Bijlage 1 - Onderbouwing vestiging transportbedrijf Westgaag nabij nr 50 Maasland
Tekst van het document
5.5.1 Kader Voor een duurzame en hoogwaardige toekomst van de fysieke leefomgeving moet het belang van watersystemen worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bouw- en herinrichtingsprojecten kunnen grote gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Door de mogelijke effecten in kaart te brengen en het waterbelang mee te nemen in het project, kunnen problemen met water worden voorkomen. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
21 Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid.
Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
22 ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap van Delfland – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) ‘WaterwerkWatermerk’ vastgesteld.
Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 20162021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen.
In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Hoogheemraadschap. De Legger Wateren is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Beleid gemeente Waterplan Midden-Delfland Het gemeentelijk waterbeleid is vastgelegd in het Waterplan Midden-Delfland, dat uit drie delen bestaat: de watervisie, het waterstructuurplan en het uitvoeringsplan. Het waterplan is gebiedsgericht waarin alle samenhangende thema's rond het waterbeheer aan bod komen. De watervisie is uitgewerkt in het waterstructuurplan, dat op zijn beurt op kaart en in beschrijving weergeeft wat de opgave in de polders van
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
23 Midden-Delfland is. Ook zijn in het structuurplan afspraken opgenomen over de wijze waarop de wateropgave wordt gerealiseerd. Concrete maatregelen en procesafspraken zijn gebundeld in het uitvoeringsprogramma. 5.5.2 Onderzoek Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het projectgebied bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit verharding. Er bevinden zich geen oppervlaktewateren of kunstwerken in het projectgebied. zie afbeelding 5.2.
Afbeelding 5.1: Uitsnede leggerkaart Hoogheemraadschap van Delfland
Waterkwantiteit en watercompensatie Met voorgenomen gebruikswijziging vindt niet direct een toename in verharding plaats. Bij een toename van meer dan 500 m2 is compenserende waterberging door middel van oppervlaktewater benodigd. Het gaat dan om een compensatie van 10% van de toename aan verhard oppervlak. Waterkwaliteit Voor nieuwe ontwikkelingen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Bij toekomstige (bouw)werkzaamheden zullen niet-uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt, waardoor wordt voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
24 Veiligheid en wateroverlast Zoals blijkt uit de leggerkaart van het hoogheemraadschap ligt het projectgebied niet binnen of nabij een beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Zodoende vormt waterveiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Daarnaast moet de gemeentelijke riolering bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.5.3 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft water en klimaatadaptatie niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.6
Milieuzonering (geluid en geur door activiteiten)
5.6.1 Kader Geluid door activiteiten Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf) - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen) De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen.
In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
25 van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving.
Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.6.2 Onderzoek Zoals reeds beschreven in paragraaf 2.2. zijn er ter plaatse van de vigerende bestemming ‘Bedrijf – 2’ ten hoogste categorie 2 van de ‘Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten’ toegestaan. Daarnaast zijn agrarisch aanverwante bedrijven, of daarmee gelijk te stellen bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1, toegestaan. Martson verricht de activiteit goederenvervoer over de weg, meer specifiek het vervoeren van agrarische producten. Martson vervoert onder andere substraat (bodemverbeteraar), compost (mest bestaande uit organische afvalstoffen), opgezakte potgrond, meststoffen en tomaten. Het staat echter niet vast dat Martson uitsluitend of overwegend gericht is op het vervoer van (agrarische) producten aan agrarische bedrijven. Een transportbedrijf wordt aangemerkt als een categorie 3.2 bedrijf. Derhalve is er voor gekozen om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aan te vragen, waarmee de specifieke activiteiten die Martson uitoefend, juridisch-planologisch worden ‘gelegaliseerd’.
