruimtelijke ingrepen, vaak in het kader van verduurzaming.

In veel gevallen kunnen panden behouden blijven, maar zijn renovatiewerkzaamheden onvermijdelijk. Daarmee is er sprake van ‘geen andere bevredigende oplossing’ voor wat betreft de locatie van de werkzaamheden. In sommige gevallen blijkt het niet mogelijk om bepaalde woningen of gebouwen te renoveren en is volledige sloop in combinatie met nieuwbouw noodzakelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de woningen zwaar verouderd zijn en niet meer voldoen aan de huidige levensstandaard, bij ernstige bouwkundige gebreken of bij gebrek aan ruimte binnen de gemeente (inbreidingslocaties). Ook in die gevallen is de ingreep plaatsgebonden en is het overwegen van een andere locatie niet van toepassing. Werkwijze: De werkzaamheden betreffen isolatiewerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden en, in sommige situaties, sloop en nieuwbouw. Vanwege de doelstellingen van de Klimaatwet en de verduurzamingsopgave uit de Nationale prestatieafspraken voor woningen is het noodzakelijk het woningbestand en andere gebouwen te isoleren en te renoveren. Daar waar dat niet mogelijk is, wordt gekozen voor sloop en nieuwbouw. De verduurzamingswerkzaamheden moeten op een kosten-efficiënte wijze en volgens nu geldende normen voor isolatie en bouweisen uitgevoerd worden.

In de generieke werkprotocollen die bij dit SMP horen staat beschreven op welke manier in de werkwijze rekening wordt gehouden met beschermde soorten en functies. De generieke werkprotocollen geven daarmee invulling aan de voorwaarden uit de Kennisdocumenten (BIJ12). Ten aanzien van de werkwijze is zodoende alle beschikbare kennis voor een alternatieve afweging ingezet en is tot de best mogelijke werkwijze gekomen. Planning: Dankzij de resultaten uit de 0-meting en de potentieanalyse kan er bij de ingrepen goed rekening gehouden worden met de beschermde soorten en functies. Bij de planning van werkzaamheden wordt hier optimaal rekening mee gehouden. In de generieke werkprotocollen die bij dit SMP horen staat beschreven op welke manier in de planning rekening wordt gehouden met beschermde soorten en functies. De generieke werkprotocollen geven daarmee invulling aan de voorwaarden uit de Kennisdocumenten (BIJ12). Ten aanzien van de planning is zodoende alle beschikbare kennis voor een alternatieve afweging ingezet en is tot de best mogelijke planning gekomen.

ODBN Kenmerk Z/219126

17

2.9 Belang van de aanvraag In de aanvraag zijn de belangen voldoende onderbouwd om een omgevingsvergunning met een flora- en fauna-activiteit voor de aangevraagde soorten te verlenen. De omgevingsvergunning met een flora- en fauna-activiteit is gevraagd op grond van de belangen ‘in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid’, ‘ter bescherming van flora en fauna’ en ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ zoals genoemd in artikel 8.74j, eerste lid, onder b en 8.74k, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Volksgezondheid en openbare veiligheid: Verschillende ingrepen aan gebouwen zullen uitgevoerd moeten worden in het kader van de volksgezondheid. Dat geldt vooral voor oudere gebouwen. In veel woningen die tot de jaren tachtig gebouwd zijn, zijn asbesthoudende materialen gebruikt. Asbest vormt een gevaar voor de volksgezondheid wanneer dit vrijkomt. Het inademen van asbestvezels kan leiden tot verschillende soorten kankers of stoflongen. Vooral de niet-hecht gebonden toepassingen of toepassingen van hecht gebonden asbestvezels in daken vormen een risico. Hecht gebonden asbesttoepassingen in het dak komen na verloop van tijd vrij door verwering.

