Bestemmingsplan Molenstraat 42, Standdaarbuiten
Tekst van het document
Omvang
Uitgangspunt kencijfer
kencijfer CROW (midden bandbreedte)
Behoefte
expeditie
1.502 m2
per 100 m2
1,1
16,5
opslagloods
3.987 m2
per 100 m2
1,1
43,9
kantoor
137 m2
per 100 m2
2,6
3,6
Totaal
5.630 m2
64 (63,9)
In de huidige situatie is er in 17 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein. In totaal is er dus een behoefte van 81 (63,9+17) parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie wijzigt de routing van het vrachtverkeer en daarmee ook de positie van de parkeerplaatsen. De bestaande parkeerplaatsen komen te vervallen en zullen elders op het terrein teruggebracht worden. Er zullen aan de oostzijde van het gebouw in totaal 17 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast worden er 51 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd voor personeel en bezoek aan de noordzijde van het gebouw. Aan de oostzijde is reeds een laaddock aanwezig met 7 toegangen tot het gebouw waar de vrachtwagens kunnen laden, lossen en parkeren. Aan de westzijde van de uitbreiding van het gebouw wordt het maaiveld afgegraven, waardoor een tweede grote laaddock ontstaat met 6 toegangen tot het gebouw voor laden, lossen en parkeren van vrachtwagens. In totaal zijn er 13 laaddocks waar de vrachtwagens kunnen parkeren. Geconcludeerd kan worden dat er in totaal 81 (17+51+13) parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Hiermee wordt voldaan aan de behoefte. 4.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de relevante beleidskaders van zowel het Rijk, als de provincie NoordBrabant, Regio West-Brabant en de gemeente Moerdijk en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
25
5
Onderzoek en verantwoording
Ten behoeve van de ontwikkeling van het plan Molenstraat te Standdaarbuiten is onderzoek verricht naar diverse ruimtelijk relevante aspecten. Gezien de ontwikkeling gaat om een uitbreiding van het bestaande bedrijfspand en de bedrijfsactiviteiten, is enkel onderzoek verricht naar het westelijk deel van het plangebied, daar waar de uitbreiding plaats zal vinden. De onderzoeken zijn verwoord in een aantal deelrapporten die als losse bijlagen bij dit bestemmingsplan zijn gevoegd. In dit hoofdstuk worden de betreffende rapporten beknopt samengevat en hun relevantie met deze herziening weerlegd. 5.1
Cultuurhistorie en Archeologie
5.1.1 Cultuurhistorie Landelijk beleid Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken en om de aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren te halen. Men is hiermee verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Figuur 5.1: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, locatie rood omlijnd 26
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen de CHW is de locatie aangewezen als zeekleigebied. Het zeekleigebied maakt deel uit van het ZuidwestNederlandse deltagebied. De bodem bestaat uit zeeklei, behalve ten oosten van de lijn Moerdijkbruggen-Helkant waar zoetwaterklei ligt. Het zeekleigebied wordt doorsneden door Mark, Dintel en Vliet en diverse kreken, met name in de Biesbosch. Buitendijks liggen slikken en gorzen die langs de Schelde schorren heten. Aanvankelijk was heel de regio een veengebied dat in de hoge middeleeuwen en late middeleeuwen in eerste instantie agrarisch ontgonnen werd en waarin men ook aan turfgraverij deed. In samenhang met de vromgin van de Zeeuwse zeearmen en het Hollands Diep overstroomde het gebied steeds verder, beginnen rond 1250 in het westen en culmiinerend in de St. Elisabethsvloed van 1421 in het oosten met de vorming van de Biesbosch. Dit oprukken van de zee-invloed was mede mogelijk door het turfgraven voor de zoutproductie.
Nadat veel cultuurland door overstromingen in de vijftiende eeuw verloren was gegaan is het gebied geleidelijk door de mens op de zee heroverd. Dit is niet alleen te zien aan de rechte wegen en de verkaveling van het landelijk gebied, maar ook in de vorm van de dorpen. De percelering is over het algemeen rationeel met grote blokvormige of strookvormige percelen, veelal tot stand gekomen door planmatige ontginningen. De bebouwing is gesitueerd in (voorstraat)dorpen en in ijle linten langs dijken en polderwegen, of ligt verspreid in de polders, op kreekruggen en hier en daar op huisterpen. Het open polderland, waarin de akkerbouw overheerst. De regio bestaat uit een rijk geschakeerd open polderlandschap waarin de omgang met het water en de strijd met de zee nog duidelijk af te lezen zijn. Dit komt tot uiting in het patroon van de dijken, de (voormalige) kreken en de verschillen tussen de polders en de onbedijkte gorzen. Het landschap is in hoge mate bepaald, ingericht en vormgegeven door de mens. Gemeentelijk beleid De gemeente Moerdijk heeft op 18 december 2014 een cultuurhistoriekaart en verschillende archeologische kaarten vastgesteld met de bijbehorende beleidsnota ‘Tussen water en land’. Met deze kaarten is het erfgoed in de gemeente Moerdijk in beeld gebracht.