Geluid door activiteiten Onder de VNG-brochure hoorde bij een 3.2 bedrijf in een gemengd gebied een richtafstand van 50 meter voor geluid. Aan deze 50 meter wordt niet overal voldaan. De precieze bedrijfssituatie is daarom middels een geluidonderzoek inzichtelijk gemaakt, zie paragraaf 5.7. De berekende geluidsniveaus zijn getoetst aan de geluidsvoorschriften uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geluidsvoorschriften uit het Omgevingsplan van de Gemeente Midden-Delfland. Geur door activiteiten Onder de VNG-brochure hoorde bij een 3.2 bedrijf in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor geluid. Hier wordt aan voldaan. Met voorliggende aanvraag worden daarnaast geen geurgevoelige gebouwen en/of geurveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Er zijn daarom vanwege geur geen negatieve effecten op het welzijn en de gezondheid van mensen te verwachten.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
26 5.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft geluid en geur niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.7
Geluid
5.7.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. 5.7.2 Onderzoek Door AV Consultancy is een geluidonderzoek uitgevoerd. Het rapport van het geluidonderzoek is bijgevoegd als bijlage 1. Uit de resultaten van het voorliggend onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: 1. Het LAr,LT bedraagt maximaal 41 dB(A) ter plaatse van toetspunt 08_B (woning Westgaag 56). Er wordt voldaan aan het geluidsvoorschrift van maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. De berekende LAmax -niveaus voldoen aan de Standaardwaarde van maximaal 70 dB(A) voor geluid veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen en aan de Standaardwaarde van maximaal 65 dB(A) voor geluid veroorzaakt door andere piekgeluiden, zoals genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er wordt echter niet voldaan aan de oorspronkelijke waarde van maximaal 60 dB(A) in de nachtperiode uit het huidige Omgevingsplan.
Om in het kader van ETFAL een goed woon- en leefklimaat te waarborgen kan het bevoegd gezag maatregelen eisen om de LAmax-niveaus te reduceren. De waarden uit het Omgevingsplan zijn daarbij een goed uitgangspunt. Dat wil zeggen maximaal 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode, waarbij LAmax-niveaus ten gevolge van laden en lossen in de dagperiode uitgezonderd zijn van beoordeling. 3. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor het LAeq ten gevolge van de indirecte hinder wordt overschreden op de gevels van de woningen die langs de Burgerweg gelegen zijn. Het LAeq ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt ten hoogste 58 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woning aan de Burgerweg 24. Er wordt dus nog wel voldaan aan de maximale grenswaarde van 65 dB(A). Het binnenniveau mag in de woningen niet meer bedragen dan 35 dB(A) ten gevolge van de indirecte hinder. De geluidwering van de gevels van de woningen dient daarom minimaal 58 – 35 = 23 dB(A) te bedragen. De betreffende woningen langs de Burgerweg betreffen allemaal moderne woningen met stenen gevels. Het ligt in de verwachting dat de karakteristieke geluidwering van de gevels (GA;k) van de woningen minimaal 23 dB(A) zal bedragen. Op grond van het Bbl dient de karakteristieke geluidwering van de gevels (GA;k) namelijk al minimaal 20 dB(A) te bedragen.