Naast asbest vormt ook een slecht leefklimaat in woningen een risico voor de volksgezondheid. Veel oudere woningen zijn slecht geïsoleerd of ventileren onvoldoende. Hierdoor kan doorslag van vocht ontstaan, waardoor verschillende gezondheidsklachten kunnen optreden. Die problemen worden ten dele veroorzaakt door schimmels, huisstofmijt of het vrijkomen van chemische stoffen uit bouwmaterialen. Aan de andere kant kan een te droge woning ook tot problemen leiden. Het verbeteren van het binnenklimaat in woningen is dan ook een van de speerpunten van de Nationale aanpak Milieu en Gezondheid van het RIVM. Grootschalige woningverbetering wordt gestimuleerd waardoor de woningen beter geïsoleerd en geventileerd worden. Groot openbaar belang: Het isoleren van woningen heeft niet alleen een gunstige werking op het leefklimaat, maar zorgt er ook voor dat woningen energiezuiniger worden. Renovatie en sloop met nieuwbouw helpen de afspraken over de verduurzamingsopgave van de klimaatwet na te komen. Bovendien leidt de uitstoot van CO2 tot klimaatverandering, met een scala van negatieve gevolgen, zoals een verhoogde kans op extreem weer en zeespiegelstijging. Het is dus noodzakelijk dat er maatregelen genomen worden die de CO2-uitstoot beperken: verduurzamingsmaatregelen aan woningen zoals het installeren van zonnepanelen en warmtepompen, van het gas af en het isoleren van woningen.

Daarnaast zijn woningcorporaties wettelijk verplicht om hun woningbestand te onderhouden. Bescherming van flora en fauna: Met het SMP worden de betreffende soorten op populatieniveau beschermd. Door de werkwijze uit het SMP te volgen worden niet één of enkele verblijfplaatsen of nestlocaties beschermd of gemitigeerd, maar wordt de ‘gunstige staat van instandhouding’ van populaties zo goed mogelijk gewaarborgd of zelfs verbeterd. Zoals in § 5.5 van het SMP is benoemd zet de gemeente in op het versterken van biodiversiteit, verbeteren leefgebieden en het vergroten van het aanbod nest- en verblijfplaatsen, waardoor populaties erop vooruit kunnen gaan. De monitoring vanuit het SMP is een vinger aan de pols en zorgt ervoor dat de effectiviteit van maatregelen duidelijk wordt. Hiermee is het ook mogelijk om tijdig bij te sturen wanneer nieuwe kennis beschikbaar wordt. Door het toepassen van het SMP binnen de gemeente wordt er structureel aandacht gevraagd voor het beschermen van (bedreigde) soorten, hierdoor wordt substantieel bijgedragen aan de bescherming van de flora en fauna binnen de gemeente.

ODBN Kenmerk Z/219126

18

2.10 Werkwijze op basis van het soortenmanagementplan Het SMP vormt de basis voor de vergunningsaanvraag. In het SMP staat beschreven op welke wijze er binnen het plangebied een meerwaarde wordt gecreëerd voor de soorten en met welke maatregelen een positieve impuls wordt gegeven aan een gunstige en duurzame staat van instandhouding van deze soorten. Stappenplan: In bijlage 8 van het SMP is uitgewerkt hoe, op basis van een stappenplan, de bescherming van de soorten tijdens en na de werkzaamheden is geborgd. In grote lijnen gaat het om de volgende maatregelen: • Aan de hand van de WebGIS-viewer (of een gelijkwaardig systeem) wordt beoordeeld of er beschermde soorten daadwerkelijk of mogelijk (hoge potentie) in en rondom de bebouwing waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden aanwezig zijn. • Indien geen soorten aanwezig dan: o Houd rekening met het broedseizoen van vogels; o Controleer of aan de eisen van de zorgplicht voldaan wordt; o Tref nieuwe voorzieningen zoals aangegeven in werkprotocol 9 en 10. • Vallen de aanwezige soorten niet onder de generieke SMP-vergunning, dan stelt de ecoloog maatwerk op voor de situatie en vraagt indien nodig een vergunning aan. • Vallen de aanwezige soorten wel onder de generieke SMP-vergunning, dan wordt er door de vergunninghouder in de salderingsboekhouding per soort gecontroleerd of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn.

• Indien uit de salderingsboekhouding blijkt dat er onvoldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor een soort, worden er conform werkprotocollen 9 tot en met 11 alternatieve verblijfplaatsen gecreëerd. Hierbij wordt de voorgeschreven gewenningsperiode van het type verblijf in acht genomen. • Indien uit de salderingsboekhouding blijkt dat er voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de aanwezige soorten, wordt er gekeken of de voorgenomen werkzaamheden onder het SMP vallen (tabel 1). • Indien de werkzaamheden onder de voorgenomen werkzaamheden vallen zoals genoemd in tabel 1, dan staat er per type werkzaamheid welke werkprotocollen er gevolgd dienen te worden. • Indien de werkzaamheden niet onder de voorgenomen werkzaamheden vallen zoals genoemd in tabel 1, dan wordt er contact opgenomen met de ecoloog en een vergunningsaanvraag ingediend.