Om het erfgoed te kunnen beschermen en in stand te houden voor toekomstige generaties, is bovendien de Erfgoedverordening aangepast. Op de kaarten is te zien welke aan cultuurhistorische- en archeologische waarden aanwezig zijn. De cultuurhistoriekaart geeft een overzicht van het bovengronds cultuurhistorisch erfgoed, bouwkundige objecten en landschappelijke gebieden met cultuurhistorische waarde.
Figuur 5.3: Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart, gemeente Moerdijk. Locatie rood omlijnd. Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
27
!
!
!
!
!
!
!
!
!
Lochtenburg
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
! !
!
!
Kreek
! !
!
!
Archeologie
!
!
!
!
!
5.1.2
!
Strooiendorp Conclusie Binnen het plangebied of in de nabijheid zijn géén cultuurhistorisch waardevolle structuren of elementen aanwezig. Zevenbergschen Hoek Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die de cultuurhistorische waarden kunnen tasten. Hiermee vormt het planvoornemen geen belemmering voor het uitvoeren van deze ambitie.
!
!
!
!
!
!
!
!
!
! !
!
!
Roodevaart
Landelijk beleid In het landelijk beleid betreffende archeologie is het bewaren van archeologische waarden in situ (in de bodem) het uitgangspunt. Nederland heeft namelijk in 1992 het Verdrag van Valletta/Malta getekend waarin behoud van archeologische waarden in situ voorop staat. Met de Wijzigingswet (Wamz 2007) op o.a. de Monumentenwet 1988 is dit in Nederland van kracht geworden. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7- ! Drie Hoefijzers 2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Langeweg
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!!! ! !
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
!
Zevenbergen
!
!
!
!
! ! !
! !
!
!
! !
!
!
!
!
!
!
!
!
Bosselaar
!
!
!
! !
! ! !
!
! ! ! ! ! !
!
!
!
!
!
!
! !
! !
! ! !
!
!
!
!
! !
!
! !
! !
! ! ! !
!
!
!
!
!
!
!
!
!
! ! !
! ! !
!
Figuur 5.4: Uitsnede archeologische beleidskaart, gemeente Moerdijk. Locatie rood omlijnd.
!
! !
!
! !
!
!
! ! ! ! ! !
!
!
!
! ! ! ! ! !
!
!
!
!
!
!
!
!
Legenda
!
! !
!
!
! !
!
Kaart 6: Concept Archeologiekaart Archeologisch Beleidsgebied
Archeologisch Beleid
Archeologisch beleidsgebied 1.+ 2.
Altijd een archeologische onderzoeksplicht vanaf een minimum diepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 3.
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 50 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 4.
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 80 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 5.
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.
Archeologisch beleidsgebied 6.
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.
Archeologisch beleidsgebied 7.
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 200 cm.
Archeologisch beleidsgebied 8.
Een archeologische onderzoek zal alleen worden vereist in projecten die MER-plichtig zijn.
Archeologisch beleidsgebied 9.
94000 99000
Geen archeologische onderzoeksplicht.
95000 100000
101000
Ü 0
96000
97000
Conclusie Binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk is de locatie aangewezen als beleidsgebied 6. Voor deze gronden geldt dat bij ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 50 cm onderzoek noodzakelijk is. Afhankelijk van het bouwplan en funderingsmethodiek zal onderzoek mogelijk noodzakelijk zijn en uitgevoerd worden. 102000
103000
104000
105000
106000
107000
5.2 Bodem Door Wematech is in 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, Wematech, projectnr. VBE-50180177, versie: definitief, 24 april 2018) ter plaatse van het perceel aan de Veerstraat 24 te Standdaarbuiten. De uitbreidingslocatie aan de Molenstraat maakte onderdeel uit van de onderzoekslocatie. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
28
!
!
!
!
!
0
!
!
Standdaarbuiten
!
Krooswijk
!