Langs drukke wegen, zoals de Burgerweg, is de geluidwering van de gevels van woningen in de regel nog veel hoger. 4. Na het plaatsen van een 2,5 meter hoog gesloten fietsenhok en een 2,0 meter hoog geluidsscherm langs de zuidoostelijke rand van de parkeerplaats zal ter plaatse van de woning aan de Westgaag 56 worden voldaan aan een LAmax-waarde van maximaal 60 dB(A) (ten gevolge van het sluiten van autoportieren). 5. Bij de woning aan de Kralingerhoek 5 wordt de overschrijding van de geluidseisen voor LAmax veroorzaakt door het afblazen van remlucht. Het plaatsen van een geluidscherm rondom het parkeerterrein voor de vrachtwagens is echter niet realistisch. Omdat de vrachtwagens bijna overal op het terrein geparkeerd kunnen worden zou dit een zeer hoog en zeer lang geluidsscherm moeten zijn. Dit is praktisch niet realiseerbaar. Derhalve wordt het bevoegd gezag verzocht om voor de LAmax-niveaus die worden veroorzaakt door het afblazen van remlucht uit te gaan van de Standaardwaarde van 65 dB(A) uit het Besluit
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
27 kwaliteit leefomgeving. Het LAmax -niveau ligt bij slechts één woning (namelijk de Kralingerhoek 5) hoger dan de oorspronkelijke geluidseis van 60 dB(A) in de nachtperiode uit het Omgevingsplan. NB: In de toekomst (de komende 10 jaar) zal nagenoeg het gehele wagenpark van Martson B.V. vervangen worden door elektrische vrachtwagens. Hierdoor zullen de geluidsniveaus in de toekomst lager worden. Dit geldt ook voor de indirecte hinder via de openbare weg. Het akoestisch onderzoek is door de Omgevingsdienst Haaglanden beoordeeld en akkoord bevonden onder opmerkingen. De omgevingsdienst adviseert: - Het niet in werking hebben van koelmotoren op het terrein te borgen, bijvoorbeeld als voorwaarde bij de vergunning. Daarbij kan worden meegenomen dat geen tankinstallatie op het terrein wordt gerealiseerd. - Met betrekking tot de woningen Westgaag 56 en Kralingerhoek 5 uit te gaan van de pieknorm uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangezien in beide gevallen aan de grenswaarde voor het binnenniveau wordt voldaan en er geen aanleiding is om de woningen verschillend te behandelen. Daarnaast merkt de omgevingsdienst op dat het goed is om kennis te nemen van diverse aandachtspunten in het rapport, zoals de gehanteerde aannames en rekenmethodiek, maar dat deze geen aanleiding geven tot aanpassing van het onderzoek.
Gezamenlijk en gecumuleerd geluid In het kader van een Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (ETFAL) zal er ook gekeken moeten worden of er ter plaatse va de woningen in de omgeving sprake is va een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij dient ook de cumulatieve geluidsbelasting onderzocht te worden ten gevolge van Martson B.V., de overige in de omgeving gelegen bedrijven en het wegverkeerslawaai. Hierop is ingegaan in een separate rapportage, welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze onderbouwing. Uit de resultaten van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: - Het Gezamenlijk geluid op de gevels van de omliggende woningen rondom het terrein van Martson aan de Westgaag 50 ligt tussen 42 en 66 dB. Het Gecumuleerd geluid ligt tussen 45 en 66 dB. - Afhankelijk van welke gevel er beoordeeld wordt, is het woon- en leefklimaat op basis van de Methode Miedema te beoordelen als “goed” tot “slecht”. - Het bevoegd gezag zal op basis van het bovenstaande een afweging moeten maken of deze geluidsbelasting voor de onderhavige situatie aanvaardbaar is. Hierbij dient in overweging te worden genomen dat het wegverkeerslawaai maatgevend is op de gevels waar er sprake is van een hoge geluidsbelasting en niet het geluid dat afkomstig is van Martson.
De geluidsbelasting die veroorzaakt wordt door de activiteiten van Martson is relatief laag en bedraagt maximaal 38 dB uitgedrukt als Lden en maximaal 41 dB(A) uitgedrukt als LAr,LT (zie rapport 2006007416-20232588i-4 van 16 maart 2026). De geluidsbelasting van Martson draagt niet in betekende mate bij aan het Gezamenlijk geluid en het Gecumuleerd geluid. Het onderzoek naar gecumuleerd en gezamenlijk geluid is door de Omgevingsdienst Haaglanden beoordeeld en akkoord bevonden onder opmerkingen. De omgevingsdienst adviseert om voor de woningen Westgaag 56 en Kralingerhoek 5 uit te gaan van de pieknorm uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), in lijn met de beoordeling van het akoestisch onderzoek. De omgevingsdienst merkt op dat in het onderzoek naar het gecumuleerd geluid ook geluid van niet-gezoneerde bedrijven is meegenomen, waardoor de berekende waarden hoger uitvallen. Daarbij wordt aangegeven dat feitelijk het wegverkeerslawaai bepalend is voor de geluidbelasting. Dit heeft geen invloed op de conclusies, waardoor aanpassing van het rapport niet noodzakelijk is. Daarnaast is in de berekeningen een maatregel in de
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
28 vorm van een gesloten fietsenhok met scherm meegenomen, terwijl deze volgens de beoordeling niet noodzakelijk is. Het weglaten van deze maatregel leidt echter niet tot andere conclusies. 5.7.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft geluid niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.8
Omgevingsveiligheid
5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.