ODBN Kenmerk Z/219126

19

Werkprotocol en natuurmaatregelen. Elk type ingreep heeft zijn eigen werkprotocol. Voor een lijst van alle ingrepen zie tabel 1 van dit besluit. In bijlage 8 van het SMP staan alle werkprotocollen volledig uitgeschreven. Elk werkprotocol is in grote lijnen op de volgende wijze opgebouwd: 1. Stappenplan waarin bepaald wordt of beschermde soorten: a. aanwezig zijn; b. er een hoge potentie op aanwezigheid is; c. er een matige potentie op aanwezigheid is; d. er een lage potentie op aanwezigheid is. Elk van deze opties verwijst door naar een volgend onderdeel van het werkprotocol welke in die situatie gevolgd moet worden. 2. Maatwerk bij kwetsbare functies en soorten 3. Per beschermde soort indien aanwezig of hoge potentie: a. De planning in relatie tot de kwetsbare periode b. Realiseren van (alternatieve) verblijfplaatsen c. Welke werkwijze er moet worden toegepast d. De methode van ongeschikt maken 4. Per beschermde soort bij matige potentie hoe (alternatieve) verblijfplaatsen gerealiseerd moeten worden. 5. Per beschermde soort bij lage potentie hoe (alternatieve) verblijfplaatsen gerealiseerd moeten worden. 6. Hoe om te gaan met overige soorten 7. Hoe er met de zorgplicht omgegaan moet worden. 2.11 Tussentijdse- en eindevaluatie Op basis van de aangeleverde monitoringsgegevens van het vierde loopjaar van deze vergunning.

Zal er in loopjaar 5 (het jaar 2030) door het bevoegd gezag een tussentijdse evaluatie van deze GANvergunning plaatsvinden. Op basis van deze evaluatie kan het bevoegd gezag ambtshalve dit besluit wijzigen, als zij hier noodzaak voor zien, om de staat van instandhouding van de aangevraagde soorten te borgen. Op basis van de aangeleverde monitoringsgegevens van het negende loopjaar van deze vergunning. Zal er in loopjaar 10 (het jaar 2035) door het bevoegd gezag een eindevaluatie van deze GANvergunning plaatsvinden. Deze eindevaluatie kan door het bevoegd gezag gebruikt worden bij een eventueel verzoek om verlenging of een nieuwe GAN-aanvraag door de vergunninghouder. 2.12 Goedkeuringsbesluiten Voor sommige soorten en/of type verblijfplaatsen zijn geen generieke maatregelen mogelijk. In deze gevallen is maatwerk verplicht. Voor deze situaties stelt de ecoloog een maatwerkplan op. Dit maatwerkplan is uniek voor elke situatie. Het maatwerkplan wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag ter goedkeuring. Een maatwerkplan met verzoek tot goedkeuring zal in de volgende gevallen ingediend worden. • Aantasting van kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen; • Aantasting van massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis; • Aantasting van verblijfplaatsen van laatvlieger en meervleermuis.

• Aantasting leefgebied huismus, waarbij het leefgebied dusdanig wordt aangetast dat nabijgelegen huismusnesten hun functie verliezen.

ODBN Kenmerk Z/219126

20

In eerste instantie wordt er altijd zoveel mogelijk om deze verblijfplaatsen heen gewerkt. Alleen als dit echt niet mogelijk is, zal er een maatwerkplan opgesteld worden en ter goedkeuring aangeboden worden. In het geval van een maatwerksituatie geldt dat werkzaamheden pas mogen starten als er een goedkeuringsbesluit door het bevoegd gezag is afgegeven. De vereisten waaraan een goedkeuringsverzoek voor een maatwerkplan dient te voldoen is opgenomen in bijlage 4. Omdat elke situatie waarin maatwerk vereist wordt uniek is, kunnen wij de voorgestelde opties voor maatwerk uit het SMP niet bij voorhand al beoordelen. Dit omdat het maatwerk afgestemd dient te zijn op de huidige situatie van de verblijfplaats. Hierom zijn de beschreven maatwerkmaatregelen in het SMP voor deze soorten en/of verblijfplaatsen dan ook niet inhoudelijk door ons beoordeeld. Een goedkeuringsverzoek inclusief het ecologisch werkprotocol maatwerk dient per project, onder vermelding van het kenmerk van deze vergunning, minimaal 8 weken voordat de werkzaamheden (waaronder ook ontmoediging) gepland staan, opgestuurd te worden naar het bevoegde gezag. Een aanvraag voor een goedkeuringsbesluit wordt binnen redelijke termijn, met een streven van 8 weken, beoordeeld.