Torenveld
Pelikaan
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
1
Onderzoek Uit verkregen informatie is gebleken dat de onderzoekslocatie sinds geruime tijd de huidige bestemming, als niet bebouwd terrein op een industrieterrein heeft. Voor de jaren ’70 van de vorige eeuw had de onderzoekslocatie een agrarische bestemming. Ter plaatse van de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, geen ondergrondse tanks, kabels, leidingen e.d. gelegen. Voor zover bekend hebben zich ter plaatse van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan die tot gevolg hebben gehad dat verontreinigende stoffen op of in de bodem zijn geraakt. De locatie is niet opgenomen in het programma Bodemsanering/Waterbodemsanering c.q. inventarisatielijst van locaties waar mogelijk sprake is van bodemverontreiniging van de gemeente Moerdijk / provincie Noord Brabant. De onderzoekslocatie is ook niet bekend op het bodemloket. Op basis van de verkregen informatie is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten. De onderzoekslocatie is aangemerkt als een onverdachte locatie. Grondboringen Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling plaatselijk sporen baksteen aangetroffen. Deze bijmengingen van baksteen worden niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht.
Bij het laboratoriumonderzoek is in de bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte PAK aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het ondergrondmengmonster zijn geen verhoogde gehaltes van de onderzochte parameters aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Grondwatermonsters In de grondwatermonsters van twee peilbuizen zijn licht verhoogde gehaltes naftaleen aangetroffen. In één grondwatermonster is tevens een licht verhoogd gehalte barium aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. Aangenomen mag worden dat de aangetroffen licht verhoogde gehaltes in het grondwater geen risico’s opleveren voor de volksgezondheid en/of het milieu. Het aangetroffen gehalte barium is naar verwachting te beschouwen als een verhoogd achtergrondgehalte. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen en tevens plaatselijk licht verontreinigd met barium. Geconcludeerd kan worden dat zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde.
Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit. Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. 5.3
Milieu
5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van beschermde (natuur)gebieden zoals het NNB (Natuur Netwerk Noord-Brabant, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) of een Natura-2000 gebied. Tritium Advies heeft een natuurscan uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport Quickscan flora en fauna (Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2009/043/JOW-01, versie 0, 21 januari 2021). Het onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermings-deel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016), de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant” en enkele digitale verspreidingsatlassen. Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
29
Onderzoek Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op vrij korte afstand gelegen van het dichtstbijzijnde NNB-gebied. Tussen het plangebied en de waterloop die deel uitmaakt van het NNB ligt echter nog een weiland en de geplande ontwikkeling betreft een beperkte ingreep (nieuwbouw) in een bestaand industriegebied. Een significant negatief effect op de NNB-gebieden valt hierdoor niet te verwachten.
NatuurNetwerk Brabant (NNB) Ecologische verbindingszone Behoud en herstel watersysteem Figuur 5.5: NatuurNetwerk Brabant (NNB), locatie in rood weergegeven
10
km
8 km
Figuur 5.6: Natura 2000 gebieden, locatie rood omlijnd. Op circa 8 km ligt het Hollands Diep. Op ruim 10 km ligt het Natura 2000 gebied Krammer-Volkerak
De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is minder dan 10 kilometer. Gezien deze relatief korte afstand is het noodzakelijk een effectenanalyse (waaronder een stikstofberekening) uit te voeren om mogelijke negatieve invloeden van de gebruiksfase van de beoogde nieuwbouw op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. In paragraaf 5.3.2 is de stikstofdepositie en de mogelijke effecten op de NNB en Natura 2000 gebieden berekend. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten 30
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wet Natuurbescherming (Wnb) geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie.
Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Vleermuizen De bomen in het plangebied zijn door de aanwezigheid van holten, hoogstwaarschijnlijk gemaakt door spechten, geschikt als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor vleermuizen.
Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van bomenrijen en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Naar aanleiding van de Quickscan is door Tritium vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een boomholtecheck (2009/043/JOW-01, versie 0, d.d. 21 januari 2021). In verband met de kap/verplaatsing van deze bomen dienen de boomholtes te worden gecontroleerd op de geschiktheid als vleermuisverblijfplaats. Tijdens het onderzoek zijn de holtes van de aanwezige bomen nader onderzocht op geschiktheid als vaste verblijfen voortplantingsplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In geen van de bomen aan de zuidoostelijke grens zijn tijdens de quickscan flora en fauna boomholtes of -scheuren aangetroffen waardoor de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de betreffende bomen kan worden uitgesloten. In de bomen aan de zuidwestelijke grens zijn wel (spechten) holtes aanwezig.
Drie van de elf wilgenbomen zijn geschikt bevonden als vleermuisverblijfplaats. De holten kunnen mogelijk dienen als zomer- of paarverblijf voor vleermuizen tijdens het voor- en het najaar. Er zijn geen sporen van vleermuizen, zoals uitwerpselen of haren aangetroffen. Echter kan hierdoor niet worden uitgesloten dat de holtes niet als verblijfplaats door vleermuizen worden gebruikt. Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
31
Om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen is nog een aanvullend vleermuisonderzoek is uitgevoerd met twee veldbezoeken op 9 december 2021 en 25 januari 2022 (Memo boomhotecheck winterverblijfplaats, Tritium Advies, documentnr. 2111/186/NHE-memo, 8 februari 2022). Tijdens het onderzoek zijn de holtes van de aanwezige bomen nader onderzocht met een endoscoop op de aanwezigheid van boombewonende vleermuizen. Daarnaast is er ook gezocht naar sporen zoals uitwerpselen en prooiresten die duiden op de aanwezigheid van vleermuizen. De bomen binnen het plangebied doen geen dienst als winterverblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast is één boom ongeschikt bevonden als vleermuisverblijfplaats door de opening boven in de boomstam. Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is het aangewezen om een stikstofberekening uit te voeren.