De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. • Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. 5.8.2 Onderzoek en conclusie Voor de beoordeling of in de omgeving van het projectgebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.
De locatie ligt binnen een aantal gifwolkaandachtsgebieden van verschillende Seveso-inrichtingen. Seveso-inrichtingen zijn bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Voor nieuw te bouwen kwetsbare gebouwen die in een gifwolkaandachtsgebied zijn gelegen gelden generieke eisen op basis van het Bbl. Met voorliggende aanvraag worden echter geen nieuwe kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
29 Daarnaast worden er geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Onderdeel van de bedrijfsactiviteiten van Martson is het incidenteel vervoeren van gevaarlijke stoffen (ADR). Dit zijn enkel de lichtere categorieën, er wordt niet met explosieve, gassen of vloeistoffen gereden. Daarnaast zijn de producten vaak verpakt en worden in vrijwel alle gevallen direct van A naar B vervoerd. Er vindt geen opslag plaats van gevaarlijke stoffen op het bedrijventerrein zelf. 5.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft omgevingsveiligheid niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.9
Natuur en ecologie
5.9.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. 5.9.2 Onderzoek Soortenbescherming Voorliggende aanvraag voorziet niet in sloop- of bouwwerkzaamheden. Er zijn dus geen negatieve effecten te verwachten op eventueel aanwezige, beschermde flora- en fauna in en rond het plangebied. Gebiedsbescherming Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd.
De volledige rapportage inclusief berekeningen is te raadplegen in bijlage 4. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
30 kan worden dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. De ODH heeft de rapportage op 6 mei 2026 goedgekeurd. 5.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft natuur en ecologie niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente MiddenDelfland bevindt zich in het aandachtsgebied Den Haag/Leiden voor luchtkwaliteit. 5.10.2 Onderzoek Op basis van het aantal verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.3) is beoordeeld of het gebruik past binnen een standaardgeval dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie
2025
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
166
Aandeel vrachtverkeer
42,0%
NO2 in μg/m3
0,72
PM10 in μg/m3
0,06
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 5.2 NIBM-tool
Ook uit de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. 5.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft luchtkwaliteit niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.12 Trillingen 5.12.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen;
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
31 het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 5.12.2
Onderzoek en conclusie Binnen het gebied zijn reeds verschillende mogelijk trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Door de verkeersbewegingen maar ook de bedrijfsmatige activiteiten, kunnen trillingen worden veroorzaakt. Er zijn op dit moment geen installaties in het bedrijf die relevante trillingen veroorzaken. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. Door AV-Consultancy is daarnaast een trillingsprognose uitgevoerd. Het betreft een prognose van de te verwachten trillingsniveaus ter plaatse van drie woningen in de directe omgeving van de parkeerplaats. De rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij dit document. Er wordt volgens de prognoseberekeningen voldaan aan de grenswaarden uit de SBR-richtlijn A en de SBR-richtlijn B. De kans op trillingshinder of -schade ter plaatse van de woningen aan de Kralingerhoek en de Burgerweg is verwaarloosbaar klein.