Bij het goedkeuringsverzoek dient bijgevoegd te worden: • Begeleidingsformulier bij indienen document (zie bijlage 2); • Ecologisch werkprotocol maatwerk (conform bijlage 4). Afwijken van maatwerk, dat door het bevoegd gezag (ODBN) middels een goedkeuringsbesluit is goedgekeurd, is zonder wijzigingsbesluit niet toegestaan. 2.13 Salderingsboekhouding Een uitgangspunt van het SMP is dat het aantal functionele nest- en verblijfplaatsen in de gemeente op ieder moment voldoende is om werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Om hier te allen tijde voldoende inzicht in te hebben, is het van groot belang dat alle gerealiseerde voorzieningen in een salderingsboekhouding wordt bijgehouden. De salderingsboekhouding geeft een overzicht van de locaties en data waarop alternatieve nest- en verblijfplaatsen beschikbaar zijn. Bij ingrepen kan aan de hand van de salderingsboekhouding worden bepaald of er al voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de SMP-soorten. Een ingreep kan pas plaatsvinden wanneer uit de boekhouding blijkt dat er genoeg alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn binnen 200 meter van het werkgebied en dat deze maatregelen voldoen aan de gewenningsperiode. Het bijhouden van de salderingsboekhouding is de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Het is een van de onderdelen waarmee het werken volgens de vergunning verantwoord wordt.

De salderingsboekhouding kan (net als nieuwe resultaten van soortinventarisaties) bijgehouden worden in WebGIS-Publisher (of dergelijke systemen). Ook het gebruik van de voorzieningen door de doelsoorten kan hierin worden bijgehouden. Het bijhouden van de boekhouding gebeurt continu, zodat de boekhouding bij elke raadpleging actueel is. Per ingevoerde voorziening dient in de salderingsboekhouding een aantal details ingevuld te worden, onder andere het type voorziening, plaatsingsdatum, einde gewenningstijd en of het een tijdelijke of permanente voorziening betreft.

ODBN Kenmerk Z/219126

21

2.14 Ecologische plus In hoofdstuk 5 van het SMP is een uitgebreide uitleg van het realiseren van ecologische plussen en kansen uitgewerkt. Naast de ‘standaard’ mitigatie om voldoende verblijfplaatsen te behouden is de inzet van een SMP ook gericht op het versterken van de staat van instandhouding van soorten en (lokale) populaties. Door proactief in te zetten op biodiversiteit in het algemeen profiteren naast de SMP-soorten ook andere soorten van maatregelen. Met andere woorden: er worden ‘plussen’ gecreëerd. De gemeente kan op verschillende manieren hieraan bijdragen en dit ook in beleid en afspraken met derden vastleggen. Het creëren van plussen grijpt vooral aan op enerzijds het verbeteren van leefgebied en anderzijds op het vergroten van het aanbod verblijfplaatsen en nestlocaties. Het creëren van plussen kan ook voor andere soorten dan de SMP-soorten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het verbeteren van het leefgebied of het vergroten van het aantal nest- en verblijfplaatsen. Verbeteren leefgebied Vogels, vleermuizen en andere soorten zijn afhankelijk van geschikt leefgebied. Veel groen in de bebouwde omgeving heeft positieve effecten op het voedselaanbod, schuilplekken en veilige vliegroutes.

De gemeente heeft de ambitie dit te stimuleren en te realiseren door aan te haken bij verschillende beleidsterreinen bijvoorbeeld: • Vergroening van speeltuinen; • Inheems groen, groenbeheerplan, bomenplan, laanbeheer, kruidenrijke bermen; • Klimaatadaptatie, wadi’s, regenwaterafkoppeling; • Groene buurtinitiatieven; buurtmoestuinen, voedselbosjes; • Groen bij nieuwbouw etc.); • Werken in openbare ruimte; vleermuisvriendelijke verlichting, amfibievriendelijke kolken. Vergroten aanbod nest- en verblijfplaatsen Het vergroten van het aanbod maakt dat er ruimte gecreëerd wordt voor populaties om te groeien. Er zijn verschillende situaties waar er goede gelegenheden zijn om dit aanbod te vergroten, ook voor andere soorten dan de SMP-soorten. Hieronder enkele mogelijkheden: • Naast de benodigde mitigatie voor SMP- soorten bij ingrepen aan gebouwen (met potentie op SMP-soorten) kunnen meer voorzieningen gerealiseerd worden dan strikt noodzakelijk. • Gebouwen met lage potentie bij renovatie juist geschikt maken voor soorten door voorzieningen aan te brengen (bijv. toegankelijk dak of spouw, ingebouwde kasten, etc.). • Aanbrengen van diversiteit aan voorzieningen, die ook geschikt zijn voor niet-SMP-soorten (bijvoorbeeld nestkast voor spreeuw of zwarte roodstaart).