Deze berekening is opgenomen in de volgende paragraaf; • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Bij het ontwerp van de uit te breiden bedrijfshal wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente. Vleermuzien Geconcludeerd kan worden dat de geschikt bevonden holten in de twee wilgenbomen geen dienst doen als winterverblijfplaats voor boomwonende vleermuizen. De twee bomen kunnen daarmee verplaatst worden naar het noordelijk deel van het perceel, zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Er kan niet uitgesloten worden dat de holten dienst doen als zomer- of paarverblijf. De parings- en zomerperiode start vanaf maart en loopt tot oktober.
De periode waarin de bomen verplaatst kunnen worden geldt dus van november tot eind februari. Belangrijk bij het verplaatsen van de bomen is dat alleen de positie van de twee bomen gewijzigd mag worden, niet de richting van de boom. De bomen dienen dus op dezelfde manier zoals ze nu staan op de nieuwe locatie geplant te worden. Ook is van belang dat de bomen op een plek komen te staan waar in het vervolg geen nieuwe werkzaamheden gepland staan, om overlast voor eventuele vleermuizen in de zomerperiode te voorkomen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.
Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. 32
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 5.3.3 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Er zijn in Nederland ruim 160 gebieden aangemeld als Natura 2000-gebied met een gezamenlijk oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Hiervan is 69% water; de rest is land. 133 gebieden kennen een te hoge stikstofdepositie. De stikstofdepositie mag er de draagkracht van de natuur niet te boven gaan. Voordat er woningen worden gebouwd dan wel wegen worden aangelegd of verbreed, wordt de te verwachten stikstofdepositie uitgerekend en getoetst of de depositie toeneemt. Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Natuurbeschermingswet 1998.
Welke gebieden onder Natura 2000 vallen, staat in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor ammoniak zijn emissiedoelstellingen geformuleerd in het kader van de Europese (NEC national emission ceiling)-richtlijn en in het Gotenborg protocol onder de Verenigde Naties -conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Nederland heeft zich hierbij verplicht om in 2020 niet meer dan 123 kiloton ammoniak per jaar uit te stoten. In 2010 bedroeg dit plafond nog 128 kiloton ammoniak. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Het kabinet zorgt er met deze wet voor dat de natuur sterker wordt en stikstofuitstoot en -neerslag omlaag gaat. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Om de vrijstelling mogelijk te maken worden er afspraken gemaakt en maatregelen genomen in de bouwsector, gericht op emissiearme werk- en voertuigen. De vrijstelling betekent dat de stikstofdepositie in de aanlegfase niet meer berekend hoeft te worden.
Uit het rekeninstrument AERIUS Calculator 2020 blijkt of er sprake is van stikstofdepositie ten gevolge van het plan in de gebruiksfase. Onderzoek GJM Bouwadviseurs heeft een berekening stikstofdepositie uitgevoerd (Berekening stikstofdepositie, GJM Bouwadviseurs, documentkenmerk: Berekening stikstofdepositie, GJM Bouwadviseurs, Rapportnummer: 23896-RS1, 24-09-2021). De berekening is uitgevoerd in het kader van de planologische procedure. Gebruiksfase Aangezien de te realiseren nieuwbouw een uitbreiding vormen voor de huidige inrichting, wordt voor de gebruiksfase de gehele inrichting beschouwd na realisatie van de nieuwbouw. Aangezien het bestaande bedrijfspand geen aardgas aansluiting heeft, maar een warmtepomp zal in de uitbreiding in de personele ruimten ook een lucht warmtepomp worden toegepast. Hierdoor komt er géén gasaansluiting en zal er ook geen stikstofemissie gaan optreden door aardgasverbruik (stookinstallaties). Daarnaast kan er stikstofemissie optreden als gevolg van verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen zijn derhalve opgenomen in de Aerius Calculator berekening. Volgens de uitspraak van de RvS van 20 januari 2021 is AERIUS niet geschikt voor het berekenen van de depositie van vervoersbewegingen op meer dan 5 km afstand.