5.12.3
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft trillingen niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.13
Cultuurhistorie en archeologie
5.13.1
Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Erfgoedwet deels opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). In de Omgevingswet staan de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hierin staan bijvoorbeeld onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die tot 1 januari 2024 in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. De bevoegdheden en beschermingsniveaus zijn in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
32
Provinciaal beleid De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Gemeentelijk beleid De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijk archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het omgevingsplan. 5.13.2
Onderzoek en conclusie Op basis van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland is de Westgaag aangeduid als landschappelijke lijn van redelijk hoge waarde. In het vigerende bestemmingsplan ‘Kralingerhoek – Verboon’ kent het gebied de dubbelbestemming ‘'Waarde - Archeologie - 3'. Voor deze gebieden (met een hoge archeologische verwachting) geldt dat bij geplande verstoringen boven 50 m2 of dieper dan 0,40 m beneden maaiveld archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Met deze BOPA-vergunning worden geen bouwof graafwerkzaamheden aangevraagd. De onderzoeksplicht bij toekomstige (bouw)vergunningen blijft in tact. De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft cultuurhistorie en archeologie niet evident onuitvoerbaar en heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
5.14
Duurzaamheid
5.14.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie.
Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
33 Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer.
Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm. 5.14.2
Onderzoek en conclusie Voorliggende aanvraag voorziet niet in zaken waarvoor specifieke duurzaamheidseisen gelden. In de toekomst (de komende 10 jaar) zal nagenoeg het gehele wagenpark van Martson B.V. vervangen worden door elektrische vrachtwagens, waarmee de bedrijfsvoering wordt verduurzaamd. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
34
6
Maatschappelijke en financiële haalbaarheid
6.1
Financiële haalbaarheid In de voorbereidende fase van een BOPA moeten het bevoegd gezag en de initiatiefnemer aandacht besteden aan het verzekeren van de financiële uitvoerbaarheid van de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd. Het uitgangspunt is dat medewerking aan een BOPA alleen aan de orde is als de activiteiten waarvoor vergunning verleend wordt, niet financieel onuitvoerbaar zijn. Het aspect van kostenverhaal speelt daarbij een rol. Met het plan is echter geen sprake van een kostenverhaalsplichtige activiteit. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
6.2
Maatschappelijke haalbaarheid Voorgenomen vergunning voorziet in het ‘legaliseren’ van reeds aanwezige activiteiten op het bedrijventerrein. Al jaren wordt het bedrijventerrein gebruikt door agrarische (transport)bedrijven, met bijbehorende milieuhinder en verkeersbewegingen. Hierin hebben geen aanwijsbare, grote wijzigingen plaatsgevonden. Het gebruik van het terrein door Martson past daarnaast binnen de eerdere uitgangspunten voor het bedrijventerrein zoals opgenomen in de bestemmingsplannen Kralingerhoek en Kralingerhoek-Verboon. Op woensdag 18 maart 2026 zijn de bewoners van Westgaag 42a tm 60 alsmede de bewoners en gebruikers van Kralingerhoek uitgenodigd voor informatie en overleg betreffende de vestiging en de bouw van een kantoor van Martson. Na het tonen van een presentatie is door de aanwezigen van gedachten gewisseld over de voorgenomen nieuwbouw en de bedrijfsvoering van Martson. De aanwezigen hadden geen opmerkingen of kritiekpunten. Daarnaast is door de adviseur van de initiatiefnemer gesproken met de bewoners van de Burgerweg 5. Het verslag van de participatie is op 28 mei 2026 toegezonden aan de bewoners. Hiermee is naar mening van de initiatiefnemer voldoende mogelijkheid geboden tot participatie. Tegen de vergunning staat daarnaast bezwaar en beroep open. Hiermee wordt de maatschappelijke haalbaarheid voldoende geacht.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
35
7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
7.1
Kader Voor de BOPA-procedure gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de BOPA alleen wordt verleend als:
• •
er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl.
Op grond van artikel 4.2 Ow moet het omgevingsplan – en BOPA‘s – er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeentefuncties evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Voor een vergunning die buitenplans wordt verleend geldt dit vereiste eveneens. Dit vereiste is in feite een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan of een BOPA bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. ‘Evenwichtig reguleren van activiteiten’ impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan dan wel de afweging die in een BOPA wordt gemaakt.