• Natuur inclusieve nieuwbouw, standaard bij nieuwbouw zorgen voor (royale) gelegenheid voor verblijfplaatsen voor (SMP)-soorten. (Bijvoorbeeld toegankelijke spouw en dak, groene omgeving voor huismus) 2.15 WebGIS-viewer De resultaten verkregen uit het gebiedsbrede veldonderzoek, habitatgeschiktheidsmodel en de potentie analyse worden na het verlenen van deze vergunning vrijgegeven in WebGIS-viewer (of een gelijkwaardig systeem). Data die in WebGIS-viewer worden weergegeven is de samenkomst van weergegeven kaartlagen in de GIS-viewer en aangeleverde werkprotocollen. De gemeente, uitvoerders en particulieren kunnen deze data gebruiken om bij voorgenomen ingrepen te controleren welke werkprotocollen van toepassing zijn.

ODBN Kenmerk Z/219126

22

2.16 Maatregelen Alle te nemen maatregelen zijn uitgewerkt in de werkprotocollen (bijlage 8 van het SMP). Hierbij is per type ingreep een eigen werkprotocol opgenomen, waarin de maatregelen per soort op uitvoeringsniveau staan beschreven. In grote lijnen gaat het om de volgende maatregelen: 2.16.1 Werken buiten kwetsbare periode: In de werkprotocollen wordt meermaals gesproken over kwetsbare periodes van de SMP-soorten. Hieronder is een overzicht weergegeven van de kwetsbare periodes die in deze werkprotocollen worden aangehouden, zie Tabel 2 en Tabel 3. In de werkprotocollen zelf wordt specifiek ingegaan op de juiste uitvoeringsperiode van werkzaamheden. Deze uitvoeringsperiodes zijn zo gekozen dat rekening is gehouden met de kwetsbare periodes van SMP-soorten. Tabel 2 Kwetsbare periodes SMP-soorten

ODBN Kenmerk Z/219126

23

Tabel 3 Perioden waarin niet gewerkt mag worden vanwege de kwetsbare periodes SMP-soorten, aangegeven voor hoge, matige of lage potentie voor de SMP-soort.

2.16.2 Faseren in ruimte en tijd: In de werkprotocollen wordt ingegaan op fasering die plaats moet vinden binnen de uitvoering van één enkel project. Echter moet er ook fasering plaatsvinden binnen het gehele plangebied. Dit om te voorkomen dat binnen 1 jaar te veel plekken binnen de gemeente werkzaamheden worden uitgevoerd. Fasering en afstemming voor het totaal aantal projecten dat per jaar binnen de gemeente kan worden uitgevoerd is als volgt: Broedvogels: • Per 2 jaar worden in niet meer dan 25% van de aangewezen clusters van de huismus werkzaamheden uitgevoerd die negatieve effecten kunnen hebben op nestlocaties van de huismus. • Per 2 jaar worden in niet meer dan 25% van de aangewezen clusters van de gierzwaluw werkzaamheden uitgevoerd die negatieve effecten kunnen hebben op nestlocaties van de gierzwaluw. • Er wordt niet tegelijkertijd gewerkt in 2 naast elkaar gelegen clusters. Vleermuizen: • Per 2 jaar worden aan niet meer dan 25% van alle bekende kraamverblijfplaatsen werkzaamheden uitgevoerd die negatieve effecten kunnen hebben op de verblijfplaats. • Per 2 jaar worden aan niet meer dan 25% van alle bekende massa winterverblijfplaatsen werkzaamheden uitgevoerd die negatieve effecten kunnen hebben op de verblijfplaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=059dfe84-414e-4d20-a5d4-52045e819fdf