Aangezien op circa 7 km van het plangebied Natura 2000-gebied “Hollands Diep” en op circa 10 km “Krammer Volkerak” ligt, dient beoordeeld te worden of er binnen 5 km van het project sprake is van stikstofdepositie. M.b.v. de handreiking – “Bepalen depositie-effect wegverkeer binnen 5km” is berekend of er binnen 5 km van het project sprake is van stikstofdepositie. Aangezien de verwachting is dat de uitbreiding in 2023 is gerealiseerd, is in de AERIUS berekening 2023 gehanteerd als rekenjaar aangezien dan de gebruiksfase naar verwachting volledig in werking is. Middels de NSL-Monitoering wordt er een maximale congestie in de omgeving gevonden van 0,004, wat betekend dat er vrijwel geen stagnatie optreedt. O.b.v. de stagnatiefactoren van Infomil hebben we deze afgerond naar 7% Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
33
stagnerend verkeer, welke voor de genoemde verkeersbewegingen in rekening is gebracht. In de bestaande inrichting alsmede in de nieuwe inrichting na realisatie van de nieuwbouw worden alleen elektrische werktuigen (palletwagens en heftrucks) toegepast, waardoor er tijdens de gebruiksfase geen stikstofemissies zullen optreden t.g.v. mobiele werktuigen. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt er géén rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha./jaar optreden t.p.v. de rekenpunten die zijn bepaald m.b.v. de handreiking – “Bepalen depositie-effect wegverkeer binnen 5km”. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er voor dit project voldoende aangetoond is dat er géén significant negatieve effecten te verwachten zijn voor wat betreft stikstof op de Natura 2000-gebieden. 5.3.4
Waterparagraaf
Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
34
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Huidige situatie Het plangebied is buitendijks gelegen. Daarmee is de locatie niet beschermd tegen hoogwater en is het waterschap niet verantwoordelijk voor enige vorm van wateroverlast en het bouwen aldaar komt voor eigen risico.
Het waterschap is vanwege de veiligheid, afname van de bergingscapaciteit en vermindering van de doorstroming geen voorstander van buitendijks bouwen en probeert het bouwen tussen de waterloop en de kering zoveel mogelijk te voorkomen. In dit geval betreft het echter een aanpassing van reeds voor bebouwing bestemde gronden in een bestaand bedrijventerrein. Met onderhavige ontwikkelingen wijzigen de planologische mogelijkheden. In de huidige situatie mag, planologisch gezien, het volledige plangebied bebouwd worden. In de feitelijke situatie is de locatie echter niet geheel verhard, danwel bebouwd. Het oostelijk deel van de locatie, ter plaatse van de bestaande bedrijfsloods, is volledig verhard. Het westelijk deel van de locatie is vrijwel volledig grasland en dus onverhard. De twee delen worden gescheiden door een A-watergang met een beschermingszone van 5,0 meter aan weerszijde en een lengte van ca. 100 meter en breedte van ca. 2 meter (opp. van ca. 200 m2). Aan de zuidzijde van het perceel ligt de Molenstraat. De bestaande bebouwing heeft een oppervlakte van ca. 5.255 m2. De overige verharding van het terrein betreft ca. 5.520 m2. Het bebouwd en verhard oppervlak bedraagt in de bestaande situatie dus in totaal ca. 10.775 m2. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het bestaande bedrijf aan de westzijde uitgebreid.
De oppervlakte van het toekomstige bedrijfspand bedraagt ca. 10.900 m2. De overige verharding neemt tevens toe. De oppervlakte aan overige terreinverharding bedraagt ca. 7.695 m2. Het bebouwd en verhard oppervlak bedraagt daarmee in de toekomstige situatie ca. 18.595 m2. Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het bebouwd en verhard oppervlak toeneemt met ca. 7.820 m2 (18.595 m2 - 10.775 m2). Bij een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m2 tot en met 10.000 m2 wordt de rekenregel door het waterschap toegepast en moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. Het waterschap hanteert voor de benodigde compensatie de volgende rekenregel: ‘toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) = benodigde compensatie (in m3)’. Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
35
De kaart ‘Gevoeligheid piekafvoeren’ van waterschap de Brabantse Delta geeft voor het plangebied een gevoeligheidsfactor van ‘1’ weer. Op basis van deze rekenregel bedraagt de minimale bergingseis: 7.820 m2 x 1 x 0,06 m = 470 m³. Aan de noordwestzijde van het plangebied wordt een aarde wal en een groenzone aangelegd, die tevens als buffer dient naar de bestaande lintbebouwing aan de Molenstraat (dijk). Een van de opties voor de waterbergingsopgave is een verlaging van het maaiveld (wadi) in de groene bufferzone. Met een diepte van ca. 80 cm en een oppervlakte van ca. 650 m2 kan een bergingscapaciteit van ca 520 m3 gerealiseerd worden. De mate van wegzijging in dit gebied is 0,1-0,5 mm/dag, volgens de infiltratie- en kwelkaart van de provincie. Daarmee kan ruim worden voldaan aan de waterbergingsopgaven van 470 m3. Gezien de buitendijkse ligging van de locatie gaat de voorkeur van het Waterschap Brabantse Delta niet uit naar deze oplossing. Het bedrijf van Krimpen heeft voor het bestaande bedrijfsgebouw en -terrein een separaat waterbergingssysteem aangelegd met een overstort op de Mark. In overleg met het Waterschap Brabantse Delta zal bezien worden of dit systeem uitgebreid kan worden en op een gelijke wijze de waterbergingsopgave voor de uitbreiding van het bedrijf kan afwikkelen.