7.2
Afweging Op basis van de voorgaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen gebruik van het perceel aan de Kralingerhoek ten behoeve van het transportbedrijf Martson past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoewel de activiteiten niet volledig passen binnen de huidige regels van het omgevingsplan, biedt de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een passend juridisch-planologisch kader om het bestaande gebruik te legaliseren. Uit de toetsing aan het relevante rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid blijkt dat de ontwikkeling hiermee in overeenstemming is en geen strijd oplevert met beleidsuitgangspunten. Daarnaast is aangetoond dat de ontwikkeling geen significante negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Ook vanuit milieukundig oogpunt is sprake van een aanvaardbare situatie, waarbij eventuele effecten binnen geldende normen blijven en waar nodig mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen. De ontwikkeling draagt bovendien bij aan het behoud van lokale bedrijvigheid en sluit aan bij de bestaande functie van het bedrijventerrein. Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat de voorgenomen BOPA-vergunning in redelijkheid kan worden verleend.
BOPA Kralingerhoek, Martson – Maasland 3 juni 2026
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek, AV-Consulting B.V., 22 mei 2025
Rapport 2006007416-20232588i-4 31 maart 2026
AKOESTISCH ONDERZOEK Martson B.V. Westgaag 50 Maasland
Adviseur ing. G. van Pelt
INHOUDSOPGAVE
Blz.
Inhoudsopgave 1. INLEIDING ......................................................................................................................... 1 1.1. Algemeen ................................................................................................................ 1 1.2. Gegevens ................................................................................................................. 1 2. BEDRIJFSGEGEVENS ............................................................................................................ 3 2.1. Situatie .................................................................................................................... 3 2.2. Activiteiten .............................................................................................................. 4 2.3. Werktijden ............................................................................................................... 5 2.4. Representatieve bedrijfssituatie ............................................................................... 5 3. GELUIDSBRONNEN ............................................................................................................ 7 3.1. Algemeen ................................................................................................................ 7 3.2.
Geluidsbronnen ....................................................................................................... 7 4. WETTELIJKE KADER ............................................................................................................ 9 4.1. Omgevingsplan ........................................................................................................ 9 4.2. Besluit kwaliteit leefomgeving................................................................................ 10 4.3. Meet- en rekenmethode geluid industrie ................................................................ 11 5. RESULTATEN .................................................................................................................... 12 5.1. Rekenresultaten representatieve bedrijfssituatie .................................................... 12 5.2. Indirecte hinder ..................................................................................................... 13 6. MAATREGELEN / MOTIVATIE LAmax.................................................................................... 15 6.1. Woning Westgaag 56 ............................................................................................. 15 6.2. Woning Kralingerhoek 5......................................................................................... 17 7.
CONCLUSIES ................................................................................................................... 18 BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4.
BEREKENING BRONVERMOGENS INVOERGEGEVENS BEREKENBLADEN FIGUREN
© 2026 AV-CONSULTING B.V. RI Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd of openbaar worden gemaakt in de ruimste zin des woords zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Ingenieursbureau AV-CONSULTING B.V., noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
AV-Consulting B.V., RI
Rapport 2006007416-20232588i-4
Bladzijde 1
1. INLEIDING 1.1. Algemeen In opdracht van de firma Martson B.V. is door AV-CONSULTING B.V. RAADGEVENDE INGENIEURS een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Martson B.V. is een logistiek dienstverlener voor zowel bulkmaterialen als goederen. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidsimmissie in de omgeving vanwege de ingebruikname van een parkeerterrein aan de Westgaag 50 te Maasland. De hoofdvestiging van het transportbedrijf is gevestigd aan de Coldenhovelaan 10 in De Lier op ongeveer 2600 meter rijafstand van het parkeerterrein aan de Westgaag 50. Het akoestisch onderzoek heeft alleen betrekking op het parkeerterrein aan de Westgaag 50. Aanleiding tot het onderzoek is een BOPA-procedure (Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) in het kader waarvan een aanvullend akoestisch onderzoek wordt gevraagd. De berekende geluidsniveaus zijn getoetst aan de geluidsvoorschriften uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ten behoeve van het onderzoek zijn geluidsmetingen verricht met behulp van precisie geluidmeet- en registratieapparatuur (IEC 61672-1 class 1 en IEC 61260 class 0). De geluidsimmissie in de omgeving is middels een rekenmodel bepaald conform de ‘Meet- en rekenmethode geluid industrie’ met behulp van Geomilieu V2025.2 rev 2.
1.2. Gegevens Ten behoeve van het onderzoek is gebruik gemaakt van de navolgende gegevens: 1. Bedrijfstijdgegevens van de inrichting volgens opgave Maurice van Oosten van het bedrijf en het eerder door ons bureau uitgevoerde akoestische onderzoek met rapportnummer 2006007416-20232588i-2 van 23 oktober 2023. 2. Geluidsmetingen om de akoestische bronvermogens te bepalen van de eigen vrachtwagens van het bedrijf, verricht op donderdag 12 maart 2026 op het terrein van Martson aan de Westgaag 50. 3. Gegevens met betrekking tot de ligging en de hoogte van de gebouwen zoals gedownload via PDOK (geïmporteerd als GeoPackage-bestanden). 4. Luchtfoto van de inrichting en de omgeving (digitale ondergrond). 5. Schetsontwerp en situatietekening van het terrein aan de Westgaag 50. 6. Diverse gegevens met betrekking tot akoestische bronvermogens, waaronder bijvoorbeeld: • onderzoeksrapporten van het Ministerie van VROM; • publicaties van het Nederlands Akoestisch Genootschap (NAG); • rapport RA730-1, d.d. 14 juni 1999 van Transport en Logistiek Nederland inzake de geluidsvermogens van vrachtwagens bij lage snelheden; • eigen meetgegevens uit andere onderzoeken. 7. De memo ‘Kentallen: bronvermogens’ van 14 mei 2014 van de Omgevingsdienst Haaglanden waarin een lijst met kentallen van bronvermogens van voertuigen is opgenomen. 8. De geluidsvoorschriften uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. 9.
Meet- en rekenmethode geluid industrie, zoals beschreven in bijlage IVh van de Omgevingsregeling.
PB.705,2800AS GOUDA
0182–35 23 11 geluid@av-consulting.nl
0182–35 47 11
AV-Consulting B.V., RI
Rapport 2006007416-20232588i-4
Bladzijde 2
10. Circulaire van 29 februari 1996 van het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (MBG 96006131) "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (Schrikkelcirculaire).
PB.705,2800AS GOUDA
0182–35 23 11 geluid@av-consulting.nl
0182–35 47 11
AV-Consulting B.V., RI
Rapport 2006007416-20232588i-4
Bladzijde 3
2. BEDRIJFSGEGEVENS 2.1. Situatie Het betreffende parkeerterrein bevindt zich aan de Westgaag 50 te Maasland. Het betreft een groot terrein dat omsloten wordt door de weg de Kralingerhoek aan de noordwest- en noordoostzijde en door de Westgaag aan de zuidzijde. Rondom het terrein zijn in de directe omgeving meerdere bedrijven en woningen gelegen. Het noordelijke deel van het terrein aan de Westgaag 50 wordt gebruikt als parkeerplaats voor de eigen vrachtwagens. Er is plaats voor maximaal circa 50 vrachtwagens. Het zuidwestelijke deel van het terrein is in gebruik als parkeerplaats voor personenwagens van bezoekers en personeel. Op het middendeel van het terrein zal op termijn een nieuw bedrijfspand worden gerealiseerd, voorzien van een werkplaats, geheel inpandig laaddock, opslagruimte en een kantoorgedeelte. Het terrein wordt ontsloten via de Kralingerhoek. Er is een inrit aan de oostzijde voor de aankomende voertuigen en een uitrit aan de noordzijde voor de vertrekkende voertuigen. Aan de zuidzijde bevindt zich ook een ontsluiting, maar deze zal slechts beperkt gebruikt worden, namelijk alleen in de dagperiode worden en alleen door personenwagens. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich aan de zuidzijde aan de Westgaag 48, 50a, 52 en 56 op een afstand van 5 tot 10 meter vanaf de parkeerplaats voor personenwagens en de zuidelijke inrit.