In de regels is de waterbergingsopgave van 470 m3 gewaarborgd met een voorwaardelijke verplichting. A-watergang De A-watergang zal worden gedempt en één op één worden teruggebracht aan de noordzijde van het plangebied. Deze is op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waterstaat Waterlopen’. De nieuw te graven watergang zal aan de westzijde van de locatie door een duiker ondergrond verbonden worden met de zuidelijke bestaande watergang, hierdoor blijft het watersysteem intact. Voor het vergraven van het oppervlaktewaterlichaam dient een watervergunning aangevraagd te worden. Conclusie Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij regenwater geldt dat lokale lozing van het regenwater in het milieu (al dan niet via een gemeentelijk regenwaterriool) de voorkeur geniet. De voorkeursvolgorde is: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. Dat betekent dat voor de regenwaterafvoer van de nieuwbouw milieuvriendelijke stoffen gebruikt moeten worden en dat uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet mogen worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem) systeem en hebben hierdoor een nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Uit eerder beschreven berekening blijkt dat voor onderhavig plangebied sprake is van een compensatieverplichting van ca. 470 m3 waterberging. Aan deze bergingsopgave kan op verschillende manieren invulling worden gegeven. Bij de verwerking van hemelwater streeft de gemeente Moerdijk naar een gescheiden inzameling. 5.3.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
36
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
Mogelijkheid t/m categorie 2 Molenbiotoop behorend bij Molenstraat 10 Mogelijkheid t/m categorie 3.1 Mogelijkheid t/m categorie 4.1
Figuur 5.5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Kern Standdaarbuiten’. Locatie rood omlijnd. Het plangebied maakt onderdeel van het lokale bedrijventerrein van Standdaarbuiten. Op dit bedrijventerrein zijn bedrijven mogelijk van categorie 2 t/m 4.1 uit de VNG-brochure. In het vigerend bestemmingsplan is reeds al de mogelijkheid om op het plangebied bedrijven te vestigen. Op het noordelijk deel is een categorie 2 bedrijf toegestaan. Op het zuidelijk deel een categorie 3.1 bedrijf. Conclusie Het bedrijf van Krimpen b.v. is een categorie 2 bedrijf (opslag van goederen ten behoeve van de tuinbouwsector) met een richtafstand van 30 meter. Een deel van de bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een groenbestemming. De afstand tussen de bedrijfbestemming en de woonbestemming wordt daarmee vergroot. De feitelijke afstand van de bedrijfsbestemming tot aan de woonbestemming van de reeds bestaande lintbebouwing bedraagt 33 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Tevens kan gesteld worden dat ten aanzien van bedrijven en milieuzonering de planologische mogelijkheden worden beperkt. De bedrijfsbestemming en het bouwvlak worden verkleind en er wordt enkel een categorie 2 bedrijf mogelijk gemaakt.
Ten tijde van de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan ‘Kern Standdaarbuiten’ op 14 maart 2013 is reeds onderbouwd dat op deze locatie een categorie 2 dan wel 3.1 bedrijf mogelijk is. Molenbiotoop Molenstraat 10 Ten westen van de locatie is op ca. 160 meter een molen gelegen, aan Molenstraat 10. De molen is een voormalige stellingmolen die in 1786 werd gebouwd. Vanaf 1858 werd in de loods naast de molen een stoommachine geplaatst, waarmee in windstille perioden kon worden gemalen. Sinds 1921 is de molen echter niet meer in gebruik als werkende molen en werd afgeknot. De huidige molen bestaat enkel nog uit de romp en er wordt gebruikt als expositieruimte/cursusruimte. Voor het functioneren van de molen is een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ opgenomen. Binnen deze gebiedsaanduiding is de volgende regeling van toepassing op de beoogde ontwikkeling: Artikel 28.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop: b. ‘Binnen een afstand van 100 tot 400 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek.’ Geconcludeerd kan worden dat de toekomstige bouwhoogte van de uitbreiding maximaal 5,3 meter (160 m/30) mag bedragen.