Aan de noordzijde bevindt de dichtstbijzijnde woning zich aan de Kralingerhoek 5 op een afstand van circa 45 meter vanaf de kadastrale terreingrens. Daarnaast liggen ook de woningen aan de Westgaag 3, 42, 42a, 50 en 60 en de woning aan de Burgerweg 4 binnen de invloedsfeer van de te realiseren inrichting. Deze woningen liggen echter op grotere afstand van de inrichting dan de hierboven genoemde woningen. Voor de indirecte hinder (dat wil zeggen het verkeer van en naar de inrichting via de openbare weg) zijn de woningen langs de Burgerweg van belang. Dit betreft de woningen aan de Burgerweg 3, 4, 5a, 7a, 9, 13, 15, 17a, 22, 24 en 26. Zie figuur 1 voor een situatieschets van de situatie.
PB.705,2800AS GOUDA
0182–35 23 11 geluid@av-consulting.nl
0182–35 47 11
AV-Consulting B.V., RI
Rapport 2006007416-20232588i-4
Bladzijde 4
P vrachtwagens
Terrein
Figuur 1: Situatieschets situatie aan de Westgaag 50 2.2. Activiteiten De aard van de inrichting is een transportbedrijf. De activiteiten die van belang zijn voor de geluidsemissie van het terrein aan de Westgaag 50 zijn: 1. aankomst en vertrek van personenwagens en vrachtwagens; 2. diverse werkzaamheden in de werkplaats, waarvan slijpwerkzaamheden het meest relevant zijn; 3. het in werking zijn van een afzuiging/ruimteventilatie op het dak van het bedrijfspand; 4. maximale geluidsniveaus (piekgeluiden; LAmax) veroorzaakt door het optrekken van vrachtwagens, het afblazen van remlucht en het sluiten van autoportieren.
PB.705,2800AS GOUDA
0182–35 23 11 geluid@av-consulting.nl
0182–35 47 11
AV-Consulting B.V., RI
Rapport 2006007416-20232588i-4
Bladzijde 5
2.3. Werktijden Bij de berekening is van de gebruikelijke periodes uitgegaan conform het Omgevingsplan van de Gemeente Westland en het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat wil zeggen: - dagperiode tussen 07.00 – 19.00 uur; - avondperiode tussen 19.00 – 23.00 uur; - nachtperiode tussen 23.00 – 07.00 uur. Er kunnen op het terrein 24 uur per dag voertuigbewegingen plaatsvinden. In de werkplaats zal alleen geluid gemaakt worden tussen circa 08:00 en 17:00 uur. Het kantoor wordt alleen gebruikt in de dagperiode (07:00 – 19:00 uur). 2.4. Representatieve bedrijfssituatie In het onderzoek is het van belang dat de bedrijfsactiviteiten worden omgerekend naar een representatieve dag. Hierbij worden alle activiteiten die mogelijk op één werkdag kunnen plaatsvinden meegenomen. Hierdoor ontstaat een worst case scenario. Het aantal gemodelleerde activiteiten en de bedrijfsduur hiervan zal op de meeste werkdagen lager zijn. De voertuigen manoeuvreren stapvoets op het terrein. Voor het onderzoek zijn de aantallen verkeersbewegingen aangehouden zoals weergegeven in tabel 1. Deze aantallen voertuigbewegingen zijn gebaseerd op een telling van het daadwerkelijke aantal ritten die gedurende circa 2 weken bij terrein aan de Westgaag 50 optraden. Tabel 1: Overzicht van het aantal verwachte voertuigbewegingen (gebaseerd op daadwerkelijke aantallen uit een telling van het aantal ritten) Perioden