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
37
ca. 160 m
Figuur 5.4: Molenbiotoop. Locatie rood omlijnd. Conclusie Op grond van het geldende bestemmingsplan wordt via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid al mogelijk gegeven om voor bedrijfsgebouwen een bouwhoogte van 15 meter te realiseren. Deze hoogte is dus, met vaststelling van het bestemmingsplan ‘Kern Standdaarbuiten’ op 14 maart 2013, al als ruimtelijk aanvaardbaar beoordeeld. Tevens kan gesteld worden dat gezien het feit dat de molen al jaren niet meer actief is als stellingsmolen maar enkel wordt gebruikt als expositieruimte/cursusruimte en daarnaast is afgetopt en geen wieken meer heeft kan geconcludeerd worden dat de beoogde bouwhoogte van 15 meter geen invloed heeft op de werking van de molen. Direct ten zuiden van de molen op een afstand van ca. 20 meter is een bedrijfsgebouw met een bouwhoogte van 8,5 meter mogelijk. Op dit punt wordt al niet voldaan aan de eisen zoals vastgelegd in de vrijwaringszone - molenbiotoop. Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat met de beoogde bouwhoogte van 15 meter de molen niet wordt belemmerd in het gebruik. Gebiedsaanduiding - industrie Over een deel van de locatie is een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - industrie’ opgenomen. Binnen deze zone zijn (nieuwe) woningen toegestaan. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van bedrijfsbebouwing.
Daarmee heeft de gebiedsaanduiding geen negatieve effecten op de ontwikkeling. 5.3.6 Industrielawaai Door Akoestisch adviesburo van Lienden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek, Akoestisch Adviesburo van Lienden, projectnr. P20_93, versie 1, 24 november 2020) naar de optredende geluidbelasting ten gevolge van de bedrijfsvoering na de uitbreiding van het bedrijf van Krimpen. Het akoestisch onderzoek geeft inzicht in de bedrijfsactiviteiten en de optredende geluidniveaus ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen, bestaande woningen in de (directe) omgeving. Er zal worden getoetst aan de van toepassing zijnde geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. De inrichting van Krimpen BV is gelegen op het bedrijventerrein Molenstraat. Tegenover de inrichting zijn een autogarage en een tegelhandel gevestigd met beide een bedrijfswoning. Naast Van Krimpen BV is een verwerker gesitueerd welke gespecialiseerd is in de recycling van kunststof afval. Van Krimpen Bv is een toeleverancier van kunststof producten voor de professionele tuinbouw. Het betreft voornamelijk handel in kunststof potten, schalen, trays en kisten waar planten in gekweekt en vervoerd kunnen worden. Al deze kunststof producten worden door vrachtauto’s aangeleverd en ook weer met vrachtauto’s afgevoerd.
Voor de aan- en afvoer beschikt van Krimpen BV over 6 vrachtauto’s, daarnaast komen er nog verschillende vrachtauto’s van derden. Aangezien het huidige magazijn te klein wordt, is het voornemen om uit te breiden op de kavel achter het bedrijfsgebouw. Het laden en lossen vindt plaats met heftrucks of elektrisch palletwagens bij de 7 laaddokken aan de voorzijde en de 6 nieuwe laaddokken aan de achterzijde. 38
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
Onderzoek Uit de berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 45 dB(A) in de dagperiode en 37 dB(A) in de nachtperiode bedraagt ter plaatse van de woning aan de Molenstraat 39. Dit betreft de woning op het bedrijventerrein. Hiermee wordt ruim voldaan aan de etmaalwaarde van 55 dB(A). Voor de overige woningen bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 33 dB(A) in de dagperiode, waarmee ook ruim wordt voldaan aan de normwaarde van 50 dB(A). De meest maatgevende geluidbronnen zijn de rijdende vrachtauto’s. De hoogste geluidbelasting door piekniveaus treedt op ter plaatse van de woning aan de Molenstraat 39 (op het bedrijventerrein) met een piekniveau van 69 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de normwaarden voor woningen op bedrijventerreinen. Voor de overige woningen wordt met ten hoogste 60 dB(A) in de dagperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode ruim voldaan aan de normwaarde voor piekniveaus. Conclusie Voor de bedrijfsinrichting Van Krimpen b.v. is de geluidbelasting ten gevolge van de exploitatie van de inrichting op gevels van woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddelde en de maximale geluidniveaus niet worden overschreden.
Het aspect industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde bedrijfsuitbreiding. 5.3.7
Wegverkeerslawaai
Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor) wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde geluidsgevoelige objecten langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde. Als aan deze waarde wordt voldaan, is er voor de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan. Als de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, is onderzoek naar mogelijkheden om de geluidsbelasting te reduceren nodig. Als reductie van de geluidsbelasting niet mogelijk is en de maximale grenswaarde niet wordt overschreden, kan een hogere grenswaarde (HGW) worden aangevraagd bij het college van Burgemeester en Wethouders. Vervolgens stelt het Bouwbesluit eisen aan de geluidwering van de gevel. Conclusie Het bestemmingsplan voorziet niet in de realisering van een ‘gevoelig object’.
Daarvan is ingevolge artikel 1 Wgv sprake bij een gebouw dat bestemd is voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf én die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Onder ‘gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf’ wordt verstaan (voor zover in dezen van belang) een gebouw dat op grond van het bestemmingsplan mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Wat betreft dit laatste is relevant dat de Wgv alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. De op het perceel Molenstraat 42 uit te breiden bedrijfsbebouwing zal niet permanent of langdurig worden gebruikt voor menselijk verblijf. De op het perceel op te richten bedrijfsbebouwing heeft een opslagfunctie en geen verblijffunctie. Er zal hooguit sprake zijn van kortstondig menselijk verblijf, zoals in verband met het laden en lossen van goederen. Bovendien zal het laden en lossen van goederen niet elke dag door dezelfde personen plaatsvinden. En ook is geen sprake van een continue bedrijfsvoering, waarbij ook ’s nachts personen aanwezig zijn.
Derhalve zullen er geen personen gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid in de bedrijfsbebouwing verblijven en zal de bebouwing dan ook niet op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze worden gebruikt. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai vanwege de omliggende wegen is vanuit de Wgh dan ook niet noodzakelijk.
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
39
5.3.8 Luchtkwaliteit Sinds 2007 is de nieuwe Wet luchtkwaliteit in werking getreden. In deze wet zijn grenswaarden opgenomen die bindend zijn voor de overheid. In de wet wordt aangegeven dat bij uitoefening van bestuurlijke bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit ten aanzien van een bepaalde luchtverontreinigende stof de betreffende grenswaarden in acht moeten worden genomen. Omdat grenswaarden bindend zijn, stellen ze beperkingen aan activiteiten waardoor overschrijding van de grenswaarden voor de buitenluchtkwaliteit geldt. Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekenende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang).
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van in betekenende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het doel van deze tool is: • Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. • Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten.
• Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekende mate. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
276
Aandeel vrachtverkeer
60,0%
NO2 in μg/m3
1,13
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
PM10 in μg/m3
0,15 1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 5.6: NBIM-tool Conclusie Uitgaande van het verkeersonderzoek dat is uitgevoerd door RA infra neemt het aantal verkeersbewegingen toe met ca. 275,5 voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde). Een inschatting van het aantal verkeersbewegingen op basis van de door CROW voor verkeersgeneratie gepubliceerde kencijfers leidt voor de beoogde bedrijfsuitbreiding tot een overschatting van het aantal voertuigbewegingen. Zelfs met een aanname dat als gevolg van de bedrijfsuitbreiding ca. 276 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) van en naar de locatie zullen plaatsvinden, zal de bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit niet in betekende mate is, zie bovenstaande afbeelding. 40
Molenstraat te Standdaarbuiten Ontwerp bestemmingsplan - 11 januari 2022
5.3.9 Verkeer De bedrijfsuitbreiding bij Van Krimpen leidt tot meer (vracht)verkeersbewegingen in de omgeving. Door RA infra BV is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Verkeersonderzoek bedrijfsuitbreiding van Krimpen bv, RA infra, projectnr. 20100.1 D14, 25 november 2020) om te bezien of de samenhangende (vracht)verkeersbewegingen goed worden afgewikkeld door de bestaande infrastructuur in de directe omgeving van de planlocatie. Onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat, uitgaande van de CROW kencijfers, na uitbreiding op een werkdag minimaal ca. 300 extra verplaatsingen worden verwacht (auto en vrachtwagen). Na overleg met Van Krimpen wordt een dergelijke toename als niet realistisch beschouwd. Dit wordt tevens bevestigd door verkeersgegevens van de gemeente Moerdijk. Bij verkeerstellingen op de Molendijk in 2017 en 2018 zijn per etmaal gemiddeld 80 tot 90 vrachtwagens geteld. Het bedrijf schat het totaal aantal verplaatsingen na uitbreiding in op 60 à 70 per dag. Dit is inclusief ca. 20 vrachtautobewegingen per dag. Het totaal is niet alleen van de uitbreiding maar ook van de bestaande bedrijfsvoering. Wanneer de verkeerstoename als gevolg van de uitbreiding ca. 30 extra verplaatsingen met zich mee brengt is dit zo’n 10% van het berekend aantal aan de hand van de CROW-kencijfers.